Pagina's

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com
Posts tonen met het label Hambos. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hambos. Alle posts tonen

dinsdag 30 augustus 2011

Enige mooie boeken

Soms mag het geluk ook al eens meespelen. Dat is me de laatste weken een paar keer overkomen. Voor een kleine prijs een paar grote boeken binnenhalen, daar kan je hart weer even van kloppen.

Groot in zijn kleinheid is het schriftje dat ik hier naast me heb. In de hoogte net 10 centimeter, terwijl het zes centimeter en zeven millimeter breed is, is dit gelijnde cahiertje met zijn glanzend zwarte hemd van stevig kartonpapier van een vooroorlogse eenvoud. Ik meen me dit soort van "calepins" nog uit mijn prille jeugd te herinneren, maar het handschrift geeft me de indruk eerder uit de periode tussen beide oorlogen te stammen. Een zinsnede uit de tekst geeft richting aan: het kleine boekje is mogelijk een fabricage van een legeraalmoezenier geweest: "O Maria, hulp der Christenen, bidt voor onze kristen soldaten." Christenen en kristen broederlijk naast mekaar. Gezien het formaat was dit zakboekje ideaal om gemakkelijk overal meegedragen te worden.

De inhoud is een litanie van Maria der Zeven Smarten. Op meerdere plaatsen is de verwijzing naar het sterven in afwezigheid van ouders en familie expliciet: "Begraven worden in het vaandel dat gij tot de dood getrouw geweest zijt..." ... het moet uit die omgeving komen. Maar het is moeilijk te zeggen of we nu met een gebedsboekje uit de Eerste- dan wel Tweede Wereldoorlog te maken hebben.

Helaas hebben de muizen het gevonden, en sommige bladen gedeeltelijk vernield.  Ik ga trachten met een vergroting toch nog zo veel mogelijk van de tekst te herstellen. Een opvallend gegeven aan deze tekst is de vermelding, op het einde van deze litanie: "Réproduction interdite". De auteur was niet van plan zijn zalvende woorden door een ander te laten inpikken. Enige bladzijden zijn er ook uitgescheurd, waarschijnlijk om enige nota's te nemen  en door te geven, of om de papiertjes te vernietigen wanneer de genoteerde opdracht op één of andere manier is uitgevoerd. In een ander handschrift, en met een andere pen staat achteraan genoteerd: Oorlogskruisweg 1914-1918. Zonder verdere mogelijkheid om enige uitleg te geven.

Helemaal op het einde staat er in potlood nog een versje genoteerd.

Maintenant une amitié 
Plus tard une pensée
A ma mort une larme
Sur ma tombe une prière.

De neerslag van een trieste, zware opdracht op enige vierkante centimeter samengeperst, en wegens inflatie en muizenissen gewaardeerd op 0,50 euro.

Volksschrijvers krijgen zelden grote erkenning. Zij schrijven geen hoogdravende romans, waarvan de boodschap een rechtstreekse impakt hebben op het verdere verloop van de maatschappij. Maar ze hebben toch wel hun publiek. Lode Zielens is zo één van die auteurs, die misschien niet tussen de plooien van de literaire geschiedenis gevallen zijn, maar geef toe, ken je iemand die twee titels van deze auteur kan opnoemen, zonder daarbij fronsend te moeten toegeven dat hij eigenlijk niet weet wie de brave man dan wel was? En dan komt het: triomfantelijk, in plaats van zuchtend, zoals de titel het vereist: "Moeder, waarom leven wij?" Was dit verhaal niet verfilmd en op TV vertoond, het zou heel wat minder geweest zijn. Els Dottermans, weet je nog wel?

In 2001 verscheen bij Lannoo, van de hand van Ludo Stynen, de biografie Lode Zielens, volksschrijver.

Als de man dan niet in de eerste plaat gekend zou zijn omwille van zijn werk, moeten we zijn dood dan maar eens aanhalen. Schrijvers zijn ook maar mensen, en niet iedereen sterft in zijn bed. Sommigen zijn in oorlogsomstandigheden om het leven gekomen. Als we Anne Frank een auteur mogen noemen, krijgen we één van de ikonen van het verschijnsel "auteur-oorlogsslachtoffer" voor ons. Gedeporteerd na een tijdlang ondergedoken geleefd te hebben op de zolderkamers van een achterbouw werd zij en een deel van haar familie verraden en opgepakt. Zij werd ziek en als uitgehongerd jong kind haalde ze het niet. Een minder gekend Vlaams oorlogsslachtoffer-auteur was Kamiel Van Baelen, van wie ik de verzamelde werken hier liggen heb. Pittig detail (voor mij altans) is dat de inleiding tot de biografie geschreven is te ... Sint-Lambrechts-Herk, in 1980, zijnde mijn geboortedorp. Kamiel overleed in Dachau, in april 1945, enige dagen voor het einde van de oorlog, uitgeput, verhongerd, verwaarloosd. Maar Lode Zielens is ook in oorlogsomstandigheden gestorven. In zijn eigen stad, maar dat neemt van de tragiek van zijn overlijden niets weg. Hij stond domweg op de tram te wachten, op 28 november 1944, toen het grootste gedeelte van het land reeds bevrijd was, maar Antwerpen heeft nog tot 8 mei '45 geleden onder de vliegende bommen. Om en bij de 3700 V1- en V2-bommen vielen op de haven en de Stad. Eén ervan is vlak bij hem neergestort. Fernand Toussaint Van Boelare heeft dit trouwens ook in zijn dagboek genoteerd. Hij werd op het ereperk van het Schoonselhof begraven. Een foto van het opgebaarde lichaam toont de wonden in het aangezicht van de overledene, als gevolg van de rondvliegende scherven en brokstukken. Maar hij verloor bij de ontploffing ook een arm en een been.

De biografie van ludo Stynen is een behoorlijke brok literatuur, maar eens te meer een document waarin de verbanden tussen een aantal persoonlijkheden gelegd worden. Het mag over een "volksschrijver" gaan. Hij was geen Guido Gezelle, maar zijn relaties met verschillende groten uit de literaire wereld tonen aan dat hij niet groot moest zijn, om toch zijn plaats in te nemen. Als journalist had hij natuurlijk overal zijn connecties, tot in de politiek toe. De combinatie van die twee ingangen maakte dat hij inzichten had die verder strekten dan die van de doorsneeburger. En als hij op het niveau van zijn werk altijd de "volksschrijver" geweest is, dan verdient hij alleszins toch deze biografie, die ik, zodra ik er aan toe ben, aan mijn trage leesmethode ga onderwerpen.

Een referentie naar mijn studieverleden ligt nu naast me. Een "Flora van de Vlaamse Ardennen", gloednieuw, stralend in zijn degelijke schoonheid. Deze regionale plantenatlas van de Schelde-Leiestreek werd opgesteld onder auspiciën van het Regionale Landschap Vlaamse Ardennen, en werd uitgegeven bij Lannoo in 2005, op basis van studies en waarnemingen door elke plantenliefhebber die zijn waarnemingen wilde doorgeven in een periode van 1972 tot 2002. Aldus werd via een kaartensysteem exakt aangegeven welke plant op welke plaats in het wild voorkwam. Van sommige planten heb ik kaartjes gezien met één enkele vindplaats! Zeer mooie detailfoto's, duidelijke kaartjes, het is een voorbeeld van wetenschappelijke duidelijkheid. Ik ben er superblij mee!

Vervolgens heb ik hier van het Mercatorfonds, P.P. Rubens van Frans Baudouin. In zijn casette, met een perfecte stofwikkel... Ik heb er zonder aarzelen mijn hand op gelegd, en de 18 euro die gevraagd werd met plezier op de toonbank gelegd. Nu kun je zeggen, over Rubens is dit toch niet het eerste, noch het laatste werk. Nee, maar wel uitgegeven op een wijze die perfect harmonisch is met de barokke kunst van deze artiest.

De kwaliteit van de uitgaven van het Mercatorfonds is alomgekend. De andere exemplaren van dit fonds, die ook in mijn bezit zijn, kunnen aan dit exemplaar niet tippen. Een heerlijke vondst, om fier op te zijn.

Toen ik vandaag in de winkel rondneusde, wist ik niet naar wat ik op zoek was. Maar ik ben met twee schitterende boeken naar huis gekomen. Bij het eerste boek kwam ik niet onmiddellijk op het idee dat dit een aanwinst voor mijn bibliotheek in creatie kon zijn. Als een school namelijk één of ander lustrum of wapenfeit te herdenken heeft, maakt zij een boek gevuld met gegevens die interessant kunnen zijn voor de populatie van die school. Het lerarenkorps, de studenten of beter, in dit geval, de leerlingen, want een Atheneum geeft middelbaar onderwijs, en herbergt leerlingen. Studenten werken reeds een trapje hoger, hetgeen hen echter niet beter maakt hoor. Maar zuiver bekeken op het uiterlijk van het boek, waren alle argumenten daar om de prijs niet erg te vinden. Het boek is zuiver bewaard, de stofwikkel heeft geen scheuren, het boek zelf is nauwelijks open geweest, er is in gekeken, maar dat heeft zo goed als geen sporen nagelaten.

Hoe zit het echter inhoudelijk? Als ik hierboven dan liet uitschijnen dat dit soort van boeken hoge troeven nodig heeft om betekenisvol voor mij en mijn bibliotheek te zijn, moet ik nu kleur bekennen. Mijn beslissing om het boek mee te nemen kwam omdat ik deze keer meer dan een minuutje nodig had om het fiat uit te spreken.

Vooreerst viel me de naam op. Liber Magistrorum. Ik mag wel een boek waarvan de titel begint met Liber. Maar meestal smelt ik pas op basis van de titel als er het woord Amicorum achter staat. Dit staat garant voor loftuitingen die, wanneer ze goed verpakt worden, hoogstinteressant kunnen worden. Interessant omdat er belangwekkende gegevens betreffende belangwekkende personen en gebeurtenissen te vinden zijn. Als het Kleinseminarie van Roeselare een Liber Magistrorum zou uitgeven, kunnen de samenstellers dat boek volproppen met namen die anderhalve eeuw na hun optreden Vlaanderen nog steeds doet trillen. Wat als het Koninklijk Atheneum te Gent een dergelijk boek uitgeeft? En er voluit de titel "Liber Magistrorum - van Ecole Centrale du Département de l'Escaut tot Koninklijk Atheneum te Gent 1797 - 1997 boven zet?

Een Liber Magistrorum is een boek dat het Magistraat van de school, dus het lerarenkorps in de verf zet. Dat is hier ook het geval. Ik sloeg het boek dan open op een willekeurige bladzijde, en kwam pardoes terecht op de naam "Frank Baur". Op bladzijde 147 en volgende dwaalden mijn ogen even af naar een foto van Gouverneur Balthazar in het hoge gezelschap van de Koning en de Koningin, maar ze sprongen onmiddellijk terug naar het onderwerp. En zeer tegen mijn gewoonte heb ik het volledige artikel over de grote Gezellekenner volledig gelezen, rechtstaande at ik het ongedesemde brood, en ik wist meteen dat ik de lange tocht zou aanvatten: hier had ik de beschrijving van een deel van iemands leven voor wie ik een grote bewondering heb voor mijn neus, en waarvan ik hoegenaamd niets wist.

Maar vooral de levendige beschrijving van één van de fratsen van de olijke wetenschapper heeft me groot plezier gedaan. In 1971 namelijk werden de opgravingen gedaan van de Boudelo-abdij, in het Waasland. In deze abdij moet "Het priorkijn Gulielmus" geleefd en gewerkt hebben. Dat priorke is niemand minder dan Willem, die Madoc maecte. Altans volgens de historicus Wenseleers. Maar dat is een ander hoofdstuk.

Frank Baur werd gevraagd aanwezig te zijn tijdens een hoogstaand bezoek aan de werken. Dat bezoek zou plaats hebben op uitgerekend één april 1971. En Frank Baur had meteen zijn plan klaar: hij nam één van de stenen die ergens achter gebleven waren op het werkterrein, sloeg aan het werk, en grifte er de volgende tekst in: Wilhem de Baudelo, die reynarde maecte", en als historicus deed hij dat perfect in dezelfde letter als die gebruikt in het Comburgse handschrift, zijnde een van de oudst gekende versies van het Reynaert-verhaal. Ook op de achterzijde van de steen grifte hij nog één en ander.

De gasten kwamen toe, er werd wat geneusd rond een pas aangesneden graf, dat millimeter na millimeter uitgegraven werd, en de steen, die door Frank Baur met het zand van het graf ingesmeerd en dus oppervlakkig verouderd was, werd gevonden. Maurice Nonneman, de leider van de opgravingen en instigator van het bezoek was in alle staten: een steen met inscriptie terwijl er net gasten waren! En hij herkende ook meteen het lettertype. Een hartaanval nabij las hij de tekst... Stilte alom, daarna gefluister, nieuwsgierige handen boden de steen aan aan nieuwsgierige ogen, en natuurlijk kwam Professor Leopold Peeters, notoir Amsterdams wetenschapper, op het idee de steen om te keren. Daar las hij de rest van de tekst: "Fecit 1 aprilos 1975".

Maurice Nonneman voelde een tweede aanval van hartzwakte opkomen,  Frank Baur brulde van het lachen, en de meeste hoge gasten plooiden in twee van de pret. Wetende dat Nonneman de opgravingen begonnen was met de heimelijke hoop op een bewijs van het auteurschap van Wilhem en dat de schrijfarbeid in deze abdij zou gebeurd zijn, was dit een meer dan geslaagde één april-grap, die enige uren later nog eens voor de camera van de BRT overgedaan werd.

Naast Frank Baur worden er nog vele leraars van het Atheneum opgevoerd, en de biografie en bibliografie van sommigen is meer dan interessant te noemen. Om er maar één te noemen: René De Clercq, de auteur-dichter uit Deerlijk, die ik in een van de vorige bijdragen opgevoerd heb met zijn dichtbundel "Toortsen". Er zijn er nog die mijn aandacht vragen!

Het boek, dat hoef ik niet uit te leggen, overstijgt het lokale karakter van een huldeboek van een doorsnee Vlaamse school. Dit opzet is het eerste in zijn soort, dat in mijn handen valt, en ik ben best tevreden met het opzet. Vijf euro die welbesteed zijn!

Ook vandaag gekocht: van Clemens V. Trefois: "Het Boerendak". Ook geen kleinigheid. Het gaat wel over de heruitgaven van de oorspronkelijke werken van de bekende volkskundige, die werk gemaakt heeft dat gerust naast dan van dr. Jozef Weyns mag gelegd worden. Tijdens mijn eerste bezoek aan het Museum te Wortegem heeft de conservator Willy mijn aandacht op dit werk getrokken, en ik heb zorgvuldig de naam van de volkskundige onthouden. Toen ik vandaag het boek zag liggen, aarzelde ik geen ogenblik: twee en een halve euro voor een mooie aanvulling op de vier lijvige "huisraad"-boeken van Jozef Weyns? ja toch?

De foto's van Trefois zijn nog steeds afgedrukt op basis van de originele negatieven die hij in de periode 1925-1950 gemaakt heeft, en zijn van een ongewone scherpte. Als zwart-wit-getuigenissen zijn ze van een opvallende documentaire waarde. Veel van de vervallen gebouwen, die hij fotografisch vastgelegd heeft, zijn ondertussen gesloopt, of verder afgetakeld. We leven natuurlijk niet in een museum, maar een beetje meer respect voor ons erfgoed zou toch mogen, dacht ik.

Mijn augustusmaand is op het vlak van belangwekkende aanwinsten geslaagd.

dinsdag 15 februari 2011

Volkshuisraad in Vlaanderen

Om met de deur in huis te vallen: ik heb hem. Naast mij ligt een 20 centimeter dikke stapel van vier boeken, die ik voor het eerst in mijn handen gehad heb in het Hambosmuseum in Wortegem. Ik kende ze wel, maar had ze nog nooit in handen gehad. Ginder lag de heruitgave uit 1999 of 2000, op zichzelf ook reeds een verzamelobject geworden, en mooi langs binnen en buiten. Toen heb ik erin gebladerd, en kreeg ik de zoveelste kriebel om dat werk ook te bezitten.

De redenen om een dergelijk werk aan te schaffen zijn velerlei, maar iemand kan niet naast de inhoud kijken: een prachtige, wetenschappelijk goed onderbouwde en tegelijkertijd onderhoudende beschrijving van de meest uiteenlopende gebruiksvoorwerpen uit de Vlaamse huiskamers. Ik heb er al lang en breed in zitten bladeren, heb sommige onderwerpen een ietsje langer in ogenschouw genomen, omdat ik het geheimzinnige van het betreffende voorwerp wilde doorgronden, of omdat net een gekend voorwerp tot mijn verbazing zulk een stroom van kennis en wetenswaardigheden met zich meedroeg, terwijl we dat zelfs in mijn naoorlogse jeugd reeds als "oude rommel" beschouwden, die per lichtsnelheid aan modernisering moest onderworpen worden.

Het zijn prachtboeken, en tot mijn grote trots zijn het niet de herdrukken, maar gaat het om de originele uitgave, die rond mei 1974 op de markt had moeten komen, altans, voor de inschrijvers, de liefhebbers die een afwachtende houding aangenomen hadden, moesten nog even wachten, want het betrof een privé-uitgave, en wie niet ingeschreven had, moest dit bekopen met een fikse meerprijs. Dat heeft niet belet dat allerhande kopers toch bereid waren de oorspronkelijke 3300 BEF bij voorafbetaling uit 1974 te laten oplopen tot 3500 BEF in geval van betaling bij levering, of tot 3600 BEF zo er tweemaandelijks afbetaald werd. De onfortuinlijken die niet ingeschreven hadden, dienden vervolgens hun bestellingen met een contante 4500 BEF te bekopen. Als je de boeken van dichtbij bekijkt, en zeker als je enige lectuur gedaan hebt, zijn ze elke frank van die prijs waard.

Op de prospectus, die ook nog in deze exemplaren steekt, en die een fraaie druk vertegenwoordigt, staat dat het om twee boekdelen gaat. Zo laat de illustratie ook uitschijnen. Maar de delen drie en vier zijn  kanjers van gelijk formaat, gemiddeld elk 5 centimeter dik. Deel drie bevat nog een aantal hoofdstukken en een uitgebreid fotogedeelte. In deel vier vinden we bovendien nog meer dan 550 bladzijden bijlagen. Een bibliografie om U tegen te zeggen (met hoofdletter), een opsomming van musea en verzamelingen waaruit dr. Weyns naar hartenlust uit heeft mogen putten, een bijlage die een aantal opstellen bevat over verscheidene heemkundige onderwerpen door diverse auteurs, een waslijst boedellijsten, voor de heemkunde een schatkamer aan informatie, omdat er een opsomming van de meest diverse soorten huisraad in gegeven werd als beschrijving van de te verdelen boedel bij erfenissen; naamklappers voor deze boedellijsten; lijsten van foto's en tekeningen; en ook vertalingen van de bijlagen.

Dr. Weyns overleed op 17 juli 1974, en heeft de uitgave zelf niet meer meegemaakt. Zijn Opus Magnum bevat dan ook een naschrift met de afbeelding van zijn grafzerk. De uitgave werd enige tijd uitgesteld wegens zijn ziekte en overlijden. Het juiste tijdstip waarop de verdeling van de boeken begon, ken ik niet.

De uitgave van de boeken, zo lees ik in de kolofon, werd uiteindelijk uitgevoerd met goud op snee (23 karaat), in halflederen band van handgekrispeld geite(n)leer met gouden bestempeling, en werd verzorgd door de boekbinderij Splichal te Turnhout.

Deze vier boeken werden alle vier op gelijkaardige wijze opgedragen met een handgeschreven opdracht

Voor een overgetelijke herinnering aan mijn lieve kleindochter Myriam VDE, vanwege haar Parrain. Zondag 2 maart 1986.

Nu bijna 25 jaar later heeft deze kleindochter de grootvaderlijke en peterlijke gift van de hand gedaan, en dit prachtstuk zal vanaf nu en tot nader inzicht omschreven worden als het nieuwe topstuk van mijn Blumengarten Bibliotheek.

Vorige week kwam dit werk per Taxipost thuis aan. Maar bestaat toeval? Dat is een vraag die ik in net hetzelfde perspectief reeds meerdere malen in deze blog gesteld heb. Vandaag namelijk snuisterde ik een beetje rond tijdens een recuperatiedag wegens onvoorzien woensdagwerk vorige week, en tussen allerhande onbetekenend werk werd mijn aandacht getrokken door een naam, die onmiddellijk een belletje deed rinkelen. Ik las op de rug van een niet erg opvallend boekje: "Dr. J Weyns: Bakhuis en broodbakken in Vlaanderen"!

Je houdt het niet voor mogelijk: dit boek, ook een uitgave van dezelfde auteur, maar wel verzorgd als hulde-uitgave door het Verbond voor Heemkunde, werd mij verkocht voor zowat vijfentwintig cent. Al bij al is het boekje in een uitstekende staat, gebruikt, maar niet storend in waarde verminderd. De kolofon zegt letterlijk:

Dit is een hulde-uitgave bezorgd door het Verbond voor Heemkunde voor de vijftigste verjaardag van zijn voorzitter Dr. Jozef Weyns. Dit boek werd gezet in de Garamond 12 punt letter en gedrukt in het jaar 1963 op de persen van Drukkerij Sanderus te Oudenaarde. De oorspronkelijke uitgave bestaat uit 260 eksemplaren waarvan tien gedrukt op wit houtvrij gevergeerd papier "Cleopatra", genummerd van A tot J, niet in de handel, en 250 eksemplaren gedrukt op wit houtvrij velijn editiepapier 125 gr, genummerd van 1 tot 250; alle eigenhandig getekend door de auteur en voorzien van de gedrukte naam van de inschrijver.

Dit is

N° 69

en werd gedrukt voor

Fritz Sabbe, Gent

(get) Jozef Weyns

Dank u, heer Sabbe voor de goede bewaring van dit kleinood.

Ik heb formidabel veel geluk gehad, want een spreekvaardige medesnuffelaar, die me dit boek zag keuren en kopen, sprak mij daar over aan. Hij zou het zonder twijfel ook meegenomen hebben, daar hij over een inventaris van Oost-Vlaamse bakhuizen heel wat te vertellen wist, voornamelijk dan die van de gemeente Oosterzele.

Ik ben benieuwd of er in de Volkshuisraad ook bibliotheekkasten opgenomen zijn. En wees hier van overtuigd: weer durf ik me een fier bibliofieltje te noemen.

zondag 13 december 2009

Guike

Het is al weer enige tijd dat ik er nog aan gedacht heb, maar een eerste bezoek aan het Hambosmuseum, reeds meer dan twee maanden geleden, bracht me via via terug naar dat oude idee. Alleen is het voor een werkend iemand vreselijk moeilijk voldoende tijd vrij te maken om een project te realiseren, dat in het verleden ook al een keer op niets uitgelopen is.

Het verhaal van Guike, een schoolmakkertje uit een ver verleden, spookt reeds bijna een halve eeuw door mijn hoofd. Tot nog toe heb ik er niet echt iets mee gedaan. Hoewel, de uitdrukking "er niet echt iets mee gedaan" is een beetje onrechtvaardig tegen mezelf. Ik heb er wel iets mee gedaan, maar er is niet echt iets van gekomen. Dat is beter.

En het verhaal, de echte betekenis van Harieke moet ik ook nog eens vorm geven. Maar daar zijn dan weer andere bezwaren tegen. Ook mijn Blumengarten-bibliotheek vraagt in deze wintermaanden weer mijn aandacht. Vroeg of laat ga ik een verbinding plaatsen naar deze lijst, zodat ik gemakkelijk van het ene naar het andere kan springen. Dan is er ook nog het project van de stamboom, dat uitgewerkt moet worden. En dat alles wordt doorkruist met de moeilijkheden van de softwareverandering op het werk, waarvan ik voorzie dat er avondwerk zal uit voortvloeien.

En in de lente ligt mijn tuin weer op de loer.  Deze moet in 2010 volkomen in orde gebracht worden. Daar komen nog een boel problemen van familiale aard bovenop, die elk hun tijd vragen. Eigenlijk heb ik dus te veel werk om nog te dromen.

Van het Hambosmuseum gesproken. Een week geleden ben ik er nog eens geweest.  Het was even feestelijk als de eerste keer. Ik heb er een pracht van een fotoverzameming mogen bekijken van alle stukken die Willy het fotograferen waard vond. Bij elke foto wist de man wat te vertellen, zodat ik eigenlijk een unieke ervaring meegemaakt heb: in het museum zelf een virtuele rondleiding krijgen, dat doe je niet overal! Maar mijn fototoestel heeft ook een aantal beelden opgeleverd, die ik echter nog niet op harde schijf gezet heb. Dat zal in de loop van de volgende week wel gebeuren, de drukte van de afgelopen week was te hoog om nog wat anders te doen.

Ik heb echter aan twee dingen een speciale aandacht besteed: een pracht van een bidstoel, die fotografisch eigenlijk zoveel mogelijkheden heeft. Deze ga ik in de mate van het mogelijke hier aan deze bijdrage toevoegen.  Maar bovenal is er de verzameling boeken van dr. Weyns, die ik een beetje van naderbij bekeken heb. Welk een schat aan informatie staat daar in! De boeken zijn de fotografische nadrukken van 1998 of 1999, maar dat doet niets af aan hun waarde.  Ze zien er patent uit, en nodigen uit tot bladeren.  Talloze gebruiksvoorwerpen die erin beschreven staan zouden, zo bekeken geen enkele functionaliteit hebben, als je er niet bij wijze van spreken een handleiding bij kunt hebben. En daar in het museum hebben we zo een paar dingen in handen genomen, die door de aanwezigen in het rond gedraaid werden, doch niet tot leven konden gebracht worden. Een paar vallen werden toegewezen aan respectievelijk vossen, kraaien en eksters, dan wel ratten of hazen en konijnen. Het was mooi om de inventieve denkwijze van de ontwerpers te mogen volgen.

Een museum leeft toch maar in de mate dat je de voorwerpen die er tentoongesteld worden, ziet tot leven komen. En dat kan daar nog.

Maar nu ga ik nog even doorwerken aan mijn Blumengartenbibliotheek.

maandag 12 oktober 2009

Nieuwe Belgische Negociant - Nouveau Négociant belge

De grootvader van mijn echtgenote, de vader dus van mijn schoonvader, was een klompenmaker. Mensen van eenvoudige komaf, en uit de weinige overblijfselen die hij op de wereld naliet, hebben we recent een klein boekje gevonden, dat ten dienste van de handelaar stond, om het rekenen te vergemakkelijken.

Tellen was een ingewikkelde taak die niet iedereen gegeven was, en Snoek-Ducaju & Zoon, Drukkers-Uitgevers in de Veldstraat 8 en in de Rietstraat 70 te Gent hebben daar op gewiekste wijze een mouw aan gepast. Zij gaven een klein en handig boekje uit, de Nieuwe Belgische Negociant, en bezorgden alzo de handelaar die niet steeds het rekenen ten volle machtig was, een prachtig instrument om toch te weten hoe ze een prijs moesten berekenen op snelle en zekere manier.

Stel dat je 35 stukken van een goed aan 7 cent moest aanrekenen, dan hoefde je geen papier en potlood boven te halen, maar wel je "Negociant". Je keek op het blad 7, en op de lijn 35 vond je dan dat dit 2 fr. 45 ct behoorde te kosten.

Een éénvoudig tabellensysteem leidt je naar honderd stuks, vervolgens tweehonderd, enzoverder tot negenhonderd stuks, zodat de enigzins geoefende rekenaar meteen ook ingewikkelder hoeveelheden aankan. Want: stel dat je in plaats van 35 stuks er 335 moet berekenen. Dan tel je bij 300 maal 7 cent, dat is 21 frank, de overige 35 stuks die we aan 2 fr. 45 ct berekend hadden, en je hebt het: 23 fr. 45 ct.

De centen gaan bladzijdegewijs tot 99, en springen dan meteen naar 1,05, om vervolgens per 5 cent te stijgen. Ook hierbij moet er toch enig echt rekenwerk aan de dag gelegd worden om tot een goed eindresultaat te komen. De volgende stap gaat van 3 frank 95 naar 4 frank, om vervolgens per kwartje naar 5 frank te gaan. Daarna worden er stappen van 1 frank per bladzijde genomen.

Het boekje stopt bij 32 frank. Ik weet niet hoever het gaat, want zijn staat is niet zo best. Het heeft geen voor- of achterkant meer, en de binding is op de rug zichtbaar. Maar de bladeren zijn in uitstekende staat.

Niet langer dan 1 week geleden heb ik hetzelfde boekje zien liggen in het Heemkundig Museum te Wortegem-Petegem, waarvan de officiële naam Hambosmuseum luidt. Willy en Moniek Dhondt-Moerman baten dit Micromuseumpje uit in de vroegere stal, die later werd omgebouwd tot garage, en nog later de museumruimte werd.

Het echtpaar heeft er de meest diverse voorwerpen uit het dagelijkse leven van vroeger verzameld, en dat alles staat op een kluitje bijeen in een ruimte die niet meer veel bij kan verdragen. Maar de goede wil en het enthousiasme om de zelf opgebouwde verzameling aan de nieuwsgierige bezoeken te tonen is groot.

De meest diverse voorwerpen, die het agrarische, huishoudelijke en ambachtelijke leven van de gemeente, en dus eigenlijk van gans Vlaanderen illustreren, liggen er een beetje door mekaar, maar dat maakt ook deel uit van de plaatselijke charme: de initiatiefnemers moeten roeien met de riemen die ze hebben.

Je kunt er je tijd nemen, en als je dat doet, komt onvermijdelijk ook het moment om ontdekkingen te doen. Zo toverde mijn schoonvader, die me de weg naar het museum getoond had, het boekje dat ik hierboven beschreven heb uit zijn zakken. De conservator aarzelde geen seconde, grabbelde in een stapel boeken, en haalde eenzelfde exemplaar boven. Het boekje had nog meer geleden, maar had wel nog zijn omslag. En meteen stonden de twee mannen in hun plaatselijke dialect als vakmannen met mekaar te praten.

Nog mooier werd het moment toen hier of daar een klomp naar bovenkwam. Mijn schoonvader nam het ding met kennershanden vast, gaf de snede aan, noemde de houtsoort, legde uit waarom bij het klompenmaken soms beter wilg dan populier gebruikt werd, en zei toen met een onmiskenbare fierheid: dat is ne kloef die ikzelf nog beschilderd heb! En effectief, het kenmerk stond erin geslagen, en was door hem overschilderd. De beschilderingen bleken erop te wijzen dat het ging om een "geschenkklomp", die afgewerkter mocht zijn dan een doordeweekse werkklomp. De fierheid van de man van ondertussen meer dan 80 jaar, die dit karweitje net voor en tijdens de oorlog mocht/moest uitvoeren, droop van hem af. Terecht; als je eigen werk, het werk van je eigen handen in het museum ligt, staat meteen je eigen stempel in de gemeente geslagen.

Gezelligheid troef, een pintje of een wijntje naast de aangestoken kachel verhogen de gezelligheid, en je raakt zo aan de praat met om het even welke bezoeker, die elk een eigen verhaal te vertellen heeft. In de kleine wereld van een plaatselijk heemkundig museum verbaast het niet dat je dan iemand ontmoet die je in zeven jaar niet meer gezien hebt, en die een lieve vriendin blijkt te zijn met wie je nog in een vereniging samengewerkt hebt. De uren vliegen dan, en de tevredenheid die je voelt bij het weggaan, is met niets te vergelijken. Nooit is een museumbezoek voor mij zulk een feest geweest als die dag, vorige week.

Het enige nadeel is de beslotenheid. Slechts één dag per maand wordt er geopend. Groepen kunnen wel iets regelen, denk ik. Daar staat tegenover dat de toegang gratis is, en dat de tijd er niet gemeten wordt.

Of hoe een nietig boekje, waarvan ik via google slechts één exemplaar weet te vinden, garant staat voor een gevoel van absoluut plezier. Een zondagnamiddag is zelden plezieriger geweest dan die dag. Le Nouveau Négociant Belge heeft meteen zijn verhaal.