Pagina's

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com
Posts tonen met het label Gezelle. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gezelle. Alle posts tonen

woensdag 29 december 2010

Dichtbundels in de sneeuw 2 (6 tot 9)

Na de Hoewaer-bundels volgen hier de voornaamste andere bundels, die best wel mogen gezien zijn. Niet alle zijn ze in beste staat, maar voor het overgrote deel is de staat met een gerust geweten als meer dan voldoende te noemen.

6) In 1943 werd het Verzameld Werk van Guido Gezelle uitgegeven, met het beroemde voorwoord van de toen grootste Gezellekenner, Prof. dr. Frank Baur. Het exemplaar dat ik hier voor me heb liggen is de derde herziene druk, door Standaard-Boekhandel Antwerpen uitgegeven. De blauwlinnen huid heeft een zware vervuiling door vocht, die het beeld ontsiert, maar die wel de blok voor het ergste behoed heeft. Guido Gezelle's Dichtwerken omvat zijn Dichtoefeningen - Gedichten, Gezangen en Gebeden, Liederen, Eergedichen et Reliqua en The Song of Hiawatha. Vooraan dreigt het blok los te komen van de hard-cover, zodat een snelle restauratie verdere achteruitgang moet voorkomen. Het zijn alle argumenten die enkel de financiële waarde van het boek omlaag halen, inhoudelijk is het echter onbeschadigd, en alszodanig krijgt het een mooie plaats tussen mijn andere Gezelle-boeken.

7) Van Jozef Muls heb ik nu ook de Verzen, een bundel uitgegeven te Antwerpen anno domini MDCCCCXII. Helaas is deze 97-, bijna 98-jarige dame door haar leeftijd getekend: zij heeft een overdaad aan roestvlekjes, over het ganse boekdeel heen, want het papier waarop deze gedichten gedrukt zijn, is dik en van slechte kwaliteit. Ook de bruine omslag met prachtige art-nouveauversieringen heeft afgezien, zonder echter het globale beeld geweld aan te doen. De rug is beschadigd, zonder fundamenteel het boek te degraderen. Het blijft wel een unicum: dit werk is zijn enige dichtbundel, op dertigjarige leeftijd geschreven. Later ging hij zich meer toeleggen op kunsthistorische essays en kritiek. In een bijdrage enige dagen geleden heb ik het ook over zijn werk Bruegel gehad, waaruit ik inderdaad onthouden heb dat hij na al die eeuwen van oppervlakkige en overgeleverde, dus nooit tegengesproken wijsheden het aandurfde een reëel beeld op te hangen van de grote schilder, en daarbij zowel analytisch als synthetisch te werk ging. Maar Jozef Muls als dichter: het heeft blijkbaar niet lang geduurd. Na dit bundel heeft hij zijn ware roeping gevolgd. De heldere klare taal die hij bijvoorbeeld gebruikt in zijn sonnet "Aan eene vrouwe" zegt heel duidelijk ook wat er in zijn echte leven is gebeurd: hoewel de vrouw aantrekkelijk was, heeft hij zichzelf noch haar belogen, en is een andere weg opgegaan.

Aan eene vrouw




Gij hebt mij zoo bezien dat uit uw oogen
de liefde zwijgend mij-waart is onttogen,
uw hert mij gevend, als de rein offerande,
geboden bang, met witte bevende handen.




Ik voel de goedheid uit uw wezen glimmen,
oneindig teer, als tanende avondkimmen,
uw blikken streelend zacht mij ommewaren
als vlinders vleugelend om blommen varen.




Ik draag zoet licht in mijn geloken ogen
en kan 't u geven in een langen blik,
maar 't waar voor u maar schijn en lieve logen.




Mijn liefde, vrouw, en werd u niet geboren,
en valsch gevoel, ik in mijn hert verstik,
o ga mijn beeld, een droom gelijk, verloren.

Heerlijke poëzie, een liefde die er geen is, door een volwassen man weggeborgen in één gedicht. De parrallel met zijn schrijverscarrière is opvallend.
8) en 9) Jozef Droogmans, als u met dit label naar de tekst van vroeger gaat (Limburg, Limburg allein) zal je in de laatste paragraaf een citaat vinden van deze oud-dorpsgenoot. Hij heeft het over de heropstanding van de Limburgse dichtkunst, en citeert er de namen van Hilarion Thans, Pieter Geert Buckinx en Jan Melis als de motoren achter deze artistieke opleving. En nu heb ik dus in één klap twee authentieke dichtbundels van voor me liggen. Rithmen & Melodieën, verzen van Jan Melis uit 1927, en Schaduwland uit 1948. Beide boekjes hebben zwaar afgezien, maar hebben toch hun mooie uitzicht bewaard. R & M was gebrocheerd, maar het ijzerwerk van de nieten is zwaar aan het roesten gegaan. Door de gewoonte is het boekje bij mekaar gebleven, maar ik moet toch een ingreep doen, anders gaat het helemaal verloren. Schaduwland heeft ook last van roestvlekken.

Lied




Waar zijt gij die mijn dagen hebt gevuld
Met tederheid en glans van gouden rozen,
Gij die mijn ongedurigheid geduld
Geleerd hebt en met stillend handekozen




Mijn tomeloze paarden hebt gemend,
Met zachte dwang mijn barse wil bedwongen,
Waar zijt gij die mijn nood en naaktheid kent
En die mijn heimwee hebt in slaap gezongen ?




Ik ben waar elke vreugd in 't niet verzinkt
En grauwe gieren om de slapen scheren,
Waar elke wens tot welkend lover slinkt
En ieder woord een lied wordt van ontberen.




Wanneer de vrucht gegroeid uit deze pijn
Ligt rood als bloed in onze hand geronnen,
Drink dan, mijn bruid, van deze donkre wijn,
Zo rijp en geurend aan ons hart gewonnen.

Heerlijke liefdespoëzie, zoals die hernomen wordt in "Lied" uit Schaduwland, en die wijst op de tijdeloze kracht van Melis. Niet voor niets zet Droogmans de naam van Melis rechtstreeks naast Buckinx. Het gietertje van gisteren staat fier tussen zijn nieuwe bloemen!

Bovendien moet ik nog een toevoeging doen aan mijn bijdrage van gisteren. Want ik heb nog een bundel van Trudo Hoewaer over het hoofd gezien. Dat is dan nu aangevuld in deel een van deze winterse dichtbundels.

maandag 30 augustus 2010

Te veel

Het is teveel om ze stuk voor stuk te bespreken, daarom een korte opsomming, en hier en daar een waarom. Tijdens de voorbije vakantiemaanden heb ik de boekenkasten, de dozen en stapels haast eindeloos doen aanzwellen, en een boekenvriend heeft me gewaarschuwd: ik werk nu reeds in de gevarenzone, als ik mijn plannen denk te willen waarmaken. En daar heeft hij overschot van gelijk.

Ik moet dringend snoeien in mijn bezigheden, als ik wil dat ze elk ook maar iets vrucht zouden opleveren. Maar deze boeken zijn een ziekte, en ik wil er niet van genezen. Geen dokter zal me het medicament vinden die me een afkeer van het oude boek bezorgt, geen dokter zal me raad geven over hoe ik moet genezen van mijn liefde voor boeken. Liefde laat zich niet genezen. Je leeft ermee, je sterft ermee. En een paar gelukkigen sterven eraan.

Als ik kijk naar dat werk van Emmanuel de Bom, "Het Levende Vlaanderen", waarvan ik hier een veel mooiere uitvoering heb als mijn oude en goedkopere uitgave, dan zucht ik. Kende die man al de mensen die ik in zijn werk ontmoet? Om jaloers op te zijn. En waarom mag ik dan niet genieten van de schoonheid van "De Werkman" van Stijn Streuvels in de uitvoering van Veen's gele bibliotheek? Het boek zelf heb ik reeds gelezen in de Orionverzameling. Maar mag je dan zulk een werk niet op dezelfde plank bijzetten? Als dan daarnaast de volkse uitgave van "Vertellingen van Tolstoï" in de reeks Streuvels' Volksboeken komt te liggen in zijn naïeve maar wel effectieve kaft, die nu na 86 jaar aan restauratie toe is, ook al omdat de rug totaal verhakkeld is, dan begrijp je wel dat de zucht van Streuvels om degelijke stevige banden uit te geven niet totaal onzinnig was. De verzameling "In levende lijve" geeft aan de liefhebber een kort literair overzicht van de autobiografische geschriften van dezelfde auteur. Vooral het fotowerk geeft soms verrassende beelden. Zoals de ontmoeting in Bokrijk met de toenmalige provinciegouverneur Louis Roppe, een goede vriend van mijn peter, zelf een gebuur van een van de laatste legendarische burgemeesters van Hasselt, Paul Meyers. Naast de gouverneur was ook dr. Jan Grauls daar, een persoon die mag genieten van mijn verering. Of hij daar wat aan heeft is weer een andere vraag.

In een heel andere atmosfeer bevindt zich het boek "Van Taalstrijd tot Staatshervorming". Maurits Van Haegendoren geeft zijn visie op de evolutie van de Vlaamse situatie. Hij besluit zijn boek met de volgende zin: "Het traditionele flamingantisme moet echter dringend gaan beseffen dat de Vlaamse politiek vóór alles sociaal-economisch moet gericht worden wil zij haar essentieel ehtische doelstellingen verwezenlijken en haar Brussels zeer lenigen." We zijn nu 2010, maar de woorden van 1983 zijn nog steeds actueel. Alleen moet de eindverklaring verder aangevuld worden. Het Brussels zeer heeft zich definitief op de Brusselse rand gekleefd, en Brussel-Halle-Vilvoorde is er de huidige exponenent van. Het is voor mij duidelijk dat het gewicht van Europa in die hele discussie groter en groter wordt. Onlangs las ik nog een facebookbijdrage van een Frans Europees vertegenwoordiger, die vol neerbuigend medelijden sprak van de arme Vlamingen, die massaal gestemd hadden voor extremistische partijen. Maar een volk met het mes op de keel grijpt nu eenmaal naar de wapens. Alleen zal Europa ervoor zorgen dat Vlaanderen nooit tot zijn volle ontwikkeling zal kunnen komen, zonder de aanvaarding van weer een nieuwe meester die de nodige knievallen vraagt, naast de oude die als van oudsher zich verder blijft verrijken op kosten van ons volk. Ik kijk uit naar de volgende auteur die hetzelfde onderwerp behandelt met de actualiteit als nieuwe stof.

Niet alle literatuur is bestemd voor de elite, die ingewikkelde redeneringen volgen wil, en zich geesstelijk wil vervolmaken. Zeer veel auteurs hebben zich de moeite getroost de volkse mens van literair voedsel te voorzien, maar deze werken hebben niet steeds dezelfde weerklank gekregen, die de andere meer doorwrochte werken kregen omdat de boodschap ervan gewoon verder droeg. Met de vezameling "Schrijven in de volksgeest, Nederland en Vlaanderen 1800-1880" krijg ik meteen een kort overzicht wat er op dat vlak verscheen in een periode dat de Vlaamse literatuur moeizaam terug rechtstond. Concience had zijn "De Leeuw van Vlaanderen" geschreven, en meer dan een historisch verhaal was het een zeer geslaagde vertelling op het niveau van het volk, in zijn eigen taal geschreven, dat overigens zeer tot ongenoegen van vader Concience, die zijn zoon de beste opvoeding gegeven had, en die nu plots zag hoe diezelfde zoon nu plotseling als "Vlaamse schrijver" geëerd werd. Anderen sprongen eveneens op de kar, en langzamerhand, met veel strubbelingen, won het belang van de literatuur. Het is tekenend dat het talent van Guido Gezelle pas op het einde van zijn leven erkend werd, en dat slechts na zijn dood er moeite gedaan werd om de juiste betekenis van deze dichter te omschrijven.

Het volk was er nog niet klaar voor, eerst moesten zij "leren lezen", en het is goed dat zij deze volkse literatuur in vorm van feuilletons, maar ook van zeer goedkope uitgaven allerhande aangeboden kregen. Toch waren er hoogvliegers genoeg die dergelijke literatuur produceerden, en dit boek laat ons pareltjes van Bilderdijk, Tollens, van Lennep, Potgieter, Multatuli, Gezelle en Concience herproeven.

Ook het "Panorama der Nederlandse Letteren" geeft ons een overzicht van de letterkunde, waarbij er duidelijk gezocht werd naar de allergrootste werken van wat de Nederlandse Literatuur mag genoemd worden vanaf het prille begin tot de eerste helft van de twintigste eeuw. Het werk is samengesteld in 1948, en enige moeilijkheden in verband met de nog maar net afgelopen Wereldoorlog bleken een rem te zijn op de mogelijkheden. Maar de afwerking is prachtig, en wie duiding zoekt over pakweg de ridderroman, dan wel meer wil weten over Potgieter, of de tijdgeest  wil kennen waarin Multatuli zijn geschrifen op papier heeft gelegd, kan in deze degelijke hardcover zeker terecht. Het is werk onder leiding van dr. J Haantjes en Prof. dr. W.A.P.Smit, uitgeven bij de N.V. Amsterdamse Boek- en Courant Mij.

Elke Vlaming moet André Demedts kennen. Op initiatief van het afdelingsbestuur van het Davidsfonds Kortrijk werd ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag (op 8 augustus 1976) het daaropvolgende jaar een huldeboek uitgegeven. Niet alleen Anton van Wilderode leidt het boek in, het is zijn goede vriend Valère Arickx die een overzicht geeft van zijn bibliografie. Daaruit leer ik alvast dat van zijn in 1944 uitgegeven roman "Het heeft geen belang" het grootste deel van de eerste oplage (in de reeks Korenaren nr. 5) verwoest werd door een brand bij de uitgever "De Kinkhoorn".

Maar de verdere samenstelling is anders dan men zou kunnen verwachten van een Liber Amicorum. Geen bombasitsche huldezangen, maar gedegen studies over allerhande onderwerpen door specialisten terzake. Gezelle krijgt een notoire plaats als vader van alle Vlaamse dichters, en Demedts heeft zelf heel wat poëzie uit zijn pen laten vloeien. Maar het woord van Bernard Kemp is gezaghebbend, wanneer hij bladzijdenlang het kleengedicht " 'n Spreekt van harpe of snaargeluid" bespreekt en situeert. Maar al vlug wordt dit een lofzang op Gezelle, en op de onvermoed ingewikkelde wijze waarop het merendeel van zijn nochtans als vlot uit de mouw geschudde gedichten ontstaan zijn.

Ook Frans Debrabandere kan niet langs Gezelle heen wanneer hij het onderwerp "De boer in Westvlaamse zeispreuken" bespreekt. Maar het onderwerp zelf is natuurlijk een allusie op de jeugd en jonge jaren van Demedts, die de boerenstiel door en door kende.

Karel De Busschere gaat verder op het ingeslagen pad, en schijft "Gezelle leentjebuur in Frans-Vlaanderen". Een mooie kijk op de bronnen die Gezelle aanboorde om het "Vlaamsch" in al zijn aspecten terug tot leven te brengen. 

En ook Ludo Simons haalt het gedicht "Mijn Moedertaal" naar boven, om de bron van deze poëzie, namelijk het platduits werk "Min Modersprak" van Klaus Groth te vergelijken met wat Gezelle ervan maakte. En wat ik daarnet zei, dat Gezelle alles uit veel dieper lagen opdolf dan ook maar iemand durfde vermoeden, wordt hier in extenso bevestigd met de verbazende vergelijking tussen de familiale achtergrond van beide dichters. De parallel van beide dichters die terug te vinden is in de grootouderlijke invloed in hun opvoeding komt door deze korte bladzijden van Ludo Simons op verrassende wijze naar boven. Hoe zeer er gestudeerd wordt op details van een dichtwerk, wordt uiteindelijk door de slotzin van dit stuk getekend: "Maar een dichter - en ook dat weet André Demedts al lang - herkent men niet altijd aan zijn komma's." Bedoeld wordt dat wanneer een dichter al eens een nieuwe versie schrijft van een bepaald werk, niet tot in het oneindige moet gezocht worden naar de betekenis van die wijziging, of naar de wijziging überhaupt.

Het is veel meer dan een liber amicorum. Het is meteen een beeld van het totale Vlaamse landschap, waarin Demedts groot geworden is, en gewerkt heeft. Zelf Flor Grammens, die hier een maand geleden nog voorbijgekomen is, heeft zijn woord meegesproken om deze laudatio de nodige breedte te geven, het totale landschap te beschrijven waarin André Demedts zich voortbewoog. Het is een merkwaardig boek geworden.

zaterdag 13 juni 2009

Gezelle, de protestsongwriter

Mijn zestienjarige zoon, en sukkelaar, moet examens studeren. Dat is het lot dat wij allen wel ondergaan hebben, zestien zijn en examen moeten maken. Ik weet niet wat het moeilijkst te dragen was voor mij, ze vielen me beiden bijzonder zwaar. 1968, de zowat mooiste zomer die er geweest is, kan ik me nog zeer goed herinneren. alhoewel, de zomer van 1967 was nog mooier, want de summer of love... Te mooi, en verspild aan een kind. In die tijd was iemand van 15 -16 jaar nog een behoorlijk gepamperd kind, hoor. Ik riek nog de zweetgeur van die legertenten, waarin we sliepen, en de leiders van het vakantiekamp deden de deurflappen open, en de radio begon zachtjes te spelen (radio Veronica, met Tieneke?). Als we in de tijd nodig om onze ogen uit te wrijven, en onze tanden te poetsen in de kille wasgelegenheden niet twee keer Scott Mc Kenzie gehoord hadden San Fransisco te bezingen, was het een kale dag.

Maar mijn zoon is nu zestien, en Scott Mc Kenzie kan een basketballspeler geweest zijn , of een bergbeklimmer. San Fransisco is leerstof aardrijkskunde, en dus niet geliefd. En flowers hebben moeilijke namen in het Engels en het Frans, en godbetert ook in het Duits, en worden dus niet meer in het haar gedragen, het nuttigste gebruik dat ze zich kunnen indenken is de komposthoop.

Met die ingesteldheid slingeren hier op een zaterdagavond rond: een zestal kursusbladen, bevattende een stuk leerstof over de voornaamste literaire stromingen van de 19de en 20ste eeuw, en hun markante producten op het vlak van de poëzie.

Daar gloort hij, den heer ende meester, met zijn bekende foto waarop hij voor de deur van een huis staand nieuwsgierig-vriendelijk-lichtjes achterdochtig in de lens kijkt, met half dichtgeknepen ogen, omdat hij zijn bril niet op de neus draagt, zodat hij wat moeite moet doen om over de afstand heen te focussen op de magische handelingen van den photograph. Een paar stopwoorden leren mij dat mijn zoon uit de les onthouden heeft dat Gezelle tot de romantiek behoort, dat hij graag idealiseert, en veel met de natuur bezig is.

Toch even een vergelijking. De Poësis-klas waar Gezelle zijn leerlingen zo eigenzinnig leerde omspringen met de lyriek, was bestemd voor 16 tot 17 jarigen. Misschien was toen die leeftijdscategorie niet zo duidelijk gedefinieerd, maar mijn zoon zou volgend jaar les kunnen krijgen van een Gezelle-look-alike. Hij las alle grote dichters van de tijd, de grote Nederlanders, de grote Engelse dichters, Franse, zeker Duitse, zelfs Aziatische dichters. Hij verklaarde hen de teksten, liet hen zelf verklaringen zoeken, en bracht hen wezenlijk in het hart van de dichter. Mijn 16-jarige weet dat Gezelle een romantieker is, die graag idealiseert, en met de natuur bezig is. Een mager beestje om op tafel te zetten...

Dan zal ik nu voor u voordragen, van onze grote dichter, Guido Gezelle:

's Avonds

't Wordt al sterre dat men ziet
in dat hoog en blauw verschiet daar,
blijde sterren, anders niet,
in dat hoog en blauw verschiet.

't Wordt hier altijd al verdriet
van dat oud en zwart verdriet daar,
't wordt hier altijd anders niet,
als dat oud en zwart verdriet.

Laat mij, laat mij, in 't verdriet,
vliegen naar dat hoog verschiet daar,
waar men al die sterren ziet,
al die sterren,... anders niet!

Een nadenkertje. Heeft de priester weer gesproken, en heeft hij de natuur als wapen gebruikt om te zeggen dat hij in zijn moeilijkste dagen liever sterven wou, en naar de hemel (de sterren) varen, om alleen maar dat te zien, wat door sterren als hemel en hemel als God gelezen moet worden? Dit gedicht is namelijk in 1860 geschreven, en net dat jaar wordt hij teruggeroepen naar Brugge, om er in het Engels Seminarie, en later in de St.-Walburgaparochie te dienen. Zijn stille periode, zijn periode van hevige zielepijn brak aan. De jonge, dertigjarige priester wordt door zijn bisschop de mantel uitgeveegd, tot de orde geroepen, en
geestelijk geknakt. Hij wijdde zich toen aan andere taken, en deed veel werk als journalist en uitgever van tijdschriften, en "zantte" woorden uit de West-Vlaamse taal om het particuliere karakter van de Vlaamse taal te omschrijven, maar de bron van zijn dichtwerk droogde tijdelijk op. En dat laatste was hoe dan ook zwaar om te dragen.

Dit gedicht, zo leer ik uit de website van het gezellearchief, waar ze het handschrift liggen hebben, is geschreven en opgedragen aan Lodewijk Crevits, een leerling van het Kleinseminarie die toen, in 1860 het vierde jaar deed. Zonder het te onderzoeken, maak ik een losse gissing: Gezelle's opdracht was al gereduceerd, en uit het feit dat Crevits (Woumen 1840-Esen 1913) een vierdejaarsleerling was, kan men besluiten dat zelfs in zijn opdracht tot beheer van de internaatstudenten, hij de poëzie niet had achterwege gelaten. In Crevits moet hij weer een gelijkgestemde ziel gevonden hebben, en in verdoezelde woorden deelt hij zijn verdriet met hem.

In mijn opinie is 's Avonds is dus een scharniergedicht, bij wijze van spreken het laatste gedicht dat tot de jonge Gezelle behoort. De nieuwe rector, Bruno X (ik zoek zijn naam nog wel op), die van 1859 tot ongeveer 1865 die taak op zich nam, heeft ongetwijfeld de opdracht gekregen Gezelle in toom te houden, en zal niet echt tot de vriendenkring van de dichter behoord hebben. Kort daarna werd Gezelle naar het Engels Seminarie gestuurd, en was zijn negatieve invloed op het onderwijs en de leerlingen daarmee uitgeroeid.

Men kan bijna besluiten dat het dichterschap hem tesamen met het leraarschap ontnomen werd. Hij mocht het gewoon niet meer. Zou mijn zoon zoiets op het examen mogen verklaren, ook al wetende dat zijn school van katholieke signatuur is?

Als dat verband klopt, is de romantiek waar de school van mijn zoon het over heeft slechts een dekmantel om de eigen pijn van de dichter te verwoorden, pijn die door een priester niet mocht getoond worden, en ondergeschikt was aan zijn dienstbaarheid aan de Kerk, die hij toen al te zeer in verlegenheid had gebracht met zijn eigenzinnige lessen in het Klein Seminarie in Roeselare. Daar heeft de dichter zowel als de priester het grootste werk van zijn leven verricht, op minder dan zes jaar tijd. Een groot aantal vooraanstaande Vlamingen zijn door hem als ontluikende studenten voor de rest van hun leven in een bepaalde richting geduwd. Hij heeft bewezen, meer dan 100 jaar voordat men hier tot het besef begint te komen dat ons klassiek onderwijs hopeloos voorbijgestreefd is, dat leerlingen op hun eigen ritme hun eigen richting moeten bepalen. Dat ontplooiïng van het menselijk genie alleen kan in een omgeving die dat genie de vrijheid geeft zijn weg te zoeken, en niet gemuilkorfd en van een leiband voorzien alleen daar mag gaan waar het baasje het voorschrijft.

Als hij zo iets zou vertellen, wie zou zich dan het meest belachelijk maken:
mijn zoon of de school?

Ik wil een school zien opgericht worden waar plurivalente leerkrachten hun leerlingen een programma voorschotelen dat zo flexibel is dat de wiskundefanaat en de talenknobbel, de dromerige poëet en de nietsnut evengoed als de handvaardige knutselaar in groep of alleen zichzelf als functionele mensen bewijzen.

En dat alles om één enkel gedicht. Ik durf mijn zoon deze woorden niet te laten lezen vooraleer hij zijn examen afgelegd heeft. Misschien ben ik wel een even grote dwaas als de Bisschop die Gezelle tot de orde riep, door het niet te doen.

dinsdag 9 juni 2009

Moederken, door Guido Gezelle.

Ik blijf Gezelle een aantrekkelijke figuur vinden, en elk flintertje literatuur dat ik over hem vind, graai ik mee om me een duidelijker beeld van hem te vormen. Alles grijp ik aan om een kort kommentaartje aan te breien. Het mag ik tegenspraak staan met wat ik net voorheen gezegd heb, ik streef geen konsekwentie na over een mensenleven uitgesmeerd, maar een gevoel van weldadigheid, waarin het tegenovergestelde van wat ik gisteren dacht geen doodzonde is. Zo lees ik een gedicht, De Vlaamsche Tale, dat mijn hart doet opspringen van blijdschap, en dat, geschreven door de grote meester zelf, ook een onmiddellijke tegenspraak is met wat ik nog maar gisteren of eergisteren beweerd heb. En dat vind ik nu net zo leuk: ik voel me goed bij een bepaalde gedachte, en dan krijg ik plotseling iets voor me, dat radikaal het tegenovergestelde blijkt te zijn. Welnu, dat geeft me een net even gezond gevoel.

Als ik gisteren beweerde dat taal een vergankelijk iets is, dat net zo goed aan de kant gezet kan worden om vervangen te worden door een bruikbaarder wapen, dan gaat dat bijvoorbeeld rechtstreeks tegen mijn gevoel in dat alles tegenwoordig in het Engels moet, inclusief ons onderwijs, waar door onze voorvaderen zo voor gestreden is om het in onze taal te laten gebeuren. En Gezelle heeft daar een mooie bedenking in dichtvorm over geschreven, waarvan de eerste twee regels in gans Vlaanderen gekend zijn: Joos Florquin zelf heeft ervoor gezorgd dat deze woorden onsterfelijk gebleven zijn.

De Vlaamse tale is wonder zoet,
voor die heur geen geweld en doet,
maar rusten laat in 't herte, alwaar,
ze onmondig leefde en sliep te gaar,
tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,
te monde uitgaat heur vrijen gang!
Wat verruwprachtig hoortooneel,
wat zielverrukkend zingestreel,
o Vlaamsche tale, uw' kunst ontplooit,
wanneer zij 't al vol leven strooit
en vol onzegbaar schoonzijn, dat,
lijk wolken wierooks, welt
uit uw zoet wierrookvat!

Je eigen taal is altijd mooi, maar ze op die manier bezongen horen, geeft toch een goed gevoel.

Hoewel van een gans andere ingesteldheid, speelt het volgende gedicht een voorlopende rol in de anti-oorlogsretoriek die na de Eerste Wereldoorlog in al zijn facetten naar voor kwam.

Bulletin Commercial (1861)

Te Brussel baat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Tapijten.
t'Antwerpen gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Schilderijen.
Te Gent en gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Geweefsels.
Te Mechelen gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Kanten.
Te Namen gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Kassijen.
Te Doornik gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Moortel.
Te Hasselt gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
'k En weet niet.
In Luxemburg en deugt het niet:
Wat maakt men daar?
Ministers.
Te Luik daar gaat de handel wel:
Wat maakt men daar?
GEWEREN ! ! !

Afgezien van het feit dat ook de grote Gezelle niet anders durfde dan meezingen in het koor dat graag moest laten horen dat Limburg maar een gat in de aarde was, waar men wel iets zou maken, maar wat dan ook weer? is gans zijn betoog gericht op de allerlaatste regel, die het allemaal zegt: de wapenindustrie maakt omzet. Dat is ook nu nog terecht. Een onbekend, of altans een weinig bekend gedicht van de hand van Gezelle, waarin een onverwacht facet van zijn persoonlijkheid naar bovenkomt. Natuurlijk had hij heel gemakkelijk de jeneverindustrie in Hasselt kunnen aanhalen, die zorgde voor welstand in die regio, doch zijn Christelijke achtergrond, en de strijd tegen de plaag van de drank zal ongetwijfeld wel meegespeeld hebben om zich er met de zoveelste kwinkslag tegen die regio van af te maken, feit blijft dat zelfs hij het niet aandurfde zich tegen de algemene trend te keren. In mijn blogbijdrage van 18 maart 2009 over het boek Limburg heb ik de zinsnede reeds aangehaald: wat goeds komt er uit dat Nazareth?

En als het dan niet zijn grootste verzen zijn, het blijft wel een verklaring. Ik heb ze gevonden in het prismaboek "Vlaamse Poëzie" uit 1965 van Jos Vandeloo. Elke mening telt. Elk woord spreekt. Elke gedachte moet in zijn kontekst geplaatst worden.

Ook het boekje: "Waar zit die heldere zanger?" van Jozef Deleu geeft me veel voldoening. Niet omwille van de verklaringen die er niet in staan, maar om het gebrek eraan, enkel de inleiding laat uitschijnen dat Jozef Deleu, een poëziekenner, geroerd wordt door Gezelle. Maar er is niet voldoende argumentatie die de samenstelling van het bundeltje verantwoordt, behalve het feit dat het verschenen is ter gelegenheid van het Gezellejaar 1999, en dat is weliswaar prijzenswaardig, maar niet betekenisvol. Toch vind ik er het mooiste gedicht in, dat Gezelle naar mijn gedacht geschreven heeft. Het is zo puur, zo teer, en laat zo diep in het hart van de dichter en priester kijken.

Moederken

't En is van u
hiernederwaard
geschilderd of
geschreven,
mij, moederken,
geen beeltenis,
geen beeld van u
gebleven.

Geen teekening,
geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van steene,
't en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt
alleene.

O moge ik, u
onweerdig, nooit
die beeltenis bederven,
maar eerzaam laat
ze leven in
mij, eerzaam in
mij sterven.

Een oude man zit op een zomeravond te mijmeren over zijn jonge jaren, en denkt aan zijn moeder terug. Hij merkt dat hij eigenlijk geen enkele afbeelding van zijn moeder bezit. Hoe hij ook de mogelijkheden nagaat, noch in woord, noch in beeld kan iets hem dat stoffelijk beeld weergeven.

Hoe hij ook zijn best doet, tekening, foto, borstbeeld... ze zijn er niet. Maar dan flitst zijn priesterschap naar de voorgrond: niet de stoffelijke herinnering neemt hij met zich mee, het is de geestelijke waarde hem die zoveel dierbaarder is, en die de geest, de ziel bij het sterven kan meedragen naar het hiernamaals. Hij neemt de grootste afstand: het is niet het beeld van haar gelaat, dat hem mogelijk bijgebleven is, maar het beeld zelf dat zij door haar persoonlijkheid als moeder achtergelaten heeft, dat hem als enige is overgebleven. Hij drukt dat in enige woorden zo sterk uit: dat beeld in mij. Het is niet de afbeelding: nee, het is het beeld dat van belang is. Zeer nadrukkelijk zegt hij: er is ... geen beeltenis, geen beeld van u gebleven, ... 't en zij dat beeld in mij dat gij gelaten hebt, alleene.

De priester kan nu tenvolle spreken. Hij wil die beeltenis die zich in zijn geest gevormd heeft ongeschonden meedragen, en ze met hem mee laten sterven. De eerder genoemde materiële beelden, die alle hoe dan ook afwezig zijn, zijn daarvoor te onvolmaakt tenopzichte van het moederbeeld dat het kind, de oude man en vooral de priester voor eeuwig in zich meedraagt. Hij dankt op die wijze zijn God en zijn Universele Moeder in het beeld dat zij aan hem gegeven heeft, dat dus zelfs niet door hem gevormd en herinnerd wordt. Hij is daarmee tegelijkertijd priester en mens, en de gedachte aan zijn moeder is telkens weer een gebed. Dit gedicht is voor mij het meest volmaakte dat hij gemaakt heeft. De moederlyriek en het gebed in luttele woorden verenigd.

Deze tekst moet ik nog aanpassen, stroomlijnen, maar hij geeft ruwweg weer hoe ik over dit gedicht nagedacht heb, terwijl ik vanavond met een nietig boekje in de hand, en mijn brave hond naast mij op de zetel, heb zitten nadenken.

De andere boeken die ik ook nog naast me liggen heb, en waarvan ik het Edward Poppeboek reeds de revue heb laten passeren, zullen morgen aan bod komen. Gezelle heeft mij even overmeesterd.

zondag 26 april 2009

En behalve Gezelle...

waren er nog wel een paar andere boeken die ik voor een habbekrats heb kunnen meenemen. Zoals "Ge kunt nooit weten" van Jan De Spot, de latere ridder die ook als lid van de raad van bestuur van mijn werkgever opgetreden is. Behalve een zakenman heeft hij ook behoorlijk wat literatuur bij mekaar geschreven. En niet onbelangrijk, ik kwam ook zijn naam tegen in de reeks Ten Huize van... van Joos Florquin. Ik ben benieuwd.

Antoon Coolen heeft zijn verhaal van "Peerke Den Haas" in de Feniksreeks zien verschijnen in 1946. In zijn lekkere oude spelling (ondertusschen...) is het echt leuk om te lezen. Nog iets voor lange winteravonden.

Twee Davidsfondsuitgaven, "Benoit, Man van zijn volk" (1935) door Prof. dr. Flor Van Der Mueren, en "Ons Keverboek" (1939) van Leo Senden zijn weer mooie aanwinsten: omdat ik Benoit naast Gezelle (1930) kan leggen, beide werken zijn met de zelfde ingesteldheid geschreven, en het keverboek is het jongere broertje van "Onze Huisinsecten" van 1932. Trouwens, het is misschien geen slecht idee te onderzoeken in welke mate Gezelle en Benoit in hun culturele verwezelijkingen gelijken zijn.

Een belangwekkend werk over de literatuur in Vlaanderen werd samengesteld door dr. R.F. Lissens: "De Vlaamse Letterkunde van 1780 tot Heden". In zijn derde druk kwam het toch slechts in 1959 op de markt, na november 1953 en september 1954. Nogmaals het bewijs dat een algemeen overzicht van onze literatuur niet door iedereen gelezen werd of wordt. Het boek zelf bevat de ex-libris van een mij bekend (ex)-leraar hier in de streek. Hij en zijn collega's waren zeker de voornaamste afnemers. Als iemand dit boek als studie- en lesmateriaal gebruikt heeft, valt het toch op dat de onderlijningen van belangwekkende passages en zinsneden oplopen tot de helft van de bladzijden, waardoor deze studiemethode aan zijn doel voorbijschiet. Maar ijverig was hij wel.

Een zeer mooi curiosum is wel "Musée d'Anvers - Recueil de 200 photogravures d'après les chefs-d'oeuvre de la galerie des maitres anciens", een prachtige hardcover die door het museum zelf uitgegeven werd als handleiding voor de geïnteresseerde bezoeker. Het ontbreekt totaal aan tekst, enkel het volgnummer van het werk in de galerij, de naam van de artiest, geboorte- en overlijdensjaar, de school waartoe de artiest behoorde, de naam van het kunstwerk en het (geraamde) jaartal van creatie, en eventueel de naam van de collectie waaruit het afkomstig was, in het Engels en het Frans, niet in het Nederlands, vullen elk van de 200 mooie zwart-witfoto's aan. Naar betekenis, duiding en anecdote of detail heb je het raden. Het werk bevat ook geen enkele jaaraanduiding of inleiding. Het is uitgegeven door G. Hermans, éditeur, 9, rue Dierckxsens, Anvers, en de Imprimerie, Lithographie en Reliure werd door Joseph Lucq et Delcourt-Vasseur Tournai gedrukt. Achteraan staat als afsluiter nog een prachtig kenschild van de uitgever Hermans. En daarmee moet je het doen. Wie meer weet, mag het me laten weten.

Uit de inleiding van het volgende werk leren we dat het naar alle waarschijnlijkheid in juni 1910 aan de uitgever afgegeven werd, en dus in het najaar ten laatste op de markt kwam. E. Bartholeyns, agregaat-leraat bij het middelbaar onderwijs, bestuurder der Lagere Hoofdschool schreef dit werk, "De Belgische Beschaving door de tijden heen" als Voordrachten in de Lagere Hoofdschool van Schaerbeek, en liet het uitgeven bij de Gebroeders Callewaert, in de Sint-Lazarusstraat 80 te Brussel. Het is een merkwaardig klaar betoog omtrend alle aspecten van ons land, zoals daar zijn: de voeding, de kleding, de spoorwegen, de post, de telegraaf, de telefoon, de boekdrukkunst... weliswaar anno 1910. Toch zeer mooi werk.

zaterdag 25 april 2009

1877, eerste druk van Gezelle

Gezellig. Vanmorgen scheen de zon, er was geen wind of regen die de mensen het leven moeilijk maakte, en met een grote zak en goedgevulde geldbeugel trok ik dus naar de rommelmarkt te Leupegem, om snuisterend door dozen vol boeken de nodige zuurstof op te doen voor de rest van het weekend.

Zoals dat ook met sporten het geval is, om zuurstof binnen te krijgen, moet je eerst flink wat zuurstof verbruiken, en menig doosje werd omgekeerd, om daarna door mij
wezenloos achtergelaten te worden, net zoals de boeken en het oude papier dat erin te vinden was, wegens geen inhoud.

Maar... één doos was wel iets speciaals. Iemand had blijkbaar een zolder leeggehaald, en ik deed er wel een beetje langer over om het parcours af te leggen. En zie, daar lag het. Een onbeduidend, vaalgeel boekje; twintig centimeter op dertien, waarop ik las:

VAN DEN

EENEN HERTOG.

Een eindje daaronder:
DOOR

UIDO GEZELLE,

en nog lager:

THIELT,
J.-D. MINNAERT, uitgever
1877.

De onhandige maar wel efficiënte restauratie van de rug verborg enige letters, maar mijn frank viel onmiddellijk: dit was een eerste druk van "Van Den Kleenen Hertog" van Guido Gezelle.

Het boekje heeft afgezien, vocht, vieze plekken, scheuren, kleefband, afgescheurde hoeken... als je 132 jaar oud bent, is grijs haar niet ongebruikelijk, als je er dan nog hebt. Maar het is echt: het is een originele Gezelle! Ooit eigendom geweest van het "Klooster St. Jansput", ofte het "Couvent Puits St. Jean" (het verplichte koppelteken tussen St. en Jan in de huidige spelling heb ik in analogie met de aangebrachte vermelding in het boekje weggelaten). In een zoektocht naar wat dat klooster voorstelt, kom ik via google terecht in Volledig Dichtwerk door Guido Gezelle, door Jozef Boets en Frans Berkelmans, en daar lees ik fragmentarisch op bladzijde 434 hetvolgende:

145 Sint-Jansput (waar Zuster Stanislas - Octavie van Gillewe 1836 - 1891 - overste was; ook Gezelle's zus Florence, binnengetreden bij de Zusters van Heule als Zr. Colomba verbleef er).

Inderdaad, onder de hoofding "Liederen, Eerdichten en Reliqua" nummer 67, kortweg LER67 staat vermeld het gelegenheidsgedicht Nisi Dominus, met in regel 145 de vermelding van het huis, waar de zus van Guido Gezelle onder haar kloosternaam Zuster Colomba verbleven heeft: het was in het Klooster Sint-Jansput. In het boekje staat éénmaal de vermelding in potlood: Couvent Puits St. Jean, en éénmaal met een fijne kroonpen geschreven: +Klooster St Jansput.

In het boekje komt er nog een potloodaantekening voor, die door water, de tijd, en een doorhaling en overschrijving helemaal onleesbaar is geworden. Laat dat nu mogelijk de naam van de eigenaar of eigenares zijn (Zuster Colomba?). Ik durf er nauwelijks van dromen.

Is het een stout besluit dat dit boekje, dit unieke exemplaar, ooit is gekocht door of eigendom geweest is van de fiere zus van de dichter? Of door de dichter zelf geschonken aan zijn zus? (Want in 1873 reeds was zij ingetreden, en geld was één van die dingen die een kloosterzuster in die tijd niet hoefde te bezitten.) Of is het boekje gewoon door het klooster aangeschaft om in de klassen te gebruiken om voor te lezen? Alleszins weet ik dat in het klooster te Kortrijk, dat een bijhuis was van het "Moederhuis" te Heule, jarenlang een (gipsen) afbeelding van Guido Gezelle tot de vaste aandachtspunten van de dames behoorde, en dat aan elke bezoeker met enige wereldse fierheid getoond en becommentarieerd werd. Men was er niet vies van Gezelle, en dat de zus daar haar hand in gehad heeft, lijkt me niet meer dan normaal.

En zijn misschien honderd jaar later de goederen voortkomend uit een opruimbeurt bij een rommelmarkthandelaar terecht gekomen? Deze heeft mij het "prul" voor vijftig cent afgestaan. Zelfs als het niet van Zuster Colomba geweest is, blijft het een eerste druk van een misschien niet allerorigineelst werk van Guido Gezelle.
Een mercantiel gezelleliefhebber die het boekje waardeerde op 5 euro, heeft dat er nooit voor gekregen, getuige ikzelf. De financiële waarde is voor mij dan ook van geen enkel belang, in mijn bibliotheek krijgt het een ereplaats, voor mij is het een topstuk.

zaterdag 3 januari 2009

Het Meestal Binnenlandse Luik

Binnenlands, zoals hoofdzakelijk in Vlaanderen. Een beetje op zijn Antwerps dus, hoewel ik niet graag onder de noemer Antwerps opereer. Maar dit land kan blijkbaar niet bestaan zonder Wallonië en het kankergezwel Brussel leven. Geef mij toch maar in de eerste plaats Vlaanderen, daarna België. De Nederlandse taal in al zijn vormen wordt echter op een groter grondgebied gesproken. Op literair vlak laat ik graag de auteurs van beide nationaliteiten samenleven, in het echte leven vind ik dat wat moeilijker.

De tien banden die me nog resten zijn Vlaamse literatuur, met uitzondering van de twee nummers van Vandaag, waarin Jaap Romijn in 1965 onder de vorm van een literair jaarboek met het nummer 11 het nieuwe werk van Nederlandse en Vlaamse schrijvers onder redactie van Frans De Bruyn, Jaap Romijn en Oscar Timmers kans op publicatie geeft. Het volgende nummer 12 is hij niet meer bij de redactie.

Er staan interessante namen in de lijst. Maar ook rare dingen, zoals J. den Uyl, zoals op de omslag vermeld staat, maar die in de inhoudstabel Bob den Uyl blijkt te heten. Jos Vandeloo staat broederlijk naast L.P. Boon, die onder de naam van Boontje publiceert in Vandaag. Cees Buddingh en Remco Campert, maar ook Karel Jonckheere en Clem Schouwenaars grijpen de kans aan. Deze Bruna Zwarte Pockets lijken me intrigerend materiaal te verbergen.

Hier eveneens een werk van Chris Yperman, waarvan ik nog niet zolang geleden "Muziekje" op de kop tikte. Nu "Een heel klein Scheepje". Een Marnixpocket (nr 2) die ik zeker nog terug ter hand zal nemen.

Ook een Marnixpocket (nr 65/63) is Pieter Bruegel, door Felix Timmermans. Gedrukt in 1969, is het onaangeraakt. Ik zal het dan maar genadelijk lezen, daar is een boek voor gemaakt. En dat ondanks het feit dat ik Pieter Bruegel in een andere versie reeds in mijn boekenkast staan heb.

In 1967 werd bij D.A.P. Reinaert Uitgaven Brussel een "Kleine Ernest Claes Omnibus" uitgegeven. Ik weet niet in welke reeks dat thuishoort, maar het is mooi en stevig boekwerk. Drie verhalen van Ernest Claes, waarvan ik er één nog niet eens kende. De klanten van Pastoor Campens Zaliger, Daske en Schone Herinneringen. Pastoor Campens kennen we eigenlijk te goed, uit de televisiereeks Wij heren van Zichem, Daske is me volkomen onbekend, maar het is vooral het autobiografische Schone Herinneringen dat me aanspreekt. We zullen wel zien wat er van komt.

Ik heb er toch nog één gevonden, van Jos Ghysen: De golden sixties, een reeks van stukjes in de typische JG-stijl. Uit 1986, raar, toen wist ik daar niet van, of lette ik er niet op. Maar een Jos Ghysen-fan ben ik toch altijd geweest. Veel is gedateerd, maar het mooie is dat ik en een andere schoolmakker reeds in de 3de WB in het geheim aan het schrijven sloegen. En ja hoor, we waren voor een stuk geïnspireerd door JG. Maar dat brengt dan wel mee dat ons "werk" eigenlijk nog te onvolwassen was en dus niet meer dan slappe afgietsels van het meesterlijke woordenspel van de man naar wie we met zoveel bewondering opkeken. Die liep trouwens in Hasselt gewoon in het wild rond, je kon hem aan het rood licht gewoon aaien en voederen, als hij er toevallig ook stond.

Kijk, van al mijn helden uit mijn jeugd zijn er twee, waarvoor ik ongegeneerd zal wenen als ze sterven: dat zijn Jos Ghysen en Nonkel Bob. Ze mogen het weten.

Wat vind ik hier? Wat vond ik daar? Een boek dat ik reeds heb, maar dat in deze blog reeds aan bod gekomen is omwille van de restauratie-perikelen. "Uit Gezelle's Leven en Werk" van Prof. dr Fr. Baur. Dit boekje is in perfecte staat. Ongelooflijk om te zien. Hoezeer het andere boekje ook kapotgelezen is, zo netjes is dit exemplaar. En het rare is dat deze uitgave, eveneens van 1930 geen gekartelde randen heeft. Ik moet dat toch eens van dichterbij bekijken, want de kwaliteit van het papier is totaal anders.Geen dik opgezwollen papier, maar dun, verzorgd drukwerk, terwijl ook de foto's op het einde veel klaarder zijn. Alleen de rare groen-bruine omslag heeft aan de binnenkant zijn antikleur van het bruine gedeelte doorgegeven op de volgende bladen. Daar staat een roze doordruk op, en dat geeft een beetje een grappig effect met de karakteristieke kop van Gezelle: het lijkt wel een pop-art afbeelding, die je zo naast die van Marilyn Monroe kunt plaatsen. Tot op bladzijde 8 is die roze doorschijn van de omslagtekening van L. Meurrens zichtbaar. Maar ik ben niettemin echt fier op deze aanwinst.

Een echt onooglijk boekje is Suiker van Hugo Claus, uitgegeven in 1979 bij BBtoneel (De Bezige Bij). Toneel lezen is niet voor de hand liggend. Ik heb het alleszins nooit gekund. Maar is het geen verplichting van ieder literatuurliefhebber te zeggen dat Hugo Claus meesterlijk is, en dus gelezen moet worden? We zullen wel zien.

Een pak interessanter vind ik "Jozef Simons - verteller zanger kempenaar" van Marcel Verheecke. In de Gulden Reeks van het Davidsfonds, 1963-6, en dus een mooi en stevig boek dat de eeuwen kan trotseren zolang het papier maar bestendig is. Dit boek is vooral interssant omwille van de heldere uitleg die over de persoon van Jozef Simons gegeven wordt, maar zeker ook omwille van de tijdstekening, en het kempens klimaat, dat naar zovele kempense schrijvers doet teruggrijpen, Ernest Claes op kop.

And last but not least: "Omnibus Vlaamse Parels 19e eeuw" van D.A.P. Reinaert Uitgaven Zele, met werk van Anton Bergman, Rozalie en Virginie Loveling, Domien Sleeckx en Reimond Steins. Ik kijk er naar uit, want werk van de zussen Loveling heb ik nog nooit gelezen, en de andere auteurs zijn minstens gezegd elk op hun manier even interessant. Het is dan wel een kanjer van 633 bladzijden, maar ik denk dat elke bladzijde het waard is gelezen te worden. Een mooi verzorgd boek, met liefde behandeld. Gegroet, René en Ariane.

dinsdag 25 maart 2008

Wat hebben Gorbatsjov, Tecumseh en Vera Lynn met mekaar gemeen?

Dat weet ik niet. Dat heb ik nooit geweten, en dat zal ik ook nooit weten. Toch heb ik van deze drie personen een boek in handen gekregen, tussen anderen, met als gemene deler dat hun boeken ofwel nauwelijks aangeraakt zijn, ofwel uiteindelijk toch in de ramsj terecht gekomen zijn. Goed voor mij.

Michail Gorbatsjov bekijkt me met zijn rood geverfd voorhoofd aan vanachter de plastiek waarin zijn boek in de boekhandel werd ingepakt. Het is er nooit uitgekomen, en als het van mij afhangt, zal dat ook niet gebeuren. Wegens te veel te lezen, en wegens al te gedateerd om nog de moeite te doen. Het is geschiedenis, maar je kunt niet alles verteren, nietwaar.

Vera Lynn daarentegen heeft mijn jeugdjaren verblijd met Bluebirds te Dover en nieuwe meetings, haar zwoele stem deed het kind in mij verlangen naar oorlogsverhalen, die mijn vader en moeder soms vertelden, en al lag het allemaal nog zo vers in hun geheugen, voor ons was het een onvatbaar verleden. Ik kon dan ook alleen maar de romantiek van de oorlog snappen, niet de dramatiek.

Tecumseh, één van de helden uit mijn jongensjaren, krijgt in het boek van James Alexander Thom de geromantiseerde versie van zijn ware, historische leven aangeboden in een lijvig, door Van Holkema & Warendorf/Houten zeer degelijk uitgegeven werk van liefst 828 bladzijden literatuur. Ik geloof mijn ogen niet, men zocht (en vond) een koper die voor dit kleinood zestig eurocent wilde neertellen. Iets om naast Sacajawea te zetten (ik hoop dat ik die naam correct spel), het indianenmeisje van de Slangenindianen, die met de eerste ontdekkingsreizigers langsheen de Mississippi van Oost naar West trok en het gehele continent hielp in kaart te brengen. Maar dat iemand zo iets koopt, en het dan niet leest...

In het Pantheon der Nobelprijs Winnaars (tegen mijn gewoonte, met een zekere afkeer en enkel om puur technische redenen splits ik dit woord dat niet gesplitst mag worden) krijgt nu ook Pär Lagerkvist een plaats. Dit tweede boek in een reeks, die ik als jonge lezer reeds alle wilde bezitten, valt nu eindelijk in mijn handen. Eigenlijk is dit het veertiende deel in de serie. Prachtig, haast ongeschonden, het krijgt eveneens een ereplaats in mijn boekenkast.

Twee gigantische kleppers moeten zeker ook vermeld worden.

Eén is het tweede deel van "Geschiedenis van Vlaanderen - De middeleeuwen, XIII° en XIV° eeuw". Uitgegeven op zeer dik kwaliteitspapier voelt het ouder aan dan het is. Dit boek is duidelijk wel in gebruik geweest, en vertoont hier en daar reeds ouderdomsvlekjes. Dat mag, het is onze geschiedenis, en die mag niet onaangeraakt in een kast staan te pronken.

De andere klepper is "Vlaanderen Vandaag" van Frans Verleyen, uitgegeven onder auspiciën van de Vlaamse Executieve, bij brd/Lannoo in samenwerking met Knack uitgegeven. Een titel is maar wat hij is, maar Vlaanderen Vandaag is niet meer het Vlaanderen van vandaag (die kapsels alleen al...). Toch reuze interessant.

Een Vlaamse Pocket om de betere lectuur af te ronden: de Gezellebrevier van Bert Ranke. Die reeks is echt een belangwekkende. Maar natuurlijk is de uitgeverij dan ook goed gelegen! Zo heb ik als jonge kerel van Lode Baekelmans "Mijnheer Snepvangers" leren kennen, en van August Van Cauwelaert de "Vertellingen van de Rechter", en staat van Hugo Verriest zijn "Keurbladzijden" nu ook in mijn Streuvelshoek.

Van een heel ander kaliber, door mij niet gekend, en dus met de nodige omzichtigheid gekeurd alvorens gekocht is "Peter Schlemihls Wundersame Geschichte" van Adelbert von Chamisso. Dit zijn 79 zéér kleine bladzijden zéér klein lettertype Duitse klassieke literatuur. Ik ben benieuwd.

Opnieuw een totaal andere vorm van literatuur zijn de "Notions d'Economie domestique (La Petite Ménagère), een handboekje voor de derde en vierde graad van het in 1937 schoolgaande meisje. Ter informatie: mijn moeder was er in 1937 vijftien, en liep school in het pensionaat van de zusters van het Heilig Hart in Petit-Rechain, vlakbij Verviers, waar haar oudere halfzus voltijds haar tijd bestede aan mijn Tante Nonneke te zijn. Voor haar geen voordeel, zo bleek uit haar verhalen. Ze kan dit werkje best wel eens in de hand gehad hebben. Misschien.

In de oorlogsatmosfeer heb ik er al een paar van dit soort gehad, en nu kan ik kennis maken met een getuigenis, door Joseph Wilkens, genaamd "In de hel van Dora". het boekje is uitgegeven in 1945 of 1946, google spreekt zich op dat vlak tegen. Maar ondanks de relatief goede staat, is de omslag zwaar vervuild. Toch een echte schat te noemen.

Echte varia vormen de drie laatste "boekjes".

"Een verhaal over passie" verhaalt de geschiedenis van het automerk Mercedes. Keurig uitgegeven hardcover fotoreclame voor een terecht mooi genoemde auto. Gekocht dan ook omwille van mooi. Twintig cent.

Pure nostalgie. De BRT gaf destijds boekjes uit als een merchandising avant la lettre. Ik had er onder meer van Johan en de Alverman, het vlaggenschip van de BRT-feuilletons. Ik aarzelde dan ook niet toen ik de kleurenfoto van Schipper Mathias, de onvergelijkbare Mathilde, het lieve Marieke (waarop niet alleen Walter Grootaers verliefd werd, hoor makker), Madame Krielemans, Hyppoliet en Philidoor zag.

En mijn meest nutteloze aankoop ooit: een muziekschriftje, onbeschreven, maagdelijk blank. Maar oh zo mooi.

De voorgaande weken heb ik nog veel meer gekocht, te veel om op te noemen. Wanneer ga ik dat toch allemaal lezen?

zondag 4 november 2007

Gezelle gerestaureerd

Een groot woord, hoor, gerestaureerd. Maar beide vernoemde boekjes liggen nu een beetje te rusten.

De doolaards in Egypten bevindt zich hier naast me op tafel, onder een stapel zware boeken die door hun gewicht de lijm tussen de binnenzijde van de gescheurde en losgekomen band en een kartonnen versteviging, goed vast laten drogen aan het oude papier. Zodoende wordt een haast reumatische kromming van het papier door de stevigheid van het karton teniet gedaan. Het wordt afwachten hoe het boekje er naderhand zal uitzien. Met enig geduld heb ik alle grote en kleine ezelsoren terug op hun plaats gezet, onzorgvuldige snijresten verwijderd, de rug losgemaakt en terug gelijmd... en nu maar wachten. Het eerste resultaat mag er alvast zijn: het uitzicht is alvast zeer goed vooruitgegaan.

Met het andere boekje Uit Gezelle's leven en werk van dr. Fr. Baur gebeurt hetzelfde, maar het bevindt zich nog op zolder in een boekenklem, tussen twee planken, om de reumatiek te bestrijden. Hier was door een verkeerde stapelmethode het hele boekje kromgegroeid, en is er dus meer geduld voor nodig.

Ik weet het, mijn werkwijze is zeker nog niet professioneel te noemen, maar het is ook maar voor eigen gebruik, en zulk een dingen moet je nu eenmaal leren met vallen en opstaan. Als ik volgende week het definitieve resultaat zal bekijken, kan ik alvast enige conclusies trekken.

Leergeld moet altijd betaald worden. En ondertussen kan ik uitkijken naar betere lijm, naar betere karton voor de versterkingen, naar betere manieren om oude kleefband te verwijderen, enzovoort. Als deze beide boekjes dan misschien niet volgens de kunst bewerkt zijn, zullen ze me de weg wel wijzen, hoop ik.

zaterdag 3 november 2007

Gezelle, gezellig

Soms moet je keuzen maken. Ik weet het, je moet altijd keuzen maken. Dat doe ik dan ook: in plaats van in café of dancing te zitten, ben ik dus hier, zaterdagavonds vrij om te doen en laten wat ik wil. Mijn gezellen zijn niet enige vrolijke drinkbroers, die heb ik gedurende mijn studententijd wel gehad, nu hoeft het niet meer.

Hier voor me liggen, zonder een orde, zonder verband, zonder voorkeur:

-Het ligt voor de hand, van Pieter G. Buckinx;
-De brug van licht en liefde, van L. Nauwelaerts;
-De doolaards in Egypten, van Guido Gezelle; en
-Uit Gezelle's leven en werk, van Prof. dr Frank Baur.

Alle vier zijn het resultaten van strooptochten langsheen de literaire koopjesmarkten. Maar het valt me op dat deze boeken, naargelang van hun herkomst, er prachtig uitzien.

"Het ligt voor de hand" is een weeskind uit een bibliotheek, volgens de aangebrachte stempel afgevoerd uit Sint-Lievens-Houtem in 2006. Kun je het de mensen kwalijk nemen? Ik zou er hen dankbaar voor moeten zijn, maar de auteur, als hij nog leefde, zou er zich misschien minder gelukkig bij voelen: het boekje is nauwelijks open geweest. De ijverige bibliothecarissen hebben bovendien schitterend conservatiewerk verricht, door de harde band nog eens extra te beschermen met een folie, die normaal eerder een degradatie dan een verbetering is.

Pieter Buckinx. Ik heb hem nog ontmoet, vaag is me daar iets van bijgebleven, maar een veertienjarige collegestudent heeft er geen benul van wie hij eigenlijk voor zich heeft. De man hield een lezing, waarvan ik geen iota begrepen heb, maar die door de andere aanwezigen met een luid en langdurig applaus zeer hoog gewaardeerd werd. Ondertussen heeft internet me geleerd dat hij moet afkomstig zijn uit een zeer oud Limburgs geslacht, waarvan de wortels zeker tot de veertiende eeuw, zo niet vroeger teruggaan.

Maar wie kent Pieter Buckinx nog? Vijftig jaar na de vroege dood van zijn zus Paula schreef hij het volgende gedicht:

Voor een dode

Wit op het witte linnen
rust uw aangezicht,
het is of diep daarbinnen
Gods roerloos peinzen ligt.

In 't blinkend ochtendklaren
legt gij de handen saam.
Voorzichtig raak ik uw haren
en dan uw vingers aan.

Nu los van aarde en zwaarte
vouwt gij de vleugels dicht.
Binnen uw lichaam is klaarte,
binnen uw lichaam is licht.

Het kind in de oude man kon eindelijk zijn emoties verwoorden. Na een halve eeuw. En zo komt de kracht van poëzie naar voor.

Ik ben het boekje aan het lezen, en ik sta verbaasd van de namen die terugkomen: vele daarvan herken ik, andere zullen dan weer het voorwerp van lange en moeizame opzoekingen worden, feit is en blijft dat hij duidelijk voeling had met alle grote tijdgenoten.

En het eerste hoofdstuk laat me meteen dezelfde Haspengouwse bodem, waar ik ook op gelopen heb, herkennen, bijna ruiken en proeven, zo levendig laat hij zijn geboortedorp Kortessem naar voor komen. De beek, die ik in mijn voorgaand bericht heb laten stromen, was ook voor hem niet veraf.

"De brug van licht en liefde" heeft mijn aandacht nog niet gekregen. Dat van de vorige eigenaars ook niet, of ze moeten zeer zorgzame mensen geweest zijn. Dit boekje van het Davidsfonds is zorgvuldig opengesneden, en waarschijnlijk éénmaal gelezen. Het is uitgegeven in 1944, toen de oorlog in dit land in zijn rumoerigste faze kwam, en gezien zijn leeftijd mag je het in perfecte staat verklaren. Ik heb er een schoolse kaft rond gedaan, om de bewaring te ondersteunen, en hoop dat het honderd jaar mag worden.

Heerlijk, hoe het boekje begint.

In 't zilveren voorjaar als de kerseboomen bloeien...
En wanneer het zusterke zal komen, mijn lieveling? En waar vandaan? Wel luister. D'r zal in Antwerpen een groot schip aanleggen, volbeladen met mandekes en in elk mandeke zal 'n kindeke liggen. (...) En die manden worden in al de dorpen rond Antwerpen uitgedragen en uitgedeeld. (...) Twee dingen zullen ze allemaal om ter meest kunnen: krijschen en doeken natmaken. Maar toch zullen z' overal met groote vreugde aangepakt worden.

Voorlichting anno 1944. Wie informatie over de schrijver heeft, of nog andere werken van hem kent, mag me mailen, ik zal het met veel vreugde vernemen.

Over Gezelle zal ik het later hebben.