Pagina's

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

zondag 1 mei 2011

Pieter Dorland en Jacob Cornelisz.

In aanvulling en ter verbetering van mijn voorgaande bijdrage, hierbij ook de neerslag van enige lectuur om en rond beide heren.

Als Pieter Dorlant (verder Pieter genoemd) dan geboren is in 1454, overkwam in 1472 eveneens een dergelijke gebeurtenis aan Jacob Cornelisz. (die dan als Jacob mag optreden). Maar Pieter overleed op 25 augustus 1507, toen Jacob in volle groei was: zijn eerste echte meestelijke cyclus was de Maria-cyclus van 1507, de grote Ronde Passie kwam er tussen 1511 en 1514, de kleine Vierkante Passie ontstond in 1520 en 1521.

Op basis hiervan beweren dat Jacob dus de oorspronkelijke illustrator was van de Viola Animae, betekent zoveel als vergeten zijn de kalender naast je werk te leggen. De Viola is namelijk al verschenen in 1499 te Keulen in eerste druk. Maar dat belet niet dat latere uitgaven eventueel toch gebruik kunnen gemaakt hebben van het werk van Jacob. Meer nog, was de Viola wel geïllustreerd? Om zekerheid te krijgen over de eventuele illustraties, die in de oorspronkelijke druk van Pieter verschenen (zouden) zijn, moet ik mij wenden tot de Universiteit te Antwerpen, die dus de erfgenaam en erfopvolger is van wat het Ruusbroec-Genootschap ooit geweest is. Zij zullen me ongetwijfeld de uittreksels uit "Ons geestelijk erf" van 1952 en 1953 kunnen bezorgen, waaruit een heleboel te leren valt over de Viola.

Daar de uitgevers bij de herdruk van de Viola uit 1954 gebruik gemaakt hebben van afdrukken van het werk van Jacob, heb ik me tot enige vlugge besluiten laten verleiden. Zonder meer voorbarig. Maar het neemt natuurlijk niet weg dat de figuren van zowel Pieter als van Jacob beide een soort van parallel in hun werk gelegd hebben. Zij leefden namelijk in een periode dat de Middeleeuwen definitief ten einde kwamen, en dat er in het denken, met het Humanisme, zich een nieuwe tijd aan de gang trok: de Renaissance.

De geschriften van Pieter zijn nog die van de oude tijd: hij schreef op een Middeleeuwse manier over Middeleeuwse onderwerpen. Hij is zeker geen Humanist te noemen, daarvoor is hij te vroeg gestorven. Maar de weinige werken van zijn hand, zowel Latijnse teksten als deze Viola, als Dietse geschriften zoals mogelijk de Elckerlyk, vertonen toch al enige vernieuwende, humanistische benadering van de beschreven onderwerpen. Dorlant heeft namelijk niet alleen een zeer oude tekst op zijn eigen manier verwoord, maar een aantal hoofdstukjes daaruit wijken van die zuiver Middeleeuwse kennisoverdracht af, of kwamen helemaal niet voor in de oorspronkelijke bronnen. Door die wending vinden we wel degelijk in zijn totaliteit een oospronkelijk en nieuw werk terug, dat naar de eisen van de Renaissance leterkundig verzorgd is. De nieuwe kijk op de Passie echter komt zo modern over, dat persoonlijke overdenkingen niet langer gepatroneerd, maar volledig gestimuleerd worden.

Hetzelfde kan gezegd worden van Jacob: hij was, samen met Pieter van Leiden één van de meesters in zijn kunst, maar ook de invloed van Dürer heeft niet kunnen voorkomen dat Jacob toch niet een voorwaarts gerichte persoonlijkheid is, maar eerder als één van de laatste exponenten van de hoogste kwaliteit van zijn uitstervende tijd was, die geen vernieuwende invloeden heeft uitgeoefend op zijn nakomelingen. In zijn evolutie verwierf hij echter onder invloed van zijn eigen schilderkundig meesterschap een stijl die de stroefheid van het hout overwon, en die hem naar het einde van zijn carriëre toe toch toeliet terug eenvoudiger van hand te worden, in die mate dat de stroefheid van het hout niet langer een vijand, maar eerder een bondgenoot werd om zijn meesterschap niet langer in prachtige figuratie, maar in volkse eenvoud vrij te geven.

Hij heeft ook een zoon en kleinzoon gehad, die beide in de grafische kunsten bekwaam waren, maar hun meesterschap lag in een andere wereld.

Nog over de Stomme Passye, met zijn 80 gravures, werd gezegd dat ze niet alle van zijn hand waren. Dat klopt: een achttal ervan zijn toe te schrijven aan Lucas van Leiden, drie werden er door de Jezuïet Friedländer toegeschreven aan Jan de Cock, terwijl er een viertal, die ook een mindere kwaliteit hebben, niet geïdentificeerd zijn.

De twaalf niet gekleurde prenten die in de herdruk waarover mijn bijdrage ging afgedrukt zijn, worden in Leiden bewaard, de drie gekleurde exemplaren behoren toe aan de Ruusbroec-bibliotheek, nu beheerd door de Universiteit van Antwerpen. Het genootschap is namelijk als een instituut opgenomen in de universitaire structuur, en de zeer gespecialiseerde bibliotheek is één van de pareltjes van deze instelling geworden. Zie daarvoor de zeer leerzame website.

Mooi is ook het verhaal van de kleuring van de afdrukken. Dat kon niet zomaar gebeuren: er bestond voor die activiteit zelfs een heus monopoly in handen van voornamelijk vrouwenkloosters. De vraag die bij de ontdekking van deze drie gekleurde prenten onmiddellijk kwam bovendrijven, was natuurlijk wie de kleurborstel gehanteerd had: de kunstenaar zelf, of de vrome dames? Een sierlijk gecaligrafeerd, oud-frans gebed op de achterzijde van deze prenten leert daar veel over: het lettertype wordt bepaald als vroeg XVIde eeuws. Dat zegt op zich niets over de auteurs van het gebed of van de kleuring, maar de aanwezigheid van het gebed verwijst eerder naar de dames. Het privilege van de "beeldekens-schilders" of "beeldemakers" werd door de gilden met hand en tand verdedigd, en ze gingen zelfs meermaals een proces aan tegen de boekdrukkers en de -uitgevers, die de illustraties in een andere stad lieten vervaardigen om alzo de monopolyspelers te vlug af te zijn. Zelfs het feit dat ze zoveel werk hadden, dat ze niet alle bestellingen aankonden, weerhield hen er niet van naar de rechtbank te stappen, telkens ze een overtreding vaststelden.

De literatuur die ik zoek wordt bij dbnl als volgt beschreven:
H.J.J. Scholtens, `De kartuizer P.D. en de Elckerlyc-problemen', in Ons Geestelijk Erf, 26 (1952); J. van Mierlo, `P. Dorlandus Diesthemius, de dichter van Elckerlyc', in Idem, 27 (1953);

dinsdag 26 april 2011

Secretaressendag? Vijftien kilogram graag.

Met of zonder tussen-n, secretaressendag kan ook wel eens een prettig gevolg hebben. De video's die je van Tante Google mag bekijken liegen er niet om, maar ons werk speelt zich niet in die atmosfeer af. Dit ernstige bloggertje (geen commentaar graag) heeft als bijkomende taak: het invullen van de lege plaatsen op het secretariaat van de baas, wanneer één van de vaste secretarissen (m/v) afwezig is. Een taak die ik steeds met groot plezier vervul.

Toen op dinsdagochtend 19 april de telefoon rinkelde, en ik de naam van de baas van het schermpje aflas, wist ik niet waar het over ging. Maar hij stond me in zijn bureau op te wachten met een brede glimlach, en zei dat hij iets voor me had. Een lange bruine envelop, in een geschenkverpakking: het deed me twijfelen, maar het was echt wel voor mij bestemd. Er bleek een geschenkbon van de Fnac-keten in te zitten, en het bedrag mocht er wel zijn. Ik ben dus officieel bevorderd tot rechthebbende secretaresse, en ik vind het dus maar normaal dat ik ook officieel verklaar dat ik dat heerlijk vind.

Vanmorgen ben ik het Kialapunt van mijn keuze gaan bezoeken om een pak(je) te gaan afhalen, en toen ik terug thuis kwam, bleek ook de postbode een pakje in mijn brievenbus achtergelaten te hebben. Hoewel geen van beide afkomstig is van Fnac, bombardeer ik de beide leveringen al even officieel tot geschenken, verworven ter ere van Secretaressendag. De prijs van de gezamenlijke aankoop, verzendingskosten inbegrepen, komt aardig dicht in de buurt van de geschenkbon, en aangezien Fnac in Brussel niet echt op mijn weg ligt, Fnac Gent daarentegen komt bij onze periodieke strooptochten doorheen het Veldstratelijk landschap (waarbij De Slegte nooit vergeten wordt) wel degelijk in het visier, moet de bon op zulk een gelegenheid dan maar wachten.

Beide paketten bevatten een paar zeldzaamheden, die het vernoemen wel even waard zijn. Maar eerst moet er een beetje middagmaal op tafel komen voor de schoolgaande jeugd met domicilie in dit huis.

Nog terwijl de jeugd de buik vult en met aandacht en eerbied, met ootmoed (oot·moed de; m gevoel van nederige onderworpenheid) en volharding uitkijkt naar het vervolg van de eerste na-paasvakantiële schooldag, val ik weer op mijn bibliofiele en secretariële veroveringen terug. [Ja, dag, tot straks.  Met choco, met confituur of met koude kip en warme rabarbermoes? - Natuurlijk met choco, ik kon het maar proberen].

Wat zit er vandaag in de pot? Gewoon omdat ze bovenop de stapel liggen, mogen vier delen van Cyriel Verschaeve, Verzameld Werk, huldeuitgave 1874 - 1934, Uitg. Zeemeeuw MCMXXXVI, delen I tot III en V, de reeks openen. Ik heb reeds van een zeevaardige piraat, kapitein van een zinkend schip, die op zoek is naar een bergtop om daar definitief te stranden (maar Noah is hem reeds lang geleden voor geweest), de volledige werken gekocht. Vorig jaar. Maar deze toevoeging aan mijn Blumengarten Bibliothek is alleen maar gedaan met het oog op ruilmogelijkheden, om andere bibliofielen te laten meegenieten van deze onvolledige reeks, waarmee zij eventueel hun bezit kunnen aanvullen, en waarmee ik ruilend één of ander door mij graag gezien stuk kan veroveren. Het nadeel is dat deze reeks genummerd is (117 in mijn geval), maar omdat de reeksen toch al uit mekaar gehaald zijn, is de volledigheid primordiaal, de nummering in eerste instantie bijkomstig. Wie de andere nummers 117 in bezit heeft, en zijn verzameling wil voltooien, mag me steeds contacteren. Ook anderen die aan deze nummering geen belang hechten, maar toch een reeks willen vervolledigen, mogen zo doen.

De boeken zijn niet alleen inhoudelijk zeer belangrijk. Verschaeve, controversieel of niet, was een belangrijk figuur in de Vlaamse beweging. Zijn Deutschlandfreundlichkeid weegt niet - altans voor mij niet, voor anderen wel - op tegen zijn literaire en zijn Vlaams-moreel-sociaal-politiek belang op. Ik ga de discussie niet aan. In deze blog is voor mij de dichter en denker belangrijk. Andere bedenkingen maak ik in andere omstandigheden.

Naast mij ligt het werk van Pieter Dorlant, Kartuizer: Viola Animae. Het betreft de herdruk  van de Samenspraak tussen Maria en de Ziel over Jezus' Bitter Lijden, uitgegeven bij Lannoo, Tielt, in 1954, vertaling van dr. Moereels, S.J., praeses van het Ruusbroecgenootschap, dat gesticht werd door niemand minder dan Pater dr. D.A. Stracke S.J., naast Verschaeve nog zo één van die Vlaamse denkers uit het interbellum. Het is een schitterend bewaard werk, dat zijn ouderdom slechts verraadt in de stofwikkel, die enige scheuren en bevuilingen opgelopen heeft in zijn nu reeds 77-jarige beschermende taak. Ook het prospectus is er bijgevoegd, en ik begrijp nooit waarom de uitgevers, die het coördinerend werk moeten doen om alles een gevoel van eenheid te geven, dit prospectus niet gemaakt hebben op een formaat dat perfect past bij het boek. Ook bij de Volkshuisraad in Vlaanderen van dr. Jozef Weyns merk ik datzelfde feilen: de trotse eigenaars gooien het prospectus, dat onafscheidelijk bij het werk behoort, niet zo maar weg, maar steken het tussen de hardcover en de titelbladzijde, met lelijke verplooiingen als gevolg.

Dit boek heeft zijn imprimatur gekregen van A. Van den Dries op 31 october (met c, zoals het hoort) 1953, toen deze kleine maar fiere blogger net één jaar oud werd. Kun je je het kroontje op zijn toen ook niet zo harige kop voorstellen?

Het boek zelf verscheen in 1499 te Keulen, vijfhonderd jaar voor het overlijden van mijn moeder, om maar iets te vernoemen, en werd door Pieter Dorlant van Diest, Kartuizer, geschreven. De datum van herdruk is niet toevallig: precies 100 jaar daarvoor heeft Pius IX de Onbevlekte Ontvangenis als Kerkelijk Dogma naar voor geschoven, en de lektuur van vele gedichten van ondermeer Guido Gezelle leren me dat deze gebeurtenis inderdaad niet zonder weerklank geweest is in de kerkelijke geschiedenis. Het jaar 1954 werd dan ook uitgeroepen tot een Maria-jaar. Het colofon vermeldt dat de uitgave gebeurde om de nieuwe bibliotheek van het Ruusbroec-Genootschap te financieren. Ik citeer letterlijk:

Deze vertaling van Viola Animae werd gezet uit de Garamond-letter 18 punt en verlucht met vijftien houtsneden, waarvan drie in vierkleurendruk met goud, de tweekleurige sierletters en sluitstukken werden uit oude Plantijn-drukken genomen. De uitgave wordt verkrijgbaar gesteld in luxe-, speciale en gewone uitvoering. De luxe-exemplaren, gedrukt op handgeschept van Gelder Zonen en genummerd van 1 tot 100, worden gebonden in vollederen stempelband en afgeleverd in een mooi foedraal. Bij inschrijving vóór het verschijnen wordt op verlangen de naam van de intekenaar bij het nummer van zijn exemplaar gedrukt. De prijs van deze luxe-exemplaren bedraagt 1.000 fr. waarvan 500 fr. bedoeld zijn als gift voor de uitbouw van de Ruusbroec-bibliotheek. De speciale uitvoering wordt gedrukt op hetzelfde handgeschept Van Gelder Zonen, doch gebonden in halflederen stempelband : deze exemplaren zijn genummerd van 101 tot 300 en kosten 480 fr. De gewone gebonden exemplaren op houtvrij papier kosten 285 fr.

Bovendien werden 26 groot-luxe-exemplaren gedrukt, gemerkt van A tot Z, die echter niet in de handel komen.
In dit werk komen dus ook twaalf houtsneden voor van de oorspronkelijke verluchter, die er blijkbaar zijn werk aan gehad heeft. Jacob Cornelisz van Oostzanen, ook genaamd van Amsterdam, maakte een verzameling houtsneden genoemd de Vierkante Passie, en de twaalf naar de smaak van de uitgevers mooist bevonden werken werden in deze heruitgave hernomen. Deze Jacob Cornelisz was niet alleen houtsnijder, maar ook etser en schilder. Zijn werk, zo blijkt, getuigt van een volkse eenvoud en gereserveerdheid (A. Deblaere). Naast deze Vierkante Passie heeft hij ook een Maria-Cyclus (1507) en grote Ronde Passie (1511-1514) uitgegeven. Dezelfde A. Deblaere zegt over deze laatste reeks bijna letterlijk:
Deze houtsneden willen niet meer wedijveren met schilderkunst of kopergravure: hij laat niet alleen de houtvezel meespreken in plaats van ze te doen verdwijnen, maar hij wendt zich mét en in zekere zin trots al zijn verworvenheden opnieuw tot een meer volkse traditie.
 Deze kunstkenner, die over andere artiesten schrijvend aandurfde een kat een kat te noemen, looft Jacob Cornelisz dus behoorlijk. De Vierkante Passie is trouwens voor de eerste maal in 1523 in boekvorm verschenen, maar er bestaat waarschijnlijk geen volledig exemplaar meer van, slechts losse gravures zijn nog te vinden in musea en in het tweedehands- en kunstcircuit. Een tweede uitgave kwam er in 1530, onder de titel: Hier begint de scoene Stomme Passye... met 80 houtsneden, maar deze zijn niet alle van Jacob Cornelisz.

Gewone afdrukken van de houtneden uit de Stomme Passye zijn nog wel in de grotere bibliotheken te vinden, maar de gekleurde afdrukken zijn uiterst zeldzaam geworden. Vermoedelijk zijn ze alle afgedrukt na de volledige uitgave van de Stomme Passye, maar dan als afzonderlijke prenten. In het Staatliches Kupferstichkabinett van Berlijn en in het Britisch Museum rustten tot begin de jaren '50 van vorige eeuw de enige gekende exemplaren. Het is slecht met de heruitgave door de Ruusbroec-bibliotheek dat de drie hier hier toegevoegde gekleurde afdrukken, in het bezit van het Ruusbroec-Genootschap te Antwerpen, voor het eerst gereproduceerd werden,  terwijl ze in geen enkele catalogus van Jacob Cornelisz' werken werden geciteerd.

Ook de auteur van de Viola Animae, hetgeen niet meer betekent dan Zieleviooltje, is niet de eerste de beste. Pieter Dorlant (van Diest) een kartuizer monnik, werd vermoedelijk geboren in 1454, en vatte in 1472 studies aan aan de Leuvense Alma Mater. Hij blijkt middels zijn inschrijving afkomstig te zijn uit Walcourt. In 1475 treeds hij in in het kartuizer klooster te Zelem bij Diest, vandaar zijn bijnamen Diesthemius of Diestensis. Hij schreef voornamelijk in het Latijn, meestal dialogi, zoals deze Viola Animae, maar ook in het Diets, en daar duikt, niet zonder controverse en onzekerheid, ook het toneelstuk Elckerlyk op.

In "Ons Geestelijk Erf", 1952, het tijdschrift uitgegeven door het Ruusbroec-Genootschap, wordt zijn Elogium aangehaald, dat niet zo lang voorafgaand aan de publicatie van de Ruusbroek Bibliotheek, teruggevonden was in de Bibliothèque Nationale te Parijs. Hij wordt daar genoemd als iemand met een alzijdig aanpassingsvermogen, waardoor hij "leraar met de leraren, dichter met de dichters en redenaar met de redenaars" was.

Deze aanwinst van mijn Blumengarten Bibliothek is dus behoorlijk belangwekkend. De prijzen in het tweedehandscircuit zijn voor de niet genummerde exemplaren, zoals dit er een is, niet opvallend. Maar een degelijke lectuur van de inleiding en het prospectus leert een blogger heel wat.

De nabeschouwing bij de herdruk moet ik nog volledig doornemen, maar oppervlakkig gezien wordt daar ook reeds een aanvulling gegeven op al deze elementen betreffende zowel de Viola als over de gravures van Jacob Cornelisz. Toch durf ik het reeds aan een openlijke vraag aan mijn geëerde collega-blogger Perkamentus te stellen om mijn summiere opsomming van feiten en feitelijkheden te onderzoeken, zo nodig te corrigeren, en er zo mogelijk nog een vervolg aan te breien. Hij is in het wereldje van de Amsterdamse graveurs, publicisten, drukkers en handelaars behoorlijk thuis. Ik ben zeer nieuwsgierig naar zijn bevindingen.

(vervolgt)

zondag 17 april 2011

twaal ven nen nalven euro

De jaarlijkse rommelmarkt hier in de wijk heeft me al meermaals leuke dingen opgeleverd, en dit jaar is het niet anders geweest. De lichtjes kriptische titel verraadt veel over de financiële implicaties die deze korte voormiddag in mijn leven, doorgebracht op mijn knieën voor al dan niet ordeloze dozen met 'boeken', rommel en oud papier, en hier en daar een brave verkoopster, die echt wel wist wat boeken zijn, maar die er de prijs toch niet helemaal goed voor wist te plaatsen, heeft meegebracht.

Ik verbaas me er nog steeds over dat mensen voor een doorsnee boek, dat in de jaren zeventig als bestseller door het leven ging, nog steeds zes of zeven euro hopen te vangen, terwijl ze andere werken, die ik op internet over de schermen zie schuiven voor vijftig of zestig euro, nu aanbieden voor vijftien euro, en dan ook nog bereid zijn iets van de prijs te laten vallen, om het toch maar verkocht te krijgen.

Dat is natuurlijk het plezier van de rommelmarkt, en heel af en toe ga je zelf in de fout, met een aankoop tot gevolg die de prijs toch niet waard blijkt te zijn. Geen neerbuigende praat dus. Maar deze keer zul je me niet horen klagen. Voor de luttele som van twaalf en een halve euro heb ik uiteindelijk vier boeken gescoord.

Doctor Jozef Weyns heeft hier al eens hoge ogen gegooid, ik doe er nog een oogje bij, met zijn mooie uitgave van "Het verhaal van ons huis" in de Keurreeks van het Davidsfonds nr 56, 1954-3. Voor één euro.

Eindelijk heb ik nog eens een boek van Paul Koeck meegebracht: "Het Plantenoffensief", uitgegeven in de reeks Literauur Vandaag van de Standaard Uitgeverij in 1969. De stofwikkel heeft zijn werk gedaan, en vertoont vele scheurtjes en bevuilingen, maar het boek zelf heeft daardoor zijn frisse uiterlijk bewaard. De bovenkant is door de jarenlange afwezigheid van een zorgzame hand zwaar bestoft, en mijn steeds klaarliggende handborsteltje, dat in deze rol die nederige arbeid met lijdzame zwijgzaamheid vervult, krijgt wel het stof, maar niet meer het ingevreten vuil wel. Boeken leven, en daar kan ik dan weer mee leven. Een niet onbelangrijk detail in dit leven is voor mij de opdracht op de titelbladzijde: een niet helemaal duidelijke zin, die in grote vaart geschreven is, en waarvan de betekenis mogelijk de volgende is: "Dit boek na enkele ontmoeting(en, nvAndebijk) met Etjèn waarbij we in elkaar(s, nvAndebijk) ziel hebben gekeken. Vriendschappelijk, (get.) Paul, 08/10/'71." Een gesigneerde Paul Koeck, voor één euro.

Mijn zoveelste exemplaar van "De Vlaschaard" (met één s), ditmaal de versie van de Lijsternestreeks nummer XII, zijnde meteen ook de twaalfde druk, zou eigenlijk maar een fait divers zijn, mijn vrouw laat dan ook nogal eens zuchtend de opmerking vallen bevattende de vraag hoeveel exemplaren van De Vlasschaard ik dan al in bezit heb, en hoeveel ik er nog denk aan toe te voegen, maar deze is meer dan alleen maar zo nog een exemplaar. Hoewel het uitzicht van het boekje duidelijk laat vermoeden dat het geleefd heeft, en mijn stofborsteltje ook weer enig werk had om tenmiste dat deel van het uitzicht te corrigeren,  is het net zoals dat van Paul Koeck toch specialer dan alleen maar een bundeltje oud papier. Geen opdracht, maar de in potlood geschreven als ex-libris aangebrachte naam van de vroegere eigenaar is weer een lichtpunt te meer: het is ooit eigendom geweest van niemand minder dan Renaat van Elslande. Het stak in een doos met rommelboeken die alle weg mochten voor ... een halve euro. Met mijn manie om elk exemplaar dat er ligt vast te nemen, te bekijken en te besnuffelen, lag het voor de hand dat de tijd nodig om aan dit exemplaar te komen, sommige mensen op de zenuwen werkte, maar het resultaat is er toch maar.

En dan moeten we natuurlijk nog het vierde boek bekijken. Dit is dus zo een werk, waarvan de verkoper niet echt goed de waarde ingeschat heeft, en het enigzins te goedkoop aangebood. Andere boeken uit zijn aanbod waren dan weer ver erover. Wel verleidelijk, maar onredelijk van prijs. Een andere handelaar had dat goed gezien, en ik kon nog maar net dit boek uit zijn commerciële klauwen redden. Een ander werk was te ver van mij af om nog door mij ingepikt te kunnen worden, hetgeen dan weer het nadeel van mijn koopwijze blijkt te zijn. De herdruk van "Van der naturen bloeme" van Jacob van Maerlandt ging voor mijn neus weg. Ik wou de vier quasi-nieuwe boekdelen voor veertig euro wel meenemen. 

Maar deze "Livre d'Or de la Résistance Belge", een gigantische hardcover in bruin linnen met gouden diepdruk erop, versierd met een Art Nouveau-versie van de Belgische leeuw (zonder klauwen welsiwaar) mocht voor de mooie som van tien euro mee naar huis. Het boek heeft geleefd: het linnen is lichtjes bevuild, de bovenkant bevat ook vele bruine vlekjes en een inktvlek, en op de rug zijn er zeer kleine spatjes van een wasachtige stof, die met de vingernagel gemakkelijk kunnen verwijderd worden. Vermoedelijk zijn dat de restanten van de lijm waarmee het linnen op de hardcover bevestigd is, maar dat is beslist niet storend. Ook een paar lichte vlekken op dat zelfde linnen, maar nauwelijks zichtbaar, en waarschijnlijk van dezelfde oorsprong als de vlek op de bovenste snee zijn te zien.

Binnenin bevinden zich eveneens twee driekleurige linten, bewijs dat de eigenaar mogelijk één van de geciteerde personen in het boek was, of misschien toch wel rechtstreeks door gebeurtenissen die verband houden met weerstandsactiviteiten, betrekking had.

Het boek is monumentaal van afmetingen, de uitgave werd verzorgd door "Les Editions Leclercq Bruxelles", in opdracht van "La Commission de l'Historique de la Résistance instituée par le Ministère de la Défense Nationale". Spijtig genoeg bevat het boek nergens een duidelijke colofon, zodat het een beetje te raden valt wanneer het werk tot stand gekomen is. Maar dit is zeker, eens dat de twee linten door de droogkuis gegaan zijn, en zij in hun volle glorie over het boek mogen gedrapeerd worden, zal deze uitgave met trots naast de "Volkshuisraad" van dr. Weyns mogen staan.

zondag 10 april 2011

Intens, zwart, onveilig en echt

Heel soms plooi ik voor een auteur, die op de schaal van de LeeftijdsRichter een paar decennia onder mij zijn staart roert. Maar deze kerel is er één die er bovenuit steekt. Niet in productie, hij wordt blijkbaar nog niet gesmaakt door degenen die er voor zorgen dat Namen Genoemd Worden. Dat gebeurt wel door de lezer die, zoals deze jongen, wel eens beweert geen hedendaagse literatuur te smaken en dus ook niet meer te proeven, maar die zich hoofdzakelijk in de richting van het verleden keert om de boekenkast te vullen. In afwachting van een volwassen interview en en volwassen recensie door een volwassen redacteur van een volwassen blad, deze impressies.

Met La Maîtresse du Pirate is een verhalenbundel uitgegeven waarin bdsm- en andere toestanden de kleur leveren, maar waarin neuken, tieten en orgasmen niet alleenzaligmakend zijn. Geen porno, wel erotiek. De auteur van elk verhaal heeft een schrijfstijl die hem en haar waardig is, en kwaliteit zie je zo wel bovendrijven. Het Slachtoffer van ene Akim A.J. Willems is zo een verhaal dat de donkere nacht vol jaloezie, bedrog, hoop, verwachting en verrassing opvult, en dat mensen van vlees en bloed de kans geeft mens te zijn, mens te blijven en op hun eigen manier mooi laat zijn, hoe lelijk en hard de achterliggende realiteit ook is.

Gisteren viel in mijn brievenbus een omslag (dat gebeurt), waarop de naam van de auteur prijkte. Erin stak een brief, in zijn eigen komische en kosmische stijl, mij medelend dat ik de bijgevoegde brochure moest beschouwen als een literair unicum. Het was namelijk genummerd als 13 van 25, terwijl elders op de brochure te lezen staat dat er vijftig van uitgegeven zijn. Het zijn er, voor alle duidelijkheid, wel degelijk 25. Dat zijn er 5 voor de Bibliotheca Studentica & Erotica, en 20 voor relaties ad random. Voor mij is dit nummer dus een soort van vrijdag de dertiende in positieve zin. En daar ik geboren ben op 31 oktober, is Halloween nooit ver weg. Het omgekeerde van 13 is...

De versie van het verhaal was de franstalige, bibliofiele, genaamd "La Victime". Ooit heeft een literaire relatie van de auteur zijn verhaal zeer op prijs gesteld, het doorgegeven aan een franstalige zwaargewicht, die zonder meer alludeerde op de vertaling en later publicatie ervan in het Frans. De hele toedracht kun je lezen op de website van Akim Willems. Zoeken aldaar. Opname in een bloemlezing van erotische literatuur behoort nu ook tot de net gerealiseerde of weldra te realiseren wapenfeiten.

Ik heb het verhaal herlezen, en raakte in de ban door de veel literairder taal die hier te lezen valt. Dat maakt deze versie geheimzinniger: als Vlaming moet ik toch wel enige moeite doen om een franstalige tekst te lezen, maar precies daardoor lees ik ook veel aandachtiger en trager. De nacht is, in het Frans, intenser, zwarter, onveiliger en echter dan in het Vlaams. En de personages zijn van vlees en bloed. De termen Bospoeper en Joepie zijn echter dan op TV.

De brochure in kwestie, aangevuld met een droedel op een lekker ouderwetse schooletiket, waarop wij vroeger onze naam, klas en het vak van het boek op de blauwe kaft waarvan dit kleinood geacht werd geplakt te worden, schreven, moet hier een bestemming krijgen, want het is meer dan alleen maar een brief in een envelop. We zien wel. Een ereplaats krijgt het zeker.

Willems, zoek je richting, en programeer je schrijven. Je taal is literair rijp, je verhaal goed in mekaar gestoken, je personnages zijn echt, en ademen de vuile stadslucht in en uit, gefilterd door een handvol bomen dat het laatste restje natuur in Vlaanderen en in de rest van de wereld voorstelt. Ik ben je dankbaar voor dit geschenk, en je krijgt mijn steun.

vrijdag 25 februari 2011

Gal

Na de lektuur van een paar dichtbundels van dingensen die hun dingens ook nog gepubliceerd krijgen, al moeten ze het zelf betalen, en driekwart van de oplage zelf opkopen, om uit de opbrengst de kosten te betalen, zet ik de gallerige smaak in mijn mond om in een poëtisch geschrift, dat enkel de bedoeling heeft om weer naar betere smaken te kunnen terugkeren.

Op 24 april 2009 spuwde ik mijn verteringsstoffen over een publicatie van Peter Zonderland, en dwaas genoeg heb ik niet ingezien dat die passage pure poëzie was. Als je maar een sterke maag hebt. De blog noemt naam en toenaam, het gedicht wil echter niet doden. Ik heb er toch een titel voor nodig. Kan het nog simpeler:

Wie poëzie wil lezen

Wie poëzie wil lezen, heeft best een ijzeren gestel,
een driekwart geamputeerde maag,
en een taaie levenskracht.

Hij moet de schrijfsels overleven,
van hem die een boodschap brengen wil,
maar dat zo kryptisch doet,
dat hij het poëzie moest noemen
om het ook verkocht te krijgen.

Per Zola schrijft zulke dingen,
waarvan de lezer nooit zal weten
wat begin of einde is.
Wel zo is "Betijdingslicht".

Maar zo is dus zijn bedoeling:
je moet er middenin beginnen,
en woorden vretend zelf je weg
naar een niet voorbereid einde banen.

Je sterft je oefening in wanhoop,
of je sterft in stille rust,
weet niet waarom, weet niet hoe,
dan is wanneer niet van belang.

Per Zola is God, jij zijn tot zucht verwoorde mens,
en als je dood bent, wacht de hemel, de hel of gewoon het niets,
al naargelang je zelf geloven wilt of kunt.

Of, als u dat beter uitkomt,
gooi mij maar in de vuilnisbak,
er is geen leven na de lezing,
maar onvervalste poëzie.


En geloof me vrij, hier rust dus ook copyright op!

Toch een korte toelichting. Ik heb dat bundel "Belichtingstijd" gelezen, en de tijd duurde me te lang: ik kon alleen maar toegeven dat ik er geen snars van begreep. Dan heeft een blogger twee mogelijkheden: hij vertelt naar waarheid dat hij er niets van begrepen heeft, en dat doe ik dan ook, als je maar goed genoeg leest zul de dat wel terugvinden. Of de blogger grijpt naar een geliefd wapen: het cynisme. Ik deed dus beide, om als volgt te besluiten:

Gooi mij maar in de vuilbak, er is geen leven na de lektuur hiervan. Het is Poëzie.

Eerst wou ik de tekst in zijn oorspronkelijke onvolmaaktheid hernemen, maar ik was van oordeel dat één en ander moet begrepen worden. En dat is namelijk dat de blogtekst een (cynisch uitgedrukte) mening is, waaruit onbegrip en bewondering spreken, maar dat een gedicht een finalere boodschap aan de mensheid is, ontstaan vanuit de dichter zelf, en dus veel absoluter. Daarom heb ik besloten de naam van de vergalde dichter slechts door middel van een zelfgevonden pseudoniem te vernoemen, in plaats van zijn eigen dichtersnaam te citeren. Ook de naam van de bundel heb ik vervormd. Iedereen kan nagaan over wie het gaat, het gedicht is absoluut, de mening blijft een wanhopige zoektocht. En dus heb ik ook de tekst hier en daar aangepast. Een gedicht mag geen verkapte, door een slager tot poëzie verhakselde proza zijn. En uiteindelijk: wie beweert dat ik een dichter ben?

woensdag 23 februari 2011

Richard Steegmans

Geen dichtbundel in de sneeuw, maar toch even over iemand die wel eens een gedicht pleegt, dat wel eens gepubliceerd wordt, soms ook in een tijdschrift terecht komt, en nog somser in een bloemlezing terug te vinden is.

Zijn blog, " Richard Steegmans " op deze zelfde blogspot, blinkt niet uit in drukke schrijverlarij, maar geeft wel een gemakkelijke inkijk in zijn werk.

Richard heb ik als schooljongen gekend, en hij was één van die zeldzame, warme en nadenkende jongens, die een belofte inhield, die toen nog niet zo zichtbaar maar wel erg voelbaar was: je ondervond toen reeds dat hij bezig was met observeren. Hij is van hetzelfde bouwjaar als ik, en we hebben, als mijn geheugen me niet in de steek laat, in het zesde leerjaar in dezelfde klas gezeten, bij Meester Lambrichts, een collega van Meester Hoewaer, die ik hier als dichter ook reeds heb laten voorbijwandelen.

Veel later heb ik hem nog eens ontmoet, en als volbloed communist was hij ohne rücksicht, en ook een beetje rücksichtlos bezig met een "nieuwe" vertaling uit het Russisch van - wat was het ook al weer - "Het Communistisch Manifest" (?). Dat was in het Roodhuis, een dito gekleurd café, waar ik graag kwam omwille van de losse manier van zaakvoeren. De mensen die je er ontmoette, waren voornamelijk linksgerichte jongeren, en wie in zijn jeugd nooit communist geweest is (toen moest dat wettelijk verplicht nog Maoïstisch gericht zijn, en als vak uitgeoefend worden in een democratisch huis, zoals er in iedere provinciestad wel eentje e vinden was) zal ook nooit een goed kapitalist kunnen worden. Datzelfde huis in de Dokter Willemsstraat is, ook al weer als mijn geheugen nog goed is, enige tijd door een zekere Steve uitgebaat, voordat het zo roodgekleurd werd.  

Hij zal het me dus wel niet kwalijk nemen dat ik het copyright een beetje overtreed door het publiceren van één van zijn verzen.

Afdoend aan zichzelf gerichte brief
Van een uitgever in de gedaante
van gekwetste lezer:


'Haar verhalen mogen niet bedarend erotisch zijn,
ons fonds niet ontsieren, geen dames van het zusterblad afhouden.

Van opwinding niet levend verblinden, geen woord
dat van de schutting afbladdert als beelden te kijk zetten.

Mooi als een tijdbom geen zanger uitmoorden,
minder het sap versnoepen dat haar wiek verdraagt.’

Dit gedicht werd enkele jaren geleden gepubliceerd in het tijdschrift Tortuca, en op 26 december 2008 op zijn eigen blog hernomen.

Ook hier is nog steeds een ondertoon van protest aanwezig. Hij zal, en wij zullen, het nooit afleren. Dag, Richard.


dinsdag 15 februari 2011

Volkshuisraad in Vlaanderen

Om met de deur in huis te vallen: ik heb hem. Naast mij ligt een 20 centimeter dikke stapel van vier boeken, die ik voor het eerst in mijn handen gehad heb in het Hambosmuseum in Wortegem. Ik kende ze wel, maar had ze nog nooit in handen gehad. Ginder lag de heruitgave uit 1999 of 2000, op zichzelf ook reeds een verzamelobject geworden, en mooi langs binnen en buiten. Toen heb ik erin gebladerd, en kreeg ik de zoveelste kriebel om dat werk ook te bezitten.

De redenen om een dergelijk werk aan te schaffen zijn velerlei, maar iemand kan niet naast de inhoud kijken: een prachtige, wetenschappelijk goed onderbouwde en tegelijkertijd onderhoudende beschrijving van de meest uiteenlopende gebruiksvoorwerpen uit de Vlaamse huiskamers. Ik heb er al lang en breed in zitten bladeren, heb sommige onderwerpen een ietsje langer in ogenschouw genomen, omdat ik het geheimzinnige van het betreffende voorwerp wilde doorgronden, of omdat net een gekend voorwerp tot mijn verbazing zulk een stroom van kennis en wetenswaardigheden met zich meedroeg, terwijl we dat zelfs in mijn naoorlogse jeugd reeds als "oude rommel" beschouwden, die per lichtsnelheid aan modernisering moest onderworpen worden.

Het zijn prachtboeken, en tot mijn grote trots zijn het niet de herdrukken, maar gaat het om de originele uitgave, die rond mei 1974 op de markt had moeten komen, altans, voor de inschrijvers, de liefhebbers die een afwachtende houding aangenomen hadden, moesten nog even wachten, want het betrof een privé-uitgave, en wie niet ingeschreven had, moest dit bekopen met een fikse meerprijs. Dat heeft niet belet dat allerhande kopers toch bereid waren de oorspronkelijke 3300 BEF bij voorafbetaling uit 1974 te laten oplopen tot 3500 BEF in geval van betaling bij levering, of tot 3600 BEF zo er tweemaandelijks afbetaald werd. De onfortuinlijken die niet ingeschreven hadden, dienden vervolgens hun bestellingen met een contante 4500 BEF te bekopen. Als je de boeken van dichtbij bekijkt, en zeker als je enige lectuur gedaan hebt, zijn ze elke frank van die prijs waard.

Op de prospectus, die ook nog in deze exemplaren steekt, en die een fraaie druk vertegenwoordigt, staat dat het om twee boekdelen gaat. Zo laat de illustratie ook uitschijnen. Maar de delen drie en vier zijn  kanjers van gelijk formaat, gemiddeld elk 5 centimeter dik. Deel drie bevat nog een aantal hoofdstukken en een uitgebreid fotogedeelte. In deel vier vinden we bovendien nog meer dan 550 bladzijden bijlagen. Een bibliografie om U tegen te zeggen (met hoofdletter), een opsomming van musea en verzamelingen waaruit dr. Weyns naar hartenlust uit heeft mogen putten, een bijlage die een aantal opstellen bevat over verscheidene heemkundige onderwerpen door diverse auteurs, een waslijst boedellijsten, voor de heemkunde een schatkamer aan informatie, omdat er een opsomming van de meest diverse soorten huisraad in gegeven werd als beschrijving van de te verdelen boedel bij erfenissen; naamklappers voor deze boedellijsten; lijsten van foto's en tekeningen; en ook vertalingen van de bijlagen.

Dr. Weyns overleed op 17 juli 1974, en heeft de uitgave zelf niet meer meegemaakt. Zijn Opus Magnum bevat dan ook een naschrift met de afbeelding van zijn grafzerk. De uitgave werd enige tijd uitgesteld wegens zijn ziekte en overlijden. Het juiste tijdstip waarop de verdeling van de boeken begon, ken ik niet.

De uitgave van de boeken, zo lees ik in de kolofon, werd uiteindelijk uitgevoerd met goud op snee (23 karaat), in halflederen band van handgekrispeld geite(n)leer met gouden bestempeling, en werd verzorgd door de boekbinderij Splichal te Turnhout.

Deze vier boeken werden alle vier op gelijkaardige wijze opgedragen met een handgeschreven opdracht

Voor een overgetelijke herinnering aan mijn lieve kleindochter Myriam VDE, vanwege haar Parrain. Zondag 2 maart 1986.

Nu bijna 25 jaar later heeft deze kleindochter de grootvaderlijke en peterlijke gift van de hand gedaan, en dit prachtstuk zal vanaf nu en tot nader inzicht omschreven worden als het nieuwe topstuk van mijn Blumengarten Bibliotheek.

Vorige week kwam dit werk per Taxipost thuis aan. Maar bestaat toeval? Dat is een vraag die ik in net hetzelfde perspectief reeds meerdere malen in deze blog gesteld heb. Vandaag namelijk snuisterde ik een beetje rond tijdens een recuperatiedag wegens onvoorzien woensdagwerk vorige week, en tussen allerhande onbetekenend werk werd mijn aandacht getrokken door een naam, die onmiddellijk een belletje deed rinkelen. Ik las op de rug van een niet erg opvallend boekje: "Dr. J Weyns: Bakhuis en broodbakken in Vlaanderen"!

Je houdt het niet voor mogelijk: dit boek, ook een uitgave van dezelfde auteur, maar wel verzorgd als hulde-uitgave door het Verbond voor Heemkunde, werd mij verkocht voor zowat vijfentwintig cent. Al bij al is het boekje in een uitstekende staat, gebruikt, maar niet storend in waarde verminderd. De kolofon zegt letterlijk:

Dit is een hulde-uitgave bezorgd door het Verbond voor Heemkunde voor de vijftigste verjaardag van zijn voorzitter Dr. Jozef Weyns. Dit boek werd gezet in de Garamond 12 punt letter en gedrukt in het jaar 1963 op de persen van Drukkerij Sanderus te Oudenaarde. De oorspronkelijke uitgave bestaat uit 260 eksemplaren waarvan tien gedrukt op wit houtvrij gevergeerd papier "Cleopatra", genummerd van A tot J, niet in de handel, en 250 eksemplaren gedrukt op wit houtvrij velijn editiepapier 125 gr, genummerd van 1 tot 250; alle eigenhandig getekend door de auteur en voorzien van de gedrukte naam van de inschrijver.

Dit is

N° 69

en werd gedrukt voor

Fritz Sabbe, Gent

(get) Jozef Weyns

Dank u, heer Sabbe voor de goede bewaring van dit kleinood.

Ik heb formidabel veel geluk gehad, want een spreekvaardige medesnuffelaar, die me dit boek zag keuren en kopen, sprak mij daar over aan. Hij zou het zonder twijfel ook meegenomen hebben, daar hij over een inventaris van Oost-Vlaamse bakhuizen heel wat te vertellen wist, voornamelijk dan die van de gemeente Oosterzele.

Ik ben benieuwd of er in de Volkshuisraad ook bibliotheekkasten opgenomen zijn. En wees hier van overtuigd: weer durf ik me een fier bibliofieltje te noemen.

woensdag 19 januari 2011

Dichtbundels in de sneeuw 6 (38 tot 42)

38) 333 Coplas Populaires, suivies de 33 coplas sentencieuses du floklore andalou. Uitgegeven bij éditions Charlot in de reeks Poésie et Théatre. 1946. Dit is een dichtbundeltje afkomstig uit de bibliotheek van de Katholieke Universiteit van Leuven, zoals de stempel van de Sedes Sapientiae bewijst. Coplas zijn korte meestal vierregelige verzen die gemaakt werden door al wie wat te vertellen had over wat zijn hart het meest beroerde. Van oorsprong Andalousisch, werden deze gedichtjes gemaakt of vertaald in het Frans. Omdat ze voor het merendeel anoniem geschreven zijn, is de mondelinge overlevering een belangrijk instrument geweest om ze te behouden tot in onze tijd. Daardoor zijn er twee kenmerken waar te nemen: ze reflecteren een gevoel, waarvan we niet met zekerheid kunnen weten of ze oorspronkelijk ook zo door de "auteur" bedoeld zijn, en ten tweede is de vorm niet altijd academisch juist. Dat belet niet dat groot en klein hierin zijn beste dichterspen kon bovenhalen. Charmante literatuur.

(XX) Uren met Vinet. In de reeks "Boeken van wijsheid en schoonheid", uitgegeven door de Hollandia-Drukkerij te Baarn in het jaar MXMXVIX (Zou dit bedoeld zijn als 1914? Alleszins is de X tussen beide eerste M-en waarschijnlijk een drukfout, als het als 1900 bedoeld zou zijn, maar dan blijft me nog steeds de XVIX als een wel eigenaardige notatie voor 14. Erachter staat met de hand geschreven 1919. Ik weet het niet). Het boek is een bloemlezing van teksten van de Zwitserse criticus, moraalfilosoof en theoloog. Op zich boeit het me maar matig, de theologische discussies van de 18de en 19de eeuw ontsnappen mij in grote mate wat betreft hun betekenis en belang. Het boek past dus ook niet in deze verzameling, maar mijn speurend oog heeft toch een kleinigheid waargenomen. Achteraan in het boek worden verschillende uitgaven in deze reeks aangeprezen, zoals Uren met Hegel, ... met Nietsche, ... met Montaigne, ... met Goethe, ... met Shakespeare, ... met Schopenhauer en zoverder. Bij Montaigne blijkt de inleiding gedaan te zijn door Jan Van Nijlen, van wie ik in deze verzameling nog twee dichtbundels gekocht heb. Ik lees: "De bekende Vlaamsche dichter Jan van Nijlen heeft zich geheel in den geest en het werk van de Franschen moralist ingeleefd en de kern van Montaigne's gedachten in smijdig Hollandsch weten over te brengen." Mooi!

(Toevoeging op 13/08/2011 : hoewel dit boekje wel degelijk aangekocht is in een groot pakket dichtbundels, ben ik van oordeel dat enkel de verwijzing naar Jan Van Nijlen in de recentie van een ander boek uit de reeks waarin het uitgegeven werd niet voldoende is om het op te nemen in een categorie van dichtwerken, dichtbundels, tijdschriften of werken over de dichtkunst. Het nummer 39 staat dan ook tussen haakjes en wordt in de BIN6-reeks niet benut.)

(Toevoeging 2 op 15/08/2011: bij nader inzicht en overweging zal het nummer 39 herbruikt worden bij een eerstvolgende aanvulling in de DIS-classificatie. Zie ook het nr 33 Papillotten in DIS5)

40) en 41) N.N. Het Nachtfeest van Venus (Pervigilium Veneris). Wereldbibliotheek-Vereeniging Amsterdam, 1946. Uit het Latijn vertaal door Dr Nico Van Suchtelen. Opmerkelijk is dat dit werkje zich tweemaal in deze verzameling bevindt. Erg mooi is ook de uitgebreide verklaring van zovele namen uit de Romeinse Mythologie. Ik kan natuurlijk zoals iedereen wel een paar namen en gebeurtenissen citeren, maar als men details vraagt, is een handig hulpje welkom. De houtsneden die dit werk verluchten zijn heerlijk mooi. Maar ook het gedicht zelf (het gaat om één enkel dichtwerk) is een groot mysterie: in deze versie wordt het werk ingedeeld in tien ongelijke strofen, die elk eindigen met de beginregel van het werk zelf, een ode aan de liefde, en voorbode van de nieuw te komen lente:

Cras amet qui numquam amavit;
quique amavit cras amet.
Morgen mint wie nimmer minde;
wie ooit minde ook morgen mint.
Om het werk te begrijpen is wel enige studie nodig, want het mysterie ligt in de ongewilde betekenis van het werk, daar er sprake is van een goed onderbouwde gissing dat deze verzen zowat de zwanenzang van het Romeinse Heidendom zouden zijn geweest. Ik citeer letterlijk uit de inleiding, zoals die door de vertaler geschreven werd:

Naast enkele eigenaardigheden van taal en metrum zijn het deze (laatste - nv OudHerk) vier regels die het vermoeden wettigen, door Dr C. Brakman Jz. uitgesproken (Pervigilium Veneris, E. J. Brill, Leiden 1928), als zou het gedicht geschreven zijn door een volgeling van de door het opkomende Christendom tot zwijgen gedoemde heidense dichterschool, die in diepe smart de oude eredienst der natuurgoden en daarmede de oude latijnse dichtkunst zag te gronde gaan. En zo zou dan dit lentelied eigenlijk de zwanenzang zijn van het stervende heidendom.

De sleutelverzen van het ganse gedicht worden dus op het einde, in de bedoelde laatste vier regels gezongen:

Zij kan zingen! Ach, wij zwijgen. Wanneer zal 't mijn lente zijn?
Tjilpen wilde ik als de zwaluw, zo 'k slechts niet meer zwijgen moest.
't Zwijgen heeft mijn kunst doen sterven; Phoebus kent mij reeds niet meer.
Zo heeft eens 't gedwongen zwijgen Amyclae ten val gebracht.

De dichter weet dat hij in de toekomst niet meer gekend zal zijn, dat zijn godsdienst én zijn kunst tot zwijgen worden gebracht. Hij blijft dan ook naamloos achter. Zeer interessant werk.

42) Joswin (Pseudoniem van Jos Swinnen): Late vruchten. Uitgave in eigen beheer, gestencileerd werk, gebonden door de Sint-Franciscusdrukkerij te Mechelen. 1972. Vriendelijke poëzie van iemand die zelf zegt dat zijn einige bekommernis was geen karamellenverzen te produceren. Een unicum is dit boekje wel. Ik weet niet of het ook bij andere exemplaren voorkomt, maar de auteur, of de ontvanger van het boekje heeft een "pasfoto" van de auteur onder de titel op de titelbladzijde gekleefd. Ongezien! Opgedragen "Aan Dhr. Senator en Mevrouw Wim Jorissen in blijvende vriendschap. 14/7/1978. Getekend Joswin".

Ik heb in mijn studententijd nog stencils gemaakt, en weet welk een monnikenwerk dit is. Het boekje van 101 bladzijden is in optimale staat.

zondag 16 januari 2011

Dichtbundels in de sneeuw 5 (28 tot 37)

28) Bernard J Sijtsma: Ter wille van wat zachte wangen. De Bezige Bij, Amsterdam, 1972.

29) Juul Kinnaer: Lage rugpijnen.Dilbeekse cahiers, 1996. Een verzameling gedichten uit verschillende bundels.

30) Godelieve Moenssens: Uit mijn witte stad. De Roerdomp, 1973 - tweede en derde druk, mei 1970, juni 1970 en september 1973. Beklijvende poëzie, die de (toenmalige) actualiteit niet schuwde. De Kennedy's, Amerika, rassendiscriminatie, Praag. Interessante inleiding ook door Frans Depeuter. Het is een beetje storend, maar dat heeft met de poëzie niets te maken, dat in het zelfde bundel (derde druk) de sterfdatum van de dichteres één maal in de inleiding op 28, de andere maal in de colofon op 20 december 1968 gelegd wordt. Voor alle duidelijkheid, het is 28 december. (toevoeging op 13/08/2011 : onlangs heb ik ook een tweede druk van deze bundel op de kop getikt. Hij wordt onder DIS8-48 toegevoegd aan de verzameling)

31) Lieve Moenssens: Avondzwijgen gedichten. Litera, 1983. Een bloemlezing uit haar werk. Als totaal verlamde dichteres gaf zij met de ogen de letters aan die genoteerd werden tot een gedicht ontstond. De verlamming ontstond na de geboorte van haar kind, waarna zij acht jaar te bed gelegen heeft, en enkel haar ogen nog kon bewegen. Toch spreekt een grote levensvreugde en wijsheid uit haar werk. Het eerste gedicht in deze bundel is een wens om haar eigen begrafenis in een positieve atmosfeer te laten plaatshebben.

Mijn wens

Laat toch mijn dood niet zwart omkransen
maar wit als het lied van vreugde zelf
wit van vogels, van bloemen, die ik minde,
het wit waarin geluk zich weeft.
Hier past geen zwart
ik was gelukkig
ik heb met heel mijn hart geleefd.
Dan is het goed te mogen rusten
in de aarde die je mint.

32) Gery Heldenberg: Veldbloemen koorgedicht voor B.J.B. Uitgave van den Boerinnenbond Leuven, 1934. Een hymne voor deze vrouwenbond, om hun verknochtheid aan Land en God te bevestigen. Iemand heeft dit werkje gebruikt om ook effectief een koor op te stellen, ingedeeld in groepen, die om beurt de verzen declameren/zingen. Een zeer sober boekje voor één enkel gedicht, in zijn eenvoud een pareltje.

(XX) Fritz Francken: Papillotten (aan- en kanttekeningen van een dagdief). L. Van Uffelen Antwerpen 1963. Dit is in het pakket een uitzondering: geen dichtbundel, maar een verzameling gedachten, citaten en aforismen. Toch maar in de verzameling gehouden, voor de volledigheid. Ondanks het feit dat het niet opengesneden is, slaagde ik erin een stukje gedachten over niemand minder dan Nestor De Tière te vinden. Een anecdote die de figuur van De Tière, zoals hij hier in deze stad, en zeker in de deelgemeente Eine ten voeten uit afgebeeld wordt: als een levensgenietende drinkebroer, voor wie elk excuus goed was om het stamcafé op te zoeken. Een ander figuur uit dezelfde gemeente heeft om dergelijke kwaliteiten zelfs een standbeeld gekregen, al moest hij daartoe soms de voordeur van het huis uit de hengsels halen. Een legende die erg grappig dus ook toepasbaar is op hem, hoewel Prosper De Maeght en deze auteur niet dezelfde persoon zijn. Het standbeeld in kwestie staat namelijk op het Prosperpleintje aan de ... Nestor De Tièrestraat. Dit boekje moet ik beslist opensnijden, want wie weet welke verrassingen ik nog zal vinden.

(Toevoeging op 19 januari 2011) Wel hier alvast nog een verrassing: dbnl, nochtans geen kleine autoriteit op het vlak van het werk van Nederlandstalige (en andere) auteurs, heeft in de literatuurlijst van Fritz Francken de titel "Papillotten" uit 1963 niet op haar website staan.

(Toevoeging 2 op 15 augustus) Bij nader inzicht en overwegingen allerhande, zal dit boekje niet in de DIS-classificatie opgenomen worden, maar onder de literaire varia, waarvoor ik nog een naam moet verzinnen. Het nummer 33 wordt herbruikt bij de eerstvolgende aanvulling in deze reeks. De bespreking in deze blog zal uiteraard gewoon als XX blijven staan. Het boekje stak per slot van rekening -misschien als bonus bedoeld - in deze verzameling bij de aankoop, net zoals dat met de Uren met Vinet het geval was.

34) Fabre Jaak: Even kijken! In eigen beheer uitgegeven, vermoedelijk in 1943. Opgedragen, gedateerd en gehandtekend "5-5-43 Woensdag. De Vriendschap is een schoone zaak. Aan vriend Joris Collen, van harte, getekend Fabre Jaak". Deze opdracht is de enige aanduiding van een jaar van uitgave die ik heb. Wie iets meer weet, mag het me altijd melden. Van Jaak Fabre weet ik ook dat hij in de absurdistische speelfilm "De ordonnans" uit 1962 meespeelde, met ondermeer ook niemand minder dan Nand Buyl. Bobbejaan Schoeppe vertolkt een paar nummers, staande op een cafétafel, onder meer "De jodelende fluiter" en "Café zonder bier", twee van de grootste hits van Bobbejaan.

Zijn poëzie is afwisselend zwaarmoedig en zeer vrolijk, soms olijk en liefdevol, zoals het versje over het voorleesmoment voor de kinderen, en dat door duizenden onder ons maar al te zeer herkenbaar is.

Alle dagen mondjes vragen om een mooi verhaal.
Allen weten en vergeten, door de mooie taal.

Altijd weer, keer op keer al die kindertjes hierrond.
Ze beleven het gegeven, en met open mond!

En het spijt me na een tijdje hen te zeggen: 't is gedaan!
Oogjes blikken, hoofdjes knikken, en nu naar bed gegaan!

35) Frans De Wilde: Het huis op de vlakte. Regenboog, Antwerpen, 31 augustus 1926. Meestal stille, introspectieve poëzie. Het bundel eindigt toch met een vrolijke noot, met een grafschrift:

Hieronder ligt Mijnheer Janssens Jan
Een volksgeliefd en waardig man,
Waarheid en recht heeft hij steeds gediend.
Hij aanbad zijn vrouw en die van zijn boezemvriend.

Haast elk gedicht in dit bundeltje is gedagtekend.

36) Martien de Jong: In de nieuwe wereld. Nijgh en Van Ditmar, 1979.

37) Schoontijd, trimesterieel tijdschrift, nummer één van de tweede jaargang, 1993. Een tijdschrift over en met literatuur en poëzie, op 700 exemplaren gedrukt, en uitgedeeld aan Katholieke Middelbare scholen. Onafhankelijk, gratis en zonder subsidie. Wie weet er vanwaar de middelen kwamen?

In dit nummer staat een voor mij zeer interessant artikel van Marcel Obiak over het schilderij van Bruegel: "Landschap met de val van Icarus". Het hoeft inderdaad niet steeds over poëzie te gaan, soms zit die ook wel verscholen in een werk over een andere kunstvorm, of, zoals in het artikel van Jef Heynderickx, bioloog-priester, de zuivere wetenschap.

zaterdag 15 januari 2011

dichtbundels in de sneeuw 4 (13 tot 27)

Omdat het een eindeloos werk dreigt te worden, en dat nu ook mijn bedoeling niet is, en omdat bovendien -tot mijn allergroooootste spijt - de sneeuw weg is en het land alom met wateroverlast kampt, zodat ik de titel zou moeten weizigen in "dichtbundels in het water" - dat lijkt dus nergens op - ga ik me beperken tot een korte opsomming, met hier en daar een beetje extra duiding.

13) P. Vanosmael: Windharp, uitgegeven bij Colibrant, met colofon die ons leert dat het een genummerde oplage betreft, zonder de totale oplage te vermelden, maar dit is het nummer 200. De eigenaar was geen poëzieliefhebber, want het blok is onafgesneden. Iemand zal weer als eerste de verzen moeten lezen. Uitstekende staat.

14) August Leunis: Nachtelijke trein bestemming Eden, uitgegeven bij Panther Paperback V.Z.W., in juli 1979. Goede staat, wel beschreven met potlood op de achterkant (adressen, telefoonnummers, data en uren).

15) Wiericus' Sjel: Verlakzegeld kleingoed. De Driehoorn vzw te Neerpelt, 1983. Bevat merkwaardige gedichten, die je niet in eenmaal begrijpt.

16) Rooske Brems: Sporadisch. Kofschip-Kring vzw, 1983. Zeer eenvoudige, hartverwarmende poëzie.

17) Carla Pols: Over Eén Stemmen. Ankh-Hermes Deventer, 1983. Dit is new-age poëzie. Naast het dichtwerk zijn de foto's van het houtsnijwerk en het houtsnijwerk zelf ook van haar hand. Het eindigt met het volgende:

Voor dít mijn lieve leven wil ik zeggen: u zij lof
Om eindloos u te danken ben ik - ach - te kort van stof.

18) Edith Oeyen: Neveldragen en morgendauw. Lithera vzw, Beringen, 1983.

19) René van Daele: Visserslatijn. De bladen van de poëzie, 1974-4 gedrukt bij Sanderus Oudenaarde voor rekening van Orion-Desclée De brouwer. Gesigneerd en gedateerd op 23-3-1981. In 1958 gaf RvD, een leraar te St.-Niklaas reeds zijn debuut "Elementen" uit onder pseudoniem Van Rijnsland.

20) René Van Daele: Orientatie. Colibrant, 1970. Onopengesneden! Opgedragen: "Met dank voor het "licht"". Getekend: René.

21) Marcel Anckaert: Een doorbroken onderbrekening. Kofschip-Kring vzw, Zellik, 1983. Dit bundeltje is een in memoriam voor deze dichter, die als medewerker van Gerrit Achterland, zo zegt Raoul Maria De Puydt, voorzitter van de Kofschip-kring, meer gedaan heeft voor de verspreiding van het tijdschrift dan voor de poëzie zelf. Heel terecht staat op het achterplat dus een poëtisch afscheid van Gerrit Achterland.

Het was als bloeden
in witte watten
die je me zacht aanbieden wou

Het was als zingen
in tedere tonen
met een gemartelde vogelbek.

22) Josephine Vonk: Moeder, zeg nou ook eens wat. Querido, 1979.

23) Hugo Rycken: Chrysanten. St.-Norbertusdrukkerij, Tongerlo, juni 1958. Een merkwaardige bundel, die zoals de titel aangeeft, gaat over dood, en het leven na de dood voor hen die achterblijven. Vooral zijn verzen, genaamd "Vrouwke" laten zijn leed zien over het overlijden van wie voor de hand ligt. Daarna volgen nog een paar In Memoria van vrienden, familieleden of kennissen. Citeren uit dit werk vraagt tot publicatie van het geheel. Het is ingetogen poëzie van de allerpersoonlijkste soort. Opgedragen: "Voor Ida, met vriendelijke groet." en getekend.

24) Anton van der Weyden (pseudoniem van de Limburger Jan Weckx). Hekeldichten (Jazzrythmiek). Uitg. Regenboog, Borgerhout. (niet gedateerd, maar van 1931). Poëzie die naar Van Ostaeyen riekt. Haast surrealistisch, maar daardoor ook tijdeloos. Auto's, motoren, beursspeculatie, Chaplin, Vliegen naar Mars ... met die ingrediënten tijdeloos zijn is Van Ostaeyen zijn. Je moet wel in de juiste stemming zijn voor de lektuur ervan. Zullen we even een "Neomalthusianistische fox-trot" dansen?

25) Gerard Schumouga: Op zevenendertig graden. Litera vzw, 1981.

26) P.N. Van Eyck: Gedichten. Maatschappij voor Goede en Goedkoope lectuur, Amsterdam. 1917. Bevat de bundels: Het ronde perk, en Lichtende golven. Dit fraai uitgevoerde boekje met Art Nouveauvignetten versierd bevat een merkwaardige epische lyriek, die zeker het lezen en bestuderen waard is; ik wil echter eerst veel meer over de dichter te weten komen.

27) Jacques Perk: Gedichten, Sijthoff's uitgeversmij, Leiden, 1917. 17de druk, met een slotwoord door Willem Kloos, en facsimile's naar het handschrift der "Mathilde". De uitgebreide inleiding door Willem Kloos van September 1882 is eveneens hernomen, en geeft een onvergelijkbare kijk op het werk en de persoon van Jacques Perk. Eens aangeboden voor 9,50 euro!. Een aanwinst van formaat van mijn poëziehoek.

Verzoek

Niet iedere dichtbundel is voorzien van een afdoende bio- en bibliografie. Sommige dichters blijven na hun eerste bundel achter in de naamloosheid, andere hebben erna nog meer werk uitgegeven, maar zijn door Tante Google niet opgevist als noemenswaardige personen. Ook pseudoniemen vormen vaak een hinderpaal voor eenduidige identificatie en beschrijving. Wie me dus meer gegevens kan bezorgen over de vernoemde dichtbundels onder de titels "Dichtbundels in de sneeuw X", alsmede over de dichters in kwestie (biografie en bibliografie), zal ik dankbaar zijn. Iedere informatie over een dichter, hoe obscuur of bekend hij of zij ook weze, draagt bij tot een beter zicht op de totaliteit van de poëzie. Nationaliteit, taal, oorspronkelijkheid, vertaling, plagiaat ... in dit kader is dat alleen maar een verrijking. Elke bezorger van informatie, die zich op afdoende wijze kenbaar maakt, wordt vereeuwigd in mijn gegevensbank. Naamloze bijdragen worden na verificatie zover als mogelijk opgenomen, indien de bijdrage degelijk en aanvaardbaar blijkt te zijn.