Pagina's

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

dinsdag 20 oktober 2009

Ook gelezen

Ik heb de afgelopen week een boek gelezen. Geen nieuws tot nog toe, kun je zeggen. Wel je hebt gelijk. Het mag ook geen nieuws worden. Want het boek, dat bestempeld staat als een bestseller, iets wat iedereen gelezen moet hebben, was geen kl... waard. Het was een bestseller, en tot daar deze recensie.
Ik las al geen bestsellers, maar voor The Bestseller, titel die ik genadig aan dit werk wil toekennen om te vermijden dat iemand in de verleiding zou komen om het boek ook te lezen, en daarna Andebijk een boze mail toezenden om te zeggen dat hij zijn rommel maar zelf moet lezen, geschreven door de fameuze The Writer maakte ik voor één keer een uitzondering. Tot mijn spijt. Mea culpa. Ik lees voortaan alleen nog maar boeken die dateren van voor de eerste Wereldoorlog, om zeker te zijn dat het bestsellerschap er af gesleten is.
In die zin wil ik iedereen vragen deze blog niet te lezen. Zelfs deze woorden zijn een verlenging van de tijdverspilling die ik begaan heb met het hardnekkig lijden van dit boek.
Ik had het zelf kunnen geschreven hebben, zo slecht was het.

maandag 19 oktober 2009

Ajuinlei, Gent

Een collega blogger maakte er ons op attent, dat op zondagochtend in Gent voor de honderdste maal de boekenmarkt zou plaatshebben aan de Ajuinlei, een evenement waar ik wel eens wil heengaan, maar dikwijls ben ik er niet geweest. Deze zondagochtend viel het weer echter best mee, en welgezind mengde ik me dus in de dichte drommen boekenliefhebbers, die de kramen bestormden.
Ik heb er vijf souvenirs aan overgehouden. Drie betaalde, twee volledig gratis in de handen gekregen. Naast de aankopen mocht ik van één van de verkopers een gratis biertje gaan afhalen, hetgeen ik natuurlijk niet afgeslagen heb. Maar waarom de ene dat wel gaf, en de andere niet, is voor mij een raadsel: ik zag anderen aan dezelfde kraam waar ik ook een boek kocht, een ticketje geven, terwijl ik voor een grotere som er geen kreeg. Niet zo erg, maar wel niet erg behoorlijk, vind ik. En ik had toch niet de bedoeling stiepelzat naar huis te trekken.
Een ander extraatje bestond uit een kaart voor een gratis boek, die me letterlijk in de handen gevlogen is. Door middel van een ballonwedstrijd wou men aan 100 gelukkigen een gratis boek wegschenken. De kaarten daartoe waren aan de ballonnen gehecht, maar ééntje was niet voldoende opgeblazen, en dobberde over de grond recht naar mij. Ik begrijp niet waarom niemand deze greep, en moest maar mijn hand uitsteken, en het was voor mekaar. Welk boek er mee gemoeid is, weet ik nog niet: ze waren nog niet bij de marktmeester. We zien wel. Ik moet er wel speciaal nog eens voor naar Gent trekken.
Maar ik heb voor de rest in de beperkte tijd die ik ter beschikking had, toch mooie dingen gezien. Helaas alle tegen stevige prijzen. En ik ben nogal kieskeurig, met vooral een oog voor prijs-kwaliteitverhouding. Ook in het tweedehandscircuit.
Vlamingen komt in massa is een uitgave van het Provinciebestuur van Oost-Vlaanderen, dezelfde reeds waarin ook het tweedelige werk Vlaanderen Vlagt uitgegeven werd. Een zeer verzorgd werk. En een keure van Vlaamse en Vlaams-Nationalistische personaliteiten hebben hun inzichten over de meest diverse onderwerpen betreffende de Vlaamse ontvoogding belicht. Niet zonder plezier zie ik weer de naam van Jean-Pierre Vandermeiren als inleider opduiken, gedeputeerde van de Bestendige Deputatie en notoir Oudenaards politicus die alom gerespecteerd wordt omwille van zijn politieke eruditie. Hij is één van die stille werkers, die inplaats van flamboyant uit te halen, haast ondergronds zijn werk doet.
Evengoed kom ik er andere namen in tegen, onder meer Bruno en Bart De Wever, die, de één al meer dan de ander, net wel als flamboyant bekend staan. Maar ook Lode Wils is een van de auteurs die door mij zeker zal gelezen worden, omwille van het onderwerp dat hij behandelt, en waarover ik eigenlijk zeer weinig weet: de landdagen tijdens het interbellum. Het structuur zoekende flamingantisme tussen beide wereldoorlogen, dat door een rond zich heen grijpend fascisme vaak een verkeerde richting koos, dat ervoor gezorgd heeft dat de Vlaming misschien wel Vlaams bleef denken, maar tegen welke prijs? Maar ook andere onderwerpen, zoals Leuven Vlaams en de vernederlandsing van de Gentse universiteit krijgen mijn aandacht.
Het boek is gedurende een relatief korte tijd eigendom geweest van De Kring voor Geschiedenis en Kunst van Deinze en de Leiestreek. Het werd uitgegeven in 1999 op 1000 exemplaren, en ik ben er fier op één daarvan als het mijne te mogen beschouwen.
Veertig kunstenaars rond Karel van de Woestijne is een boek van een totaal ander signatuur. Eigenlijk is het een gids bij de tentoonstelling in het Museum voor Schone Kunsten te Gent tussen 20 januari en 11 maart 1979. Voor de realisatie tekende weerom het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, in samenwerking met het Stadsbestuur Gent.
Karel van de Woestijne was een behoorlijk kunstkenner, die honderden bijdragen aan de Nieuwe Rotterdamse Courant geleverd heeft, maar ook handenvol essays gepleegd over de in zijn tijd gesmaakte en minder gesmaakte beeldende kunstenaars en hun werk. Verschillende van zijn analyses werden gebundeld, ondermeer in een Vlaamse Pocket, maar ook hernomen in zijn verzameld werk. Ook de Dietsche Warande en Belfort, en ja ook Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift publiceerden zijn werken. Deze werden later nog eens gebundeld in Kunst en Geest in Vlaanderen van 1911, en in De Schroeflijn, van 1928.
Hij was niet bang zijn mening te geven, en te verklaren. Zo schreef hij in 1906 in NRC:
"Waar de bezoeker, eenmaal de ingangsdeur overtreden, de aanmatiging, de verwaandheid haalt, om een kunstwerk te durven beoordelen, en ... veroordelen, gaat mijn begrip te boven. Wie, die in koffie handel drijft, durft oordelen over breikatoen? En nochtans zal diezelfde koffiehandelaar, die voor breiwerk zijn onbevoegdheid erkent, zich-zelven tot den bevoegdsten der critici voelen groeien, zodra hij, voor een schilderij gebracht, meent te mogen orakelen over kleur, lijn en onderwerp."
Zulk een sneer naar het publiek! dat een tentoonstelling niet noodzakelijk bezoekt als kunstkenners, maar als liefhebbers in de enge zin van het woord, en dat dus vrijblijvend meningen uitspreekt over zaken waarbij er inderdaad kennis van zaken ontbreekt, maar waar liefde voor de kunst uit spreekt, datzelfde publiek zou dus niet meer mogen oordelen. Veroordelen, goed, dat is niet de taak van de liefhebber, maar beoordelen, waarom zou dat niet mogen? Ik sta verbaasd over de mening van deze grote man. Maar ik zal wel ergens wat gemist hebben zeker.
Het boek zelf is mooi bewaard, en kan met zijn helaas alleen maar zwart-witfoto's toch een goede bijdrage tot mijn beoordelings(haha)vermogen van de grote meesters van de kunst leveren.
Het pareltje van die zondagmorgen is echter een werk van August Vermeylen geworden, genaamd De Taak. Dit is een zeldzaamheid, en verdient al mijn aandacht. Een voorzichtige restauratie is nodig: het blok is losgekomen van de omslag. Maar de druk is van een eenvoudige schoonheid, de tijd in acht genomen.
We schrijven 1 januari 1945. De Oorlog is voor ons land gedaan, de ellende nog lang niet. De taak waarover het gaat, is niet minder dan de oprichting van een Nieuw Vlaamsch Tijdschrift, dat Vermeylen had ontworpen. Deze inleiding verscheen dan ook in het eerste nummer, onmiddellijk na de "Verantwoording" waarin Herman Teirlinck het opzet van August vermeylen ontleedt.
Het gaat om een zeer beperkte uitgave van het Vermeylenfonds, slechts 545 genummerde exemplaren werden gedrukt, naast 6 van A tot F genummerde gepersonaliseerde exemplaren. Dit is het nummer 340. De in reliëf aangebrachte monogram AV in een cirkel gevat is prachtig, maar wie kan me de betekenis van het daaronder liggend naakt verklaren?
Stel het u goed voor: de eerste nieuwjaarsviering in "vrijheid", en een man als August Vermeylen vindt de tijd om een tekst na te zien, en te dateren 1 Januari 1945, en daaronder plaatst hij zijn laatste handtekening van literaire aard. Tien dagen later zou hij onverwacht sterven. Ongetwijfeld is zijn overlijden de reden geweest voor deze bibliofiele uitgave, in de aanloop van de eerste uitgave van het tijdschrijft, ook omdat hij met deze tekst niet minder dan zijn literair testament geschreven heeft.
Het is zonder meer spijtig te noemen dat de uitgevers in de begeleidende brief aan de lezer-medelid van het Vermeylenfonds de hoop uitspreken dat "(...) onze leden de keurigheid van deze afzonderlijke uitgave van De Taak zullen op prijs stellen (...)." en dat zij in diezelfde brief twee onvergeeflijke schrijffouten laten staan. Maar dat verhoogt enkel de echtheid van het drukwerkje, waarvan de literaire waarde zoveel groter is dan de grammatische correctheid.
Ik ben fier hiervan de nieuwe eigenaar te kunnen zijn.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------
Naschrift: de door mij zo geroemde prijs-kwaliteitverhouding die ik ook ter Ajuinlei nastreef heeft door een grafelijke ingreep echter een flinke deuk gekregen.

vrijdag 16 oktober 2009

Ladi di, Ladi da, Lady Di-anana

Een boekje zonder de minste literaire waarde, maar van een onvergetelijke schoonheid, is De laatse Sprookjesprinses, van Elisabeth, Eva en Robert Menasse, en Gerhard Haderer. Het werd in 1997 bij de Arbeiderspers uitgegeven, en is in zijn uitvoering gemaakt op maat van het sprookjesminnend publiek. Opvallend mooi zijn de tekeningen, echte karikaturen, maar zeer herkenbaar, en voor de jongste lezertjes die de figuranten niet kennen, zeer levend voorgesteld. Ook de volwassen lezer herkent zonder moeite Elisabeth, voorgesteld als een chagrijnig manwijf, Charles, de protserige lummel, de ravisante prinses zelf, en zovele hoofdrolspelers in de aanloop van en in het drama zelf, en in de nasleep ervan.
De achterkant van het boekje geeft een mooie wordingsgeschiedenis. Ik neem hem integraal over.
Het leven van Lady Di, de laatste sprookjesprinses,
prachtig geïllustreerd door de Oostenrijkse tekenaar Gerhard Haderer.
"Ik moet bekennen dat ik nooit interesse voor lady Diana heb gehad," aldus Robert Menasse. "Ik lees geen roddelbladen. Niet uit verwaandheid, maar werkelijk uit gebrek aan interesse." Maar na het noodlottig overlijden van de Britse prinses, terwijl Menasse met zijn vrouw, dochter en zuster een vakantie doorbracht op het platteland, ontkwam ook hij niet meer aan de Dianamania. Op de autoradio, op de televisie, in de kranten - prinses Diana was onontkoombaar.
Op een avond vroeg zijn dochtertje Sophie geërgerd: "Waarom praten jullie toch steeds over een prinses? Prinsessen bestaan alleen in sprookjes." En zo kwam van het een het ander. Elisabeth, Eva en Robert Menasse - een journaliste, een historica en een schrijver - besloten tijdens de vakantie het leven van Diana na te vertellen als een kinderverhaal, als een sprookje. "We lazen haar de tekst in verschillende varianten net zo vaak voor tot zij het sprookje begreep en wij begrepen wat een sprookje was - een eenvoudig te begrijpen verhaal dat wij nooit helemaal begrijpen kunnen."
Als het geen grote literatuur is, het is wel een zeer mooi boekje, en goed verzorgd, houdt het in zijn sterke uitvoering de jaren op afstand.

donderdag 15 oktober 2009

Rare vogels, die kwakkels

Oudere boeken met een wetenschappelijke inhoud hebben zo iets geheimzinnigs over zich. Ze zijn op hun manier zo droog, dat je bijna zin krijgt om er in te studeren, gewoon maar om dat droge te doorgronden. Zo een droog boekje ligt hier voor me, en echt, ik kan er niet afblijven: het trekt aan, omdat hetgeen erin staat op de meest slaapwekkende wijze voorgesteld is, met een lettertype dat bijna doet denken aan een plakkaat uit een spaghettiwerstern, met de boodschap: Wanted.
Het Koninklijk Natuurhistorisch Museum van België, de naam van de instelling alleen al dwingt respect af voor de ernst van de bezigheid van een aantal grijze wetenschappers, die nog door meneer Solvay himself beknord werden omdat hun das niet wetenschappelijk genoeg geknoopt was, gaf in 1943 dit boekje uit in een reeks, die eigenlijk zijn oorsprong vond in een reeks postkaarten van vogels, die door het museum uitgegeven werden om de kas te spekken. De Vogels van België is een saaie opsomming van alle vogels die in ons land voorkomen, al dan niet regelmatig.
De ondertitel luidt dan ook: Aanvulling bij de verzameling gekleurde postkaarten uitgegeven dor het vermogen van het Koninklijk Natuurhistorisch Museum van België, door Karel Dupond, Medewerker aan het Koninklijk Natuurhistorisch Museum van België. Wetenschappelijker kan niet. Een titel en ondertitel die minitieus weergeeft wat er verwacht mag worden, geen letter te veel, geen letter te weinig om precies de inhoud van het boek te beschrijven. En voor de scepticus die nog niet helemaal overtuigd was, nog deze toevoeging, die toch reeds in de ondertitel vermeld was: Werk uitgegeven door het vermogen van het Koninklijk Natuurhistorisch Museum van België, Vautierstraat 31, Brussel, 1943.
Oef, dat is dan duidelijk. Maar in de voorrede geschreven door de heer V. Van Straelen, Voorzitter der Commissie van beheer van het vermogen van het Koninklijk Natuurhistorisch Museum van België, staat nog een doordenkertje. Ik citeer.
"Voor de voorbereiding van deze uitgave werd er ... beroep gedaan op ... Karel Dupond ... Hij is het die den kunstenaar, met de uitvoering der kaarten belast, geleid heeft. Deze kunstenaar, de heer Hubert Dupond, door kinderlijken eerbied gedreven, heeft zich volgaarne gedragen naar de verplichtingen van den natuurkundigen teekenaar, onverbiddellijk gebonden aan de getrouwheid aan het model." Gaat het over twee mensen die toevallig beide Dupond heten, of hebben we met vader en zoon te maken, of broers? We lezen aandachtig en merken de lof voor de "kinderlijken eerbied" op. Ik gok op de vader en zoon relatie. De oorlogsomstandigheden zullen wel de hand gehad hebben in enig mercantilisme, en als dat zo is, zou ik het niet eens erg vinden.
Boeken worden niet uitgegeven tot meerder plezier van de lezer. Boeken zijn koopwaar, waar auteurs en wetenschappelijke medewerkers, drukkers, papierhandelaars en inktverkopers, winkeliers, vervoerders en mensen van God weet welke slag van leven. Dus ook vogelkenners en mogelijk ook hun zonen. Voor mij: leven en laten leven. Maar als het waar is, is het een mooi verhaal.
Het boekje is kurkdroog, wetenschap op het Solvayaans niveau, waarbij de afstand tussen Charles Darwin en Dirk Draulans als metafoor gebruikt kan worden om te stellen dat ook die droge materie zo levend is als hetgeen Draulans nu illustreert: hij reist Darwin achterna, en rapporteert daarover op de actuele sappige manier. Darwin of Draulans: als ze maar eerlijke wetenschappers zijn, mogen zij hun ding doen.
En die titel: Rare vogels die kwakkels? Bij de vogel Coturnix coturnix coturnix (Linné), wordt de Fransche naam Caille des blés, in het Nederlandsch is dat : de Kwakkel.

woensdag 14 oktober 2009

Excelsior! Een boek voor studenten

Nu de mannen van twater hun werk degelijk afgewerkt hebben, is de tijd gekomen om nog een boek ter hand te nemen, dat geschreven is tot stichting van die Vlaamse Studenten, die in Poëzis en Rhetorika (als de ouders voldoende opvoedkundige besluitvaardigheid hebben gehad om voor hunne kinderen die keuze van onderwijsinstelling te maken, die garant staat voor een Christelijke en dus morele en maatschappelijke toekomst met het oog op een latere vorming op universitair niveau, bijvoorbeeld te Leuven) een aantal jaren door studie zich definitief zullen vormen tot volwassen mensen met de nodige verantwoordelijkheid om de leiding van de maatschappij op zich te nemen.
De auteur, M. Ballings s.j., nam de zaken ernstig op, en schreef te hunnen behoeve een handleiding, die door de student op regelmatige tijden ter hand genomen moest worden, als door studie het hoofd te zeer gevuld werd met wetenschap, en ze de behoefte voelden zich eens flink te ontspannen. Hoe groot zijn namelijk de gevaren die de jonge en onervaren studenten belagen? Niet altijd namelijk is er de zorgzame aanwezigheid van een nochtans begrijpende vader en moeder die jongens van 17-18 jaar in toom weten te houden. Hoe vlug zou zulk een student niet te vinden zijn in een lokaal waar drank verkocht wordt aan wie het wil betalen, en waar andere gevaren zo dik gezaaid eveneens op de loer lagen? Ook een hospita met zin voor verantwoordelijkheid kan niet steeds op de loer liggen om haar talrijke kostgangers steeds en altijd in het gareel te houden. Zij blijft slechts een surrogaatmoeder, en mag zij dan bezorgd zijn, zij kan nooit de echte ouders vervangen. Hebben wij niet uit de lectuur van de stichtelijke boeken van Ernest Claes geleerd dat ook studenten die onder de zorgzame hoede van Fien Janssens later als student toch ooit tot daden kwam die zo verwerpelijk waren dat zij den schrijver zelf diep geschokt hebben?
Dus heeft de vrome priester Ballings deze handleiding samengesteld, en voor uitgave aan De Bode van het H. Hart te Alken voorgelegd. Iedere student werd verondersteld zijn vrije tijd toch minstens gedeeltelijk te besteden aan deze stichtelijke lectuur.
Diezelfde Bode van het H. Hart te Alken heeft ook andere boeken uitgegeven, zoals ondermeer de beroemde reeks Christelijke Kunst, die ik voor enige tijd hier ook aangehaald heb. Als Herkenaar, zoon van een Alkense moeder, is dat voor mij reeds een reden om dit boek dan ook maar eens ter hand te nemen.
Het Nihil Obstat werd gegeven op 20 september 1919, dus zowat een maand nadat mijn vader geboren werd! Dit Nihil Obstat is echter afkomstig van G. Simenon, Libr. Sens. Vermits ik veronderstel dat de uitgave te Alken gebeurde, en dus in het bisdom Luik, is de naam Simenon best wel mogelijk. Maar het is een leuk detailtje.
Inhoudelijk is het voor de moderne lezer een verschrikking geworden. Met een dergelijk boek kunt ge tegenwoordig miets meer beginnen. Maar toen was dat nog zonder meer mogelijk.
Een onleesbare handtekening bewijst dat het boek ernstig genomen werd, maar desondanks zijn de 313 bladzijden niet alle gelezen: na bladzijde 120 is het ermee gedaan: er wordt zo hier en daar nog eens gesneden, om een hoofdstukje ertussen te nemen, maar de systematische lectuur was achter de rug. En toch, zelfs een gedicht van Omer .K. De Laey wordt aangesleept om het doel te bereiken: "De Schuttersgilde" staat in dit boek vermeld en geciteerd! 'De Koning mikt. Hij mist. De nar trekt scheve smoelen..." op bladzijde 230, onopengesneden.
Maar het devies op de omslag zegt alles: Adveniat Regnum Tuum. Mijn student is misschien minister geworden, of notaris. Of kantoorklerk. Zijn boek neemt vanaf nu een ereplaats in in mijn bibliotheek.

maandag 12 oktober 2009

Nieuwe Belgische Negociant - Nouveau Négociant belge

De grootvader van mijn echtgenote, de vader dus van mijn schoonvader, was een klompenmaker. Mensen van eenvoudige komaf, en uit de weinige overblijfselen die hij op de wereld naliet, hebben we recent een klein boekje gevonden, dat ten dienste van de handelaar stond, om het rekenen te vergemakkelijken.

Tellen was een ingewikkelde taak die niet iedereen gegeven was, en Snoek-Ducaju & Zoon, Drukkers-Uitgevers in de Veldstraat 8 en in de Rietstraat 70 te Gent hebben daar op gewiekste wijze een mouw aan gepast. Zij gaven een klein en handig boekje uit, de Nieuwe Belgische Negociant, en bezorgden alzo de handelaar die niet steeds het rekenen ten volle machtig was, een prachtig instrument om toch te weten hoe ze een prijs moesten berekenen op snelle en zekere manier.

Stel dat je 35 stukken van een goed aan 7 cent moest aanrekenen, dan hoefde je geen papier en potlood boven te halen, maar wel je "Negociant". Je keek op het blad 7, en op de lijn 35 vond je dan dat dit 2 fr. 45 ct behoorde te kosten.

Een éénvoudig tabellensysteem leidt je naar honderd stuks, vervolgens tweehonderd, enzoverder tot negenhonderd stuks, zodat de enigzins geoefende rekenaar meteen ook ingewikkelder hoeveelheden aankan. Want: stel dat je in plaats van 35 stuks er 335 moet berekenen. Dan tel je bij 300 maal 7 cent, dat is 21 frank, de overige 35 stuks die we aan 2 fr. 45 ct berekend hadden, en je hebt het: 23 fr. 45 ct.

De centen gaan bladzijdegewijs tot 99, en springen dan meteen naar 1,05, om vervolgens per 5 cent te stijgen. Ook hierbij moet er toch enig echt rekenwerk aan de dag gelegd worden om tot een goed eindresultaat te komen. De volgende stap gaat van 3 frank 95 naar 4 frank, om vervolgens per kwartje naar 5 frank te gaan. Daarna worden er stappen van 1 frank per bladzijde genomen.

Het boekje stopt bij 32 frank. Ik weet niet hoever het gaat, want zijn staat is niet zo best. Het heeft geen voor- of achterkant meer, en de binding is op de rug zichtbaar. Maar de bladeren zijn in uitstekende staat.

Niet langer dan 1 week geleden heb ik hetzelfde boekje zien liggen in het Heemkundig Museum te Wortegem-Petegem, waarvan de officiële naam Hambosmuseum luidt. Willy en Moniek Dhondt-Moerman baten dit Micromuseumpje uit in de vroegere stal, die later werd omgebouwd tot garage, en nog later de museumruimte werd.

Het echtpaar heeft er de meest diverse voorwerpen uit het dagelijkse leven van vroeger verzameld, en dat alles staat op een kluitje bijeen in een ruimte die niet meer veel bij kan verdragen. Maar de goede wil en het enthousiasme om de zelf opgebouwde verzameling aan de nieuwsgierige bezoeken te tonen is groot.

De meest diverse voorwerpen, die het agrarische, huishoudelijke en ambachtelijke leven van de gemeente, en dus eigenlijk van gans Vlaanderen illustreren, liggen er een beetje door mekaar, maar dat maakt ook deel uit van de plaatselijke charme: de initiatiefnemers moeten roeien met de riemen die ze hebben.

Je kunt er je tijd nemen, en als je dat doet, komt onvermijdelijk ook het moment om ontdekkingen te doen. Zo toverde mijn schoonvader, die me de weg naar het museum getoond had, het boekje dat ik hierboven beschreven heb uit zijn zakken. De conservator aarzelde geen seconde, grabbelde in een stapel boeken, en haalde eenzelfde exemplaar boven. Het boekje had nog meer geleden, maar had wel nog zijn omslag. En meteen stonden de twee mannen in hun plaatselijke dialect als vakmannen met mekaar te praten.

Nog mooier werd het moment toen hier of daar een klomp naar bovenkwam. Mijn schoonvader nam het ding met kennershanden vast, gaf de snede aan, noemde de houtsoort, legde uit waarom bij het klompenmaken soms beter wilg dan populier gebruikt werd, en zei toen met een onmiskenbare fierheid: dat is ne kloef die ikzelf nog beschilderd heb! En effectief, het kenmerk stond erin geslagen, en was door hem overschilderd. De beschilderingen bleken erop te wijzen dat het ging om een "geschenkklomp", die afgewerkter mocht zijn dan een doordeweekse werkklomp. De fierheid van de man van ondertussen meer dan 80 jaar, die dit karweitje net voor en tijdens de oorlog mocht/moest uitvoeren, droop van hem af. Terecht; als je eigen werk, het werk van je eigen handen in het museum ligt, staat meteen je eigen stempel in de gemeente geslagen.

Gezelligheid troef, een pintje of een wijntje naast de aangestoken kachel verhogen de gezelligheid, en je raakt zo aan de praat met om het even welke bezoeker, die elk een eigen verhaal te vertellen heeft. In de kleine wereld van een plaatselijk heemkundig museum verbaast het niet dat je dan iemand ontmoet die je in zeven jaar niet meer gezien hebt, en die een lieve vriendin blijkt te zijn met wie je nog in een vereniging samengewerkt hebt. De uren vliegen dan, en de tevredenheid die je voelt bij het weggaan, is met niets te vergelijken. Nooit is een museumbezoek voor mij zulk een feest geweest als die dag, vorige week.

Het enige nadeel is de beslotenheid. Slechts één dag per maand wordt er geopend. Groepen kunnen wel iets regelen, denk ik. Daar staat tegenover dat de toegang gratis is, en dat de tijd er niet gemeten wordt.

Of hoe een nietig boekje, waarvan ik via google slechts één exemplaar weet te vinden, garant staat voor een gevoel van absoluut plezier. Een zondagnamiddag is zelden plezieriger geweest dan die dag. Le Nouveau Négociant Belge heeft meteen zijn verhaal.

zaterdag 3 oktober 2009

James Herriot

Hoe mooi kan de taal toch zijn, hoe mooi kan een zin zijn als hij, geschreven in een zekere kontekst, plots geïsoleerd raakt en vanuit je blikveld je geest opvult door zijn allesomvattende schoonheid; hoe mooi kan een geschreven zin zijn als hij de kans krijgt je geest te overweldigen en gelezen worden op een wijze zoals lezen eigenlijk niet mag gebeuren: woord per woord. Normaal moet je in koncepten lezen, maar dat gaat me slecht af, omdat ik op de oude ambachtelijke wijze heb leren lezen. Woordjes werden tot zinnetjes gebreid, zinnetjes verlengd met een komma, zinnetjes aan mekaar gebreid tot een kort verhaaltje, tot een kinderboekje, tot een roman. En woord per woord gelezen.

Lezen gebeurt sneller en degelijker door het bekijken van de tekst, en het opnemen van de gedachten van de auteur, zonder de woorden nog veel belang toe te kennen. Dan lees je een turf in een paar dagen. Sta me toe daar bedenkingen bij te hebben, dat is echter nu niet aan de orde.

Soms zijn de woorden belangrijker dan de snelle opname van hun boodschap. Omdat de boodschap af en toe het recht heeft om traag te zijn. Zoals in onderstaand voorbeeld.

De blogger Romenu, die ik eerder reeds encyclopedische eigenschappen toegedicht heb, heeft me dit laten lezen, en ik ben hem daar eeuwig dankbaar voor. Toen op 23 februari 1995 James Herriot overleed, was dat voor mij een trieste dag. De man, die de veeartsenij tot een hilarische schoonheid verhief, had me menig heerlijk televisiemoment bezorgd. Een zoon schreef over diezelfde dag het volgende:
It was a cold, crisp, perfect winter's day, one that normally would have had me longing to walk for mile after mile in the clean air. It was a day when I should have felt glad to be alive. The timeless magic of the Dales has always thrilled me but, on that brilliant February day, my mood was one of emptiness, as I knew that I would never again gaze across at those distant hills without a feeling of nostalgia and regret. On that day a great friend had died. His name was James Alfred Wight, a father in whose company I had spent countless happy hours. A man I shall never forget.
Met dank aan Romenu, de link naar zijn blog vind je hiernaast, zoek naar James Herriot. Want zo mooi kan de taal zijn, zo mooi kan een geschreven zin echt zijn.

Bruxelles, le 17/7/1946

Op 17 juli 1946 schreef Clairette aan haar vriendje een brief. Het gebruikte papier is ongelijnd, in ongeveer A4 formaat. De woorden zijn met potlood geschreven, en tonen een volwassen handschrift, maar als de inhoud misschien geen zwevend jongemeisjesgekakel is, lezen we evenmin een inhoudelijk goed geconstrueerd betoog.

De jongeman aan wie de brief gericht werd, was soldaat te Arlon, en ik ken wel iemand die in die tijd nog onder de wapens moet geweest zijn, en die een vriendinnetje had. Ik wist echter niet dat het vriendinnetje franstalig was, en in Brussel werkte als kindermeisje bij mensen die een groenten- en fruitwinkel hadden. Deze brief heeft een levenlang in een portefeuille gestoken, is verplooid en verkleurd, heeft vocht ontmoet en is voor een stukje onleesbaar geworden.

Bovenal is het een getuigenis uit een onomkeerbaar uitgedoofd verleden. Heeft Clairette, zoals zij terloops vermeldde, een job als téléphoniste gevonden; heeft zij door gebrek aan antwoord op deze brief een ander vriendje gevonden, die haar ijle verzuchtingen wel beantwoordde? Of is zij net zoals de soldaat ongehuwd gebleven, met een eerst bang, daarna bloedend hart?

Je hebt niet altijd een roman nodig waarin twee geliefden allerlei avonturen beleven, alvorens definitief in mekaars armen te vliegen. De realiteit kan soms zeer kort en hard zijn, zoals de oorlog die net voorbij was. Zoals een korte brief, die wie weet welke wegen bewandeld heeft alvorens zijn bestemming te bereiken, zodat een eventueel antwoord te lang op zich heeft laten wachten en onvruchtbaar gebleven is.

Het land was in herstel, en niemand bekommerde zich om een jonge soldaat of om een kindermeisje van franstalige middenstanders in het centrum van Brussel. Marchalhulp, steenkolen, economisch herstel, wederopbouw, processen tegen zwarten, de koning die niet meer in het land was... wat konden de amoureuze verzuchtingen van twee snotneuzen daar aan toevoegen.

Het spaarboekje dat ik bij dezelfde gelegenheid gevonden heb, en dat aan de soldaat toebehoorde, bewijst dat Clairette misschien een mooie toekomst had kunnen tegemoet gaan. Maar zo is de roman dus niet geschreven. De eerste zin luidde: Tout d'abord, il faudra m'excuser de ce long retard, et aussi de mon écriture au crayon. De laatste: Quand retournerez-vous en congé? Je retournerai peut-être pour le 15 août mais ce n'est pas encore fixé.

woensdag 23 september 2009

Lezen is soms leuk

Lezen is soms leuk. Maar niet altijd. In mijn lijstje stond tot vandaag een blog, die dezelfde naam draagt als de titel van deze bijdrage, en de auteur is van oordeel dat lezen altijd leuk is, niet alleen maar soms. Dat is natuurlijk zijn recht. Maar ik had de blog reeds in mijn lijstje van interessante blogs opgenomen als curiosum, omdat hij als laatste bijdrage stelde dat hij vanaf nu regelmatig wat zou schrijven. Het is er sinds veel meer dan één jaar niet meer van gekomen, en aldus heb ik besloten dat het rationele vóór het curieuze komt, en is de brave borst geweerd uit mijn blikveld.
Aldus zal ik ook de andere blogs behandelen, die door hun activiteit zichzelf als nutteloos bestempelen. Te lang inactief, is zoveel als zeggen: het hoeft niet, hoor. Voor mij dus ook niet.
Hoewel het voor zeer veel mensen onmogelijk is een dagelijkse bijdrage te leveren, en hoewel het voor de meeste lezers onmogelijk is alle interessante blogs dagelijks te lezen, denk ik wel dat enige activiteit toch wel gewenst is. Maar lezen moet ook leuk blijven, en altijd hetzelfde boek op dezelfde bladzijde zien openliggen, nee, dan neem ik toch maar liever een ander boek.

woensdag 16 september 2009

De mannen van twater

Tussen vaat, eten, meegebracht thuiswerk en andere dagdagelijkse beslommeringen die een woensdag dikwijls kleur geven, moet ik helaas een lek in de waterleiding noteren. De tuin lag gedurende het weekend als een modderplas langsheen de straat te pronken, en gisteren is men het lek komen dichten. Gelukkig hebben we de put, die gegraven is aan de wortels van mijn geliefde Japanse kerselaar opengelaten, want vanmorgen stond die put weer netjes onder water. Probleem verschoven, als het ware. Seffens komen ze nog eens kijken, maar de eigenlijke oplossing is een volle dag werk: het vervangen van de leiding vanaf de distributie tot aan de teller in de kelder. En daar zal één en ander bij komen kijken dat meer dat "eventjes komen kijken" mag genoemd worden.

Gelukkig was de postbode niet lek, en hij liet me twee aankopen op Ebay achter, waar ik zielsgelukkig mee ben. Ik zal me nu in afwachting van de bel beperken tot een korte beschrijving, later kom ik er hopelijk meer uitgebreid op terug.

Een Limburgensium waar ik bijzonder trots op ben is het boek Groote Mannen van Limburg, van H.C. Melis, uitgegeven bij L. Opdebeek te Antwerpen in 1928. Het boekje is aan een lichte restauratie toe, maar binnenin is alles pico bello. Als de lectuur ervan dan ook bol staat van het paternalisme van die jaren, het blijft een tijdsdocument, waarin op "voortreffelijke wijze" aan schoolmeesters een kleine handleiding wordt gegeven om hunne leerlingen meer informatie te geven over deze grote mannen (Limburg heeft in dei tijd nog geen grote vrouwen opgeleverd, maar daar zal later wel een mouw aan gepast worden) die elk een bladzijde of meer geschreven hebben in de Vaderlandsche Geschiedenis.

Hendrik van Veldeke, Rudolph, Abt van St.-Truiden (zonder koppelteken!), Willem van Ryckel, Radulphus de Rivo, Dionysius de Karthuizer, Frans Titelmans, Jan Frederickx van Lummen, Cornelius à Lapide, Govaert Wendelen, Joannes Mantelius, Pieter Geuns, G. Jos. Ev. Ramoux, Eg. Godfried Guffens, Jan-Joseph Thonissen, en Dr. Louis Willems passeren achtereenvolgens de revue. Zelfs de bibliographie is op zich reeds een belevenis.

Vergeef me maar dat ik inwendig op wolken loop. Gelukkig kun je dat via deze blog niet zien.

Het andere boekje is al even boeiend. Het meet slechts 9 op 14 centimeter, en is even mooi geconserveerd, hoewel de ouderdom ervan beduidend hoger is dan het voorgaande. La Religion, Poème par Louis Racine werd in 1849 uitgegeven bij L. Lefort, Imprimeur-Libraire, à la rue Esquermoise, 55 Lille. Nooit heb ik in druk een kleiner lettertype voorgeschoteld gekregen dan er hierin opgenomen is. Hadden de mensen destijds zulke goede ogen, of waren de vergrootglazen toen zoveel beter dan nu? Ik weet het niet, maar daar zijn tegenwoordig wel oplossingen voor te vinden.

Wat vooral mooi is, is de handgeschreven tekst op de binnenkant van de hardcover. Voulez-vous savoir mon nom regardez dans ce petit rond; Voulez-vous savoir ma demeure, regardez dans ce petit coeur. En daaronder inderdaad een getekend hartje, waarin staat Lebbeke 1852, en een cirkeltje , waarin guitig staat: les curieux sont trompés.

Maar de persoon die deze liefdesgift ontvangen heeft was ongetwijfeld ene De Blieck, zoals op de blancobladzijde daarnaast staat. Verder nog zeer onduidelijk in potlood dat de tijd niet weerstaan heeft, enige verdere persoonsgegevens, vermoedelijk veel later aangebracht.

De bel. De mannen van twater zijn daar.