Pagina's

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

vrijdag 31 december 2010

Dichtbundels in de sneeuw 3 (10 tot 12)

10), 11) en 12) Een dichter neemt zich al eens de vrijheid zijn naam naast zich neer te leggen en een pseudoniem te gebruiken om zijn werk te ondertekenen. Zo iemand is Toon de Mindere. In zijn naam is meteen besloten wie hij werkelijk is: een Pater Minderbroeder. Zijn poëzie is uiteraard een religieus getinte lofzang op de natuur en de godsdienst. Hier en daar staat hij aan het graf van een kind, en voert een kinderlijke rede over wat komt na het leven. Gezelle staat naast hem, dat spreekt uit gans zijn werk, waarvan ik hier drie bundeltjes bij me heb, alle uit dezelfde aankoop die ik hier eerder vermeld heb.

Wanneer je de naam "Toon de Mindere" bij tante Google intikt, krijg je een aantal werken van hem te zien die te koop aangeboden worden. Maar geen enkel biografisch gegeven is er te vinden. Dus zal ik maar weer eens universiteiten en archieven belagen in de hoop dat ze me meer over deze dichter kunnen vertellen.

Deze drie bundeltjes maken deel uit van een cyclus van vier, genaamd Strootjes, Vuursteentjes, Hemelvonkjes en Hemellawerken. Die laatste titel laat zich door De Bo verklaren als synoniem voor Leeuwerik. Lawerk. Hemel-lawerk. De vogel die naar de hemel klimt, van daarboven zijn jubelend lied zingt, en zich dan weer terug naar zijn nest stort, midden het gewas. Die vergelijking hanteert de dichter om "Wilfried : In paradisum" een eeuwige gedachte mee te geven in het graf. Het laatste vers van dit gedicht is tekenend voor de ganse poëzie die ik lees:

Nóóit-vallende leeuw'rik, zweef boven de vlag!
U volgen al zingend nu-blíjde klaroenen!
Bekom ons uw klímmenden vlucht en uw slag,
die voeren .. naar "hemellawerkevisioenen"!

Dat ik Gezelle er niet zo maar bij haal, wordt bewezen door een ingevoegd drukwerkje, de reproductie van het handschrift van Hilarion Thans, die het volgende zegt:

12 X 37
Waarde Medebroeder

Mijn oordeel over uw dichten is dit:
Een dóór-Vlaamsche Franciskaansche, priesterlijke inspiratie. Een Gezelliaansche geesteswending en schrijftrant. Vaak een gansch persoonlike visie; en zeer keurige, echt-dichterlijke, zegswijze.
Deze verzen staan zéér dicht bij 't geloovige, eenvoudige volk - en dit is wel hun meest verblijdende verdienste.
Van harte genegen!
Getekend P. Hilarion.

Op de achterkant van dit drukwerk laten ook Cyriel Verschaeve en Joris Eeckhout hun mening horen. Betekenisvol daarbij is de tekst van Joris Eeckhout, die letterlijk het volgende zegt, te

Gent, 11-5-39.
Gezond-blozende, rijpe vruchten!
Doe stil voort. Stoor u niet aan al dat pseudo-kritisch geleuter, dat er maar is om eigen persoontje te belichten (en belachelijk te maken).
Toon de Mindere is de meerderwaardige van velen die hem voor minder wegzetten.
Uw verzen zijn er om goed te doen - en doen het !
Joris Eeckhout. Lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie. Auteur van de serie "Litteraire Profielen", enz.

Als ik deze lofzang letterlijk mag nemen, heeft de kritiek Toon de Mindere niet gespaard, zijn poëzie wegens te eenvoudig in de grond geboord. Maar de heruitgave van het werk uit 1937, gedaan in MCMXXXIX, op de vooravond van de oorlog dus, als verbeterde uitgave toont wel aan dat het succes had, al was dan een verbetering nodig. Helaas ontbreekt het eerste werkje Strootjes in deze reeks. Maar dat belet niet dat het om een vondst gaat: ze worden inderdaad te koop aangeboden, maar de dichter zelf is eigenlijk nog een grote onbekende. 70 jaar zijn blijkbaar voldoende om totaal in de plooien van de literatuurgeschiedenis te verdwijnen.

Biografische gegevens ontbreken voorlopig totaal, al ken ik via Hilarion Thans nu ook zijn kloosternaam: Pater Antonius-Marie, zoals ook in Google-books te lezen valt, waar de digitale versie van een werk van de hand van Arnold Smits vrijgegeven wordt. Inderdaad, in het boek "Arnold van Tiegem, Ridder-Bisschop Leven van de stichter van de Abdij van Oudenburg, Patroon van de Brouwers." wordt Toon de Mindere aangehaald als de auteur van het Arnoldusspel, opgevoerd in 1984, en getoonzet door J. Tinel. De voetnoot naar aanleiding van deze vermelding verduidelijkt: "Toon de Mindere (P. Antonius-Marie): Arnoldusspel. Geschiedkundig openluchtspel met koren (getoonzet door J. Tinel). Oudenburg, 1935." Diezelfde Arnold Smits trouwens is één van de abten van de abdij van Oudenburg geweest, dus hij wist alvast wie Pater Antonius-Marie was. Daar moet ik het dus gaan zoeken.

Mooi is ook het devote prentje dat op bladzijde 7 van dit bundeltje "Hemellawerke" steekt, en een koorknaapje met wierrookvat voorstelt, die hemelse stralen ontvangt, symbool van Hemelse genade en aanwezigheid. Het is een illustratie die bij het gedicht "Het misdienaartje op zijn praalbed" hoort, met als onderschrift: Zijn mooiste droom!. Zou er bij elk gedicht zulk een illustratie behoren? of één enkele bij elke dichtbundel. Ik heb ze alle drie doorbladerd, maar vind er geen andere. Spijtig.

Zijn mooiste droom als knaapje rein,
was eenmaal misdienaar te zijn
en in Gods huis te wonen.

Zijn mooiste droom is in de dood uitgekomen. Zo is de poëzie van deze priester: tegelijk hard en zalvend. Het is een navolger van Gezelle, dat lees je in elk vers. Ook Gezelle heeft aan menig graf zijn gelegenheidspoëzie voorgedragen, en op gedenkprentjes een zalvend woord verspreid.

De drie boekjes zijn in uitstekende staat, en hebben in een goed gestruktureerde bibliotheek gestoken. De ex-librisstempel bewijst dat ten overvloede: hij vermeldt : Ex Libris Passionistarum Kruishoutem". Het is een abdijbibliotheek waaruit deze boekjes komen. Het zijn prachtige dichtbundeltjes, die ik nog lang zal koesteren.

woensdag 29 december 2010

Dichtbundels in de sneeuw 2 (6 tot 9)

Na de Hoewaer-bundels volgen hier de voornaamste andere bundels, die best wel mogen gezien zijn. Niet alle zijn ze in beste staat, maar voor het overgrote deel is de staat met een gerust geweten als meer dan voldoende te noemen.

6) In 1943 werd het Verzameld Werk van Guido Gezelle uitgegeven, met het beroemde voorwoord van de toen grootste Gezellekenner, Prof. dr. Frank Baur. Het exemplaar dat ik hier voor me heb liggen is de derde herziene druk, door Standaard-Boekhandel Antwerpen uitgegeven. De blauwlinnen huid heeft een zware vervuiling door vocht, die het beeld ontsiert, maar die wel de blok voor het ergste behoed heeft. Guido Gezelle's Dichtwerken omvat zijn Dichtoefeningen - Gedichten, Gezangen en Gebeden, Liederen, Eergedichen et Reliqua en The Song of Hiawatha. Vooraan dreigt het blok los te komen van de hard-cover, zodat een snelle restauratie verdere achteruitgang moet voorkomen. Het zijn alle argumenten die enkel de financiële waarde van het boek omlaag halen, inhoudelijk is het echter onbeschadigd, en alszodanig krijgt het een mooie plaats tussen mijn andere Gezelle-boeken.

7) Van Jozef Muls heb ik nu ook de Verzen, een bundel uitgegeven te Antwerpen anno domini MDCCCCXII. Helaas is deze 97-, bijna 98-jarige dame door haar leeftijd getekend: zij heeft een overdaad aan roestvlekjes, over het ganse boekdeel heen, want het papier waarop deze gedichten gedrukt zijn, is dik en van slechte kwaliteit. Ook de bruine omslag met prachtige art-nouveauversieringen heeft afgezien, zonder echter het globale beeld geweld aan te doen. De rug is beschadigd, zonder fundamenteel het boek te degraderen. Het blijft wel een unicum: dit werk is zijn enige dichtbundel, op dertigjarige leeftijd geschreven. Later ging hij zich meer toeleggen op kunsthistorische essays en kritiek. In een bijdrage enige dagen geleden heb ik het ook over zijn werk Bruegel gehad, waaruit ik inderdaad onthouden heb dat hij na al die eeuwen van oppervlakkige en overgeleverde, dus nooit tegengesproken wijsheden het aandurfde een reëel beeld op te hangen van de grote schilder, en daarbij zowel analytisch als synthetisch te werk ging. Maar Jozef Muls als dichter: het heeft blijkbaar niet lang geduurd. Na dit bundel heeft hij zijn ware roeping gevolgd. De heldere klare taal die hij bijvoorbeeld gebruikt in zijn sonnet "Aan eene vrouwe" zegt heel duidelijk ook wat er in zijn echte leven is gebeurd: hoewel de vrouw aantrekkelijk was, heeft hij zichzelf noch haar belogen, en is een andere weg opgegaan.

Aan eene vrouw




Gij hebt mij zoo bezien dat uit uw oogen
de liefde zwijgend mij-waart is onttogen,
uw hert mij gevend, als de rein offerande,
geboden bang, met witte bevende handen.




Ik voel de goedheid uit uw wezen glimmen,
oneindig teer, als tanende avondkimmen,
uw blikken streelend zacht mij ommewaren
als vlinders vleugelend om blommen varen.




Ik draag zoet licht in mijn geloken ogen
en kan 't u geven in een langen blik,
maar 't waar voor u maar schijn en lieve logen.




Mijn liefde, vrouw, en werd u niet geboren,
en valsch gevoel, ik in mijn hert verstik,
o ga mijn beeld, een droom gelijk, verloren.

Heerlijke poëzie, een liefde die er geen is, door een volwassen man weggeborgen in één gedicht. De parrallel met zijn schrijverscarrière is opvallend.
8) en 9) Jozef Droogmans, als u met dit label naar de tekst van vroeger gaat (Limburg, Limburg allein) zal je in de laatste paragraaf een citaat vinden van deze oud-dorpsgenoot. Hij heeft het over de heropstanding van de Limburgse dichtkunst, en citeert er de namen van Hilarion Thans, Pieter Geert Buckinx en Jan Melis als de motoren achter deze artistieke opleving. En nu heb ik dus in één klap twee authentieke dichtbundels van voor me liggen. Rithmen & Melodieën, verzen van Jan Melis uit 1927, en Schaduwland uit 1948. Beide boekjes hebben zwaar afgezien, maar hebben toch hun mooie uitzicht bewaard. R & M was gebrocheerd, maar het ijzerwerk van de nieten is zwaar aan het roesten gegaan. Door de gewoonte is het boekje bij mekaar gebleven, maar ik moet toch een ingreep doen, anders gaat het helemaal verloren. Schaduwland heeft ook last van roestvlekken.

Lied




Waar zijt gij die mijn dagen hebt gevuld
Met tederheid en glans van gouden rozen,
Gij die mijn ongedurigheid geduld
Geleerd hebt en met stillend handekozen




Mijn tomeloze paarden hebt gemend,
Met zachte dwang mijn barse wil bedwongen,
Waar zijt gij die mijn nood en naaktheid kent
En die mijn heimwee hebt in slaap gezongen ?




Ik ben waar elke vreugd in 't niet verzinkt
En grauwe gieren om de slapen scheren,
Waar elke wens tot welkend lover slinkt
En ieder woord een lied wordt van ontberen.




Wanneer de vrucht gegroeid uit deze pijn
Ligt rood als bloed in onze hand geronnen,
Drink dan, mijn bruid, van deze donkre wijn,
Zo rijp en geurend aan ons hart gewonnen.

Heerlijke liefdespoëzie, zoals die hernomen wordt in "Lied" uit Schaduwland, en die wijst op de tijdeloze kracht van Melis. Niet voor niets zet Droogmans de naam van Melis rechtstreeks naast Buckinx. Het gietertje van gisteren staat fier tussen zijn nieuwe bloemen!

Bovendien moet ik nog een toevoeging doen aan mijn bijdrage van gisteren. Want ik heb nog een bundel van Trudo Hoewaer over het hoofd gezien. Dat is dan nu aangevuld in deel een van deze winterse dichtbundels.

dinsdag 28 december 2010

Dichtbundels in de sneeuw 1 (1 tot 5)

Soms moet je al eens risico's nemen in het leven. In de oertijd deden we niets anders. Toen we nog in pelsen mantels rondliepen, omdat we niets beters konden vinden, wisten we meestal 's morgens niet wat we 's avonds zouden eten, en dan waagden we al eens een keer ons leven om op een koude winternacht ten minste met een volle maag aan  het vuur te kunnen in slaap vallen. 15.000 jaar voor Christus had Kerstmis zo zijn eigen charmes.

Zoveel risico is er voor ons niet meer bij. Dus toen ik die aankondiging zag, dacht ik: toch maar een keertje een risico nemen. God weet wat er kan in zitten. Dat bleek heel wat te zijn.

Ik ga een korte opsomming geven van de titels waar ik alvast superblij mee ben. Om diverse redenen. Toen ik een paar maanden geleden een getekend werk van een leerkracht uit mijn middelbare school te pakken kreeg, wilde ik al eens een jubelbericht neerschrijven in deze blog. Hier komt dan een vervolg.

(Nota van 12 augustus van OudHerk, verjaardag van Mijn Notoire Zus, die in Maastricht of omgeving woont, en nu dus vereeuwigd wordt in deze blog: door de gestage toevoer van dichtbundels, en literatuur over de dichtkunst, alsmede van allerhande tijdschriften die als een valse Raden Adipati "de dichtkunst onder hun bevoegdheid hebben, nummer ik deze werken mee in de reeks Dichtbundels in de Sneeuw, daar de nummering daar pas van reeks 4 begonnen is.)
1) Trudo Hoewaer, Littekens en sporen, 1960. Dit is het nummer 6 van 350, getekend en in uitstekende staat.

2) Trudo Hoewaer, Voorbij de dingen, 1943. Dit is nummer 17 van 250, getekend en in goede staat. Merkwaardig is dat de dichter dit werk opgedragen heeft "Voor Ghijsen José Zeer hartelijk. Getekend, Hasselt, den 20-V-'43". Ghijsen José? Daar moet ik meer van zien te weten. Ook al omdat in de volgende bundel ook een opdracht staat:
3) Trudo Hoewaer, Ode aan de eenzaamheid, 1953. Dit is het nummer 102 op 300., getekend, in zeer goede staat, en opgedragen "Voor mijn vriend en Kunstbroeder Jos Ghysen Zeer hartelijk toegenegen. Hasselt, de 13/XII/'53, getekend".Maar dat is nog niet alles!
4) Trudo Hoewaer, Ode aan de stilte, 1954. Dit is het nummer 1 van 250, getekend en in uitstekende staat, en opgedragen "Voor mijn goede - trouwe vriend Jozef Droogmans, met de allerbeste wensen voor nog vele zonnige en vruchtbare jaren! Zeer hartelijk toegenegen! Hasselt, de 25/II/'55, getekend". Hier val ik even van mijn stoel. Jozef Droogmans heb ik hier ooit opgevoerd als een dorpsgenoot, een eenvoudige maar erudiete persoonlijkheid, privé-secretaris van de provinciegouverneur. Het bundeltje zelf is eigenlijk reeds in zijn 250 exemplaren opgedragen "Voor Mijn goede vriend Jozef Droogmans, de sympathieke Voorzitter van "De Vereniging van Limburgse Schrijvers", naar aanleiding van zijn 60st. jaar." Toen ik het over Jozef Droogmans had (Jefke, zoals mijn vader hem noemde) sprak ik reeds over de legendarische bibliotheek van deze man. Hier wordt meteen geschreven en gedrukt bevestigd waarom dat zoal kan geweest zijn. Het spreekt vanzelf dat deze opdracht de dichter verplichtte het nummer 1 dan ook te schenken aan de feesteling.
Toevoeging op 29 decmeber 2010.
5) Trudo Hoewaer, Caleidoscoop, 1973. Ongenummerd, ongesigneerd. Uitstekende staat.
In het pakket dat ik aankocht vind ik, de wetten van het toeval volgend, dus 4 (5, na toevoeging) bundels van Trudo Hoewaer, waarvan twee, misschien drie opgedragen aan op zijn minst gezegd gigantische Limburgse persoonlijkheden. De waarde van de aankoop is dus door deze 4 (5) werken ruimschoots overtroffen. Niet zozeer financieel, daar ik niet vlug verkoop, maar zeker op literair en emotioneel vlak. Het pakketje ligt hier naast me, en meet geen 2 centimeter dikte. Ik ben zo fier als een gietertje.

vervolgt

dinsdag 14 december 2010

De Wijsneusclub

In 1982 kocht ik, aangetrokken door zowel de titel, de auteur als de prachtige uitvoering, het boek "Vlaamse schrijvers, vijfentwintig protretten" door Gaston Durnez. Het onderwerp, de beschrijving van het leven en werk van een aantal schrijvers in één bundel samengebracht, deed me veel deugd. Ook de keuze van de schrijvers, waaronder Boon, Claes, Streuvels, van den Broeck, Claus, Elsschot, en ook de vrouwelijke witte raaf Maria Rosseels (oeps, tikfoutje: Maria Rosseels is geen witte raap) gaf me veel leesprezier.

Ik smaakte de badinerende studies wel, Gaston Durnez heeft me altijd geboeid, eerst toen ik hem leerde kennen via zijn inleiding op de allereerste bundel Cartoons, naar aanleiding van het Humorfestival te Heist-aan-Zee, waar hij zoals dat zijn handelsmerk was, op een volkomen eigenzinnige wijze de betekenis van die eigenaardige tekeningen, die los van alle realiteit bekeken werden door een archeoloog in het jaar 2050 of iets degelijks, tracht te verklaren. Gaston d'Urnez, zoals hij de verteller noemde, had het over de roze meisjes, die in een charmante archeologische vondst ook ten tonele gevoerd werden, en zo leerde ik de humorist Durnez kennen. Later werd hij voor mij eerder een journalist, die wel eens durfde te graven in vieze poelen. Maar altijd had hij zijn eigen, onnavolgbare kruidige taal als wapen om dingen te zeggen, die veel verder gingen dan de woorden die hij gebruikte.

Zo kwam ik ooit te weten dat hij als jonge journalist voor de Standaard een aantal repressieprocessen gevolgd heeft, waarbij hij er niet voor terugschrok, bijvoorbeeld in het geval van Bert Peleman, om de rechter in zijn nochtans Katholieke en Vaderlandslievende krant ronduit partijdig te noemen. Maar De Standaard is niet zo braaf, zijn wortels werden herplant tijdens de oorlog, en deze AVV-VVK-boom groeide niet op basis van brave gebroken armen en -benenjournalistiek. Hoewel Peleman inderdaad in de collaboratie verzeild geraakt was, heeft hij gaandeweg zijn houding gewijzigd, en op het einde van de oorlog had hij zelfs ernstige spijt over zijn houding. Dat belette destijds geen rechter de doodstraf uit te spreken, en dankzij een tussenkomst van een aantal van Vlaanderens grote literatoren, alsmede door een brief, waarin hij een bevriend dichter om zijn mening vraagt over werk, geschreven in gevangenschap, en waaruit bleek dat het dichtwerk een soort van aangeboden excuus was voor zijn houding, werd de doodstraf omgezet in een aantal jaren, die door opeenvolgende herzieningen uiteindelijk leidden tot zijn vrijlating in 1950.

Tussen 1967 of omstreken (jaar van de publicatie van de cartoonbundel bij het Davidsfonds) en 1982 (de portretten) is mijn beeld over de journalist-auteur grondig geëvalueerd. Wat hij voorheen en nadien deed of nog gedaan heeft, het beeld van hem werd definief gevormd, en kende zijn hoogtepunt in dit boek.

Ik begreep de aanwezigheid van een dichterlijke kwibus als Jotie 't Hooft naast Herman De Coninck niet. Die mening is ondertussen ook herzien, en Anton Van Wilderode maakte als bezadigd erudiet dat schijnbaar gat in de poëtische afdeling weer goed. Het helpt ook te weten dat het boek uitgegeven is bij Manteau, en dat de iconografie verzorgd werd door J. Weverbergh. Maar dat is de menselijke kant van de keuze die Durnez al dan niet heeft willen of moeten maken bij het selecteren van zijn auteurs. Die keuze werd bovendien nog meegestuurd door de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekwezen, die de auteur dan weer beloonde door het werk te verkiezen tot "Boek van de Maand". Echt vrije keuze bestaat enkel in een totalitair regime: je moet, of je moet, kies maar.

Het stoorde mij dat de "witte raap" Rosseels eenzaam de vrouwelijke kar moest trekken, en dat stoort mij nog steeds, maar achtentwintig jaar geleden was er nog geen verplicht kwotum aan vrouwelijk intellect vereist om maatschappelijk aanvaardbaar te zijn, ook niet bij Manteau, waar nochtans een sterke vrouw aan de leiding stond. De feministische beweging van eind jaren zestig begin jaren zeventig was ondertussen uitgegroeid van een wild om zich heen schreeuwende bende baas-in-eigen-buik-dames tot een brede beweging, die zich om het percentage dames in een boek minder bekommerde dan wel de politieke aanwezigheid in steeds meer regeringen, om maar één voorbeeld te noemen. Schreeuwen was er niet meer bij, resultaat des te meer. En er is nog werk voor enige tientallen jaren.

Vorige zaterdag ging ik even op stap, om met een boekenverkoper een lading zwaargewichten om te ruilen tegen een aantal euro's. Tussen die zwaargewichten was dus ook dit mijn tweede exemplaar van deze portretten. Ik heb het boek vanavond diagonaal opnieuw doorgenomen, en ik zie hoe achtentwintig jaar kunnen knagen aan een gevormde mening, vooral als ze later getoetst kan worden aan de menigvuldige en vele lectuur, soms met moeite uitgevoerd, van meer werk van éénzelfde en gelijkaardige of net zeer anderssoortige auteurs.

Maar ook de aha-erlebnissen waren weer menigvuldig, en ik merk eens te meer dat je een goed werk niet dikwijls genoeg kunt lezen. Zo heb ik op zolder een bundeltje biografieën van Vlaamse auteurs liggen, waarvan ik nooit ben te weten gekomen waar het nu eigenlijk vandaan kwam. Nu weet ik het, dankzij de beschrijving van de auteur Jan Van Nijlen door Gaston Durnez, die trouwens Van Nijlen zelf niet eens gekend heeft. Ik heb het dan over de bundeling genaamd "Toortsen", zeer degelijk werk, maar de bundeling van brochuretjes per tien in een paar reeksen is daar toch enigzins wazig over. Ooit gehoord over de "Wijsneusclub"? Ik ook niet. Maar Jan Van Nijlen werd op een foto vereeuwigd, en opgenomen in een lijst van 50 auteurs, van wie de foto's mochten gekleefd worden in twee albums met een sumiere beschrijving van leven en werk.  Maar dan zegt M. Van Der Bruggen, die blijkbaar woonde aan de Hundelgemse Steenweg te Ledeberg, het volgende:

Pa en ma, grotere broer en zus, en U later, vinden natuurlijk een volledige inlichting over alle Vlaamse schrijvers in onze uitgave "Toortsen", waarover inlichtingen te bekomen aan hetzelfde adres.
Deze wijze woorden werden gericht aan de leden en lezertjes van de "Wijsneusclub", die deze afbeeldingen en albums aanbood ter verrijking van de geest.

De Aha-erlebnis zit hem in de schijnbaar onvindbare Wijsneusclub. Google kent ze niet. Maar de naam Van Der Bruggen te Ledegem levert de oplossing. Eén website laat achter het gordijn kijken. Wijsneus Speurt, heet de reeks en het het boekje dat te koop aangeboden wordt, is van de hand van Cor Ria Leeman, onder de titel: "En nu ... echt naar de maan", bij uitgeverij V. Van Dieren te Antwerpen uitgegeven als Jeugduitgaven "De raket", onder redactie van ... E.H. Van Der Bruggen, Ledeberg.

Uit deze korte speurtocht van deze wijsneus zal naar alle waarschijnlijkheid een verdere speurtocht ontspruiten, met vrijwel zeker een mail naar een heemkundige kring, die me hopelijk op een ernstige manier kan inlichten over leven en daden van deze Eerwaarde Heer.

Als iemand alvast iets meer weet, ben ik één en al oor om meer te weten te komen. Mijn mailadres is gemakkelijk te achterhalen. Leden van de Wijsneusclub hebben daar geen probleem mee. En ik bekijk mijn onaanzienlijke boekjes van de Toortsen-reeks weer met andere ogen. Met dank aan Gaston d'Urnez.

Vlaamse Schrijvers, Vijfentwintig Portretten, door Gaston Durnez, Manteau Antwerpen/Amsterdam, MCMLXXXII.

zondag 12 december 2010

Retrospectieve Robert Herberigs

Een correspondent liet me weten, ook al weer een week geleden, dat er in Gavere een retrospectieve tentoonstelling over het werk van Robert Herberigs wordt gehouden. Op deze link kunt u meer informatie vinden over deze gebeurtenis, en ik ga er zeker trachten heen te gaan. Met het invoeren van de naam als zoekterm kom je er een stuk vlugger. Via de label met dezelfde naam kun je op deze blog mijn bijdragen over deze kunstenaar nalezen. Het spreekt vanzelf dat ik mijn dank aan Jan Vanquaille overbreng voor de informatie, en dat ik een dergelijk initiatief graag meepromoot. Bij deze dus gebeurd.

woensdag 1 december 2010

Wadoedega?

Een van mijn vrienden vroeg me onlangs: "wadoedega zoealnog delutsten taat?". Ik keek eerst verbaasd, raadpleegde vervolgens De Bo's idioticon, om vast te stellen dat mijn gespreksgenoot inderdaad gedeeltelijk idioot was, want een vertaling van enige obscure bantoewoorden, die in 19de eeuwse context nog ooit in gebruik geweest zijn, zijn vlugger gevonden dan een vertaling van wat hedendaags en dus synoniemwaardig hetzelfde als "modern" Aantwarps genoemd mag worden.

Mijn tolk, die in Sint-Niklaas woont, en dus eigenlijk ook wel als een verdacht sujet aanzien wordt, hielp me uit de penarie, en aldus kon ik tot tevredenheid van iedereen de nodige uitleg geven. Mijn schrijfactiviteit heeft zich tijdelijk van locatie verlegd, namelijk in archieven en muf ruikende, maar toch wel belangwekkende documenten snuisterend, copiërend, met de hand of met de machine, bladerend door documenten die je alleen nog met handschoenen mag beroeren, niet omwille van hun ouderdom, maar wel wegens de volksgezondheid.

Tijdens de maanden september en oktober ben ik namelijk op het spoor gekomen van een paar zeldzame uitgaven, die ik van een kontekst wil voorzien. Zo is er bijvoorbeeld een 19de eeuwse auteur, die op een bepaalde manier in verband kan gebracht worden met mijn woonplaats, Oudenaarde, en die enkel in het Frans gepubliceerd heeft, maar waarvan ik tot nu toe uiterst sumiere gegevens gevonden heb. Maar nog vandaag heb ik de twee werken die van hem gekend zijn via Google, te pakken gekregen, nadat ik eerder in de maand oktober een eerste publicatie van hem gevonden heb. Het is op basis van die eerste vondst dat ik mijn queeste begonnen ben. Ik geef geen details, er is nog zoveel opzoekingswerk te doen, en ik moet nog een aantal contacten leggen om meer informatie naar boven te spitten.

Op het gepaste ogenblik zal ik daarmee naar buiten komen via deze blog, en de uitgebreide verslaggeving over mijn zoektocht en mijn bevindingen op de WWW-blog plaatsen.
Ook een andere publicatie uit de 19de eeuw heeft een gelijkaardige geschiedenis: geen sporen via Google, een enkel exemplaar in mijn bezit, en dus briefwisseling, mail- en telefoonverkeer met instellingen waarvan ik hoop en vermoed dat ze me kunnen informeren.

Mijn gewone verzamelwoede blijft onverminderd bestaan, maar de lust ontbreekt me om nog veel neer te schrijven. Om iedereen te troosten, hier een gedicht, zopas geschreven, als was het van de hand van een Antwerpse Gezelle:


Wadoedega

wadoedega
zoealnog
delutstentaat?
 
Gawetetnie?
marasdetwet,
zegtetmadan!
 
Bah, kwijgetnie.
Enasketwist,
danzaaketnie!

woensdag 27 oktober 2010

De vijftien van vandaag

En nog twee extra. Ik kon het niet nalaten in de bibliotheek, na een beetje opzoekwerk, toch nog even mijn neus in de overschotten van de boekenverkoop van vorige week te gaan steken. En het is niet vruchteloos gebleken. vijftien werken, waarvan sommige me behoorlijk blij maken, heb ik uiteindelijk uit de biblitoheek meegenomen, na betaling van de liquidatiesom die daarvoor afgerekend werd. Komisch genoeg was de digitale hulp uitgevallen, zodat alle inkomende en uitgaande werken door de bedienden met de hand moesten genoteerd worden, om na herstel van het normale netwerk, dus ook nog eens ingevoerd te worden.

Gelukkig werden deze werken even bekeken, de prijs ervan bepaald, en afgerekend. Er werd alleen een aantekening van mijn betaalde som gemaakt, maar alle uitgeschreven werken worden als restverkoop beschouwd, en mochten zonder registratie meegenomen worden.

Een drietal werken hebben eenzelfde bibliotheekband gekregen, en zijn in haast perfecte staat, terwijl het toch drukwerk betreft van 1860, 1874 en 1884. Het betreft ten eerste de twee samengevoegde delen van de "Manifestation Nationale du Peuple Belge en 1860", en deel twee en drie van de "Essais sur l'histoire politique des derniers sciècles" van Jules Van Praet. Ik heb gedurende een half uur alle dozen die nog voorradig waren doorzocht om ook deel één vast te krijgen, maar dat was reeds met een ander snuffelaar meegegaan naar een nieuwe bestemming. Of had ik niet goed gekeken? Ik weet het niet. Wie meer wil weten over Jules Van Praet, en over het belang dat die man voor het jonge vaderland gehad heeft (hij is een invloedrijk raadsman geweest van beide Leopolds, en heeft dat gedurende 50 jaar volgehouden),moet naar de website van Andries Vanden Abeele (zoek op Jules van Praet histoire politique). Deze geeft een mooi beeld van de levensloop en het belang van deze Bruggeling, die door Vanden Abeele moeiteloos naast Jean-Luc Dehaene geplaatst wordt. 

Het blijven hoe dan ook drie banden die een ware verrijking zijn voor mijn segment "Belgische politiek".

Ongeveer in hetzelfde hoekje bevindt zich het werk "Economische structuur van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi" van Jacques Lefebvre, in Nederlandse bewerking door René Feyaerts. Een echte datering vind ik niet, maar het voorwoord door de auteur Lefebvre is gedateerd 5 november 1955. Het werk is in haast perfecte staat, alleen de eerste bladzijden vertonen wat roestvlekjes. De hardcover heeft zijn conservatiewerk uitstekend gedaan. Een aanwinst voor het hoekje Kongo-Congo.

Van Joseph Plancquaert heb ik hier "L'Homme Notre Ancêtre - Vestiges de l'homme au sein de roches éocènes".  Van deze auteur heb ik onlangs nog enig werk zien liggen, maar ik heb nog niet voldoende gegevens om mij een oordeel te vormen. Alleszins is dit een franstalige uitgave uit 1952, verzorgd door Jos. Vermaut, Paris, Courtrai, Bruxelles. Het is een aankoop op goed geluk.

Het Oostvlaams Verbond van de Kringen voor geschiedenis, de overkoepelende organisatie waartoe de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Oudenaarde ook behoort, is, net zoals de aangesloten ledenverenigingen, zeer productief. Over de figuur van Mercator van Rupelmonde is in de Voorlichtingsreeks, de Nieuwe Reeks nr. 31 uitgegeven, als overdruk uit de Annalen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, deel 97. Mercator mag gerust gezien worden als een voor Vlaanderen zeer bijzondere figuur. Enige diepere beschouwingen mogen gerust ook toegevoegd worden aan het deel biografieën in mijn bibliotheek. Sober van vormgeving, zonder de minste franje, maar wel  op kwaliteitspapier, moet dit werk een degelijke kaft of omslag om zich heen krijgen, om ezelsoren te vermijden.

In mijn zoektocht naar gegevens over D.J. Vander Meersch, ben ik de naam van Serrure meermaals tegen gekomen. Hij was een muntkenner, een numismaat, en ook Vander Meersch heeft zich op dat vlak niet onbetuigd gelaten. In mijn tweede blog "Wie wat waar wanneer waarom..." heb ik dat aspect van zijn persoonlijkheid volledig buiten beschouwing gelaten, omdat ik daar enkel op zoek ga naar die eigenschappen van de man, die de literatuur betreffen. Maar als je dan op een brochure uit 1880 stuit, "Eléments de l'Histoire Monétaire de la Principauté épiscopale de Liège" van de hand van Raymond Serrure, fils,  mag je die niet om zulke redenen laten liggen. In tegendeel, dat andere aspect van de persoon van VdM. mag wel degelijk bekeken worden, om zich een oordeel te vormen over een breder vlak dan de beoogde studie alleen. Mooi meegenomen, deze vondst.

Maar... Welke Serrure heeft vriendschapsbanden aangeknoopt met VdM. ? Het zal niet deze Raymond Constant Serrure geweest zijn, want als numismaat waren
grootvader Constant-Philippe SERRURE, né à Anvers en 1805, mort à Moortzeele en 1872;
vader Constant-Antoine SERRURE, fils du précédent, né à Gand en 1835, mort à Saint-Josse-ten-Noode en 1898,
en zoon Raymond-Constant SERRURE, fils du précédent, né à Gand en 1862, mort en France en 1899,
actief op dit vakgebied. En dan nog wel professioneel. De website van de Cercle numismatique Liègeois besluit de korte levensbeschrijving van deze generatie muntenkenners als volgt:
Voici donc trois membres successifs d'une même famille, qui furent tous d'éminents numismates.

Volgens mij, hier op het eerste zicht oordelend, is grootvader Constant-Philippe de persoon met wie VdM. gecorrespondeerd heeft. Zijn zoon is namelijk geboren te Gent, en hij is een tijdgenoot van VdM. Opzoeken, dus.

De brochure is in uitstekende staat, en ik ben fier op het bezit ervan. De uitgave gebeurde bij Librairie Camille Vyt, rue des Reignesses, in 1880.

Het hierboven reeds genoemd Oostvlaams Verbond van de Kringen voor Geschiedenis gaf in 1998 ook nog een boekje uit in dezelfde reeks als het andere hierboven vermeldde, maar helaas is het van een kleiner formaat, weliswaar een beetje luxueuser uitgevoerd, maar vooral voor de Oudenaardist van belang. Van de hand van dr. Herman Van Isterdael lezen we voortaan "De instellingen van de Kasselrijen van Oudenaarde" als overdruk uit deel XXXV van de Handelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Oudenaarde. 

In mei 1961 hield de Stad Oudenaarde een tentoonstelling van werk van verschillende Oudenaardse schilders. Dat gebeurde in het "Tentoonstellingscentrum Liedtspark". Wat nu weer gewoon het Liedtskasteel heet, denk ik dan maar. Er werd werk tentoongesteld van grote Oudenaardse namen, zoals Edgar Fobert, Robert Herberigs, Alberic Matthys, Paul Minne, Louis Raepsaet, Hubert Vanden Berghe, Edmond Vande Vijvere, en Marie-Thérèse Verschraeghen. Verschillende van die namen ben ik onder meer in de Oudenaardse biografieën tegengekomen, maar Robert Herberigs is ook op deze blog reeds op de voorgrond getreden. Maar Paul Minne, de zoon van de grote beeldhouwer Georges Minne, is ook niet van de minsten. De brochure, die deze tentoonstelling aankondigt, is uitermate verzorgd, sober in zijn uitvoering, maar zeer degelijk van uitzicht. Een reden te meer om ze mee te brengen, en te klasseren in de afdeling kunst.

In Gent had in 1979 een Colloquium dr. J. O. de Gruyter plaats. Deze toneelhervormer werd 50 jaar na zijn overlijden herdacht met deze studie, en tot mijn groot plezier zie ik in het beschermcomité weer enige bekende namen. Ik citeer er alleen maar P.G. Buckinx uit. Aan hem zal ik later opnieuw enige aandacht besteden, want ik heb de afgelopen maanden een paar hoogstinteressante dingen van deze dichter aangekocht. Ik citeer een kort fragment uit de tekst van dit colloquium, omdat ik het een beetje hilarisch vind. Zonder iemand te willen kwetsen, wil ik toch zeggen dat:
De Gruyter met de beste bedoelingen behept was toen hij zich in 1913 het duidelijkst als filoloog manifesteerde. De vereniging voor Beschaafde Nederlandse Uitspraak werd te Antwerpen gesticht. Willem de Vreese en "Jef" Goossenaerts waren de tenoren. Doel was integratie met het Hollands taalgebruik. De Gruyter voegde de daad bij het woord: zijn beschavingswerk zette hij in met het geven van lessen in de Nederlandse fonetiek te Antwerpen en te Eeklo,......, de stijlloos-en cultuurloosheid van het Vlaamse volk diende grondig aangepakt te worden.... Het verwijt van Hollandofilie werd meermalen gemaakt. Maar de Gruyter zette door en bereidde zelfs een brochure voor die een 50-tal gesprekken in beschaafde taal met de omschrijving van de uitspraak in fonetisch schrift weergaf.

In Antwerpen en in Eeklo. Tracht daar eens zogenaamd ABN aan te praten aan de mensen. Je moet een echte missionaris zijn om dat aan te durven!

Vervolg morgen.

donderdag 21 oktober 2010

Oudenaardensia

Het geluk en het toeval gaan steeds hand in hand. Toen ik gisteren één en ander opzocht over Jules Boulez, een Oudenaards kunstschilder (1889-1960), kwam ik toevallig op de website van de Stad terecht. En daar zag ik een lijstje met boeken, die te koop gesteld werden. Mijn oog viel meteen op de Oudenaardse Biografieën, waar ik op het ogenblik veel mee bezig ben. En er stonden nog mooie titels op, die al bij al voor weinig geld aangeboden werden.

Vanochtend, na het bezoek aan mijn kapper, die van mij weer een toonbaar mens gemaakt heeft, wandelde ik enige meters verder, stapte de glazen winkel binnen, en de oogst is de moeite waard.

Acht werken heb ik meegebracht, en ze passen zeer goed in hetgeen ik op mijn wie wat waar - blog aan het bewerstelligen ben. Zo is er het werk Jules Boulez, dat me meteen de nodige bijkomende informatie geeft die ik zocht na de lektuur van het eerste deel van de Oudenaardse Biografieën uit 1976, waarin deze schilder de eerste behandelde persoonlijkheid is in een lijst van 34 namen. Mijn vragenlijstje op www wordt meteen een stukje korter.

In 2000 werd een brochure uitgegeven door de Oudenaardse Geschied- en Oudheidkundige kring, over het dorpje Volkegem, dat in 1964 met Oudenaarde fusioneerde. Op die wijze sluit het perfect aan bij de Biografieën, en levert me weer een paar vondsten op, die dit soort van opzoekingen net zo boeiend maken.De schilder Leo Piron, mij verder onbekend, heeft blijkbaar in de Villa Maria in de Tivolistraat gewoond. Die villa is de laatste tijd meermaals in mijn visier gekomen, bij de lectuur van de tijdschriften van Vlaamse genealogische vereniging, meer bepaald toen het over de familie van brouwers ging, die het huis gebouwd hebben, en waarvan een deel van de familiewortels via Hasselt verder verwezen naar Nederland. En de schrijfster Angèle Dalschaert, het kan niet anders dat ik weer op jacht moet naar meer informatie over haar. Laat me maar toegeven dat ik over haar niets weet.

Oudenaarde mag dan bekend zijn om zijn prachtige wandtapijten, maar de Stad heeft ook een uitgebreide collectie zilverwerk in bezit, die wereldwijd mag gezien worden. Toen in september en oktober 1994 een tentoonstelling georganiseerd werd, had men het gelukkige idee tegelijkertijd een wedstrijd uit te schrijven, met als thema "zilver", terwijl de actie gesitueerd moest worden naar tijd en plaats in het historische verleden van deze Stad. De zeven bekroonde kortverhalen worden in dit bundel saengebracht, en zijn zeker het lezen waard.

De historische waarde van het Stadhuis van Oudenaarde hoeft niet verder besproken te worden. met zijn brochure Het stadhuis van Oudenaarde heeft dr. Patrick Devos een mooie, maar zeer korte studie gemaakt van dit gebouw, waarbij in de inleiding gesuggereerd wordt dt dit werk moet beschouwd worden als een aanzet tot een uitgebreide monografie, die eindelijk het stadhuis zijnbeschrijving moet geven, die het meteen ook internationaal zal moeten plaatsen tussen de meest belanghebbende bouwwerken van België. De prachtige detailfoto's, maar ook de algemene fotografische overzichten van het gebouw voor, tijdens en na de restauratie van de veelvuldige onderdelen maken het weer een mooie aanwinst van mijn collectie Oudenaardensia.

Als landelijke buurgemeente van Oudenaarde is het gerechtvaardigd een prentenboek over de mooie gemeente Moregem niet te versmaden. Iedereen kent ze wel, de mooie fotoboekjes in oblong, waarin met heimwee het oude opgehemeld wordt. Aangezien Moregem een interessante geschiedenis heeft, waarin een heleboel verrassende namen opduiken, vond ik het opportuun ook dit werkje mee te nemen in deze reeks "oudenaardensia".

Dezelfde dr. Patrick Devos, die hierboven ook het Stadhuis beschreven heeft, deed dat ook met het befaamde Vleeshuis van Oudenaarde, waarin thans de Stedelijke Bibliotheek in is ondergebracht. En dat gebouw heeft een veel rijkere geschiedenis dan alleen maar zijn huidige functie van bibliotheek. Gelegen aan de rand van de Markt, en vlak tegenover de Walburgakerk, staat het in een historisch kader, waarbij oud en nieuw hand in hand lopen. Het Centum Ronde van Vlaanderen is dan weer een modern gebouw, dat uitgeeft op de nabijgelegen rotonde, en uitziet over een stuk natuur dat enkel door de spoorweg Oudenaarde-Ronse belemmerd wordt. De overgang van Stad naar platteland gaat hier zeer bruusk. Ook hier is er weer zeer mooi fotowerk te zien.

Ooit ben ik er eens binnen geweest, ter gelegenheid van een Open Monumentendag, in het huis van de Zwarte Zusters van Pamele. Het was wondermooi, een verborgen parel in de stad, maar door zijn aard begrijpelijkerwijs zeer ontoegankelijk. Als kloostergebouw levert het zeer veel architecturele, maar ook artistieke informatie op. In 1984 werd een brochure samengesteld door de Lions Club Oudenaarde, en eens te meer krijg je een prachtig foto-overzicht van deze bijzondere gebouwen. Triest detail is de zogenaamde "zomerkeuken", die op de foto nog staat in zijn volle glorie van met Delftse tegels bezette muren. Bij ons bezoek was de zomerkeuken tot een kleuterklas ombebouwd, maar helaas had men het daarbij noodzakelijk geacht de tegeltjes van de muur te breken. De nog overblijvende tegeltjes waren op sommige plaatsen beklad met viltstifttekeningen van ijverige, en zeer onschuldige kinderen. Het bleef helaas een dissonant in het bezoek te moeten vaststellen dat de zusters het belang van deze fraaie muurbekleding niet inzagen. Onthechtheid aan materiële zaken is één ding, maar misprijzen voor fraai erfgoed was ook niet nodig.

Het laatste werk in deze reeks is een waar fotoboek. Het gaat over de fotograaf Jozeph Remmlinger, die van 1898 tot 1914 in Oudenaarde gewerkt heeft. Zijn talrijke bewaarde foto'z zijn ware pareltjes, en talloze gekende en minder gekende personen zijn voor zijn lens gepasseerd. Ik kan niet aan de neiging ontsnappen om werkelijk de foto's één per één te bekijken, de onderschriften te lezen, en de schoonheid van zelfs de eenvoudigste werkjes te bewonderen. Zo zijn er de afbeeldingen van Dame Marie-Joseph Braet en Dame Thérèse Provoyeur, priorinnen van de orde, zijn van uitzonderlijke schoonheid. De Dames Bernardinen droegen van 1232 tot 1966 een prachtig habijt, dat door de Dames Prieure met nog meer tekenen van waardigheid (ondermeer een hermelijnen mantel, die getuigt van de luister waarmee de liturgische feesten werden gevierd) gedragen werd. Dame Thérèse is ook één van de figuren die in de eerste uitgave van de Oudenaardse Biografieën (1976) beschreven wordt.
wat zei ik: ik ben overgelukkig met deze nieuwe aanwinsten. Ze worden mooi ingepast in mijn verzameling, en zijn elk zeer geschikt als studiemateriaal.

Eén ding is me niet gelukt: de Oudenaardse Biografieën, reden waarvoor ik op stap gegaan ben, heb ik niet aangetroffen. Maar ik zal ze nog wel krijgen. 

dinsdag 19 oktober 2010

De doopvont

Ik heb zopas een nieuwe blog boven de doopvont gehouden. Zijn naam is nogal bewerkelijk, en ik kort hem vanaf het begin maar af toe Wie wat waar?, ondanks het feit dat iemand deze naam reeds usurpeert, verder niet gebruikt, en mij dus dwong tot meerdere creativiteit.

De bedoeling van deze tweede blog is een soort van vraagbaak te vormen voor mijzelf, omdat ik bij het lezen meermaals merk dat ik soms zoveel vragen heb, dat het een beetje bewerkelijk wordt om alles nog in goede banen te leiden. Met een boek in de trein zitten, betekent automatisch gekribbel op randen van achtergelaten kranten, reklamepapiertjes, verpakkingen van snoepgoed en ander gestolen papierwerk, dat overal rondslingert. Deze bonte verzameling vragen vormen een probleem van stockage tot ze herlezen, en geregistreerd worden in een of ander notablok, om vervolgens daar dikwijls vergeten te worden tot ze, herlezen, niet meer begrepen worden.

Die vragen wil ik opnemen in een publieke bladzijde, zodat ik verplicht ben ze helder genoeg te formuleren, want anderen lezen zo ook nog wel eens, en ik houd niet van het virtuele "je bent getikt"-teken in mijn postbus.

Trouwens, hierboven heb ik nu ook het mailadres gezet van mijn nieuwe mailbox, die speciaal voor blogtoestanden gebruikt wordt.

Een ander gebruik van die nieuwe blog ligt in het uitwerken van langere onderwerpen, die ik in het verleden wel al eens beloofd heb, maar mijn woord houden zonder te beschikken over de nodige wapens om oorlog te voeren, is natuurlijk niet erg vertrouwenswekkend te noemen. Dan houd ik mijn woord dus helemaal niet.

Heb ik in het verleden reeds gesuggereerd zulks voor een bepaald onderwerp te doen, dan moet ik dat maar eens opzoeken, maar ik vrees dat zulks gaat blijven waar het nu ligt: in het vriesvak. Maar nieuwe onderwerpen krijgen zeker een kans.

De blog moet nog vorm krijgen. Alels wat er  nu op staat, is een inleiding op een eerste vragenproject, en dat richt zich meer tot de plaatselijke geschied- en oudheidkundigen, in de hoop dat zij zich de moeite doen de vragen, die ik niet dadelijk opgelost krijg, te lezen, en te behandelen. Ik zoek dus medewerkers, die net zoals ik vinden dat je over een onderwerp niet voldoende kunt weten, en steeds met nieuwe vragen over de brug komt. In eerste instantie zijn dat dus streekgenoten, maar ik kan me levendig voorstellen dat, wanneer ik een boek over algemene literatuurproblemen lees, ik zekere vragen zou kunnen stellen, waarop ik blijkbaar geen antwoord weet, of die ik ondanks het antwoord voor mijn neus voorgeschoteld te hebben gekregen, toch niet afdoende kan beantwoorden.

Waarschijnlijk zal de start zeer traag verlopen, maar vroeg of laat komt er toch wel schot in. Zo kan ik me voorstellen dat iemand anders, die met een vraag en een ei zit, deze vraag en dat ei behalve op zijn eigen blog of website, ook bij mij kan deponeren. Het ei zal ik bij wijze van betaling opeten, de vraag kan je weet maar nooit welke weg over het web bewandelen, en onverhoopt een afdoende antwoord verkrijgen.

Een dracht, zei de Belg, maakt een weliswaar verdeelde macht,
maar wie naar kennis smacht, vindt dat toch een pracht.

maandag 18 oktober 2010

Stijn Streuvels, Hedwig Speliers en Felix Dalle

Een recente aankoop van een boek, "De Maanden" van Stijn Streuvels, heeft me weer een mooie verrassing opgeleverd. De aankondiging was niet over de ganse lijn duidelijk, en ik heb me dan ook maar de moeite genomen met een mailtje enige verduidelijking te vragen. Die heb ik ook prompt gekregen. Waarna ik een bod uitgebracht heb, en het boek dus binnengehaald. Het betreft een uitgave van Zonnewende te Kortijk, uit 1941. Over die uitgeverij kan men op de website van het Stijn Streuvelsgenootschap een korte beschrijving met een verrassend gegeven terugvinden, terwijl men daar zelf ook verwijst naar een uitgebeide beschrijving door Ludo Simons in zijn Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen, deel II.

Bij het boek staken een paar extra's, waarover mijn vraag tot verduidelijking precies ging. Het zijn, zo blijkt, krantenknipsels, verzameld in de tijd vlak na het overlijden van de auteur. Hoewel er geen aanduiding is over de krant waaruit deze knipsels gehaald zijn, is het duidelijk dat het dubbele blad in zijn geheel niet minder dan de middenbladzijde is van "Kerk en Leven", in de volksmond nog steeds "Het Parochieblad", sedert lang Vlaanderens' meest gelezen blad.

De beide andere knipsels zouden ook uit het Parochieblad kunnen komen, maar het lettertype is anders, en er staat op de knipsels geen datering of bron. Maar het blijven wel belangwekkende fragmenten.

Er is een netjes uitgeknipte foto van Streuvels, die door Mgr. De Smedt vereremerkt wordt met het St.-Gregoriuskruis. En ook het "vervolg van de eerste bladzijde" van een Hulde aan Stijn Streuvels.

Het belangrijkste deel zijn echter de twee binnenbladzijden, ongenummerd, ongedateerd, maar de rubriek Diocesane berichten en de Nieuwsmozaiek toont aan dat de uitgave er eentje moet zijn van eind oktober1969, daar er aankondigingen te lezen zijn voor een evenement te Roeselare op maandag 3 november.

De dubbele Streuvelsbladzijde bestaat uit 3 artikels: een duplicaat van de "Homilie op de uitvaart van de Heer Frank Lateur", door L. Lefèbre, pastoor-deken, Avelgem; een "Telex naar Lilliputtersland" door Felix Dalle, en een naar krantenformaat breed artikel genaamd "De 'Godsdienst' in de wereld van Stijn Streuvels", door André Demedts. Een grote foto van de wijtewagen, die de kist van Streuvels, bedolven onder bloemen, vervoert, met daarachter de rouwende familie, geeft een mooi beeld van de landelijke begrafenis, zoals ze die dag heeft plaatsgehad. De mooie tekst "Afscheid", door Streuvels eigenhandig geschreven, vervolledigt deze laattijdige hulde. De pers werkte toen nog in eerste versnelling. Dat alles werd onder de kop "Stijn Streuvels ter go gegaan" over een dubbele bladzijde uitgesmeerd.

Heeft iemand een goed oog gehad in de verbanden die er tussen deze artikels lag, of heeft het toeval meegespeeld? De foto van Streuvels en Desmedt, en het slot van het artikel van André Demedts horen wonderwel bij elkaar. Letterlijk zegt Demedts:
"...Die werkelijkheid verleent het recht over hem te spreken als over een der belangrijkste christelijke auteurs uit zijn tijd, als zodanig openbaar erkend door de Kerk, toen Mgr. E. J. De Smedt hem in 1956 de oorkonde van het Ridderschap in de Orde van Sint-Gregorius-de-Grote overhandigde."
Het ziet er naar uit dat het knipsel van deze foto (onderschrift: Z. Hoogw. Exc. Mgr. De Smedt speldt Stijn Streuvels het St.-Gregoriuskruis op de borst.) inderdaad er één is uit 1956, en niet een overdruk in een recentere krant uit 1969, gezien op de achterkant een soort van "kartoon" staat, of is het een illustratie bij één of ander verhaal op reportage, waarbij de tekening echt wel jaren '50-atmosfeer uitstraalt.

Felix Dalle pleegt ook een artikel, maar hij gaat heftig in de aanval tegen Hedwig Speliers, die hij duidelijk op zijn plaats zet in zijn kritiek op de grote meester. Het besluit van zijn artikel is dodelijk. Letterlijk zegt deze priester hetvolgende:

"... Maar niemand mag het ons kwalijk nemen dat we veronderstellen dat sommigen aan het weegschaaltje van het rechtvaardig oordeel (zeker wat de religieuze interpretatie van Streuvels' werk betreft) met hun kleine vinger zijn beginnen prutsen. Graag wierpen we ook een klein gewichtje in de balans. Maar onze ijken missen natuurlijk de glans van Hedwig Speliers, die kan spreken over 'Kitschmachines als Claes en Timmermans' en over Streuvels' autenticiteit die haast een halve eeuw lang omgebogen werd 'tot een afkooksel, dat een bepaalde, bekende, mij de botten uithangende ideologie moest illustreren". Daarop inviteren wij voor een geuze, rond een of ander letterkundige biertafel."


Zulke taal in het parochieblad kon alleen maar door de toenmalige algemeen directeur, of hoofdredacteur van datzelfde blad neergepend worden. Naast een vrome homilie, en boven een gedegen studie over de godsdienstige inslag in het werk van Streuvels, is die verdediging een gepeperd stukje journalistiek, zoals ik het graag zie gebeuren. Ik heb een mening, en ik kom er voor uit. Spijtig dat Speliers' eventueel recht op antwoord niet bijgevoegd is.

Het derde knipsel is een slotfragment uit een Hulde aan Stijn Streuvels, en de slotzin geeft duidelijk aan dat dit gebeurd is ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag.

Het boek zelf is in goede staat, vertoont weliswaar wel de tekenen van zijn leeftijd, maar er zijn geen storende fouten aan. Alleen de rug verdient een gemakkelijk uit te voeren restauratie. Waar ik nog niet uit ben zijn de aan het boek toegevoegde prenten. Naast de fraaie pentekeningen van Elisabeth Ivanovsky, die elke maand inleiden, steken er los in het boek nog een aantal prenten, met enkel een duidend onderschrift, maar geen identificatie tot dit boek. Horen zij er bij, of zijn ze door de bezitter van het boek, die op geen enkele manier een ex-libris aangebracht heeft, maar wel hier en daar een tekstmarkering gemaakt heeft, toegevoegd? De prenten zijn exact van de zelfde hoogte als het boek, maar niet van dezelfde breedte, zodat ze inderdaad gemakkelijk in het boek kunnen gestopt worden, en dus vrij schadeloos los toegevoegd kunnen zijn. Maar het kan ook zijn dat de prenten gewoon als bijkomende illustratie, eigenlijk niets te maken hebben met De Maanden. Zo vind ik tussen de bladzijden 48 en 49 een prent "Jachthonden en buit", hoewel ik jacht nu niet echt verbind met de maand april (een echte april, die doet wat hij wil). De maand mei wordt tussen de bladzijden 68 en 69 dan weer met de tekening "Oogst" gestoffeerd. Laat mij maar aannemen dat in de loop van de jaren deze prenten uit het boek genomen werden, en zonder veel kennis van zaken op een verkeerde plaats geklasseerd.

Natuurlijk zal ik straks Tante Google weer een bezoekje brengen, om over de eventuele aanwezigheid van prenten meer te vernemen, maar wie meer weet mag het mij ook steeds doormailen. Daarvoor heb ik een speciaal kanaal gecreëerd, dat ik ook straks zal toelichten. Dit zou in dat kanaal meteen een eerste vraag kunnen worden.

(Toevoeging van Andebijk: nergens blijkt dat in deze uitgave prenten zouden deel uitmaken van het boek. Het zijn dus wel degelijk vrije toevoegingen van de eigenaar, die ze bovendien zonder gegronde redenen zo maar ergens ingevoegd heeft. Eén van de prenten is een beetje scheef afgesneden, om het formaat in overeenstemming te brengen met het boek.)

Een ander onderwerp is de aanwezigheid van een deel van een kalender van 1960, die als bladwijzer in het boek is blijven steken.  Ook dat stukje documentatie over de eigenaar is weer een stukje leven in dit boek, dat er dus nu onafscheidelijk bij hoort, en dat daardoor een verrijking van het boek geworden is.

Al bij al is het een mooie aankoop. Ik kan alleen maar blij zijn. De zorvuldige verkoper weze bij deze hartelijk bedankt en gegroet.