Pagina's

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

woensdag 28 mei 2008

Oh tempora...

Als de lente in het land is, staat de computer toch altijd een eindje verder. Dat ondervind ik nu; de tuin, de hond, de schildpadden, de kamerplanten ... ze vragen meer tijd, en vreten er dus van anderen.

Maar niet getreurd. Boekenland leeft verder, en rijgt zijn veroveringen weer aan zijn musketiersdegen. Die musketiers, ik heb het boek in één zéér lange ruk uitgelezen. Ik kan niet zeggen dat ik nog onder de indruk ben, driekwart ervan zou moeten geschrapt worden, evengoed geeft het een perfect beeld van hoe de schrijver destijds trachtte zijn brood te verdienen.

Naast mij ligt een tweede uitgave van het bij Standaard-Boekhandel in 1942 verschenen "En de Rechter vertelt..." van August Van Cauwelaert. Mooi bewaard, met zorg behandeld, de oorlog en de daaropvolgende opbouw en weelde hebben het boekje niet kapot gekregen. De eigenaar had er dan ook een heus ex-libris in gekleefd, en zo het ongewilde teken gegeven dat hij een kenner was. Twee verhalen herinner ik me nog: "En toen begon de ezel", en "Buken". De rest is van voorafaan te hernemen. Ik weet er niets meer van.

Van Saint Exupéry heb ik twee boekjes in de oorspronkelijke taal: "Vol de Nuit" en "Le Petit Prince", en ze staan beide op het zeer gekende lijstje. Het zijn beide herinneringen, aan mijn scholierentijd, aan mijnheer Johan Van Lishout, leraar frans, en aan mijn studententijd te Leuven.

Een pareltje van een bedenkelijk soort: "Poetic Gems" van William McGonagall. Bedenkelijk omdat in de recencies achteraan geschreven werd: The greatest bad verse writer of his age. En: A real genius, for he is the only truly memorable bad poet in our language. Ook: He managed to do what far better poets have failed to do: he added to the stock of folklore. Als mijn dichtkunst het ooit zo ver brengt, zal ik reeds een tevreden poëtertje zijn. De andere verzamelbundels van zijn werk dragen titels die ik je niet wil onthouden: naast Poetic gems zijn er:
- Further poetic gems
- Yet further poetic gems
- More poetic gems
- Yet more poetic gems
- Still more poetic gems
- Last poetic gems

Wie doet beter?

Even bedenkelijk is het werkje: "Het Fin de Siècle Alfabet" van F.L. Bastet. Het gaat om dichtkunst van een uiterst bedenkelijk allooi, voor het gemak vrij inspiratieloos in alfabetiche volgorde geklasseerd tot een poëtisch ... eh ... alfabet. Het begint bij de Acrobatische Miss Belinda, ontmoet het Beestmens ; bezingt de Châtelaine in haar boudoir, en eindigt bij de ondertussen wereldberoemde Zoeloe, die zwarte Toverkracht heeft. Fin de sciècle? Het is uitgegeven in 1984. De colofon achteraan helpt je verder: het betreft werk uit de nalatenschap van Vincent Vere, de neef van. Het gaat dus over het fin van een andere sciècle, en het wordt er alleen maar bedenkelijker om.

De Huurkoetsier wil ik toch even googlegewijs de wereld rondsturen:

De Huurkoetsier bespiedt cliënten
per omgekeerde periscoop,
en dat bij voorkeur in de lente
zo'n negen maanden voor de doop.
Want veert het koetsje extra krachtig
dan weet hij: liefde maakt één drachtig.

Enige ernst is echter ook gepast: van A. Den Doolaard: "Het Verjaagde Water". Een uniek boek, maar ga ik het aankunnen?

Totaal onbekend voor mij, maar onder de vorm van een verzameld werk zeer interessant: Maria Dermoût. Ik vraag u vergeving, Maria, ik heb nooit van u gehoord, tenzij ik u heb ontmoet in één van de zovele werken waarin andere literatoren uw naam hebben laten vallen, maar niet voldoende geduid om tot leven gekomen te zijn. Voor het opzoekingswerk, en het lijstje, wie weet?

En nog eentje voor de eeuwigheid: in de Pantheon-reeks: John Galsworthy. Alsof The Forsyte-saga televisiegewijs de jaren zeventig van vorige eeuw geen kleur gegeven zou hebben. Laat Soames maar komen!

De rest is voor later.

dinsdag 25 maart 2008

Wat hebben Gorbatsjov, Tecumseh en Vera Lynn met mekaar gemeen?

Dat weet ik niet. Dat heb ik nooit geweten, en dat zal ik ook nooit weten. Toch heb ik van deze drie personen een boek in handen gekregen, tussen anderen, met als gemene deler dat hun boeken ofwel nauwelijks aangeraakt zijn, ofwel uiteindelijk toch in de ramsj terecht gekomen zijn. Goed voor mij.

Michail Gorbatsjov bekijkt me met zijn rood geverfd voorhoofd aan vanachter de plastiek waarin zijn boek in de boekhandel werd ingepakt. Het is er nooit uitgekomen, en als het van mij afhangt, zal dat ook niet gebeuren. Wegens te veel te lezen, en wegens al te gedateerd om nog de moeite te doen. Het is geschiedenis, maar je kunt niet alles verteren, nietwaar.

Vera Lynn daarentegen heeft mijn jeugdjaren verblijd met Bluebirds te Dover en nieuwe meetings, haar zwoele stem deed het kind in mij verlangen naar oorlogsverhalen, die mijn vader en moeder soms vertelden, en al lag het allemaal nog zo vers in hun geheugen, voor ons was het een onvatbaar verleden. Ik kon dan ook alleen maar de romantiek van de oorlog snappen, niet de dramatiek.

Tecumseh, één van de helden uit mijn jongensjaren, krijgt in het boek van James Alexander Thom de geromantiseerde versie van zijn ware, historische leven aangeboden in een lijvig, door Van Holkema & Warendorf/Houten zeer degelijk uitgegeven werk van liefst 828 bladzijden literatuur. Ik geloof mijn ogen niet, men zocht (en vond) een koper die voor dit kleinood zestig eurocent wilde neertellen. Iets om naast Sacajawea te zetten (ik hoop dat ik die naam correct spel), het indianenmeisje van de Slangenindianen, die met de eerste ontdekkingsreizigers langsheen de Mississippi van Oost naar West trok en het gehele continent hielp in kaart te brengen. Maar dat iemand zo iets koopt, en het dan niet leest...

In het Pantheon der Nobelprijs Winnaars (tegen mijn gewoonte, met een zekere afkeer en enkel om puur technische redenen splits ik dit woord dat niet gesplitst mag worden) krijgt nu ook Pär Lagerkvist een plaats. Dit tweede boek in een reeks, die ik als jonge lezer reeds alle wilde bezitten, valt nu eindelijk in mijn handen. Eigenlijk is dit het veertiende deel in de serie. Prachtig, haast ongeschonden, het krijgt eveneens een ereplaats in mijn boekenkast.

Twee gigantische kleppers moeten zeker ook vermeld worden.

Eén is het tweede deel van "Geschiedenis van Vlaanderen - De middeleeuwen, XIII° en XIV° eeuw". Uitgegeven op zeer dik kwaliteitspapier voelt het ouder aan dan het is. Dit boek is duidelijk wel in gebruik geweest, en vertoont hier en daar reeds ouderdomsvlekjes. Dat mag, het is onze geschiedenis, en die mag niet onaangeraakt in een kast staan te pronken.

De andere klepper is "Vlaanderen Vandaag" van Frans Verleyen, uitgegeven onder auspiciën van de Vlaamse Executieve, bij brd/Lannoo in samenwerking met Knack uitgegeven. Een titel is maar wat hij is, maar Vlaanderen Vandaag is niet meer het Vlaanderen van vandaag (die kapsels alleen al...). Toch reuze interessant.

Een Vlaamse Pocket om de betere lectuur af te ronden: de Gezellebrevier van Bert Ranke. Die reeks is echt een belangwekkende. Maar natuurlijk is de uitgeverij dan ook goed gelegen! Zo heb ik als jonge kerel van Lode Baekelmans "Mijnheer Snepvangers" leren kennen, en van August Van Cauwelaert de "Vertellingen van de Rechter", en staat van Hugo Verriest zijn "Keurbladzijden" nu ook in mijn Streuvelshoek.

Van een heel ander kaliber, door mij niet gekend, en dus met de nodige omzichtigheid gekeurd alvorens gekocht is "Peter Schlemihls Wundersame Geschichte" van Adelbert von Chamisso. Dit zijn 79 zéér kleine bladzijden zéér klein lettertype Duitse klassieke literatuur. Ik ben benieuwd.

Opnieuw een totaal andere vorm van literatuur zijn de "Notions d'Economie domestique (La Petite Ménagère), een handboekje voor de derde en vierde graad van het in 1937 schoolgaande meisje. Ter informatie: mijn moeder was er in 1937 vijftien, en liep school in het pensionaat van de zusters van het Heilig Hart in Petit-Rechain, vlakbij Verviers, waar haar oudere halfzus voltijds haar tijd bestede aan mijn Tante Nonneke te zijn. Voor haar geen voordeel, zo bleek uit haar verhalen. Ze kan dit werkje best wel eens in de hand gehad hebben. Misschien.

In de oorlogsatmosfeer heb ik er al een paar van dit soort gehad, en nu kan ik kennis maken met een getuigenis, door Joseph Wilkens, genaamd "In de hel van Dora". het boekje is uitgegeven in 1945 of 1946, google spreekt zich op dat vlak tegen. Maar ondanks de relatief goede staat, is de omslag zwaar vervuild. Toch een echte schat te noemen.

Echte varia vormen de drie laatste "boekjes".

"Een verhaal over passie" verhaalt de geschiedenis van het automerk Mercedes. Keurig uitgegeven hardcover fotoreclame voor een terecht mooi genoemde auto. Gekocht dan ook omwille van mooi. Twintig cent.

Pure nostalgie. De BRT gaf destijds boekjes uit als een merchandising avant la lettre. Ik had er onder meer van Johan en de Alverman, het vlaggenschip van de BRT-feuilletons. Ik aarzelde dan ook niet toen ik de kleurenfoto van Schipper Mathias, de onvergelijkbare Mathilde, het lieve Marieke (waarop niet alleen Walter Grootaers verliefd werd, hoor makker), Madame Krielemans, Hyppoliet en Philidoor zag.

En mijn meest nutteloze aankoop ooit: een muziekschriftje, onbeschreven, maagdelijk blank. Maar oh zo mooi.

De voorgaande weken heb ik nog veel meer gekocht, te veel om op te noemen. Wanneer ga ik dat toch allemaal lezen?

zaterdag 16 februari 2008

Het lustige gynaecoloogje

Soms houdt ook een dokter wel eens uitverkoop in zijn stapels literatuur, die hij of zij gedurende de lustige studententijd verzameld heeft, om zijn kennis op te doen, of om die kennis bij te spijkeren.

Voor mij ligt een handboek: "
De voortplanting van de mens", leerboek voor obstetrie en gynaecologie van Dr G.J. Kloostereman e.a. Een ongerepte vierde druk uit 1977 van het oorspronkelijke leerboek van september 1973.

Via "
De voornaamste gewrichten", een anatomische atlas, aangeboden door Merck Sharp & Dohme krijgen we zeer mooie afbeeldingen te zien van de binnenkant van ons lichaam, altans wat betreft de gewrichten. Een goedkoper uittreksel van enkel de afbeeldingen van de hand, geeft de student en dokter een snelle kijk op hoe alles eruit moet zien.

Mooie, verzorgde afbeeldingen, echte kunstwerken eigenlijk.

Drie boeken, die tezamen met nog wat andere literatuur tegen een prijs per kilo van de hand werden gedaan. Eigenlijk schandalig, alles tesamen heb ik er nog geen twee euro voor betaald.

Mijn dochter kan er maar wel bij varen. Zij heeft een studierichting gedaan in de medische sector, en kan beter met dit soort van literatuur om dan ik.

Tijdens de zelfde snuffelronde botste ik ook op "De financiën van de lokale besturen in de vijftien landen van de Europese Unie", een uitgave van Dexia uit 1997, toch al weer gauw 10 jaar geleden. Niet of nauwelijks aangeraakt, onberispelijk.

Anne Morelli liet in 1992 het copyright van het volgende boek vastleggen bij de éditions Vie Ouvrière, en Kritak nam dat in Nederlandse vertaling over in 1993. Nog in de inleiding is het al raak: een befaams belgisch arts, dr. Houzé van het Sociologisch Instituut Solvay kon met stellige zekerheid beweren dat de Vlamingen rechtstreekse afstammelingen zijn van de Germanen, terwijl de Walen Keltische voorouders hebben. Gestaafd met foto! Het boek heet: "
Geschiedenis van het eigen volk", en is een duidelijke verwijzing naar eerder rechtse slogans tot behoud en bescherming van eigen waarden. Op de rug van het boek lezen we de essentie van het verhaal:

"Geschiedenis van het eigen volk toont aan hoe absurd het is om in nationalistische debatten te roepen dat 'mijn volk' meer recht heeft op deze morzel grond dan 'jouw volk' omdat het er al langer zou wonen. Eigenlijk zijn we allen (im)migranten. Veertig procent van onze bevolking heeft ten minste één grootouder of overgrootouder die van vreemde origine is."

Helaas heeft de vorige eigenaar dit boek duidelijk gekocht om het uit te handel te verwijderen, want het is niet aangeraakt, niet geopend, niet gelezen. Zal ik beter doen?

Marcel Braem uit Anzegem is zo één van die Vlaamse auteurs, die geen literaire potten gebroken heeft. Dit boekje telt een honderdtal bladzijden, en is genaamd:
Kroniek van een dorp. Het bevat het werkje van dezelfde naam, maar ook "Oud ijzer en antiek", en "De overkant".

Nog van zijn hand zijn: "
Cocktail uit Vlasbeke", 1990, "Madame Malou", 1992 en "Cake", 1994. Zou hij Googleland bewonen? Toch wel, op de website van Anzegem staat hij waarschijnlijk te pronken op een Engelse tank vlak bij de woning van de familie Braem. We zullen dus straks nog enig zoek- en leeswerk te doen hebben om meer van deze man te weten te komen.

"Goeden Avond, Dames en Heren", aldus hebben we in onze jeugdjaren menige "speakerin", zoals mijn moeder in haar modernste buien dit soort mensen noemde, de televisieavonden weten openen. Paula Semer moet zeker als één van de baanbrekende dames uit ons Vlaamse land bestempeld worden, en met de leeftijd is zij alleen maar in die status vooruitgegaan. Benieuwd naar het autobiografische wedervaren van deze Leading Lady.

Ik was nog te jong om het vol te houden, nauwelijks vijftien of zestien jaar. Het was gewoon te zwaar, en ik kon me moeilijk verplaatsen in de leefwereld van de betere klasse van voor de revolutie in Rusland. Onvoltooid verleden tijd dus, en "
Anna Karenina" zal er vroeg of laat opnieuw moeten aan geloven. Het is een degelijke, goedverzorgde uitgave van de Arbeiderspers, met het logo van het lezende vosje op de rug. En zoals zovele boeken die ik in mijn bezit gekregen heb, ongelezen. Erg toch, eigenlijk. Wie koopt er nu Anna Karenina om niet te lezen?

In de reeks Vlaamse Pockets, uitgegeven bij Heideland Hasselt, verscheen het boekje "
Hugo Verriest, Keurbladzijden", ingeleid door Filip De Pillecyn". Twee goede redenen dus om het te lezen. Destijds werd er nog uitgegeven voor de eeuwigheid, denk ik dan maar: copyright in 1959, maar gedagtekend door de eigenaar op 4 juli 1979. Het is alleszins een aanwinst over mijn Streuvelshoek, waar ook Rodenbach en Gezelle en dus ook Hugo Verriest thuishoren.

Als afsluiter een rariteitje: Nouvelles Devinettes, twee foldertjes zonder vermelding van oorsprong, met dat soort van tekeningen op waarin je een verborgen voorwerp of persoon moet zoeken. Kunstig weet de tekenaar een gelaat, een figuur of een voorwerp te verbergen. Soms vind ik het gewoon niet, ondanks lang en herhaaldelijk zoeken. Ik meen dat ik die dingetjes ooit op Ebay gezien heb, alleszins, voor de prijs moest ik het niet laten, aan een halve euro per kilo, net zoals de medische handleidingen hierboven , kunnen deze kunstwerkjes uit vervlogen tijden hoogstens 10 eurocenten gekost hebben. Spijtig toch?

woensdag 6 februari 2008

Björnstjerne Björnson

Hoeveel is een antieke Nobelprijs Literatuur waard? Björnstjerne Björnson heeft die prjs in 1903 gekregen, en heeft de beker nog zeven jaar op zijn schab laten staan, alvorens het tijdelijke met het eeuwige te wisselen.

Misschien heeft in gans Vlaanderen nauwelijks iemand van deze Noorse schrijver gehoord, maar tussen één van de kenners van de toenmalige vernieuwende literatuur was er een schrijvertje klein en fijn die wel wist wat hij deed: meerdere werken van Björnson werden door hem vertaald uit het Noors en bewerkt tot bevoorbeeld "Noorse Kleinvertellingen". Zijn naam was Stijn, en het is geweten dat Streuvels er niet voor terugdeinsde Noors en Russisch te studeren, voor het plezier van het lezen van oorspronkelijke, eigentijdse literatuur van de groten uit zijn vak. Zo is ook de Edda door zijn vingers gegaan: hij wou deze sagen beslist lezen in de taal waarin ze geschreven waren. En als je dan bovendien weet dat een taal steeds evolueert, ook oude talen als het Noors, moet dat al bij al toch een behoorlijke opgave geweest zijn.

Op mijn geliefde strooptochten heb ik dus de "Gesammelte Werke" in vijf banden van deze Nobelprijswinnaar gevonden tussen een paar boekensteunen, om een oud kastje een beetje uitstraling te geven. En stralen deed het: de werken zijn weliswaar in het Duits uitgegeven, bij S. Fisher Verlag in Berlin, en als bijzonderheid staat er geschreven: "Gedrükt wärend der Kriegszeit, auf Papier mit Holzschliffzusatz.", maar dat kan de pret voor mij niet drukken. Noch de oorlogsuitgave, noch de mindere kwaliteit van het papier verlagen de waarde van deze verzamelbanden. Het is een oorlogsuitgave, maar kunstig uitgevoerd, naar de oorspronkelijke uitgave van Julius Elias, wiens voorwoord van 13 März 1911 hernomen wordt. Vandaar kan ik alleen maar besluiten dat de Krieg in kwestie de grote oorlog moet geweest zijn, daar de bombarie in de uitvoering van de jaren 40 totaal ontbreekt.

Niets is eeuwig, maar ook deze negentiger ziet er voor zijn leeftijd nog kranig uit: getaand, en de eerste band heeft schade opgelopen, maar niets belet de lectuur. De prachtige facsimile handtekening en de laatste foto die van Björnson genomen werd, maken van het geheel iets bekijkbaars, iets persoonlijks, iets echt.

Nergens echter kan ik ook maar een spoortje van persoonlijk bezit terugvinden dan enkel de normale gebruiksschade, die elk boek van die leeftijd moet ondervinden. Geen potloodstreepje, geen vergeten briefje met een paar woorden, die het geheim aanwijzen, geeft een hint naar wie dit boek ooit mocht bezeten hebben. Slechts de leeslinten van beide eerste banden hebben de tijd niet weerstaan: ze zijn door gebruik zo versleten, dat ze nu los in het boek steken. Maar ook dat is onzeker: want in de drie andere banden komt geen leeslint voor. Dus moet ik mijn besluit maar herzien: uit andere boeken is misschien een nuteloos leeslint geknipt, en dat is als bladwijzer gebruikt. Dus toch een vingerwijzing naar de eigenaar.

Of toch, en bijna: helaas toch wel, staat er in de vijfde band een stempeltje, die de identiteit van de eigenaar ontsluiert.

Hoeveel is een antieke Nobelprijs Literatuur waard? Het verzamelde werk is al eerder van eigenaar gewisseld, of toch te koop aangeboden, voor de som van "125 -" munteenheden werden de "5 v"olumes aangeboden. Marken? Belgische franken? Euros? Chouette, ik heb er één euro en dertig cent aan besteed. Gedurende enige tijd heb ik weer het recht verworven mij een rijk man te voelen.

vrijdag 4 januari 2008

Arthur Japin

Tot mijn verbazing, zijn naam, weet je wel, tot mijn verbazing blijkt hij een Nederlander te zijn. Dat is niet denigrerend bedoeld, maar met een dergelijke naam wil een Vlaming wel al eens doen wat alle Nederlanders doen: engels denken. Arthur Japin.

Dat spreek je niet in het Rotterdams uit, dat wordt Arthur, zoals mijn alter ego Arthur King, in de literatuur beter gekend als King Arthur. Maar hoe spreek je die verrekte familienaam uit? Djijpin? Het zal wel, zeker?

Waar ik zijn naam voor het eerst ontmoet heb, weet ik niet meer, maar waarover het ging, des te beter. Twee kinderen uit donker Afrika worden als gijzelaars aan Koning Willem geschonken om een geval van lichtjes winstgevende handel te verdoezelen. De koopwaar in kwestie waren toch maar mensen, en eigenlijk hoefde je niet van mensen te spreken, apen werd ook wel verstaan, en ook een latere koning van ons latere vaderland had wel iets met die zwarten, zolang ze maar geld opbrachten natuurlijk. Dus Willem kon daar nog wel mee leven, en het boek verstaan we omwille van de morele verwantschap van beide staatshoofden net even goed als de Nederlandse lezer.

Maar enige tijd geleden las ik over de vrouw, die vanuit het min of meer Wilde Westen besloot land te claimen in Texas, een wilde en woestijnachtige streek, waar de baarlijke duivel met al te rode huid te paard dood en verderf zaaide, en dus met wortel en stam moest verdelgd worden. Helaas heeft de geschiedenis voor sommigen wel wat anders in petto gehad, en de vrouw verloor haar kinderen aan diezelfde baarlijke duivel. Gelukkig was er nog de heer Houston, en zijn Texas Rangers, maar ook een Texaanse generaal, afstammeling van een andere natie van veroveraars was niet van de poes, zodat een eerlijke land stelende familie het gedurende die heldentijd toch nog aardig te verduren kreeg. Maar mensen willen hoe dan ook overleven, en dat doen zowel de goeden als de slechten.

Als die goeden en slechten dan bovendien ook nog met hun voeten in twee werelden staan, en zowel hun eigen wortels als takken ontmoeten, is de menselijke ziel een vieze smeltkroes van goed en kwaad die hand in hand gaan, en alle littekens die menselijk gesproken mogelijk zijn, vertoont. Het is een eerlijk verhaal, waarin dat goed en kwaad niet altijd te onderscheiden vallen, en waar andere gevoelens een prominenter plaats toegewezen krijgen.

Ik moet het boek nog lezen, maar ik weet nu al dat ik een fan ga zijn van Japin. Want alles wat we al gelezen hebben over de heldenmoed van de blanke welwillende veroveraar, die hart en ziel, geest, lijf en leden veil had voor het veroveren van zijn geluk in zijn nieuwe wereld, was dat nu Afrika, Amerika, Azië of elders, steeds moeten we tot de conclusie komen dat de populaire verhalen à la Karl May pure bullshit zijn, en dat de waarheid verscholen zit in de nog steeds onbekende geschiedenisfragmenten van mensen die moordden om te stelen, stalen om te leven, en leefden om te groeien: of hoe je steeds gelijk hebt, als jij maar de overlever bent.

Toch wordt het verhaal als intrigerend omschreven, omwille van de genuanceerde waarheid en de rauwheid daarvan. Menselijk verdriet, dat nooit had mogen bestaan.

Ik ga het lezen, geklasseerd als het is onder de hoofding: prioritair. Zoals honderden andere boeken die hier en elders in mijn leven en in mijn huis rondslingeren, zal dat weldra gebeuren, binnen twintig of vijfentwintig jaar, of als ik reïncarneer als een boekenworm.

Maar fan van Japin ben ik nu al.

woensdag 28 november 2007

Lezen en eten

Een week of twee geleden was ik in Hasselt, en ik kon het weer niet laten tweedehandswinkels te bezoeken, die soms een verrassend aanbod van mooie, oude of zeldzame boeken hebben. Ook in Gent is dat zo, en ik ben nooit tevreden voordat ik ook het laatste stukje papier in zulk een winkel omgedraaid en besnuffeld heb. Zelden koop ik er wat, want over het algemeen zijn de commerciële prijzen iets te hoog voor mijn budget, meestal beperk ik me tot één enkele vondst.

Niets is leuker dan met de veroverde schat een cafeetje binnenstappen, en onder het genot van een lekkere koffie, of als het seizoen ervoor geschikt is, een lekkere trappist, door de nieuw verworven schat te bladeren, en meteen een eerste indruk opdoen.
De meest aangewezen seizoenen voor een trappist zijn : de lente, de zomer, de herfst en de winter, de rest maar liever koffie dan.

Soms is dat gevaarlijk, zoals we laatst in Gent meemaakten, na een strooptocht door één verdieping van de Slegte, waarna ik mijn echtgenote opzocht, die ergens anders winkels onveilig maakte. Een restaurantje werd met een bezoek vereerd, en na betaling wilden we verder winkels gaan stropen. Maar een luidruchtige kelner kwam ons op de Vrijdagmarkt nagelopen, en overhandigde ons de zak met reeds aangekochte koopwaar. Nogmaals bedankt voor uw attentie, hoor jong, wij zouden het enige tijd later ook wel ontdekt hebben, maar waar waren we dan reeds?

Terug naar Hasselt. Een tweedehandsboekenzaak in het straatje recht tegenover de Paterskerk werd uitgesnuffeld. Maar het café daar schuin tegenover was natuurlijk dicht, dus werd er voor eten in plaats van drinken gekozen, en zo kwam ik ad random terecht in De Molenpoort, een vers geopend "Bistrorant". Het proberen waard. Lekker, goede wijn, vriendelijke bediening, kleine rekening, wat wil je nog meer? Een trappist, misschien. Vlak bij het Jenevermuseum, nog zo een must voor als ik losgelaten wordt in die Stad. Niet voor het museum zelf, zal ik maar toegeven, dat bezoek ik niet elk jaar opnieuw, het café daarentegen...

En wat zie ik? Als oud-onderdaan van de voorganger van Steve wil ik altijd weten waar ik nu weer geweest ben, het verandert er zo razend snel. Via google kreeg ik ze te pakken, en ze hebben ook een blog aangemaakt, hieronder de link, die ik ook elders bij mijn "Hier vind je iets"-item geplaatst heb.

Lezen en eten gaan voor mij tezamen, ze geven me beide een goed gevoel. En het moet niet alle dagen met drie sterren zijn. In de Molenpoort in Hasselt smaakt het evengoed, heb ik gemerkt. Familiebezoek te Hasselt krijgt voor mij daardoor nog een extra dimensie! Ik ga dan familiaal kwebbelen, boeken kopen, lezen, eten en drinken.

maandag 26 november 2007

Gestorven poes

Ik heb mijn papieren dagboek dat ik bijhoud op zolder even naar beneden gebracht: het is er op dit ogenblik te koud om stil te zitten, ik werk liever hier, aan de computer, in stilte, iets wat mijn jeugdige nazaat met onbegrip vaststelt als hij erbij is: je hebt toch lawaai nodig om je te herinneren dat je leeft?

Nee dus, mijn hersenen zijn nog op de goede oude manier gemaakt, zei ooit een oude pater, die ik dankbaar ben voor die gedachte: toen we 16 waren en bij elke gelegenheid "een plaat" moesten draaien dan wel het aangepaste want meest luidruchtige radioprogramma moesten uit de ether plukken, antwoordde hij op die wijze: mijn hersenen functioneren nog zonder transistors, en ze verslijten dus minder vlug.

Een goede woordspeling, en een correcte benadering. Dan mogen de transistors op hun beurt door geïntegreerde schakelingen, zeg maar chips vervangen zijn, de basisidee blijft krachtig overeind: houd je bezig met waar je mee bezig bent, en leef niet met het idee dat je meerdere dingen tegelijkertijd kunt uitvoeren: geen van alle zijn goed genoeg om in een winkel te leggen. Slechts een paar mensen hebben die gave, en dan nog zouden ze beter hun activiteiten ontbinden tot de eenheid.


Zo lees ik, geschreven op zaterdag 6 oktober 2007, om 15h30

Wat te denken van een Liber Amicorum van Fernand Toussaint van Boelare, of een gedenkboek van een paar kilo van Le Cardinal Mercier, uitgegeven na zijn overlijden in 1926, en nog niet eens overal opengesneden? Dat zijn dingen die ik liever niet op de boekenkast in de huiskamer achterlaat. Eén of andere onverlaat die dat oude ding in handen krijgt, en er wat onvoorzichtig mee omspringt, zou door mij op Streuveliaanse wijze de mantel kunnen uitgeveegd worden, en dat blijft uiteraard de bedoeling niet.

Nee, mijn boekenkast is dus geen uitstalraam waar ik trots mijn paradepaardjes tentoonstel. Ik houd van boeken, dat is waar, maar een dierentuin van 19de eeuwse allure... , dat wil ik niet met boeken nabouwen."

Rond 16h diezelfde dag schreef ik het volgende:

Hieronder volgt een proeve van hoe ik eigenlijk een boekdagboek wil voeren: geen literaire verhandeling over de verschillende waarden van het besproken boek, maar een eigenzinnige benadering, een louter persoonlijke impressie die het boek zijn eigen warmte laat, zijn eigen karakter, en die het daardoor helemaal laat leven, ook al lees ik het misschien nooit volledig, ook al raak ik het nooit meer aan.

Ria Scarphout. Potdommetje. Pantheonreeks: 3, ISBN 906406 105 X gebonden.
Depot: D/1987/4935/9 - Uitgever : De Koofschep v.z.w.

Klein formaat (20.7 X 13.5 cm) slechts 31 bladzijden. Een weemoedige herinnering van de schrijfster aan haar geliefde huiskatje, gestorven op 13-10-1972. Met nostalgie en milde woordspelingen geschreven, als aandenken aan de lieve huisvriend van het kinderloze paar.

Het boekje is in uitstekende staat. Mooi is dat de schrijfster vooraan een opdracht geschreven heeft :

Voor Bertien Buyl "Liefde is glimlachen met tranen in de ogen." (Jan berghmans) (get) Ria Scarphout, 22-08-'87.

Ook achteraan is het boekje door de auteur getekend. De tekst eindigt met -Ria Scarphout (geschreven in mijn "Domeindreef". En daaronder, wiskundig juist geplaatst, heeft zij getekend. In potlood, hetgeen voor mij een bewijs is dat ze wist hoe een boek moest gesigneerd worden: op de lekker ouderwetse wijze.

Maar. Dit individuele exemplaartje heeft een geschiedenis. Op blz 12 zag ik plotseling een verbetering staan. Iemand had aangegeven dat de zin: "Traag kijkt Poes in de lange, donkere gang." moest gewijzigd worden in: "Traag kijkt moederpoes in de lange, donkere gang."

De eerste reactie in mij was: wel wel! Mevrouw Bertien Buyl zet de literatuur naar haar hand. Wie ben ik om daar wat op tegen te hebben, evengoed meen ik dat als het niet om een eclatante taalfout gaat, je dergelijke verbeteringen best achterwege laat.

Op blz 15 was het opnieuw prijs: "het beitelen der letters" werd "het beitelen van de letters". Zo zijn er nog enige verbeteringen te bespeuren op verschillende plaatsen. Wat stelt dat voor? Maar plots kwam er inzicht, toen ik bemerkte dat Ria Scarphout met dezelfde potlood waarmee ze de opdracht vooraan en de ondertekening achteraan gedaan had, ook deze verbeteringen aangebracht had.

Dit boekje, met andere woorden, is een correctie-exemplaar, althans, zo lijkt het. Alleen kon ik de vraag niet beantwoorden waarom deze correcties gebeurden in een gesigneerd exemplaar. Was dit slechts een poging om bij het inkijken van het aan haar toegezonden eerste exemplaar het boekje een "echt" uiterlijk te geven door het aanbrengen van een opdracht? Het gebruikte potlood wijst daarop, en het handschrift van de opdracht en de correctie op blz 12 is beslist gelijk.

Of heeft zij het boekje van Bertien Buyl, die misschien een vriendin, of misschien zelfs haar eigen moeder kan of kon zijn, op één of andere wijze terug in handen gekregen, en voor correctiedoeleinden gebruikt?

De vijftig cent die ik ervoor betaald heb in een kringloopwinkel te Oudenaarde zijn welbesteed. Ik heb geen literatuur, maar een klein stukje literatuurgeschiedenis gekocht, denk ik.

Eén en ander moet ik nog verder uitzoeken, maar zeker is: dit is het verhaal over een gestorven poes, maar het is een levend boekje.

Ondertussen, met dank aan de Tante Google. Bertien Buyl is dus naar alle waarschijnlijkheid een vriendin van de auteur. Via een kleine en eenvoudige zoekactie kun je bijvoorbeeld de website www.literair.gent.be terugvinden, en zo kan ik dan ook de historiek van het boekje terug samenstellen.

Ria Scarphout heeft waarschijnlijk dit boekje aan haar generatiegenote Bertien Buyl gegeven of verkocht, het gesigneerd, en misschien hebben beide literaire dames tesamen het werk van de nochtans strenge lerares dictie en voordrachtkunst Ria nagekeken en taalkundig bekritiseerd. Hetgeen zo dan ook gebeurd kan zijn, want het is toch duidelijk de hand van de auteur zelf die de correcties aangetekend heeft. Een andere mogelijkheid is dat dit een presentexemplaartje voor Bertien was, (verjaarde op 10 augustus, geboren 1927, dus voor haar 60ste verjaardag?) dat door omstandigheden nooit terechtgekomen is. Dus toch wel een stukje literaire geschiedenis. Blijft me natuurlijk nog de hamvraag hoe dit stukje geschiedenis in de kringloopwinkel terecht gekomen is?

donderdag 22 november 2007

Uitgeverij Sylvia

Groot mysterie in kunstland. Altans binnen de muren van dit huis, dat overdrachtelijk tot dat land gerekend wordt.

Ik heb drie mapjes op de kop getikt, gefabriceerd door de "Werkplaatsen van de uitgeverij Sylvia", één ervan zelfs door "Atelier des uitgevers Sylvia". Elk mapje is 13 bij 16.7 cm groot, heeft het ouderwets uitzicht van een duffe schoolmap uit de jaren '50 van vorige eeuw meegekregen, en bevat een tiental reproducties van respectievelijk "Originele Litografieën" (lito, zonder h), en tweemaal "Originele Prenttekeningen".

In, noch op de mapjes is ook maar één aanknopingspunt te bespeuren, dat je naar de bronnen zou kunnen leiden. Niets: geen adres, geen opdracht, geen doelstelling, niets, nada, noppes, niente geeft je een idee over het hoe, wie, waar, wanneer of waarom van dit werk.

Het moet van Franse origine zijn, want als ik goochel met zoektermen, blijft me als enige mogelijkheid de namen van de artiesten in kwestie op te zoeken, en dan kom je steeds bij Franse of aan Frankrijk gelieerde kunstenaars uit. Ook het gebruikte Nederlands is doorspekt met taalfouten (eigenlijk eerder onverbeterde zetfouten, heb ik de indruk).

Wie kan mij uit mijn lijden verlossen?

maandag 19 november 2007

De Blieckaerts

Oef, ik heb het volgehouden, en het boek helemaal uitgelezen. Warden Oom, pseudoniem van Edward Vermeulen, heeft een boek geschreven, en ik heb het gelezen. Niets nieuw onder de zon, duizenden Vlamingen hebben deze stroeve, West-Vlaamse lectuur doorworsteld, en naargelang van hun afkomst, dit schrijfsel verafgodend opgedronken, dan wel met de zangerigheid van de Limburger vervloekt. Perdaaf toch, jong, da kan toch nie, zoe e gezaag. Dije kalt plat West-Vlams in zen biek!

Alles heeft zijn plaats, alles heeft zijn tijd. Ik schrik altijd als ik de vanzefsprekendheid bemerk, waarmee de West-Vlaming destijds er van uit ging dat zijn sprake alleenzaligmakend was. Net zoals de Nederlander vandaag nog steeds neerbuigend doet tegen de Vlaming. Zoals de Antwerpenaar denkt dat hij Vlaanderen enige beschaving moet bijbrengen.

Ik houd van Gezelle. Maar ik moet zijn particularisme niet, want dan geef ik toe dat ik als Limburger geen recht tot spreken had, aangezien Gezelle een groot dichter was, en dus de krijtlijnen uitzette, en zodoende moest gevolgd worden.

Foute redenering, natuurlijk, maar ik heb jullie toch lekker even op stang gejaagd. Als het daar op aan komt, is het voldoende even erop te wijzen dat sommige bevolkingsgroepen menen boven de anderen te staan, en dat is dus beslist niet waar. Zeggen ze. En bewijzen daardoor dat hun houding alvast wel zo is: slechts weinig mensen spreken de waarheid, het meerendeel bevestigt de leugen door ze te ontkennen.

Ingewikkelde redenering, nietwaar? En toch is ze correct, maar ze heeft ook een terugslag: ik ben namelijk de Cretenzer, die beweert dat alle Cretenzers leugenaars zijn. En dus de waarheid spreekt, door te liegen. Waarna het opvalt dat ik door te liegen eigenlijk niet meer weet wie ik ben, waar ik vandaan kom, of ik überhaupt iets zeg, en of ik dat naar waarheid lieg. En dus ga ik er maar vanuit, zoals 99.99% van de wereldbevolking, dat ik volkomen bonafide ben, slechts streef naar de waarheid, en dus het beetje leugen dat in me schuilt, tracht te onderdrukken.

Heb je het gezien: ik TRACHT het te onderdrukken. Ik onderdruk het dus niet. Ik tracht het alleen maar. Ik lieg dus, als ik 99.99% waarheid spreek. En dus is mijn waarheid alleen maar een leugen. Wat is de wereld toch een ingewikkeld geval. Eigenlijk zou Hercólubus echt eens moeten langskomen, en komaf maken met dat menselijk gespuis dat er alleen maar op uit is de wereld te bezitten. Boem, gedaan.

Ja, maar dan is het ook boem gedaan met alle dierlijk en plantaardig leven, want een botsing van dergelijke omvang is een uitspatting van de vloeibare kernen van twee planeten, en dag! leven... Of hoe je meteen kan bewijzen dat ook de elementen van het heelal een leugenachtig bestaan lijden: ze komen zogenaamd wezenloos af op eerlijk (toch voor 99.99%, dacht ik) voortzwoegende wezens, die alleen maar door middel van moord en verkraching trachten te overleven in een uitermatige vijandige omgeving. Ze vernietigen veel meer dan er nodig is om de oorlog te winnen, en claimen dan dat de door de botsing opgelopen wonde de schuld van hun slachtoffer is.

Jongens toch, was ik toch maar de zon, of liever Pluto, die gedegradeerd en wel daar miljoenen kilometers vandaan loopt te cirkelen in zijn gevangenis-baantje omheen dat sterretje.

Wat heeft dit alles te maken met Warden Oom? Om het kort te houden: niets. Ik houd ervan af en toe mijn gedachten eindeloos te laten stromen, vloeien, en dan met verbazing naar het resultaat te kijken.

Heeft Warden Oom dat ook op die manier gedaan, of heeft deze eenvoudige landman gelijk een echte vakman-schrijver zijn draadjes eerst goed uitgesponnen, om vervolgens over die steunen heen zijn web van De Blieckaerts te spinnen, en alle ongeluk van de wereld op die manier in het reine te laten komen?

Is Gezelle echt een grote dichter, of een man die alleen maar zag dat Vlaanderen nood had aan een leidende stem in het koor, een stem die de katholieke gedachte ronddroeg, een stem die zijn West-Vlaamse wortels zelf van bodem voorzag, en dus eigenlijk door zijn levenswijze ertoe kwam om uiteindelijk tegen de wil van bissschop en staat in de grootste onder zijn gelijken te worden?

Vermeulen en Gezelle, jullie zijn zo ontiegelijk moeilijk te lezen, voor het kleine limburgertje dat hier zijn laatste woordjes tikt, maar het is allemaal zo ... schoon. Dat Hercólubus nog lang moge draaien rondom de zon die ons warmte bezorgt, en, in de visie van Vermeulen en Gezelle, Gods warmte ronddraagt.

zondag 18 november 2007

Hercólubus

Nog zo een eigenaardigheid, die het bezitten waard is, hoewel ik het niet als een prioritaire aangelegenheid beschouw, is het werkje "Hercólubus of Rode Planeet" van V.M. Rabolú.

Ook rekening houdend met het feit dat het Castellaans in al zijn vormen een wereldtaal is, kom je met je eigenlijke naam, Joaquin Enrique Amórtegui Valbuena nergens. De auteur werd in Colombia geboren in 1926, en was een natuurliefhebber, die vrij vlug de esotherische weg opgegaan is. Hij heeft er zijn levenswerk van gemaakt de mensheid te waarschuwen voor de botsing die onze planeet Aarde tegemoet gaat met de Rode Planeet Hercólubus, onafwendbaar en fataal.

Op zeker ogenblik heeft hij, in 1998 of 1999, een vzw opgericht die tot uitsluitend doel heeft het verspreiden van dit werkje, zonder daar ook maar enig persoonlijk profijt aan over te houden. Al vrij vlug kwam het tot rechtzaken wereldwijd, waarbij ondermeer G. Volkenborn Verlag uit Duitsland mee betrokken blijkt. Het boekje dat ik hier in handen heb claimt een eerste uitgave van september 1999 te zijn.

Aangezien ik het boekje gekocht heb in een kringloopwinkel, kan de controverse me niet beroeren. Toch is dit voor mij koren op de molen om de moeizame strijd voor de rechten van auteurs in het algemeen aan te halen. Het internet is bij uitstek de plaats van waaruit men illegaal alles wat ook maar enigzins wettelijk beschermd is, kan verhandelen en de aangehechte rechten met de voeten treden. Hoewel de bedoelde verspreidingsvorm, hier dus een fysiek boekje, gedrukt en wel, niet per internet gebruskeerd werd, blijft het algemene principe van kracht: zelfs als de auteur stapelgek is, zelfs als het om een grap gaat, zelfs als het een draak van honderd meter lang blijkt te zijn, heeft de auteur rechten, en is het niet aan mensen met een foutieve commerciële instelling om de zakken van anderen, in casu de auteur en de argeloze kopers, te ledigen.

Het boekje zelf is slechts 12 op 17.5 cm groot en bevat slechts een 44 of 45 beschreven bladzijden. Erg veel moeite zal het me niet kosten om het te lezen, hoewel ik geen boodschap heb aan buitenaardse wezens die ons een verschrikkelijke dood gaan bezorgen, of aan planeten die zo kollossaal groot zijn, dat ze de aarde in een klap vermorzelen, maar die door de wetenschap toch niet erg serieus genomen blijken te zijn. Als dergelijke planeet op ramkoers op de aarde afstevent, zouden we het al wel geweten hebben zeker? En zo het al wetenschappelijk bekend gemaakt is, dan moet men de baan van die planeet toch kunnen beschrijven?

Het is een goed onderwerp geweest voor meerdere films, waarbij ik bijvoorbeeld Bruce Willis heroïsch heb weten sterven, maar dat doet hij wel meer. Niets om van wakker te liggen, noch voor de films, noch voor dit boekje.