Pagina's

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

vrijdag 22 januari 2010

Uit Friesland's Volksleven...

Een voorsmaakje... Ik heb ze. In perfecte staat. Kostprijs: 93 eurocent. Meer later, wegens dringende slaapaangelegenheden. Maar dat in een Indisch rijk toevallig enige afstammelingen van Sem, genaams Friso en Saxo leefden, en dat er dertig schepen op uit gestuurd werden om de overbevolking in goede banen te leiden, laat het beste verhopen. Neem de grootste cruiseschepen uit de laat-twintigste eeuw, overbeladen met landverhuizende wanhopelingen, en je komt met 5000 X 30 = 150000 mensen ergens in het aards paradijs aan. Leuk, maar de overbevoling is niet echt opgelost in het Friesche noch Indische vaderland.

Morgen meer, en minder  cynische kommentaar. Eerst gaan slapen, en werken. Met excuses aan de F-nationalisten: het is maar een grapje. De boeken zijn overheerlijk. (waarbij morgen eigenlijk al vandaag is)

zondag 17 januari 2010

Hemel en aarde

Als je op goed geluk boeken koopt, is er soms niet veel tijd om na te denken. Je neemt iets mee, of niet. Voor de prijs moest ik het alleszins niet laten, maar de kwaliteit, die liet veel te wensen over. Toch heb ik niet geaarzeld. En zo heb ik hier voor me liggen, drie "Vlaamsche Filmkens", die dateren van voor de oorlog. Het zijn boekjes die duidelijk afgezien hebben, maar die nog perfect leesbaar zijn. Ik ben er niet zeker van dat ze nog hun omslag hebben: je valt meteen op de voorpagina in de tekst, en achteraan staat een oproep om Vlaamsche Filmkens te verspreiden. Op één ervan kan ik het jaartal afleiden uit de reklame voor de zonneland-almanak 1934, die voor de frijs van 2 frank kan besteld worden te Averbode. 1933 dus.

De nummers en titels zijn als volgt:
Nerva, de kleine Heiden, nr 91(daar Heintje Bierbuyck op avontuur volgende week verschijnt als nr. 92), en de auteur is D.G.
De bewogen reis van Sint Niklaas, nr 161 (Karel en Elegast door Hein Pill verschijnt volgende week als nr 162), en de auteur is Yvonne Waegemans.
De Nieuwe, nr 163 (=tony's Kerstgeschenk door Y. Waegemans verschijnt volgende week als nr 164), en de auteur is R. Jaenen, die dit werk vrij vertaald heeft naar het Duitsch van Jassy Torrund.

Mooi, maar versleten en zeer oud van uiterlijk.  Verzamelstukken, maar ik denk dat niemand ze nog wil. Ik wel.

Een confrontatie, deel 2

vervolg (voor de goede orde, lees eerst mijn bericht van 15 januari, vervolgens mijn bericht van 17 januari, deel 1, en ten slotte dit artikel).
De Academieraad heeft op 28 maart onderzocht welke sancties dienden getroffen tegenover zekere studenten die in de incidenten op het rectoraat betrokken waren.  Een persoon die reeds afgestudeerd is, die ingeschreven was voor complementaire studies en practisch dit jaar op geen enkele cursus was verschenen en die als een van de belangrijkste opstokers van de oproerige beweging te beschouwen is, werd uitgesloten. Voor de anderen werd beslist, en een geest van tegemoetkoming en om de genoederen tot bedaren te brengen, slechts een berisping voor te stellen (die ik dan ook heb toegekend), met dien verstande nochtans dat zulks een ernstige waarschuwing zou betekenen en dat bij herhaling van laakbare feiten zeer streng zou worden opgetreden.

Ik hoop dat al diegenen die met de Universiteit in betrekking staan de ernst van de toestand inzien. Ik blijf steeds bereid -en dit is ook het geval voor de Raad van Beheer- zoals in het verleden, begrip aan de dag te leggen voor het standpunt van de studenten en de dialoog inzake de universitaire hervorming voort te zetten. De academische overheid en de professoren zijn steeds akkoord om de voorstellen van de studenten en van het wetenschappelijk personeel met welwillendheid te onderzoeken, doch er dient rekening mede gehouden dat bepaalde plannen in de huidige omstandigheden ten gevolge van wettelijke bepalingen en van financiële beperkingen, niet onmiddellijk realiseerbaar zijn. Er kan steeds onderhandeld worden maar de universiteit mag in de anarchie niet vervallen, er moet steeds orde heersen opdat zij haar taak op het gebied van het onderwijs en van het wetenschappelijk onderzoek op doeltreffende wijze en in volle sereniteit zou kunnen vervullen.

Ik richt dan ook tot allen een dringende oproep opdat na het paasverlof niet weer zou teruggekomen worden op de incidenten die zich deze laatste weken hebben voorgedaan en opdat de  Universiteit zich opnieuw en volledig op haar normale werkzaamheden zou kunnen concentreren. Tevens vraag ik aan de studentengemeenschap dat zij geen gehoor zou geven aan personen die in feite buiten deze gemeenschap staan (hetzij dat zij aan de Universiteit niet zijn ingeschreven, hetzij dat zij ingeschreven zijn maar niet studeren) en die zich in feite weinig bekommeren om de universitaire vernieuwing en de verdediging van het recht op vrijheid van opinie (die zij bij anderen niet dulden), enz. die zij alleen als voorwendsel nemen om de goede gang van onze Universiteit in de war te sturen.

DE RECTOR,

(getekend)

Prof. Dr. J.J. Bouckaert.

Een confrontatie, deel 1

Meningen moeten altijd tegensprekelijk gemaakt worden.  Verschillende versies van een verhaal staan soms loodrecht tegenover mekaar, en dan is het altijd interessant meerdere versies te kunnen vergelijken.  Daarom heb ik besloten de integrale tekst van de "Mededeling vanwege het Rectoraat van de Rijksuniversiteit te Gent" te publiceren, en deze te confronteren met het relaas van de feiten, gedaan door de protagonist van de gebeurtenissen, zoals hij het verteld heeft aan een andere geïnteresseerde, die dat vervolgens op het net gezet heeft.

Aan u om de zeven fouten van beide "auteurs" te vinden.

Mededeling vanwege het Rectoraat van de Rijkuniversiteit te Gent
 
Waarschijnlijk zult U onder de indruk gekomen zijn van de gebeurtenissen die zich deze laatste weken aan de Rijksuniversiteit te Gent hebben voorgedaan. Van verschillende zijden werd mij medegedeeld dat in dit verband gebrek aan informatie op te merken valt.  Sommige dagbladen en zekere uitzendingen van televisie hebben verder niet steeds de juiste toedracht van de gebeurtenissen weergegeven.  Daarom acht ik het nuttig in deze mededeling mij te wenden tot al diegenen die deel uitmaken van de universitaire gemeenschap of die er rechtstreeks of onrechtstreeks mede in betrekking staan ten einde hen zo objectief mogelijk in te lichten.


De aanleiding tot de incidenten was het verbod tot projectie in het openbaar van pornografische beelden door de studentenvereniging "Prokus" in de zaal van de Academieraad op 12 maart. De vergadering zelf was wel toegelaten. Indien pornografische beelden, naar de wens van de inrichters wel in het openbaar, bijgevolg ook voor personen beneden de 18 j., zouden vertoond geweest zijn, dan zou niet alleen de goede naam van de Universiteit in de openbare opinie in opspraak gekomen zijn, maar tevens zouden voor de Universiteit moeilijkheden opgerezen zijn met het parket dat het vertonen in het openbaar van pornografische beelden niet duldt. De medeplichtigheid van de Universiteit in deze aangelegenhied zou ondubbelzinnig bewezen geweest zijn, wegens het ter beschikking stellen van een lokaal, een projectieapparaat en een bediende die de projecties zou doen. Ik was bijgevolg verplicht de projectie van pornografische beelden te verbieden terwijl ik wel de vergadering toeliet.  Deze laatste ging in feite niet door en de aanwezigen beslisten een actiecomité op te richten waarvan ik vernam dat het van zin was daags daarop omstreeks 14 u. het rectoraat te komen bezetten.  Als voorzorgsmaatregel had ik de deuren van het rectoraat doen sluiten.  Op 13 maart, omstreeks 14 u., verschenen vóór het rectoraat een groot aantal personen, meestal studenten, maar ook enkele mensen die tot de Universiteit niet behoorden.  Een deur van het rectoraat werd opengebroken en circa 150 à 200 personen stroomden binnen naar de 3de verdieping waar mijn cabinet en mijn burelen gelegen zijn.
Deze groep eiste dat ik mij vóór haar zou komen verantwoorden.  Ik weigerde te verschijnen voor deze opgewonden massa waarmede een dialoog niet mogelijk was; ik verklaarde mij echer wel bereid een delegatie van hoogstens 3 studenten te ontvangen.
Dit werd geweigerd.  Intussen werd met de oproerigen onderhandeld o.m. door de heer Ondervoorzitter van de Raad van Beheer en door de secretaris van het rectoraat. Na ongeveer 45 minuten bleken de besprekingen totaal vruchteloos. Daar de onderhandelingen zonder enig resultaat bleven en de studentenmassa weigerde de lokalen te ontruimen, heb ik dan telefonisch de politie opgeroepen om haar te verzoeken het rectoraat door de bezetters te doen verlaten.  De politie verscheen na een tiental minuten en trachtte eerst gedurende een twintigtal minuten de oproermakers ervan te overtuigen dat zij het gebouw moesten verlaten.  Ook dit bleek vruchteloos.  Dan is de politie actief opgetreden terwijl ook door de oproermakers in mijn kabinet werd binnengestormd, dat tijdelijk door een zeventigtal personen werd bezet. Bij de ontruiming van mijn kabinet werden meubels en allerhande voorwerpen beschadigd en werden mijn dossiers dorheen op de grond gegooid. De polite slaagde er ten slotte in de lokalen te doen ontruimen.


Enkele dagen later, op 17 maart, begon de doorlopende bezetting (dag en nacht) van het gebouw van de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte op de Blandijnberg. In het begin waren er slechts een dertigtal personen die 's nachts teksten typten en polycopieerden.  Dit aantal steeg echter geleidelijk.  Ik heb gemeend het permanent bezeten van lokalen niet te mogen dulden en heb dan ook, na zulks te hebben doen mededelen aan de personen die het gebouw van de Blandijnberg bezetten en na hun weigering de lokalen te verlaten, de nacht van 20 op 21 maart de politie en de rijkswacht verzocht de lokalen te doen ontruimen, wat zonder incidenten verliep : ongeveer 500 personen werden geïdentificeerd.


Ik ben steeds zeer begrijpend geweest tegenover de studenten en ben altijd bereid geweest tot het voeren van een dialoog.  O.m. heb ik in juli jl. een raad voor onderzoek der Gentse universitaire problemen opgericht met paritaire vertegenwoordiging van professoren, studenten, leden van het wetenschappelijk en van het adminsitratief en technisch personeel.  Op 11, 12 en 13 maart had ik, ter gelegenheid van het V.V.S.-Congres, ook verlof gegeven en de universitaire lokalen ter beschikking gesteld om aan de studenten de mogelijkheid te bieden de verschillende aspecten van de universitaire problematiek te bespreken. Maar in de maatschappij moet een zekere tucht heersen en meer bepaald op de universiteit kan niet aanvaard worden dat studenten en andere personen die aan de universiteit vreemd zijn, op gewelddadige wijze al hun willen en grillen doordrijven en lokalen in beslag nemen zonder voorafgaandelijke toelating, ten einde er om het even welke vergadering te beleggen. De bestaande wetten en reglementen, ook die welke men onaangenaam vindt, gelden voor iedereen, voor de studenten zoals voor de andere burgers. Wil men er verandering aan brengen, dan moet zulks via de bestaande lichamen geschieden en niet op revolutionaire wijze.

wordt vervolgd (de beide in het rood geplaatste zinsdelen zijn op de originele tekst met stippellijn onderstreepte woorden)

vrijdag 15 januari 2010

Rijksuniversiteit Gent 1817-1967

Na een maand windstilte, terug aan het werk. Zoals gevreesd heeft het werk een negatieve impakt op mijn vrijetijdsgebruik.

Gelukkig zijn er nog boeken op de wereld.  Zo vond ik eergisteren het gedenkboek Rijksuniversiteit Gent 1817 - 1967. Op zich niets schokkends, maar er zit duidelijk een verhaal vast aan dit boek. Ik vind namelijk op de titelbladzijde een handtekening terug, en een datering: 18/x/67. Wie de eigenaar was, dat kan ik niet achterhalen, alleen een beetje vermoeden. Het was alleszins iemand die de Universiteit kende, en er een emotionele band mee had. Op diezelfde titelbladzijde heeft hij namelijk een mooie reproductie van het wapenschild van de universiteit gekleefd. En de beschrijving van dat wapenschild kan je mooi terugvinden op de website van de RUG. Helaas heeft hij die afbeelding een beetje slordig uitgeknipt, maar met een beetje lijm heb ik het geheel mooi herplakt, zodat de onregelmatige sneden minder opvallend uitkomen. Omwille van de authenticiteit laat ik het knipwerk zoals het was, zo slordig was het niet, maar het kon beter.

Het verhaal schuilt ergens anders. In het boek stak namelijk een bericht, genaamd "Mededeling vanwege het Rectoraat van de Rijksuniversiteit te Gent", met een lekker ouderwetse typmachine foutloos op vier A4-tjes neergelegd en ... ondertekend door de Rector, Prof. Dr. J.J. Bouckaert. Een origineel document, dus. Beter nog, in de rechterbovenhoek van het eerste blad is het document met de hand gedateerd: 18/4/69, en geparafeerd. Ja hoor, onder deze datum staat zeer duidelijk de paraaf van de persoon die ook de eigenaar van het boek is geweest. De karakteristieke kronkels van de eerste letter van zijn naam komen zowel in de paraaf als in het handteken voor. Onmiskenbaar dezelfde. Wie dat dan kan geweest zijn, daar heb ik het raden naar, en dat is op zich zo erg niet. Een zoektocht langsheen de namen van de personen die in het comité zaten dat de uitgifte van dit boek verzorgde, laat me twee kandidaten overblijven die de eigenaar kunnen geweest zijn. Maar dat zijn speculaties.

Veel interessanter is de reden waarom deze mededeling gedaan werd. De rector zet deze reden dan ook uitgebreid uiteen. Ik voel de kriebels om de volledige tekst op te nemen, en deze zo voor de vergetelheid te redden. (toevoeging: in de beide volgende bijdragen heb ik deze tekst inderdaad integraal hernomen, en de lezer zal er best aan doen eerst met deel 1 te beginnen, om de juiste volgorde van de tekst te bewaren. Wie de documenten wil bekijken, moet maar eens naar de Bibliotheca Studentica et Erotica springen.) Een korte zoektocht via Tante Google leert me alvast dat deze tekst nooit eerder gepubliceerd is. En het gaat om historische feiten, als je de context van het gebeurde leert kennen. Een eerste kort extract zal je alvast duidelijk maken dat ik in eerdere berichten waarin ik de jaren zestig en zijn betuttelende houding ten opzichte van sexualiteit beschreven heb, niet zomaar uit de nek gekletst heb. Ik citeer:

- (...) De aanleiding tot de incidenten was het verbod tot projectie in het openbaar van pornografische beelden door de studentenvereniging "Prokus" in de zaal van de Academieraad op 12 maart (1969, noot van mijzelf). De vergadering zelf was wel toegelaten.  Indien pornografische beelden, naar de wens van de inrichters wel in het openbaar, bijgevolg ook voor personen beneden de 18 j., zouden vertoond geweest zijn, dan zou niet alleen de goede naam van de Universiteit in de openbare opinie in opspraak gekomen zijn, maar tevens zouden voor de Universiteit moeilijkheden opgerezen zijn met het parket dat het vertonen in het openbaar van pornografische beelden niet duldt. De medeplichtigheid van de Universiteit in deze aangelegenheid zou ondubbelzinnig bewezen geweest zijn, wegens het ter beschikking stellen van een lokaal, een projectieapparaat en een bediende die de projecties zou doen. Ik was bijgevolg verplicht de projectie van pornografische beelden te verbieden terwijl ik wel de vergadering toeliet. (...)"

Het zou me benieuwen indien er comilitones zijn die de feiten meegemaakt hebben, of van dichtbij gevolgd hebben.  Ze mogen met een gerust geweten een bericht zenden met hun versie van de feiten, om alzo dit grensverleggend incident opnieuw te herinneren en er de zo juist mogelijke omstandigheden van te omschrijven.

Eindnoot. De Blumengarten Bibliothek heeft tijdens de vakantiedagen van 2011 besloten het boek en het typocsript van de toespraak te schenken aan de Bibliotheca Studentica & Erotica. Dit besluit werd genomen tijdens het bezoek aan Lier, waar ik een ontmoeting had met een kunstenares die tot de groep Am I Yours behoort. Een verslag ervan vindt men in de bijdrage over de Madonna van Woodstock. Alles hoort ergens thuis, en in de verzameling Studentica heeft dit boek, dat onafscheidelijk door een wederzijdse handtekening en paraaf verbonden is met het typocsript, een plaats die het beter tot zijn recht laat komen. Op 12 september werd de schenking een feit.

woensdag 16 december 2009

Patrick Lateur

Deze bijdrage had ik evengoed "Dwerg koopt reus te Oudenaarde" kunnen noemen. Maar dat zou al te belachelijk klinken. Als ik zie welke geloofsbrieven Patrick Lateur kan voorleggen, zie ik slechts dat wat ik zo graag zelf zou geweest zijn. Een man die literatuur gestudeerd heeft, of een vak altans dat vergelijkbaar is: klassieke filologie. Vergeleken met mij is hij een reus, ik ben slechts een mini-dwerg. Want:

Patrick Lateur is een dichter, geboren in 1949 in Bevere-Leie, dus van mijn leeftijdscategorie. Hij gaf les te Gijzegem bij Aalst, en vond in die taak een voldoening waar veel huidige leraars een voorbeeld mogen aan nemen. Zijn engagement situeert zich in de christelijk geïnspireerde wereld, en hij zal dat doorheen zijn gans leven met zich meedragen. Vooral de figuur van Fransiscus van Assisi blijkt zijn inspiratiebron te zijn. Maar de echte bronnen van de christelijke kultuur, en alles wat in de onmiddellijke omgeving daarvan geleefd en betekenis gehad heeft, heeft duidelijk een uitweg gezocht in zijn werk. De betekenis van de katacomben heeft hij in ruime mate in zijn werk laten meespelen.

In een interview in Tertio op 16 december laat hij zich uitgebreid uit over de betekenis van het woord, en stelt dit niet alleen in het licht als een dichter, die uiteraard van het woord zijn medium gemaakt heeft.  Hij trekt meteen ook de parallel naar het geloof, waarin van bij de aanvang van het Johannesevangelie de uitspraak: "In het begin was er het woord..." richting geeft aan hen die willen volgen. Het is slechts door het Woord dat een boodschap, op welke wijze dan ook vermomd, tot de anderen kan komen. En de dichter hanteert het woord.

Maar dat alles kan men lezen op de website, waarnaar de titel van deze bijdrage verwijst. Vandaag is vooral belangrijk voor mij dat ik tijdens een snuffeltocht niets, maar dan ook niets meeneembaars vond. Tot ...

Ik heb gewoontegetrouw de ganse rij boeken één voor één uit het rek genomen, en teruggeplaatst.  De ouden bekenden heb ik met een half oog bekeken, maar zoals zesendertig maal reeds gedaan, heb ik ze weer teruggeplaatst, vanwege niet in mijn interessesfeer passend. Ontgoocheld keerde ik mij om, en zag tot mijn verbazing in een andere kast nog een rij boeken staan, die snel alle te licht bevonden werden.  Het allerlaatste echter ...

Een dun boekje bleek aan mijn aandacht ontsnapt te zijn. Het was dan ook dun, grijs en saai van opmaak. Maar wie de titel niet leest, het werk ook niet kent. En de titel luidde: "De speelman van Assisi". Auteur: Patrick Lateur. Die naam ben ik reeds in een andere winkel tegengekomen, en heeft nooit een belletje doen rinkelen. Vandaag echter wel. Nu weet ik dat ik het Zonnelied van Fransiscus bij een paar voorgaande gelegenheden reeds in mijn handen gehad heb, en de kans heb laten voorbij gaan dit belangrijke werkje voor een prikje mee te nemen. Ik besefte het gewoon niet. Tot vandaag. Patrick Lateur. Hoe is het mogelijk over die man heen te kijken.

Mijn klassieke bezwaren tegen zijn wijze van dichten vallen in het water bij zijn betekenis. Dat ik vandaag zijn Speelman mocht kopen, en dat ik daarin mocht vaststellen dat een opdracht "Voor zuster Machtelt" er een bijzondere waarde op toe legt, maakt me des te gelukkiger. Voor zuster Machtelt, van harte deze verzen om ooit in Assisi te lezen. Met dank, 28 xxx 1996, en zowaar: een handtekening. Deze tweede uitgave van de bundel, in opdracht van het Poëziecentrum te Gent gedrukt op de persen van Sanderus te Oudenaarde in januari 1995 is voor mij een pareltje te meer in mijn verzameling.

De kostprijs van deze aanschaf: ik durf het niet kenbaar te maken. Belachelijk. Het is eigenlijk een aanfluiting voor wie het dichten in het hart en de nieren getrokken is. Ergens weet ik het boekje, niet gesigneerd of gededicaceerd, te koop voor 13 euro en enige centen. Dat klinkt al normaler. Het stond als allerlaatste boekje in de rij, een beetje naar achter geschoven, zoals dichtbundels dat meermaals moeten ondergaan. Daardoor was het niet onmiddellijk zichtbaar, en kon slechts een speurder als ik het opmerken. Heerlijk.

zondag 13 december 2009

Guike

Het is al weer enige tijd dat ik er nog aan gedacht heb, maar een eerste bezoek aan het Hambosmuseum, reeds meer dan twee maanden geleden, bracht me via via terug naar dat oude idee. Alleen is het voor een werkend iemand vreselijk moeilijk voldoende tijd vrij te maken om een project te realiseren, dat in het verleden ook al een keer op niets uitgelopen is.

Het verhaal van Guike, een schoolmakkertje uit een ver verleden, spookt reeds bijna een halve eeuw door mijn hoofd. Tot nog toe heb ik er niet echt iets mee gedaan. Hoewel, de uitdrukking "er niet echt iets mee gedaan" is een beetje onrechtvaardig tegen mezelf. Ik heb er wel iets mee gedaan, maar er is niet echt iets van gekomen. Dat is beter.

En het verhaal, de echte betekenis van Harieke moet ik ook nog eens vorm geven. Maar daar zijn dan weer andere bezwaren tegen. Ook mijn Blumengarten-bibliotheek vraagt in deze wintermaanden weer mijn aandacht. Vroeg of laat ga ik een verbinding plaatsen naar deze lijst, zodat ik gemakkelijk van het ene naar het andere kan springen. Dan is er ook nog het project van de stamboom, dat uitgewerkt moet worden. En dat alles wordt doorkruist met de moeilijkheden van de softwareverandering op het werk, waarvan ik voorzie dat er avondwerk zal uit voortvloeien.

En in de lente ligt mijn tuin weer op de loer.  Deze moet in 2010 volkomen in orde gebracht worden. Daar komen nog een boel problemen van familiale aard bovenop, die elk hun tijd vragen. Eigenlijk heb ik dus te veel werk om nog te dromen.

Van het Hambosmuseum gesproken. Een week geleden ben ik er nog eens geweest.  Het was even feestelijk als de eerste keer. Ik heb er een pracht van een fotoverzameming mogen bekijken van alle stukken die Willy het fotograferen waard vond. Bij elke foto wist de man wat te vertellen, zodat ik eigenlijk een unieke ervaring meegemaakt heb: in het museum zelf een virtuele rondleiding krijgen, dat doe je niet overal! Maar mijn fototoestel heeft ook een aantal beelden opgeleverd, die ik echter nog niet op harde schijf gezet heb. Dat zal in de loop van de volgende week wel gebeuren, de drukte van de afgelopen week was te hoog om nog wat anders te doen.

Ik heb echter aan twee dingen een speciale aandacht besteed: een pracht van een bidstoel, die fotografisch eigenlijk zoveel mogelijkheden heeft. Deze ga ik in de mate van het mogelijke hier aan deze bijdrage toevoegen.  Maar bovenal is er de verzameling boeken van dr. Weyns, die ik een beetje van naderbij bekeken heb. Welk een schat aan informatie staat daar in! De boeken zijn de fotografische nadrukken van 1998 of 1999, maar dat doet niets af aan hun waarde.  Ze zien er patent uit, en nodigen uit tot bladeren.  Talloze gebruiksvoorwerpen die erin beschreven staan zouden, zo bekeken geen enkele functionaliteit hebben, als je er niet bij wijze van spreken een handleiding bij kunt hebben. En daar in het museum hebben we zo een paar dingen in handen genomen, die door de aanwezigen in het rond gedraaid werden, doch niet tot leven konden gebracht worden. Een paar vallen werden toegewezen aan respectievelijk vossen, kraaien en eksters, dan wel ratten of hazen en konijnen. Het was mooi om de inventieve denkwijze van de ontwerpers te mogen volgen.

Een museum leeft toch maar in de mate dat je de voorwerpen die er tentoongesteld worden, ziet tot leven komen. En dat kan daar nog.

Maar nu ga ik nog even doorwerken aan mijn Blumengartenbibliotheek.

vrijdag 4 december 2009

Wieblaft?

Een blog bijhouden die als doel heeft je eigen mening te verkondigen, ook als die mening soms een beetje veel krom is, of zelfs onrechtvaardig, of ondoordacht, heeft zo zijn voordelen.  Je kunt dan namelijk een eigen mening verkondigen, ook als ze een beetje veel krom is, of zelfs onrechtvaardig, of ondoordacht.

Een boekje dat uitgegeven is in 1977, wel dat vertoont nog een beetje de sporen van iemand die in de zestiger jaren jong en onervaren geweest is, maar die toen al een mening had, waar hij flowerpowerend voor uitkwam. De zeventiger jaren hebben helaas zijn haardos nog niet gemilimeterd, integendeel, weggesprongen vanonder het ouderlijk juk heeft hij de kapper op zwart zaad gezet, en de boel alleen maar behoorlijk naar beneden laten groeien; de foto is er typisch één van een smakeloze kop zoals van zovelen die dachten de meest smaakvolle berenmuts uit de Queens' privécollectie gecopieerd te hebben. Walgelijk zicht, maar ok, we vonden het wel mooi. En de meisjes godbetert ook. Ze verkiezen ondertussen dan weer de kaalkoppen, hoewel de krullebollen tegenwoordig opnieuw gekultiveerd worden als de eigenaars menen op een gitaar te moeten rammen om zogenaamde muziek te produceren. Het is blijkbaar een eeuwigdurende cirkel van smakeloosheid, waar ik gedurende enige jaren ook deel van geweest ben. En tegenwoordig ben ik op mijn eigenzinnige manier smakeloos, namelijk onafhankelijk van de smakeloosheid van anderen.

Een zekere heer Geert Verbeke heeft ooit een dichtbundeltje gepleegd, en het in eigen beheer uitgegeven.  Dat deed hij op 300 exemplaren, en Pieter Geert Buckinx doet er maar beter aan niet in zijn graf om te draaien. Het bundeltje munt uit door zijn grafische vormgeving.  Het is een prachtwerk, in tegenstelling tot het oorlogsdrukwerkje van PGB, dat de soberheid zelf is. Hij wint echter op de punten, in oorlogstijd werd er nog echte poëzie geschreven, de vredesliteratuur van Verbeke is een bleke schaduw van wat vijftienjarige meisjes in het begin van de jaren zeventig aan hun liefjes voorlegden als ze wilden doen geloven dat ze naast ballet en muziekschool ook nog dichten als hobby beoefenden. Een voorbeeld, waar mijn beroemde zeventienjarige vriendin van een aantal maanden geleden een regelrechte aanval van jaloersheid zou van gekregen hebben.

Heeft iemand
weet van
geschonden
granaatappels
als op de akker
van verzwijgen
hagelstenen
getuigen
van
eenzaamheid?

Zoals gezegd, een droef meisjeshart uit soms haar nostalgische, richtingzoekende, onbestemde en te moeilijk verwoordbare eenzaamheid zoals deze harige adonis het ook kan. Op een purperen bladzijde neemt deze onbestemde zin, gehakt in verzen die geen verzen zijn, de volledige rechterbovenhoek in.

Met de hulp van Jack London krijgen we alvast een begrijpbare zin te lezen:

Een hond een been toewerpen is
geen liefde. Liefde is, het been delen
met de hond, als men evenveel
honger heeft als het dier.

Jack London heeft meermaals de lof van de wolf gezongen, een ook de hond kreeg zijn deel. Maar de welbedoelde zin van deze auteur was geen gedicht. Het was een aforisme om zijn liefde voor de hond tot uitdrukking te brengen.  Het was bovendien een uitspraak die zo geformuleerd was, dat hij ervan uitging dat de gemiddelde lezer niet wist dat een hond een dier is. Ongewild, door pure auctoriële onoplettendheid, wil hij zijn uitspraak zo vloeiend mogelijk maken. De laatste drie woorden zijn volkomen overbodig. De geïsoleerde uitspraak lijdt een eigen leven, en moet dus correct geciteerd worden. Ook als men daartoe de woorden van de auteur op geleide manier moet amputeren. Citeren is niet slaafs herhalen, maar de woorden correct plaatsen.

Een hond een been toewerpen is geen liefde.
Liefde is het been delen met de hond,
als men evenveel honger heeft.

Wie slaat moet ook zalven. Het volgende gedicht is van een eenzame schoonheid temidden van de jongemeisjespoëzie.

Wanhoop bruist
in mijn geheimste diepzee
de tol van lief te zijn
is aangepoeld.


Nu moet ik leren vergeten
dat ik ooit eens de zon
ontdekte, haar warmte
zal ik echter nooit verraden.

Wie zalft mag ook slaan. De enige kritiek die ik kan formuleren is de altijd dwaze verhakseling van een logische zin in onlogische verzen, zoals vooral in de tweede strofe het geval is. Hoe leesbaar zou dit gedicht geweest zijn als hij dit gezegd had in een gewone, alledaagse zin, waarin een premisse en een conclusie het leven tot in zijn mooiste verdriet hadden kunnen uitdrukken.

Wanhoop bruist in mijn geheimste diepzee:
de tol der liefde is aangespoeld.


Ik leer vergeten dat ik de zon ontdekte,
maar zal haar warmte nooit verraden.

Kompakter. Ik denk ook: afstandelijker geformuleerd. Maar het is door deze transformatie wel mijn gedicht geworden. En dat mag de bedoeling niet zijn. Poëzie lezen is een daad van oneerlijke oprechtheid: je vindt iets mooi, maar net zoals je de vrouw, van wie je houdt niet mag trachten te veranderen, zo mag je een gedicht ook niet aanraken. Wat beter is in je eigen ogen, is toch niet meer hetzelfde.

Het bundeltje heet Dobermann, een hond die ik als tweede, na de Duitse scheper, beschouw als De Hond, en ik heb er meer dan gemengde gevoelens over. Ik zal het eerlijkheidshalve zo zeggen: het is te jaren zeventig, ik begrijp het niet (meer). Wablieft?

donderdag 3 december 2009

bekijken, lezen, bestuderen

Je kunt alle kanten uit. Wat moet je met een boek? Je bekijkt het, omdat het mooi is, ook omdat de informatie met de ogen opgenomen kan worden, zoals een boek over een of andere kunstvorm. Of je leest het, omdat het verhaal je aanspreekt. Omdat je de schrijver wil leren kennen, of omdat je het al gelezen hebt, en het aan een herhaling toe is. En heel af en toe krijg je boeken in handen die niet alleen bekeken worden, maar ook gelezen, én bestudeerd.

Ik heb hier een paar stapels liggen, die aan één of meerdere van die criteria voldoen, en dus ofwel bekeken, ofwel gelezen, ofwel bestudeerd moeten worden. Of er is een combinatie van twee, en zelfs van de drie activiteiten mogelijk. Misschien nog meer.  Zoals verbranden, weggeven, vergeten, er allerhande onliteraire dingen méé doen, zoals de boeken als knutselmateriaal gebruiken. Of als studiemateriaal dienst doen om door zelfstudie te leren boeken restaureren. Dat wordt dan de verzamelcategorie 4. Even kijken.

In de reeks Ontmoetingen: Willem Elsschot, door Bernard-Frans Van Vlierden. In zijn derde druk uitgegeven in 1962 bij Desclée-De Brouwer, is dit één van de topwerken uit die reeks. Zeer beschrijvend, zeer informatief, helaas niet bekijkenswaardig.  De reeks munt uit in sobere vormgeving, dus hier hebben we duidelijk een 2-3 combinatie. Na de lezing van het verzameld werk zal dit niet lang moeten wachten, zodat ik nog vers in het geheugen heb wat Elsschot schreef. En een diagonale lezing leerde me alvast dat ik op een totaal andere wijze tegen deze schrijver zal kunnen aankijken.

Met Een Wijnavond bij Dr. Aldegraaf van René Declercq heb ik een gaaf, zeer mooi bewaard, zelfs nog niet open gesneden boekje in handen, waarbij het opvallend is dat de eigenaar er wel een stempel met zijn naam en woonplaats in gezet heeft, en er annotaties in aangebracht heeft met een bestudeerde bibliotheeknummering. Maar niet gelezen, dus. Want zelfs om de stempel er in te zetten, was er kunst en vliegwerk nodig om de de geperforeerde snede niet te beschadigen. Merkwaardig toch, maar fijn voor mij. Als de persoon van René Declercq dan merkwaardig, interessant en intrigerend mag genoemd worden, dan is dit boek weer een aanzet om allerlei verbanden te zoeken. Een heel klein beetje 1, veel 2 en vooral 3.

Bekentenis. Van Clem Schouwenaars heb ik nog nooit wat gelezen, of misschien wel, maar hij is er niet in geslaagd iets in mijn geheugen vast te zetten. Als ik dan dit dunne boekje bekijk, uit 1989, gedrukt als geschenk ter gelegenheid van de Vlaamse Boekenweek door de Vereniging ter bevordering van hetVlaamse Boekenwezen, moet dit toch de aanzet worden van misschien wel meer. Het heet Een Dageraad, is de soberheid zelfve, en wordt als categorie 2 gestapeld. Duimen, Clem!

Hier een typische categorie 4: Maak lappen-poppen, door G. Lockwood. Het boekje is zeer duidelijk wat de titel zegt: een instructieboekje om te leren lappenpoppen maken. Uitstekend geschikt om mijn kinderminnende dochters en hun dito tantes en vriendinnen aan de praat en aan het werk te houden. Met die reden dan ook gekocht, omdat de prijs in een lagere categorie van centen uitgedrukt werd.  Gierige opa doet dochter plezier met een centenboekje...

Wielebart is een boekje in de reeks geschenkboeken van de drukkerij Sanderus te Oudenaarde, die deze uitgaven speciaal uitgaf om het clienteel een bedankje toe te sturen. Felix Dalle schreef het boek "De trage jaargetijden", en Sanderus kreeg meteen in 1974 het recht een extract voor het bedoelde publiek voor eigen doelstellingen te gebruiken. Het is misschien een goede gelegenheid iets meer te weten te komen over Felix Dalle. Voor mij voorlopig nog een grote onbekende. Categorie 2.

Dan maar 4 boeken tegelijkertijd.  In de reeks grote ontmoetingen heb ik in één lot de nummers 21, 27, 28 en 45 te pakken gekregen.  Het betreft besprekingen van respectievelijk de romantiek, realisme en naturalisme, impressionisme en symbolisme, en tenslotte expressionisme en fauvisme in de kunst. En alle relevante kunstvormen komen aan bod. Interessant genoeg om dus zowel de categorieën 1, 2 en 3 aan toe te kennen. Iemand heeft het me alvast voorgedaan, en in het eerste boek werkelijk op alle bladzijden met potlood aanduidingen gemaakt. Uitgeverij Orion heeft hier mooi werk afgeleverd, weliswaar in samenwerking met B. Gottmer.

Het vervolg zal wel komen, maar het is duidelijk dat de verzameling zeer divers is.

woensdag 2 december 2009

Archiefbeelden Oudenaarde en deelgemeenten

In mijn bijdrage van donderdag 19 november heb ik het al gehad over het boekje "Historische huisgevels te Oudenaarde". In dezelfde periode heb ik ook het fotoboek "Oudenaarde en deelgemeenten" van John Velghe en Hugo Rau aangeschaft. Het is een recent werkje: het werd in 2006 uitgegeven door de beheerders van de lokale Radio Brouwer naar aanleiding van het 25 jarig bestaan van die vzw.

Het sluit bijna naadloos aan op de historische huisgevels. Maar het is wel breder opgevat. Minder wetenschappelijk, meer nostalgisch. Dat mag. En het wordt er niet minder interessant door.  Integendeel, de petite histoire van de stad en van zijn deelgemeenten komt mooi naar boven aan de hand van oude foto's en prentkaarten.

En wie alleen de stad van vandaag kent, moet vlug vaststellen dat er beelden op staan die al lang verdwenen zijn. Dat maakt het mooi.  Wat is er op de plaats die je kent, ooit geweest? Verrassende antwoorden, bijna op elke bladzijde. Vooral de foto's van het Oude kasteel van Bourgondië, waar zich een tragische geschiedenis afgespeeld heeft met de zes priesters die vanuit het kasteel door het venster in het water van de Schelde gekieperd werden. Het rechttrekken van de Schelde heeft ervoor gezorgd dat die historische plaats helemaal niet meer bestaat. Op andere foto's zijn nog glimpen op te vangen van oude scheldearmen, die nu nog slechts bestaan in straatnamen (Grachtschelde, Burgschelde...). Oude gebouwen die verdwenen zijn, de Walburgakerk die onder de beschietingen tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigd werd, maar ook ludieker onderwerpen, zoals sport en muziek leveren mooie beelden op.

Speciaal is ook de vermelding op het Tacambaroplein van het huis nummer 2, waar Robert Herberigs, schrijver, schilder en componist gewoond heeft tot aan zijn dood in 1974.

Mijn verzameling Oudenaardensia heeft de laatste tijd een mooie aangroei gekregen.