Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




maandag 21 juni 2010

Stamboom en kwartierstaat

Zowat vijf jaren geleden kreeg ik een mail van mijn broer, en nadat ik er een oppervlakkige blik op geworpen had, heb ik die mail aan de kant gelegd, weliswaar afgedrukt met het idee er later iets mee te doen. Dat is er nooit van gekomen. Tot een paar weken terug.

Ik kreeg enige tijdschriften van "Vlaamse Stam" in handen, en hoewel ik geen fan ben van genealogisch onderzoek, zit er toch een mogelijke bron tot informatie in, die niet onbenut gelaten mag worden. Zo ben ik de genealogie van Filip De Pillecyn en van André Demets op het spoor gekomen, en werden nog een aantal andere interessante persoonlijkheden met hun voorouders op hetzelfde papier geplaatst. Toch wel interessant, dacht ik.

Mijn gebrek aan interesse in de eigen familiestamboom bestond voornamelijk omdat reeds op de eerste bladzijde van de in totaal 23 er een paar pertinente fouten voorkwamen, zodat mijn mening een ietsje te snel gevormd werd: waardeloos.

Door de lectuur en het opzoekingswerk in deze tijdschriften kwam plots het idee dan toch maar eens een kwartierstaat uit te tekenen. Ze was opgemaakt voor mijn broer, en dus volkomen geschikt voor mezelf.

Ik ga u een oeverloze opsomming van voorouders besparen, nergens bespeur ik mensen die in het dagelijkse leven meer geweest zijn dan klompenmakers, arbeiders, spoorwegbedienden, herbergiersters en landarbeiders. Helaas, ik ben geen telg van generaals, noch van Bisschoppen of andere prinsen.

Of misschien toch, want je weet maar nooit. In de vijfde generatie komt namelijk een blinde vlek voor, een N.N. heeft er in een relatie met Anna Maria Billen, waarvan geen geboorte- noch overlijdensdatum vermeld wordt, en evenmin de plaats van geboorte of overlijden. Raar. Dat dit uiteraard niet het geval is met N.N., ligt voor de hand, en dus ook dat zijn ouders en verder voorgeslacht een blinde vlek in de kwartierstaat slaan, is normaal. Of toch niet. Want men moet zich natuurlijk afvragen waarom Anna Maria een persoon zonder gegevens is, daar zij toch de geboorte van haar kind aangegeven heeft, of heeft laten aangeven. Deze dochter draagt ook haar naam, zodat het zeker is dat de vader onbekend was. Maar was die vader wel onbekend? Want, waarom zijn de voorouders van Anna Maria niet gekend? Is zij ergens in een beschermde omgeving gaan bevallen, in een klooster dat in dat soort dingen gespecialiseerd was? Dan zou het begrijpelijk zijn dat bij die overtreding van het zesde en negende gebod door een begrijpende priester en een verstandige gemeenteklerk vergeten werd enige gegevens vast te leggen. Een georkestreerde domheid zou je kunnen zeggen.

Maar er is een tweede uitleg, die niet zo prettig is, en die in familiale kring nog wel eens met enige waas omhuld werd. De blinde vlek boven Anna Maria zou wel eens het gevolg kunnen zijn van het feit dat de vader wel degelijk bekend was. De veronderstellingen zijn dan ook niet van de poes: in de eerste plaats wordt de vader van Anna Maria zelf als mogelijke vader van zijn kleinkind aangegeven. Het zou ook een broer, of zelfs een "Heer" kunnen zijn, door wie het dienstmeisje met een "pakje" naar huis gestuurd werd. Maar als dit laatste geval waar zou zijn, zou het niet nodig geweest zijn de eigen afstamming te negeren. Het volstond de vader met N.N. te omschrijven.

Ik opteer dus wel degelijk voor de incestueuze relatie. In dat geval alleen kon men ertoe besluiten alle gegevens te wissen. Anna Maria ging in een dorp of stad ver uit de buurt bevallen, werd daar dus niet in de bevolkingsregisters ingeschreven (men schreef als geboortedatum 23 juni 1831 op, en de Napoleontische beschikkingen waren reeds volop van toepassing, dat wil zeggen dat de kerkregisters alleen nog door de priesters bijgehouden werden om de religieuze achtergrond van de afstamming en dopen te noteren, maar ook om eventuele "verboden verhoudingen" op te sporen, en "ongelukken" te voorkomen.) Noch in kerkregisters, noch in gemeentelijke boeken wordt over de afstamming van Anna Maria ook maar iets vermeld. Het kind werd geboren, en Anna Maria werd naar huis gestuurd, na een periode van wederopvoeden door niet zo vriendelijke nonnen, weliswaar. Maar ze moet wel haar kind meegekregen hebben. Hetgeen in de toenmalige omstandigheden geen evidentie geweest moet zijn. Heeft zij met de moed der wanhoop haar kind "gestolen", en is zij "over de muur" gevlucht? Of heeft een invloedrijke persoon zijn gezag laten gelden en het op één of andere manier voor mekaar gekregen dat zij tegen elk gebruik in haar kind kon of mocht meegrabbelen? Onbeantwoordbare vragen. We weten alleen dat er een zoon geboren werd, met een moeder zonder ouders, en zonder vader.

Datzelfde kind is één van mijn beide overgrootvaders aan moeders kant, overleden op 3 januari 1900.

Het verhaal wordt nog smeuïger. Ook aan de kant van mijn ander overgrootouderpaar aan mijn moeders kant doet zich een mooi verhaal voor. Louis Theodorus wordt "omstreeks"wordt 1770 geboren, en trouwt omstreeks 1793 met Elisabeth. Ze krijgen acht of negen kinderen, waaronder een zoon Leonardus. Maar Elisabeth sterft in 1833. En dan hertrouwt Louis Theodorus met Anna Elisabeth. Deze vrouw heeft een viertal kinderen, die haar naam dragen, ze zijn dus geboren zonder vader. En hier wil het verhaal dat deze kinderen tussen de andere door verwekt zijn door dezelfde vader, Louis Theodorus. Of met andere woorden, onze Louis was verliefd op Anna Elisabeth. De data bevestigen echter dat zijn huwelijk met Elisabeth  er eentje was van moeten. Zijn oudste kind met haar werd zes maanden na het huwelijk geboren. Louis deed wat hij moest doen, hij trouwde dus met de moeder van zijn ongeboren kind, maar bleef zijn geliefde trouw: zij beviel van vier onechte kinderen. Een jaar na het overlijden van zijn wettige vrouw hertrouwt hij met Anna Elisabeth, zijn oude geliefde. Eén van de kinderen van Anna Elisabeth heet Anna Maria. En die Anna Maria trouwt op 11 oktober 1839 met niemand minder dan het kind uit het eerste huwelijk van Louis Theodurus, namelijk Leonardus! Halfbroer en halfzus trouwen dus, en zes maanden later (ook al weer van moeten dus) wordt hun eerste van 10 kinderen geboren. Het vijfde ervan wordt mijn overgrootmoeder Maria Theresia.

Het verhaal van Louis Theodorus is er dus eentje van omgekeerde ontrouw, en als dat verhaal klopt is het een roman waard.

Als de familielegendes kloppen, en de data passen mooi in mekaar, dan heb ik een mooie familie! Lezen kan ook schadelijk zijn voor de gezondheid. Maar ik laat er mijn slaap niet voor.

De kwartierstaat gaat terug tot in het eerste kwart van de 17de eeuw. Ik heb reeds zes generaties op papier gezet, verder moet ik de vertakking opsplitsen, want het is niet mogelijk nog kleiner te schrijven. Maar ik moet er nog vijf generaties boven bijbreien. Gelukkig voor mij zijn er meer en meer gaten in de informatie, omdat de zoektocht zich op een bepaalde tak van de familie toegespitst heeft. Ik zie er bovendien geen heil in zelf de archieven in te duiken op zoek naar nog enige vermiste personen. Als ik bovendien vaststel welke de moeilijkheden zijn waarmee beslagen onderzoekers te kampen hebben, laat ik de zaken liever blauw-blauw. Met twee mooie verhalen in mijn takkengestel voel ik me al gelukkig genoeg.

Zoals gezegd: lezen kan uw gezondheid schaden. Mijn pijnlijke rug krijgt plotseling een erg plausibele uitleg!

donderdag 10 juni 2010

Toeval bestaat niet

Kolonialisme en België, vernoem deze twee termen en de derde vloeit er zo uit: Kongo/Congo. Maar wij hebben een ouder verhaal in onze geschiedenis staan, over een mislukte poging, die dus de geschiedenisboeken niet gehaald heeft. Op minder dan zes dagen tijd ben ik verwijzingen naar dat avontuur tegen het lijf gelopen in twee verschillende publicaties, die ik in het tweedehandscircuit aangekocht heb, en op één website, die ik zonder de minste voorbedachtheid bezocht heb.

De eerste van die drie zijn een aantal nummers van een tijdschrift voor familiegeschiedenis, van de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde, kortweg de VVF. Terwijl ik eigenlijk geen grote fan ben van het genealogisch opzoekingswerk, moet ik toegeven dat het steeds weer boeiend is kant en klare verslagen te mogen lezen over de kleine en grote problemen die mensen ontmoeten wanneer ze de stoffige archieven van weer een oude parochiezolder, dan wel van een staatsarchief of als het een echte geluksdag is, van een privé-verzameling hebben mogen doorsnuffelen, om haast onleesbaar geworden handschriften te onderzoeken in de hoop weer een takje van één of andere stamboom van een nieuw blaadje te mogen voorzien, of een nieuw takje te laten aangroeien.

In het juli-augustus dubbelnummer van 1997 vond ik een artikel terug met een ietwat geheimzinnige titel: "Wie gaat er mee naar Verapa?" Hierin vond ik naast een boeiende zoektocht ook de voor mij allereerste bron van een dus totaal ongekend stukje vaderlandse geschiedenis.

Toen ik dat artikel goed en wel gelezen had, zat ik een ogenblik met verstomming geslagen, want de auteur geeft aan het einde van zijn verslag een prachtige lijst van documentatie weer, waaruit blijkt dat in de kelders van één of ander gebouw van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Brussel een schat aan informatie verstopt lag/ligt, die toch een belletje deed rinkelen.

Dat belletje kwam door het vluchtig inkijken van een prachtig bewaard boek, vandaag gekocht voor weer eens een piepkleine bijdrage ten opzichte van de uiterlijke zowel als de inhoudelijke waarde ervan. Het betreft het magistrale werk van Karel Van Isacker s.j. : "Mijn land in de kering". Dat boek, waarvan ik helaas alleen het eerste deel heb kunnen bemachtigen, handelt over zowat alle aspecten van het leven in ons land in de periode van 1830 tot 1914. Het tweede deel doet hetzelfde met de periode van 1914 tot 1980. Dat er in die beide boeken een paar overlappingen optreden, is niet meer dan logisch, omdat de geschiedenis en de invloed daarvan op de dagelijkse bekommernissen van de bevolking weliswaar chronologisch rechtlijnig gebeurt, maar dat bepaalde dingen nu eenmaal gebeuren zonder invloed van de kalender, en nog doorzinderen vele jaren nadat het zwaartepunt van die gebeurtenissen voorbij is.

In dat werk wordt onder meer de emigratiegolf in de jaren 1840 tot 1850 behandeld, en het blijkt dat de mensen in die periode van economische wantoestanden wel eens naar andere oorden wilden trekken. Ze werden daarbij niet echt op handen gedragen, maar eerder als luiaards en vluchtelingen aanzien. Ik herlas hetgeen ik net daarvoor gewoon bekeken had, met grotere aandacht voor de tientallen, zoniet honderden kunstwerken en bij het vorderen van het boek ook van de eerste foto's van gebeurtenissen, landschappen en personen (waaronder ook een mooie foto van Guido Gezelle in zijn Kortrijkse periode).

Ik vond wel een algemene uitleg, maar geen woord echter over hetgeen ik in De Vlaamse Stam van het VVF in vraag gesteld zag. Laat me nu net vandaag, in tijden van grote computermoeilijkheden vallen op de inventaris van de verkoop van boeken en manuscripten op de veilingwebsite van het Brusselse veilingshuis The Romantic Agony, die ik sedert iets minder dan een jaar bezoek om het aanbod van het betere boek beter te leren inschatten.

En wat ziet mijn lodderig oog? Onder de categorie Belgicana staat als lot nummer 600 ingeschreven een kleine verzameling boeken en documenten met de kwalificatie: "Very rare collection of books concerning the Belgian colonization in Guatemala." Guatemala, inderdaad. De titel van het artikel in De Vlaamse Stam is niet zo onverstaanbaar als op het eerste zicht lijkt, je moet gewoon even lezen. Dan begrijp je vlug dat de vraag: "Wie gaat er mee naar verapa?" moet geïnterpreteerd worden als : "Wie gaat er mee naar Vera-Paz?".

De Vlaamse volksmens uit die tijd had niet voldoende affiniteit met de Spaanse taal om zulk een rare naam te assimileren, en dus maakte hij er maar een gemakkelijker naam van. Het land zat in een diepe economische crisis. Men had goedkoop vlas ingevoerd uit het buitenland, en in West-Vlaanderen was vlas telen zowat het synoniem van de boerenstiel bedrijven. Een paar misoogsten waren alles wat er nodig was om het land in een zwarte armoede te storten, en weldra werd het platteland overspoeld met mensen die nog slechts met uitgestoken hand aan de kost konden komen. Niet verbazend dus dat ook diefstal en erger schering en inslag werd.

Velen die de moed nog hadden om toch te willen werken voor de kost, trokken weldra over de grens, tot diep in Frankrijk, om daar seizoensarbeid te verrichten. Ze kenden de textielindustrie en het boerenbedrijf. Het verschijnsel splitste zich dan ook vlug uit in twee attitudes: zij die periodisch de grens overstaken, de zogenaamde "Fransmans", om ginder te werken, en die dan hier terugkwamen met (het overschot van) het verdiende geld, om het gezin te onderhouden, of zij die definitief wegtrokken. Dat laatste gebeurde in grote getale: met tienduizenden per jaar werd de Noord-Franse bevolking aangevuld. Het was niet moeilijk: ze wilden werken, en kenden bovendien de taal van de plaatselijke bevolking. Er werd in wat wij hier noemen Frans-Vlaanderen nog levendig (Oud)-Vlaams gesproken, en met hun West-Vlaamse dialecten was er evenveel probleem als voor een Vlaming die in Friesland aan de slag moet. Dat zelfde Oud-Vlaams is nu op sterven na dood, maar kreeg in die periode een laatste opflakkering, vooraleer door de oprukkende verfransing totaal verdrukt te worden.

Anderen gingen op zoek naar een nieuw leven in de nieuwe wereld. De Verenigde Staten waren een populair doelwit, maar ook Centraal-Amerika kwam in zicht, en Guatemala met de mooie landstreek Vera-Paz bood én klimaat én bodem die de Vlaamse landbouwers wel op prijs konden stellen. De taal ... ja dat was één van de grote struikelblokken, één van de vele redenen waarom het experiment uiteindelijk mislukt is. Maar toch vindt men ginder nog graven met Vlaamse namen, en ooit heeft men iemand ontmoet die nog een boek kon voorleggen, dat hij weliswaar niet meer kon lezen, maar dat aan zijn betovergrootouders had toebehoord. In het "Vlaams" geschreven!

Er kan met enige zekerheid, of aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verondersteld worden dat de emigratie naar die verre oorden een duwtje in de rug gekregen heeft van Leopold I, die deze uitweg als een goedkoop alternatief zag voor veel duurdere oplossingen voor de grote economische problemen waarmee hij te kampen had, naast de zware politieke problemen dat het jonge België moest verwerken. Frankrijk liet niets onverlet om zeggenschap te behouden in dit kunstmatige land, en ook het huis van Oranje was niet echt gelukkig met de scheiding. En met Duitsland als aartvijand van Frankrijk, kon dit land niet anders dan niet weten waar eerst de moeilijkheden opgelost. Maar ook de "spontane" emigratie naar Guatemala was een goede test voor hoe het moest ... of niet moest.

In het boek dat ik op dit ogenblik aan het lezen ben, namelijk "Mijnheer Gezelle", van de Nederlandse auteur Michel van der Plas, komt de neerslag van die benepen economische toestand goed tot uiting. De jonge Guido Gezelle moet, net in die periode, omdat zijn vader hem wel wil laten studeren maar het niet kan betalen, een bijbaantje als schoolportier uitvoeren.  Iets waar hij niet echt gelukkig mee geweest is, en van der Plas vertelt dat veel vollediger en met meer onderbouw dan de voorgangers die een biografie of verzameling van gegevens daartoe gepleegd hebben, zoals het bloedeigen neefje van Guido, Caesar Gezelle, of Aloïs Walgrave s.j.

Een ander familielid van Gezelle, Stijn Streuvels heeft die atmosfeer van seizoensarbeid, en dus ook wel een beetje van grensarbeid prachtig opgeroepen, en beschreven in het verhaal De Oogst, dat een dramatiek in zich meedraagt, die eigenlijk behoorde tot het dagelijkse leven van die mensen die uit pure noodzaak hun familie moesten achterlaten om de kost voor hen te verdienen. En het ging toen inderdaad over niet veel meer dan letterlijk: de kost verdienen.

Leopold II zou later met harde hand in Afrika een wingewest uitbouwen, dat enige tijd de indruk gaf voldoende op te brengen, en dat op die wijze tegelijkertijd ook bevolkingsoverschotten aan brood hielp. Maar ook dat is uiteindelijk een fiasco geworden. Centraal-Amerika, als die legende waar is, is een experiment geweest. En Frans van Isacker wist er maar zeer weinig over te vertellen. Het staat niet met zoveel woorden in onze geschiedenisboeken, want het is geen roemrijke geschiedenis.

Maar de archieven bestaan. Als ik het onopvallende feit dat een handvol boeken terzake verkocht worden opgemerkt heb, door weliswaar een samenloop van omstandigheden, dan durf ik dat een zeer mooie vondst noemen. Men zegge het voort.