Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




vrijdag 25 februari 2011

Gal

Na de lektuur van een paar dichtbundels van dingensen die hun dingens ook nog gepubliceerd krijgen, al moeten ze het zelf betalen, en driekwart van de oplage zelf opkopen, om uit de opbrengst de kosten te betalen, zet ik de gallerige smaak in mijn mond om in een poëtisch geschrift, dat enkel de bedoeling heeft om weer naar betere smaken te kunnen terugkeren.

Op 24 april 2009 spuwde ik mijn verteringsstoffen over een publicatie van Peter Zonderland, en dwaas genoeg heb ik niet ingezien dat die passage pure poëzie was. Als je maar een sterke maag hebt. De blog noemt naam en toenaam, het gedicht wil echter niet doden. Ik heb er toch een titel voor nodig. Kan het nog simpeler:

Wie poëzie wil lezen

Wie poëzie wil lezen, heeft best een ijzeren gestel,
een driekwart geamputeerde maag,
en een taaie levenskracht.

Hij moet de schrijfsels overleven,
van hem die een boodschap brengen wil,
maar dat zo kryptisch doet,
dat hij het poëzie moest noemen
om het ook verkocht te krijgen.

Per Zola schrijft zulke dingen,
waarvan de lezer nooit zal weten
wat begin of einde is.
Wel zo is "Betijdingslicht".

Maar zo is dus zijn bedoeling:
je moet er middenin beginnen,
en woorden vretend zelf je weg
naar een niet voorbereid einde banen.

Je sterft je oefening in wanhoop,
of je sterft in stille rust,
weet niet waarom, weet niet hoe,
dan is wanneer niet van belang.

Per Zola is God, jij zijn tot zucht verwoorde mens,
en als je dood bent, wacht de hemel, de hel of gewoon het niets,
al naargelang je zelf geloven wilt of kunt.

Of, als u dat beter uitkomt,
gooi mij maar in de vuilnisbak,
er is geen leven na de lezing,
maar onvervalste poëzie.


En geloof me vrij, hier rust dus ook copyright op!

Toch een korte toelichting. Ik heb dat bundel "Belichtingstijd" gelezen, en de tijd duurde me te lang: ik kon alleen maar toegeven dat ik er geen snars van begreep. Dan heeft een blogger twee mogelijkheden: hij vertelt naar waarheid dat hij er niets van begrepen heeft, en dat doe ik dan ook, als je maar goed genoeg leest zul de dat wel terugvinden. Of de blogger grijpt naar een geliefd wapen: het cynisme. Ik deed dus beide, om als volgt te besluiten:

Gooi mij maar in de vuilbak, er is geen leven na de lektuur hiervan. Het is Poëzie.

Eerst wou ik de tekst in zijn oorspronkelijke onvolmaaktheid hernemen, maar ik was van oordeel dat één en ander moet begrepen worden. En dat is namelijk dat de blogtekst een (cynisch uitgedrukte) mening is, waaruit onbegrip en bewondering spreken, maar dat een gedicht een finalere boodschap aan de mensheid is, ontstaan vanuit de dichter zelf, en dus veel absoluter. Daarom heb ik besloten de naam van de vergalde dichter slechts door middel van een zelfgevonden pseudoniem te vernoemen, in plaats van zijn eigen dichtersnaam te citeren. Ook de naam van de bundel heb ik vervormd. Iedereen kan nagaan over wie het gaat, het gedicht is absoluut, de mening blijft een wanhopige zoektocht. En dus heb ik ook de tekst hier en daar aangepast. Een gedicht mag geen verkapte, door een slager tot poëzie verhakselde proza zijn. En uiteindelijk: wie beweert dat ik een dichter ben?

woensdag 23 februari 2011

Richard Steegmans

Geen dichtbundel in de sneeuw, maar toch even over iemand die wel eens een gedicht pleegt, dat wel eens gepubliceerd wordt, soms ook in een tijdschrift terecht komt, en nog somser in een bloemlezing terug te vinden is.

Zijn blog, " Richard Steegmans " op deze zelfde blogspot, blinkt niet uit in drukke schrijverlarij, maar geeft wel een gemakkelijke inkijk in zijn werk.

Richard heb ik als schooljongen gekend, en hij was één van die zeldzame, warme en nadenkende jongens, die een belofte inhield, die toen nog niet zo zichtbaar maar wel erg voelbaar was: je ondervond toen reeds dat hij bezig was met observeren. Hij is van hetzelfde bouwjaar als ik, en we hebben, als mijn geheugen me niet in de steek laat, in het zesde leerjaar in dezelfde klas gezeten, bij Meester Lambrichts, een collega van Meester Hoewaer, die ik hier als dichter ook reeds heb laten voorbijwandelen.

Veel later heb ik hem nog eens ontmoet, en als volbloed communist was hij ohne rücksicht, en ook een beetje rücksichtlos bezig met een "nieuwe" vertaling uit het Russisch van - wat was het ook al weer - "Het Communistisch Manifest" (?). Dat was in het Roodhuis, een dito gekleurd café, waar ik graag kwam omwille van de losse manier van zaakvoeren. De mensen die je er ontmoette, waren voornamelijk linksgerichte jongeren, en wie in zijn jeugd nooit communist geweest is (toen moest dat wettelijk verplicht nog Maoïstisch gericht zijn, en als vak uitgeoefend worden in een democratisch huis, zoals er in iedere provinciestad wel eentje e vinden was) zal ook nooit een goed kapitalist kunnen worden. Datzelfde huis in de Dokter Willemsstraat is, ook al weer als mijn geheugen nog goed is, enige tijd door een zekere Steve uitgebaat, voordat het zo roodgekleurd werd.  

Hij zal het me dus wel niet kwalijk nemen dat ik het copyright een beetje overtreed door het publiceren van één van zijn verzen.

Afdoend aan zichzelf gerichte brief
Van een uitgever in de gedaante
van gekwetste lezer:


'Haar verhalen mogen niet bedarend erotisch zijn,
ons fonds niet ontsieren, geen dames van het zusterblad afhouden.

Van opwinding niet levend verblinden, geen woord
dat van de schutting afbladdert als beelden te kijk zetten.

Mooi als een tijdbom geen zanger uitmoorden,
minder het sap versnoepen dat haar wiek verdraagt.’

Dit gedicht werd enkele jaren geleden gepubliceerd in het tijdschrift Tortuca, en op 26 december 2008 op zijn eigen blog hernomen.

Ook hier is nog steeds een ondertoon van protest aanwezig. Hij zal, en wij zullen, het nooit afleren. Dag, Richard.


dinsdag 15 februari 2011

Volkshuisraad in Vlaanderen

Om met de deur in huis te vallen: ik heb hem. Naast mij ligt een 20 centimeter dikke stapel van vier boeken, die ik voor het eerst in mijn handen gehad heb in het Hambosmuseum in Wortegem. Ik kende ze wel, maar had ze nog nooit in handen gehad. Ginder lag de heruitgave uit 1999 of 2000, op zichzelf ook reeds een verzamelobject geworden, en mooi langs binnen en buiten. Toen heb ik erin gebladerd, en kreeg ik de zoveelste kriebel om dat werk ook te bezitten.

De redenen om een dergelijk werk aan te schaffen zijn velerlei, maar iemand kan niet naast de inhoud kijken: een prachtige, wetenschappelijk goed onderbouwde en tegelijkertijd onderhoudende beschrijving van de meest uiteenlopende gebruiksvoorwerpen uit de Vlaamse huiskamers. Ik heb er al lang en breed in zitten bladeren, heb sommige onderwerpen een ietsje langer in ogenschouw genomen, omdat ik het geheimzinnige van het betreffende voorwerp wilde doorgronden, of omdat net een gekend voorwerp tot mijn verbazing zulk een stroom van kennis en wetenswaardigheden met zich meedroeg, terwijl we dat zelfs in mijn naoorlogse jeugd reeds als "oude rommel" beschouwden, die per lichtsnelheid aan modernisering moest onderworpen worden.

Het zijn prachtboeken, en tot mijn grote trots zijn het niet de herdrukken, maar gaat het om de originele uitgave, die rond mei 1974 op de markt had moeten komen, altans, voor de inschrijvers, de liefhebbers die een afwachtende houding aangenomen hadden, moesten nog even wachten, want het betrof een privé-uitgave, en wie niet ingeschreven had, moest dit bekopen met een fikse meerprijs. Dat heeft niet belet dat allerhande kopers toch bereid waren de oorspronkelijke 3300 BEF bij voorafbetaling uit 1974 te laten oplopen tot 3500 BEF in geval van betaling bij levering, of tot 3600 BEF zo er tweemaandelijks afbetaald werd. De onfortuinlijken die niet ingeschreven hadden, dienden vervolgens hun bestellingen met een contante 4500 BEF te bekopen. Als je de boeken van dichtbij bekijkt, en zeker als je enige lectuur gedaan hebt, zijn ze elke frank van die prijs waard.

Op de prospectus, die ook nog in deze exemplaren steekt, en die een fraaie druk vertegenwoordigt, staat dat het om twee boekdelen gaat. Zo laat de illustratie ook uitschijnen. Maar de delen drie en vier zijn  kanjers van gelijk formaat, gemiddeld elk 5 centimeter dik. Deel drie bevat nog een aantal hoofdstukken en een uitgebreid fotogedeelte. In deel vier vinden we bovendien nog meer dan 550 bladzijden bijlagen. Een bibliografie om U tegen te zeggen (met hoofdletter), een opsomming van musea en verzamelingen waaruit dr. Weyns naar hartenlust uit heeft mogen putten, een bijlage die een aantal opstellen bevat over verscheidene heemkundige onderwerpen door diverse auteurs, een waslijst boedellijsten, voor de heemkunde een schatkamer aan informatie, omdat er een opsomming van de meest diverse soorten huisraad in gegeven werd als beschrijving van de te verdelen boedel bij erfenissen; naamklappers voor deze boedellijsten; lijsten van foto's en tekeningen; en ook vertalingen van de bijlagen.

Dr. Weyns overleed op 17 juli 1974, en heeft de uitgave zelf niet meer meegemaakt. Zijn Opus Magnum bevat dan ook een naschrift met de afbeelding van zijn grafzerk. De uitgave werd enige tijd uitgesteld wegens zijn ziekte en overlijden. Het juiste tijdstip waarop de verdeling van de boeken begon, ken ik niet.

De uitgave van de boeken, zo lees ik in de kolofon, werd uiteindelijk uitgevoerd met goud op snee (23 karaat), in halflederen band van handgekrispeld geite(n)leer met gouden bestempeling, en werd verzorgd door de boekbinderij Splichal te Turnhout.

Deze vier boeken werden alle vier op gelijkaardige wijze opgedragen met een handgeschreven opdracht

Voor een overgetelijke herinnering aan mijn lieve kleindochter Myriam VDE, vanwege haar Parrain. Zondag 2 maart 1986.

Nu bijna 25 jaar later heeft deze kleindochter de grootvaderlijke en peterlijke gift van de hand gedaan, en dit prachtstuk zal vanaf nu en tot nader inzicht omschreven worden als het nieuwe topstuk van mijn Blumengarten Bibliotheek.

Vorige week kwam dit werk per Taxipost thuis aan. Maar bestaat toeval? Dat is een vraag die ik in net hetzelfde perspectief reeds meerdere malen in deze blog gesteld heb. Vandaag namelijk snuisterde ik een beetje rond tijdens een recuperatiedag wegens onvoorzien woensdagwerk vorige week, en tussen allerhande onbetekenend werk werd mijn aandacht getrokken door een naam, die onmiddellijk een belletje deed rinkelen. Ik las op de rug van een niet erg opvallend boekje: "Dr. J Weyns: Bakhuis en broodbakken in Vlaanderen"!

Je houdt het niet voor mogelijk: dit boek, ook een uitgave van dezelfde auteur, maar wel verzorgd als hulde-uitgave door het Verbond voor Heemkunde, werd mij verkocht voor zowat vijfentwintig cent. Al bij al is het boekje in een uitstekende staat, gebruikt, maar niet storend in waarde verminderd. De kolofon zegt letterlijk:

Dit is een hulde-uitgave bezorgd door het Verbond voor Heemkunde voor de vijftigste verjaardag van zijn voorzitter Dr. Jozef Weyns. Dit boek werd gezet in de Garamond 12 punt letter en gedrukt in het jaar 1963 op de persen van Drukkerij Sanderus te Oudenaarde. De oorspronkelijke uitgave bestaat uit 260 eksemplaren waarvan tien gedrukt op wit houtvrij gevergeerd papier "Cleopatra", genummerd van A tot J, niet in de handel, en 250 eksemplaren gedrukt op wit houtvrij velijn editiepapier 125 gr, genummerd van 1 tot 250; alle eigenhandig getekend door de auteur en voorzien van de gedrukte naam van de inschrijver.

Dit is

N° 69

en werd gedrukt voor

Fritz Sabbe, Gent

(get) Jozef Weyns

Dank u, heer Sabbe voor de goede bewaring van dit kleinood.

Ik heb formidabel veel geluk gehad, want een spreekvaardige medesnuffelaar, die me dit boek zag keuren en kopen, sprak mij daar over aan. Hij zou het zonder twijfel ook meegenomen hebben, daar hij over een inventaris van Oost-Vlaamse bakhuizen heel wat te vertellen wist, voornamelijk dan die van de gemeente Oosterzele.

Ik ben benieuwd of er in de Volkshuisraad ook bibliotheekkasten opgenomen zijn. En wees hier van overtuigd: weer durf ik me een fier bibliofieltje te noemen.