ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

woensdag 31 maart 2010

Bericht aan Fernand

Nog niet zo lang geleden heb ik het gehad over boeken in reeksen, die bij het te koop stellen in het tweedehandscircuit mekaar uit het oog verliezen. Je komt dan als koper voor het dilemma te staan één mooi boek mee te nemen, maar wel met een onvolledig werk achter te blijven.

Vandaag is het mij overkomen dat ik dat ontbrekende tweede deel op zijn eentje in de rekken vond, even verweesd als zijn oudere broertje. Readers Digest heeft alzo een aantal kortverhalen gepubliceerd, die in twee afzonderlijke boeken terecht gekomen zijn. En ik had al deel I in mijn bezit, nu zag ik deel II staan. Alleen, daar in de winkel, wist ik niet met zekerheid of ik nu deel I dan wel II thuis had.  En zo kwam ik dus opnieuw voor een dilemma te staan: neem ik het mee of niet? Uiteindelijk bleek de prijs het doorslaggevend argument: voor die luttele muntstukjes nam ik liever het risico van een nutteloze aankoop, dan thuis te moeten vaststellen dat ik het toch maar beter meegenomen had.

Dit deel is net zoals het voorgaande gestoffeerd met een aantal namen om u tegen te zeggen: Bertus Aafjes, Anatole France, Karel Jonckheere, Joseph Conrad, Bertolt Brecht, Herman Heijermans, Stefan Zweig, Multatuli, Heinrich Böll, Doris Lessing, H.G. Wells, Simon Carmiggelt, Maxim Gorki ... te veel om op te noemen. Zeer mooi noem ik het verhaal van Saïdjah en Adinda door Multatuli.  Een traag en tragisch verhaal, dat we in het middelbaar onderwijs gelezen en besproken hebben, en waarvan ik een onbestemd gevoel van leegheid meegekregen heb, dat lang over me gehangen heeft. Ik heb eruit geleerd dat literatuur niet altijd een vrolijk en goedaflopend verhaal aan de lezer aanbiedt. Natuurlijk is mijn superheld Winnetou ook vroegtijdig naar de Eeuwige Jachtvelden verhuisd, en dat heeft me ook toen dat onbestemde gevoel gegeven, maar het spel op straat had me toch geleerd dat de Indianen nu eenmaal door ons, keiharde cowboys, per dag tot tienmaal toe doodgeschoten werden. Dat was ... eh, doodnormaal.

Maar wat Saïdjah en Adinda daar meemaakten, dat was geen indianenverhaal. Het ging over twee jonge mensen, die van elkaar hielden, en die door wrede landeigenaars gewoon doodgepest werden. Nee, ik was er niet goed van. In zijn geheel geplaatst is het verhaal ook zeer triest, en de Max Havelaar heeft altijd een aparte plaats ingenomen in mijn ideale bibliotheek. Fijn ook om nogmaals vast te stellen dat dit verhaal perfect te isoleren is uit zijn algemeen kader. Ooit heeft die brave mijnheer Nolens, bijgenaamd den Hollander, ons de toespraak tot de Regenten van Lebak laten van buiten leren. Tot mijn spijt kan ik het niet meer; alleen het allereerste aansprekinkje is achtergebleven in mijn geheugen, en enkele geïsoleerde zinnetjes. Mijnheer de Raden Adipati, Regent van Bantan Kidoel...

Nog verrassender is de aanwezigheid van Maurice Maeterlinck met zijn "La vie des Abeilles". Dit had ik echt niet verwacht als kortverhaal, want wie dat leest weet enige tijd niet waar hij het nu heeft. De zeer koele, zakelijke beschrijving van jawel, het leven der bijen, is niet van aard om enige plot te verwachten, de enige onverwachte gebeurtenissen zijn niet meer dan het uitzwermen van een bijenkoningin en haar talrijke gevolg. Handenvol werkbijen blijven voor een overvolle bijenkorf de nacht doorbrengen aan de ingang van de korf omdat hun nachtelijke schuilplaats door het uitkomen van jonge darren overbevolkt was, en het grootste deel ervan sterft van koude, maar al die interessante wetenschappelijk correcte weetjes maken dit nog niet tot een kortverhaal.  Wat heeft de samenstellers er toe gebracht deze natuurbeschrijving op te nemen in een bundel met kortverhalen, terwijl het fragment in kwestie niet de minste verhaalkracht heeft? Ik ga dit minutieus nalezen, om het eventuele geheim ervan te ontdekken.

Nog niet aan beschrijving toe, maar af en toe dromend, gelukzalig naar mijn boeken kijkend, moet ik aan Fernand melden dat hij nog enig geduld moet beoefenen. Een karrenvracht Streuvelsboeken die ik bij hem kon afhalen, is na een hilarische reis hier terecht gekomen, maar ik ben nog zo vervuld van de schoonheid van die boeken, dat ik de literaire kant van de zaak nog helemaal moet aanvatten. Die reis ben ik nu op papier aan het zetten, en jij, Fernand, kent als enige de ware toedracht.

Daar ik bovendien in het bezit ben van de beroemde Orion-uitgave van de verzamelde werken van Stijn Streuvels in vier delen , heb ik het merendeel ervan reeds gelezen. Maar toch, omdat ik op diezelfde dag ook een eerste uitgave van zijn oorlogsdagboeken te pakken gekregen heb, en bovendien een pracht van een bibliofiele uitgave van één van zijn werken mocht verwerven, ben ik wat betreft deze aankopen nog niet verder dan bewonderen gekomen. Ze werden bovendien geïnitieerd door een tiental jaarboeken van het Stijn Streuvelsgenootschap, en ge kunt begrijpen dat ik in de zevende of achtste hemel ben. Dus Fernand, ik ben je niet vergeten, ik hoop zelfs je binnenkort nog eens te ontmoeten, niet om boeken te kopen, alhoewel dat altijd kan, maar vooral om over vanalles en nog wat te praten. Boeken, jawel, maar ook de dagdagelijkse beslommeringen, de politiek, het leven. Maar de tijd leert ons wel wanneer die rijp is voor een nieuwe ontmoeting.

Stilte, en kilte

Hier in de eethoek, waar ik bij voorkeur mijn computer neerplant, aan het raam waar ik uitkijk over een stukje groen, dat later op het jaar tot een wijnprieel uitgroeit, heersen twee vrienden, die het leven van de boekenvriend aangenaam maken en houden. Het zijn de stilte, en de kilte.

Stil is het nooit, in een wijk waar mensen wonen, dicht opeengepakt, zodat je soms in mekaars keuken kunt kijken, en als je denkt in de halfduistere rust van je zolder enige boeken te doorsnuisteren, terwijl je hoopt je gedachten bij mekaar te houden, wil een brave hond zijn stem oefenen, ruziën twee eksters om een gevonden slak, geeft een frivole bestuurder plankgas waar je slechts vijftig per uur mag halen, komt de trein van 15h32 net voorbij omdat hij een minuut eerder uit het station weggejaagd werd, rommelt het zachtjes in de badstoffenfabriek hier in vogelvlucht 300 meter vandaan of wil een snotneus zijn muziekinstallatie toch even met de buren delen. De obligate grasmaaiers vernoem ik niet eens meer.

De beschaving maakt van ons verslaafden aan achtergrondlawaai. Daarom valt de huidige stilte me op. Ik geniet ervan, met een kop koffie en twee boeken voor me. De hond is verzeild in voorhistorische dromen, mijn zoon beoefent de internetologie op zijn kamer, terwijl hij denkt dat ik denk dat hij studeert, en verder is er de ... kilte.

De frisheid van de lentedag, die zo bewogen is begonnen met een fikse storm, is gebleven, maar de wind is gaan liggen. Ik proef de koffie van de vorige slok nog in mijn mond, maar neem toch reeds een nieuwe, want aan koffie ben je net zo verslaafd als aan alcohol of nicotine. Er is nog een verslaving in mijn leven: die aan mooie boeken.

De Biografie van Leopold II, De Koning nv van Neal Ascherson, uitgegeven bij Manteau Uitgeverij, ligt in al zijn glorie naast mij. Een prachtig boek, waarvan de stofwikkel een vokomen kopie is van de voor- en achterzijde van het boek zelf. Deze Nederlandstalige versie van 2002, door de auteur oorspronkelijk geschreven in 1963 in het Engels onder de titel The King Incorporated, is in onberispelijke staat. Wel bekeken, niet gelezen. Speciaal voor deze editie heeft Neal Ascherson een nieuwe inleiding geschreven, waardoor hij heel even kan doorbomen op de geschiedenis van Kongo-Zaïre onder Moboetoe Sese Seko, en de latere Kabila's. Het boek bevat een bloedige geschiedenis, die hij getracht heeft te situeren en in een helder licht te plaatsen, als een journalist, zonder in tranerigheid te vervallen over het aangedane leed, zonder medelijden ook met de protagonisten, die zelf alleen keken naar de financiële opbrengst, met verregaande verachting voor alles wat menselijk leed had kunnen zijn.

Bij mijn bespreking van het boek van Carton de Wiart heb ik nog aangehaald hoe die auteur met graagte de hand hield boven het hoofd van de onschuldige Vorst. Deze auteur noemt een aantal slippendragers, waarvan sommigen zelfs het nobele beroep van (Belgische!) historicus uitoefenden. Zij waren blind voor alle terreur, spraken alleen over de grote daden die het "land" zoveel rijkdom gebracht hadden, en degenen die het aandurfden kwaad te spreken van de grote Vorst, deden zij af als lasteraars en politieke tegenstanders. Ze waren blind en doof voor de getuigenissen van een schare van internationale bezoekers van Kongo. 

Kongo-Vrijstaat, en de latere kolonie Kongo-Congo, de daarop volgende staat Zaïre, evenals de huidige République Populaire onder Kabila, ze zijn allemaal getekend door de figuur van Leopold II en de wijze waarop hij de touwtjes in handen gehouden heeft gedurende de periode 1880-1908. De samenvatting belooft een genuanceerd en eerlijk beeld. Geschreven in 1963 kan het niet anders dan ook gekleurd zijn, maar ik kijk er toch naar uit.


De papieren man

De blog van de Papieren Man was langzamerhand aan vervanging toe. Dirk Leyman, journalist en literatuur-nieuwsjager, heeft gekozen voor een promotie, en het gevolg is een echte website. Een eerste kijkje leert me dat hij de zaken echt wel professioneel aangepakt heeft, en gelijk heeft hij. Zijn nieuwtjes en weetjes zijn het lezen waard, en alhoewel ik niet alle dagen kan gaan kijken wat hij weer aangesleept heeft uit literaworld, toch blijft het altijd een avontuur om de meest diverse feiten voor je neus te zien defileren.

Als je meer wilt weten over het laatste nieuws, volg dan zijn website (natuurlijk schreef ik in eerste instantie weer "blog"), de volledige nederlandstalige literatuur ligt in zijn blikveld. Ik houd niet van het woord "Nederlandse" in dit verband, omdat het te arm is: Nederlandse lezers nemen nog al graag de nationaliteit als begrip mee, in plaats van de taal. En dat geeft zo vlug de indruk dat Vlaams (waar zij dan weer zo graag Belgisch tegen zeggen, maar met Belgisch heb ik geen identiteit, met Vlaams wel, dan weet ik dat ik niet Frans- of Duitstalig ben) als een soort van secundair Nederlands moet bekeken worden. De papieren man maakt die taalkundig nochtans correcte fout door te stellen dat zijn terrein de Nederlandse literatuur is. Echt waar, ik hoor liever dat hij de Nederlandstalige literatuur opvolgt.

Maar één en ander belet mij niet om te juichen om zijn initiatief. Zijn Facebookidentiteit heeft meteen bij mijn aantreden de 192ste vriend te gast gekregen, en op één dag tijd is dat wel een prestatie. Als je het lijstje van namen doorloopt, kom je bekenden tegen! Mooi initiatief, Dirk!

zaterdag 27 maart 2010

Snoek's

Niet langer dan een paar dagen geleden heb ik me eens lekker laten gaan, toen ik het over sport had. Wie mijn blog langer leest, weet reeds dat ik ondanks mijn gebrek aan interesse voor het louter sportieve, niet langs een boek zal kijken dat sportieve onderwerpen behandelt. Zo heb ik een soort van encyclopedie van de wielrennerij, medesamengesteld door Eddy Merckx, op mijn zolder staan, vanwege de namen en foto's die erin beschikbaar staan.

Bij mijn recente aankoop van de kleine Snoeck's Almanak 1970 valt mijn oog op een artikel, van de hand van niemand minder dan Willem Van Wijnendaele, sportkenner en -verslaggever. Hij heeft het in zijn artikel over Fausto Coppi, een renner die in de jaren '50 hoge ogen gooide, en hier in Vlaanderen een aanbeden persoon(lijkheid) was. Willem Van Wijnendaele trekt die lijn door, en komt onvermijdelijk op Eddy Merckx uit, die hij als kenner onmiddellijk op zijn juiste waarde weet te schatten.

Het is een mooi artikel, waarin de schrijver niet kan verstoppen dat Algemeen Nederlands niet zijn beste kant is, maar nog minder dat hij er zich niet voor schaamt al zijn emoties te tonen als het sportaangelegenheden betreft. Ik citeer even:
Begrijpt u nu waarom ik op 30 maart 1969 de onvergetelijkste dag uit mijn reportersloopbaan heb beleefd? Ik heb die zondag ook iets gedaan waarover ik mij thans wel en beetje schaam.  Ik verloor aan het slot van de Ronde van Vlaanderen mijn zelfbeheersing.  Ik liep op de winnaar toe en kuste hem. Het was sterker dan mezelf. Ik moest mijn geluk kwijt en mijn geestdrift, ook mijn dankbaarheid.
Als ik dan een keer uit de sloef geschoten ben in mijn onverschilligheid voor sportieve gebeurtenissen, dan moge dit de veruiterlijking zijn van mijn andere kant: laat iedereen die ervan houdt, dit mogen tonen op de spontane, en vooral niet storende wijze zoals Willem Van Wijnendaele hier doet: eerlijk, mooi en voor niemand hinderlijk. Aan dat laatste ontbreekt het supporters nog al eens.

Wat Van Wijnendaele echter niet kon voorspellen, was de hoge vlucht van de carrière van Eddy Merckx, de bedoelde winnaar die zijn kussen moest in ontvangst nemen. Hij voorspelde terecht een grote carrière, waarbij hij zeer rechtlijnig zei dat de dag zou komen dat hij Coppi zou onttronen als ronderenner, maar de panache waarmee dat gebeurde heeft hij nooit kunnen voorzien. Deze zoon van de legendarische Karel (Koarele) overleed in 1973, en heeft het einde van de wielercarrière van Eddy niet meer meegemaakt. Hoe zou hij er dan over geschreven hebben?

Als volgende week hier in de stad de wereld weer op zijn kop staat, omdat uitgerekend op Paasdag de vroeger (en nu nog steeds) zo genoemde Ronde van Vlaanderen meerdere malen in vele lussen rond en door Oudenaarde trekt, is dat een moment voor mij om ongestoord aan mijn computer te zitten. Alleen de doortocht over de Koppenberg, en de finale zullen me even naar het televisietoestel kunnen lokken.

Als echter in een populair blaadje enige bladzijden terug te vinden zijn van een persoonlijkheid als Willem Van Wijnendaele, dan moet ik die als lezer toch van a tot z nakijken. Het is prettige literatuur, en eerlijk, 1970 ligt toch niet zo ver achter ons; het taalgebruik is hier en daar hilarisch. De kleine Snoeck's Almanach is eigenlijk het bekijken niet waard, de uitgeverij heeft dat uiteindelijk begrepen, en de amechtige dagklapperij van de voorhistorische kalender - almanach, met zijn volkomen uit de lucht gegrepen weervoorspellingen, zijn bedroevende heiligenbesprekingen, de eindeloze reeks van opsommingen van markten, kermissen en andere hoogstbelangwekkende gebeurtenissen naar de literaire vuilnisbakken verwezen. Men concentreerde zich meer en meer op de "grote" Snoecks , en ik meen te weten dat de uitgeverij dat ook nodig had: een jonge vernieuwer met visie aan het hoofd, die een kwaliteitsproduct op de markt gegooid heeft, waarover ik hier reeds enige keren met veel lof meen gesproken te hebben. Het was een opluchting.

vrijdag 26 maart 2010

Drie maal lezen: helaas...

Door spijtige omstandigheden ben ik er vandaag niet in geslaagd een boek aan iemand aan te bieden. Omdat ik door die spijtige omstandigheden helaas mijn boek thuis heb gelaten. En vanavond kom ik niet meer buiten.

Maar, heb ik dan geen boek gegeven, ik heb er wel een gekregen! Niet in het kader van deze actie, maar mijn werkgever Infrabel is zo vriendelijk geweest aan elke werknemer van het bedrijf een prachtboek te schenken, in het kader van de viering van 15 jaar hoge snelheidslijn (HSL). Voor elke spoorwegman of -vrouw is dit een prachtgeschenk. Het gaat om twee boekdelen met prachtige, soms bladvullende foto's over het paradepaard van de spoorwegen. Dat geheel zit in een cassette die de zaak moet beschermen.

Uitgerekend vandaag dus kregen de bedienden van onze dienst elk zulk een exemplaar op tafel. Daar ik te laat op mijn werk aangekomen ben, vond ik dus als het ware een pracht van een paasei. Dat paasei heet voluit: HSL - 300 km/u op het Belgische spoor, volumes 1 en 2.

Zelf heb ik een goede band met de mensen, die namens Infrabel het onderhoud van de Belgische HS-lijnen doen, en het boek geeft me dan ook een zeer goed gevoel. Ik heb namelijk gedurende ongeveer 7 jaren voor hen gewerkt, alvorens ik naar andere diensten overgeplaatst werd. Als ik ergens ooit enige betrokkenheid voelde met het werk dat ik deed, dan was het wel daar. Op één of andere manier slaagde men er in iedereen het gevoel mee te geven iets te helpen opbouwen. Dat was daar letterlijk het geval: vanaf nul hebben die mensen in elk stadium van de aanleg van de lijn van Parijs naar Brussel (de Lijn 1), op Belgisch grondgebied uiteraard, onmiddellijk de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van elke meter tussen de Franse grens en Halle, later ook tussen Leuven en Ans (de Lijn 2), nog later tussen Luik en de Duitse grens (de Lijn 3), en uiteindelijk ook tussen Antwerpen en de Nederlandse grens (de Lijn 4), op zich genomen. De trajecten worden aangevuld met sporen op de klassieke lijnen, waarvan de HST op sommige plaatsen moeten gebruik maken, zodat er met Brussel als middelpunt, een zeester met 3 armen in gebruik is voor vervoer tegen een maximum snelheid van 300 kilometer per uur. Vanuit de stuurcabine, waarin ik ooit heb mogen meerijden om sommige periodieke testen te doen, geeft dat wel een indrukwekkend zicht.

Als ik dan dit boek bezing als zijnde een prachtstuk, dan zijn er andere collega's, die dat niet vinden: er staat nu reeds een boek op Ebay te koop voor de luttele som van 40 euro. Ik wik mijn woorden, maar vind het toch spijtig. Hoogst spijtig. Je mag natuurlijk iets wat in je eigendom is, verkopen.  Maar het gaat hier ook over trots op een product dat je onrechtstreeks toch hebt mee helpen opbouwen. Of toch net het gebrekt aan trots?

Voor alle duidelijkheid: de HSL (hoge snelheidslijn) is de lijn waarop de HST (hoge snelheidstrein), de trein, rijdt. Let op: in twee woorden, niet op zijn Engels in drie woorden. In het Frans zijn dat respectievelijk de LGV (ligne à grande vitesse) en de TGV (train à grande vitesse). Deze vier afkortingen zorgen reeds gedurende 15 jaar voor een heuse spraakverwarring. Even een inspanning, en je vergeet het nooit meer.

Maar dit boek staat voor mij wel symbool voor mijn beroepsfierheid.

donderdag 25 maart 2010

Peyresourde

Hoe zeer persoonlijke overtuigingen over bepaalde aangelegenheden je beoordeling van een poëtisch werk kunnen beïnvloeden, wordt bewezen door de lectuur van Peyresourde, van Willie Verhegghe.

Ik ben absoluut geen sportliefhebber, en als de koers voor mijn deur voorbij zou komen, zou ik niet eens uit mijn kot komen om enige lelijke venten op een fiets, gekleed als clowns en zich voortbewegend zoals 100 jaar geleden toe te schreeuwen dat ze nog sneller moeten rijden. Neem toch de auto om 180 kilometer afstand af te leggen, in plaats van via Bastogne terug naar Liège te koersen, terwijl je daar toch van weggereden bent, om slechts op de eindmeet te weten of je er enige roem aan overhoudt... Met de auto is dat toch een stuk aangenamer, denk ik.

Allez, ik ben er weer mee aan het lachen, maar de basis blijft toch overeind: het beroert me niet fel. Ik begrijp de eindeloze discussies niet als voetbalfans vinden dat de verliezende partij de beste was. In mijn ogen is de winnaar de beste. De beker, de prijs, de bloemen, de punten, de whatever gaat toch naar de beste? Namelijk de winnaar. Als dat niet zo was zou er geen rangschikking hoeven te bestaan. Basta. En verder geen discussie meer.

Toen ik tesamen met The Stanford Alumni Directory ook het dichtbundeltje Peyresourde van Willie Verhegghe meenam (David tegen Goliath), wist ik meteen dat ik de lectuur van deze gedichten als een opgave zou beschouwen. En zo is het ook gegaan. Het gedicht Raymond Poulidor drukt nog het best uit wat ik werkelijk voel als ik dit bundeltje doorneem: de man die de Tour nooit gewonnen heeft, die alleen maar geel voor de ogen heeft gezien, wordt door velen als een winnaar aanzien. Een winnaar tegen zichzelf, weliswaar, maar niet van de koers. Groot? Ja, misschien, maar vooral tragisch. Het gaat om winnen. In de koers. Eerste zijn. Anquetil en Merckx verslaan.  En dat deed hij niet. Hij won alleen tegen zichzelf.

Het gedicht vertelt in zeer kort bestek dat verhaal. Iets over een hart van koekebrood, grootvader en Pomerol. Was de bijnaam van Eddy Merckx niet toevallig De Kannibaal? Koekebrood mijn voeten, dat is voor bij de koffie, tijdens de koers eet je mensenvlees. En in de tweede strofe het nog kortere verhaal van de strijd op de cols, het nooit mogen omgorden met geel, en de grootheid in het oog van veel supporters. (zie hierover ook mijn bijdrage van 23 mei 2011)

Ik was als kleine gast een echte supporter van Poupou. Ondanks Merckx, ondanks Anquetil. En ik zie die zwart-witbeelden nog voor me. Maar ik was tussen de 12 en 18 jaar, en interesse voor iets evolueert, maar een winnaar kan ik me niet herinneren.

De tragische figuur is echter een goed onderwerp voor een dichter. Willie Verhegghe grijpt die kans dan ook aan. Maar hij had het voor mij meer mogen uitwerken. Dan zou de figuur van Raymond Poulidor er echter uitgekomen zijn. Nu is het een embryonaal gedicht gebleven. Spijtig.

Veel mooier vond ik het gedicht Giro d'Italia. Hier is de dichter dichter. Hoewel, Chinees buskruid, om te komen tot een tweede Heir van Caesar? De puur poëtische atmosfeer wordt door niet-dragende beelden toch wel ernstig gedrukt.

Ik houd niet van de koers, zoveel is duidelijk. En dus lees ik deze bundel met een bril die die kleur draagt van mijn smaak voor het onderwerp. Alles is relatief, ook de relativiteit. Of, met andere woorden, ik behoor tot de 5% Vlamingen die niet wakker liggen van de koers. En niet van de voetbal. En niet van waterpolo. En niet van indoorkruisboogschieten. En... Poëzie over sport lijdt een gewaagd leven in mijn bibliotheek.

woensdag 24 maart 2010

The Stanford Alumni Directory

Een vlug vraagje voor de kenners. Ik ben in het bezit van een exemplaar van "The Stanford Alumni Directory", een naslagwerk waarin je vanaf 1901 de alumni van de bedoelde universiteit kunt opzoeken in alfabetische orde, of naargelang van de studierichting van de gezochte persoon. Het boek dat ik hier heb, is een kanjer van meer dan 4 kilo, gebonden in rood similileer met goudopdruk, en een logo in diepdruk in gouden kader. Het boek is niet genaamtekend, hoewel er een vak "This book belongs to" in voorkomt . Het betreft de 1995 versie, die in een haast ongebruikte staat is.

Als je google raadpleegt, kom je meestal op Stanford Magazines terecht, maar het boek zelf is enkel terug te vinden onder de website "Stanfordalumni . org", en de directory is enkel te raadplegen door geregistreerde alumni.

Via Searchworks kom je op een paar exemplaren terecht, die in bezit zijn van de universiteitsbibliotheek zelf. Wie kent dat boek, wie weet er iets meer over?

zondag 21 maart 2010

Lees, lees, lees!

Een merkwaardig, maar zeer aangenaam initiatief vond ik op de lees-website-blog boekendingen, waarin aangekondigd wordt dat vrijdag 26 maart zal uitgroeien tot een boekenweggeefdag aan onbekenden. De bedoeling is om een geliefd boek weg te schenken aan "iemand", om hem of haar te overtuigen af en toe eens een boek ter hand te nemen om alzo de leeslust te bevorderen.

Dat is een initiatief van Italiaanse oorsprong, onder de naam van Leggere, leggere, leggere!, hetgeen hier in Vlaanderen gepromoot wordt onder de vanzelfsprekende vertaling: Lees, lees, lees!.

De Belgische-Italiaanse Margherita Mazzocchi heeft hier het initiatief genomen, en zelfs een Facebookgroep opgericht om het idee te promoten. Dolenthousiast ben ik zelf onmiddellijk lid geworden van deze groep. Vermits zij met Italiaanse spraakvaardigheid de zaak zoveel beter kan verwoorden dan ik, laat ik haar via de koppelingen zelf aan het woord om uit te leggen wat er precies bedoeld wordt. Ook in Nederland werd het initiatief overgenomen.

Als ik morgen de tijd vind, zal ik mijn boekenkasten eens uitdwijlen, en er één boek uithalen, om aan zomaar iemand te schenken, met een blaadje papier erin als bladwijzer, waarop de reden van de gift, en de betekenis ervan, uitgelegd staat. Wie weet tot wat dat leidt?

zaterdag 20 maart 2010

Further onverdraaglijke saaiheid

Als het Wetenschappelijk Memento dan al een saaie bedoening mag zijn, zijn zeldzaamheid maakt veel van zijn inhoud goed. De andere werken die ook tot dit lot behoorden, zijn zowel in hun afwerking als door hun inhoud zeer mooie boeken geworden.

"De chemie en de biologie van het zetmeel", door dr. N.P. Badenhuizen, deel II van de reeks Chemische Monographieën, onder redactie van Prof. Dr J.P. Wibaut, hoogleraar aan de Gemeetelijke Universiteit van Amsterdam, behandelt op het eerste zicht een behoorlijk saaie materie. Maar het is saaiheid van een hoog niveau. Niet echter voor de ware chemicus, die in dit boekdeel een "monographie van beperkte omvang" heeft gevonden, waarin de ontwikkkelingen in de kennis van de laatste 20 jaar eveneens uiteengezet worden. De laatste 20 jaar moeten dan wel gezocht worden in de eerste helft van de twintigste eeuw, vermits het boek uitgegeven is in 1949. En het begrip "beperkte omvang" is voor een wetenschapper een relatief begrip: 300 bladzijden is niet niets. De enorme kwaliteit van dit boek laat echt zijn ouderdom niet zien.  Het is op kwaliteitspapier gedrukt, maar toch hebben roestvlekjes hun plaats opgeeist, eigenaardig genoeg alleen op de eerste en de laatste bladen.

"Moderne werkplaatspraktijk in den Machinebouw" door Ir. Van Dongen, uitgegeven bij "De Techniek" te Antwerpen is een al even mooi boek, dat even degelijk in mekaar gestoken is. De kwaliteit van het papier is nog een maat hoger dan die van het voorgaande boek, en de leeftijd is een stuk hoger: het werd in 1923 uitgegeven. Het gebruikte glanspapier, de zeer mooie zwart wit-foto's, die een prachtig beeld van de realiteit uit die periode weergeven in ateliers waar de werklieden trots poseren temidden van hun gigiantische machinerie, en de vele tabellen en afbeeldingen maken het tot een zeer duidelijk, informatief en bruikbaar leerboek. Ook hier krijgen we saaiheid van hoge kwaliteit aangeboden.

"Constructie van gebouwen" is een vierdelig werk door Prof. Ir. J.G. Wattjes B.I., hoogleraar aan de Technische Hoogeschool te Delft. Ik heb hier het deel 3 van deze reeks standaardwerken voor me liggen, en eigenlijk kan ik over de kwaliteiten niets anders zeggen, dat hetgeen ik voor "Moderne werkplaatspraktijk in den Machinebouw" reeds aangehaald heb. De degelijke saaiheid, of de saaie degelijkheid zijn volkomen gelijk aan die van het voorgaande boek. Het gewicht geeft een aanduiding over het belang van het onderwerp, dat in 1926 aangeboden werd aan de architect, civiel-ingenieur, teekenaar, opzichter, aannemer en eigenbouwer zowel als aan de studenten die zich in een van die beroepen wenschen te bekwamen. Eigenaardig is dat dit derde deel blijkbaar na de delen I, II en IV verschenen is, maar in de inleiding van het werk wordt door de auteur aangegeven dat dit deel zo beknopt mogelijk gehouden is qua tekst om de nadruk te kunnen leggen op de tekeningen. Het specifieke van dit onderwerp vergde zoveel uiterst gedetailleerd tekenwerk, en bovendien hadden nog zoveel andere technische facetten moeten belicht worden, dat het eigenlijk als onvolledig moet beschouwd worden, en dat deel IV dan maar voorgegaan is. De auteur sprak de hoop uit in de toekomst mogelijk die ontbrekende onderwerpen onder een andere paraplu te belichten.

Deel I betreft Muren, schoorsteenen, kelders, funderingen en rioleeringen, dat destijds de lieve som van 35 florijnen mocht kosten.
Deel II gaat over Ramen, deuren en betimmeringen, voor 27,50 gulden.
Deel III  behandelt Vloeren, plafonds, gewelven en trappen. Prijs mij onbekend.
Deel IV tenslotte gaat over Kappen. Hand- en leerboek betreffende Dakconstructies en Dakbedekkingen, 32,50 gulden.

Leerboeken zijn meestal saai. Het valt maar te bezien hoe je dat bekijkt. Hier worden ze geklasseerd in de kast met speciale onderwerpen en te bewaren boeken.

woensdag 17 maart 2010

Van de Woestijne, Brouwer en Daens

Via Ebay zijn vandaag twee boekjes in mijn brievenbus gevallen, die ik echt het vernoemen waard vind.

Met "Keur uit het werk van Karel van de Woestijne", een uitgave van het Willems-Fonds nr 189 van 1953 heb ik één van de werkjes in handen waarmee, 75 jaar na zijn geboorte, de auteur getracht werd terug in de herinnering van de Vlaamse cultureel geïnteresseerde mens te brengen. In zijn verantwoording noemt dr. M. Bots het boekje een bloemlezing die tot doel heeft de auteur beter te leren kennen en meer te waarderen. Hij stelt ook dat het werk geen literair-kritische noch wetenschappelijke pretentie heeft. In die periode namelijk zijn de standaardwerken van P. Mindera en A. Westerlinck verschenen, en deze heren hebben die pretentie wel gehad. Zij hebben dan ook de grondige studie van Karel van de Woestijne voltooid, en deze studies hebben de eigenlijke basis gevormd voor dit werkje. Het is dan ook wat het is: een bloemlezing. Maar het beoogde doel, namelijk de brug vormen tussen de soms moeilijke literatuur van beide vernoemde basiswerken en de gewone mens die ook wat meer wil weten over de vroegere glorie van onze literatuur, wordt met glans bereikt. Het Willems-Fonds heeft zijn doelstellingen in de publicatie van dit werk zeker bereikt. Maar, zo zal verder blijken, het deed meer dan alleen maar een bloemlezing brengen, zoals dr. Bots het stelt.

Spijtig genoeg is het boekje nog steeds een fabrikaat van de oude stempel, dus met de klassieke feilen, zoals een zo goedkoop mogelijke binding (voor het volk, weet je wel), het open te snijden blok, de ongelijke schikking van de bladen, die dan eens hoog, dan weer laag gebonden zijn, zodat zij een zeer slordig uitzicht geven aan het geheel, de te grote omslag, zodat de randen slordig omplooien, en tekeningen en foto's buiten tekst, die een te groot kwaliteitsverschil opleveren ten opzichte van de lopende tekst. Daar staat tegenover dat iets uit 1953 dus dezelfde leeftijd heeft als deze jongen, van wie het uitzicht ook niet meer ongeschonden is...

Ik citeer een enkel gedicht, met een verrassende inhoud: vooral de eerste twee strofen doen me denken aan een volkslied (eh een folksong, toen moest het ook al in het Engels of het was niet goed) dat ergens eind de jaren zestig, begin jaren zeventig gekend stond als "Zotte kadullen", en gebracht door een groep die zich De Kadullen noemde.

Zou'n wij geen glaasken mogen drinken?

Zou'n wij geen glaasken mogen drinken?
zou'n wij daarom een zat-lap zijn?
- De droesmen van de driften stinken
nog meer dan moer van zieken wijn. 

"Zou'n wij geen meisken mogen kussen?
Zou'n wij daarom een vuil-baard zijn?"
- Maar wèlke boezem wordt het kussen
voor deze lang-verzopen pijn?...

Als koningen kwamen we uit den Oosten
en hadden de zilveren matten aan boord.
- Wij hebben wàlg om ons te troosten.
Aan elke ra daar hangt een koord.

Wij werden nuchter tot bewusten
al bennen onze daden groot.
En als men moede is, kan men rusten
in uwe warme haven, Dood.

De andere verdienste van dit boekje is, dat het opstel over Jules De Bruycker, tot dan enkel beschikbaar in het verzameld werk van Karel van de Woestijne, ook in deze bloemlezing mocht opgenomen mocht worden. En met dat opstel gaat plots de wereld van Karel Van de Woestijne en zijn trawanten open. Deze Jules de Bruycker was een tijdgenoot van Karel van de Woestijne die, in tegenstelling tot Georges Minne, de broeders Van de Woestijne, Valerius de Sadeleer en Jules De Praetere niet naar Latem trok, maar in Gent wenste te blijven. De Bruycker was een volkse jongen, die uit nood zeer jong moest gaan werken, maar tekenaar werd, en nog later leerde etsen. Door zijn vriendschap met de voornoemde groep Latemse artiesten zou hij ook tot de Latemse school kunnen gerekend worden.

Maar zijn werk was te afgescheiden van de anderen, die in plaats van de strikt stedelijke omgeving van Gent, zoals De Bruycker ze zag, de natuur van de Leiestreek als inspiratiebron vonden. Wat mij zo in dit opstel getroffen heeft, naast de schets van de persoonlijkheid van Jules de Bruycker, zowel de mens als de artiest, is vooral de beschrijving van de wortels van de "Van nu en straks"-beweging, waar zoveel artistieke vernieuwing van uitgegaan is. Dit is het eerste en logisch ook het kortste gedeelte van het opstel. Daar volgt begrijpelijk de beschrijving van Jules de Bruycker op. Als we dan vaststellen dat dit opstel geschreven is in April 1912, dan is Van de Woestijne 34 jaar oud, deze kunstenaar is er 42. Het klinkt allemaal nogal dweperig, maar...

In een ander opstel, over zijn broer Gustave Van de Woestijne, dat 15 jaar later geschreven wordt, zegt Karel: "Ik kan getuigen dat ik nooit een literair gegeven, en kritisch nooit het werk van een kunstenaar heb behandeld, dan onder den aandrang van eene sympathie: ben ik er in geslaagd, aan die behandeling, aan dien eigen arbeid de beteekenis van eene, zij het betrekkelijke of schijn-rijke, waarheid te verleenen, dan dank ik dit juist aan de genegenheid voor mijn onderwerp waaruit gij nu niet afleiden moet: hoe grooter de liefde, hoe grooter de vermoedelijke waarheids-mogelijkheid; maar: hoe ontvankelijker het mede-gevoel, hoe meer betrouwbaar het benaderend begrip."

De dweperigheid van Karel in de beschrijving van de kunstenaar en mens De Bruycker, als we deze korte apologie mogen geloven, is slechts een eigenschap van de schrijfstijl van de opsteller, en geeft in niets toe aan enige voortrekkerij die gevoed zou zijn door vriendschappelijke, of, zoals zou kunnen gedacht worden van het tweede opstel, door broederlijke genegenheid.

Maar bovenal is de betekenis van dit zichzelf zwaar onderschattend boekje niet in de eerste plaats de tekening van Karel Van de Woestijne door middel van zijn werk, maar wel van zijn getuigenis over de tijdgeest waarin de "Van nu en straks"-beweging kon ontstaan, groeien en bloeien. Het is de tekening van een insider, bekeken vanuit zijn werk. Als kunstkriticus mocht hij zo neutraal zijn als menselijk gesproken mogelijk is, de schrijver kan niet anders dan zijn gevoelens veruiterlijken en zijn liefde voor de kunst ook uitdragen als de liefde voor de kunstenaars. Deze bloemlezing is zonder dat de auteurs dit wilden, uitgegroeid tot een zeer menselijke tekening van een man die niet anders kon dan artiest zijn.

Brouwer en Daens zullen moeten wachten.

dinsdag 16 maart 2010

De onverdraaglijke saaiheid van het studieboek

In een vergeten doos, ergens in mijn garage, vond ik een stapel oude leerboeken, die ooit aan een ingenieur toebehoord hebben. Aangezien ik het literaire gedeelte er als eerste uitgevist had, waren de overschotjes vergeten. Ten onrechte, zo bleek gisteren, toen ik deze doos moest herschuiven om uit een rommelkast enig prularium naar boven te halen.

De doos was zwaar, want naar aloude traditie worden studieboeken volgestouwd met zware stof, en de auteurs doen dan nog al eens met een duf, slaapverwekkend lettertype, een lay-out die op universiteitsbanken de gemiddelde student tot gapen en gsm-en aanzet, dat alles gestopt in een pil met een gewicht dat iedereen uitnodigt het boek zo snel mogelijk op kot te vergeten, in plaats van het mee te zeulen naar de aula, omdat de geldwaarde die men er in gestopt heeft, wel de rechtstreekse oorzaak is van weer een aantal pinten minder. En de obligate rugzakken zijn gemaakt op zakken chips, uitgewisselde cd's en rommelige nota's. Niet op zware cursussen.

Grabbelgewijs doorgroef ik de doos, nadat ik het prularium zijn bestemming gegeven had, en de triage had een merkwaardig gevolg. Ik haalde liefst vijf titels naar boven, die behalve hun gewicht en volume ook nog enige andere eigenschappen prijsgaven. Het waren vier leerboeken en een werk van de hand van H.G. Wells, genaamd Arbeid, Welvaart en Geluk der Menschheid. Dit laatste boek laat ik even buiten beschouwing, het is wel een verwijzing naar de interesse van de betreffende ingenieur, maar niet als studieboek te aanzien.

De mooiste eigenschap is wel die, waarmee het oog waarnemen kan dat leerstof ook in klassevolle werken kan verpakt worden. De vier boekwerken hebben gemeen dat ze zeer degelijk uitgevoerd zijn. Onverslijtbaar, en dus ook ongeschonden. De persoon in kwestie heeft zijn bezittingen gekoesterd, er nergens ook maar één aantekening in gemaakt, ezelsoren zijn een zeldzaamheid, en elk van de boeken draagt zijn monogram. Ze liggen op een onopvallend stapeltje hier naast mij. Maar wanneer ik deze boeken in de hand neem, zegt het gevoel onmiddellijk wat anders.

Eigenaardig genoeg is het minste onder deze werken, als ik voortga op het uitzicht alleen, ook het meest waardevolle. Toen ik wat meer wou weten over "Wetenschappelijk Memento", van Drs A. Claessens, kreeg ik met een schok de prijs in het oog. Dat kan dus niet! Maar het kan wel. Het staat gewoon te lezen waar je het vinden kan. Dit "saaie" boek dateert van november 1954, zoals enkel het toegevoegd blad met enige inleiding over de inhoud en de bruikbaarheid ervan leert.

Het boek is qua inhoud zo saai als de dood: zelfs de inleiding maakt geen geïntegreerd deel uit van het boekwerk zelf. Je slaat de zwaar gecartonneerde omslag open, en na een blanco schutblad, kom je meteen op een droogwetenschappelijk voorplat terecht, waarop te lezen staat: Wetenschappelijk Memento - Drs A. Claessens - accountant - leraar - Aalst. Je slaat dit blad om, en je ziet meteen de indeling in de 8 delen, die ook in de toegevoegde inleiding beschreven wordt ten behoeve van de studerende en de afgestudeerde wetenschapper. In dezelfde droge tabelstijl leren we dat de informatorische basis aangeboden wordt als:

linguistische, vervolgens grammatische, sociale, economische, mathematische, naturele, historische en tenslotte geografische wetenschappen. En dan zijn we in beweging, 299 bladzijden lang vol tabellen, synoptische teksten (ik heb teksten nog nooit zo synoptisch weten wezen als deze teksten!), statistieken, kalenders, werkschema's en formules. Om vervolgens de droge mededeling te doen wie het boek gedrukt heeft. Dit gaat als volgt:

Drukkerij DU CAJU
Lange zoutstraat, 13
AALST

Daddist!

Ik dacht dat de oorlogsuitgaven van het Natuurhistorisch Museum te Brussel de prijs van de eeuw gewonnen hadden voor saaiheid, maar nee, dit wetenschappelijk memento slaat zijn tegenstanders tot moes.

Maar de schoonheid, de degelijkheid, de goede bewaring, hoewel de rug aardig verkleurd is, en de wetenschappelijke directheid maken het tot een pareltje.

Sta me toe ook het volgende te zeggen. De boeken waar ik het vandaag over heb, maken deel uit van een lot van om en bij de 200 boekendie ik ooit voor een prikje heb kunnen kopen. In het hypothetische geval dat ik de bedoelde prijs voor dit werk zou krijgen, maar ik verkoop het niet, laat dit duidelijk zijn, dan heb ik de andere boeken gratis en voor niets gekregen.

Het is mooi om zoiets te ontdekken, want het boek is zeldzaam, en er bestaan maar zeer weinig exemplaren die in goede staat zijn. Weer iets om fier over te zijn. Ik zal de eerstvolgende dagen de andere exemplaren van mijn stille aanbidding voorstellen.

donderdag 11 maart 2010

Nieuwjaarsgeschenken

Een lezend echtpaar, dat is rond Nieuwjaar meestal het slachtoffer van de inspiratieloosheid, toestand die het koppel zelf ook jaarlijks overkomt als het erop aan komt een origineel idee te vinden voor de obligate geschenken. Ik haat geschenken geven, ik krijg ze des te liever. Om de paar jaren komt iedereen op hetzelfde idee, en wordt je een mooi boek aangereikt, waarvan verhoopt wordt dat je er bijzonder veel leesplezier van zult hebben.

Dit jaar was het opnieuw boekenbeurs, en de oogst van Nieuwjaar ligt hier voor me. Ik mag niet klagen, de keuze mocht er zijn, de mix was geweldig, de kwaliteit best hoog.

Zo is er Tirza, van Arnon Grunberg, een boek waarvan ik gezworen hed het nooit te kopen. Dat hoeft dus ook niet. Het verloren symbool, van Dan Brown ligt me dan weer meer, hoewel de meningen nogal verdeeld blijken te zijn.  Maar elkeen heeft het recht controversieel te zijn in het al dan niet goed vinden van boek en auteur, en ik kan er best mee leven.

Een topper is De schaduw van de wind, van Carlos Ruiz Zafón. Hoe zei ik het ook weer? Ik koop nooit bestsellers? OK, ik heb het niet gekocht, net zoals ik Tirza niet gekocht heb. Toch vind ik het verbazend dat dit boek als negenendertigste druk tot ons komt, terwijl de eerste druk in 2004 gedaan werd. Vorig jaar is er een echte hype ontstaan rond deze auteur. Ik verklaar het duidelijk afkomstig uit een uitgelezen publiciteitscampagne.

Mijn echtgenote is een fervente televisiekijkster, en de volkse topchef Piet Huysentruyt krijgt bij elke gelegenheid waarbij hij zijn gezicht, vooral zijn voorhoofd, en zijn onherbergzaam West-Vlaams dialect tentoonstelt in weer een andere keuken van de mislukkende huiskok van dienst, haar grootste aandacht. Die avonturen verwerkt hij voor televisie in een hilarische reeks eerste hulp-acties, waarbij hij goed voorbereid voor de camera de fouten van de brave huiszondaar in de verf zet, om vervolgens het hopeloos mislukte gerecht in zijn volle glorie, en meestal ook met een licht Huysentruytsausje met de benodigde uitleg over de gemaakte fouten en de rechtzettingen ervan op tafel te brengen.

Zijn eigen restaurant in het geboortedorp van mijn echtgenote heeft niet die grote ogen geworpen, maar door zijn uitstraling heeft hij de televisie overrompeld. Dat heeft tot rechtstreeks gevolg dat hij gigantische oplagen haalt met zijn SOS Piet-boekenreeks. Lannoo doet er ook goede zaken mee, VTM Books eveneens. De zeer mooie uitgaven verkopen als zoete broodjes, en Huysentruyt is in 2009 zelfs de grootste verkoper van boeken geweest in Vlaanderen. De man heeft meer verdiend als auteur dan als kok, en ik doe daarmee geen afbreuk aan zijn vakkundigheid. Deze vaststelling is dan ook geen vorm van respectloosheid, integendeel.

Marleen Temmerman heeft als gynaecologe een ijzersterke reputatie opgezet, en heeft het geluk gehad bij een aantal aangelegenheden deskundige uitleg te moeten of mogen verschaffen betreffende alles wat te maken heeft met de menselijke voortplanting. Het moest dan ook zo zijn: het obligate boek over het obligate onderwerp. Vooral de problematiek van de over het algemeen als te oud beschouwde dames als het op kinderen krijgen aankomt, heeft haar reputatie gevestigd: zij verkondigde een zeer duidelijk onderbouwd standpunt, en verdedigde met verve de mogelijkheid op latere leeftijd nog aan kinderen te beginnen. Het spreekt vanzelf dat deze mediatieke dame met onbetwistbare kennis van het onderwerp bij elke gelegenheid haar zeg heeft in de debatten over "de dingen waar vroeger niet mocht over gesproken worden". Bekentenissen uit de onderbuik is nu niet echt mijn ding, mijn echtgenote is er zeer tevreden mee. En ik dus ook. Maar het is bijna een bestseller...

Het boek echter dat mij het meest plezier gedaan heeft, is het Ruimtedagboek van Frank De Winne. Onze nationale trots heeft zes maanden in de ruimte rondgezworven, en om haar tijd te doden heeft zijn echtgenote zijn dagboek bijgehouden, weliswaar met een hand hulp van Herman Henderickx, Tijs Mauroo en Boudewijn Van Spilbeeck. Het absolute hoogtepunt van de ruimtesaga is de reis van De Winne voor mij niet: de landing op de maan heeft mij destijds te zeer wakker gehouden, en de oude prentenboekjes met de eeuwige helden en hun onwaarschijnlijke vervoermiddelen behouden voor mij de glans van het verleden, en de romantiek van de grote ontdekkingstochten.  Ik betreur het zelfs dat Armstrong bij zijn landing niet geconfronteerd werd met leuke buitenaardse wezens, die hij met kralen en spiegels had kunnen omkopen. Maar het is nog niet gezegd dat we dat niet toch nog zullen meemaken, als ze naar Mars gaan. Het is echter een boek om te koesteren.

Zo is Nieuwjaar dan toch nog goed verlopen: van deze 17 centimeter lectuur wil ik er wel 10 voor mijn rekening nemen.

woensdag 10 maart 2010

petit vicaires

Op 11 juli 2009 schreef ik een stukje over een "petit vicaire", E.H. Maurits Van Caeneghem van Aalter. Zoals in het katholieke Vlaanderen zo dikwijls het geval was, waren de lagere priesters niet zelden de leidende figuren in de intellectuele ontwikkeling van het volk. Zij grepen de nood aan opvoeding aan om enerzijds de leemte in de ontwikkeling van hun kudde op te vullen, en zorgden er anderzijds voor dat de strekking van de aangeboden kennis steeds met een mooi christelijk strikje ingepakt was. Maar dat ligt voor de hand.

Als Maurits Van Caeneghem dan een van die volksleiders in zwarte rokken was, dan moeten we uit de lectuur van het boekje ook opmaken dat het episcopaat niet steeds verheugd was over deze lastpakken, daar zij door hun intellectuele niveau zelf duidelijk genoeg zagen dat van hogerhand het volk zo veel mogelijk dom gehouden werd, en vermits zij zelf uit dat volk opgestaan waren, was een botsing met hun oversten, die zelf meestal het francofone establishment genegen waren, onvermijdelijk. Overplaatsingen en reprimandes waren meestal het gevolg. Een bijkomend gevolg was, dat deze bekwame mannen op ondergeschikte postjes geplaatst werden ergens te velde, waar ze zo weinig mogelijk kwaad konden verrichten. Men ging daarbij gemakkelijkheidshalve voorbij aan het feit dat hun capaciteiten veel en veel beter hadden kunnen gebruikt worden in de leiding van de bisdommen. Inderdaad, op de juiste manier aangepakt, zouden zij de ideale spreekbuizen van de bisdommen geweest zijn, daar zij de taal van het volk spraken, letterlijk en figuurlijk. Maar een dergelijke redenering was niet besteed aan de francofiele oversten. Zij hanteerden tot ver in de twintigste eeuw de harde wet van buigen of barsten.

Ook Van Caeneghem heeft moeten buigen, om niet te barsten. Een pikant detail: de latere bisschop en aartsbisschop Daneels, pas gepensioneerd, werd geboren in het bloemendorpje Kanegem...

De letterlijke betekenis van het franse woord petit vicaire luidt niet anders dan: koorknaap. Daar is niets mis mee, een pastoor heeft maar al te dikwijls koorknapen nodig als hulp voor de uitvoering van de parochiale taken. Maar de betiteling petit vicaire was in de bisschoppelijke gebouwen een paar keer te veel spottend gebruikt. Weer een misdienaartje die het meent beter te weten. En aldus werd gemakkelijk terug gegrepen naar de Franse vertaling om een bepaald soort van priesters aan te duiden als petit vicaires. De wijsneuzen, de luizen in de pels, de betweters.

In het boekje "Petits vicaires" van Arthur de Bruyne wordt de geschiedenis, en vooral het belang van vier van dergelijke Petit Vicaires (en hier gebruik ik opzettelijk hoofdletters, want deze vier verdienen deze naam als een eretitel) op een rijtje gezet. Het betreft de heruitgave van een aantal artikels verschenen in het satirische weekblad "'t Pallieterke", nu uitgegeven onder de vorm van West-Pocket nrs 2-3 in één band. De betreffende artikels werden steevast ondertekend door E. de V., en dit was niemand anders dan een van de redacteurs die na het overlijden op 30 mei 1955 van de stichter van dit blad, Bruno de Winter, aangetrokken werd om de leemte op te vullen die door het heengaan van de bezieler achterbleef. Arthur de Bruyne schreef onder pseudoniem, maar werd een legendarisch informatief auteur als het over de Vlaamse Beweging ging.

Je kunt er niet omheen, 't Pallieterke was en is een Vlaams-Nationaal weekblad, en je mag denken wat je wil, maar je moet ook toegeven dat dankzij het werk van de ploeg die dit blad overeind hield, een massa geschiedkundige feiten belicht werden en bewaard bleven. Wil je dan tegenover deze feiten een andere mening plaatsen, dan is dat best toegelaten, zolang je maar toegeeft dat Vlaanderen niet meer Vlaanderen zou zijn zonder Vlaamsgezinden. Dan waren we allang Wallonië.

Achtereenvolgens worden Priester Daens, Dom Modest van Assche, Rector Jan Bernaerts en ten slotte Pater Callewaert op de ontleedtafel gelegd. Het zijn allevier mensen die op hun eigen manier opgekomen zijn voor hun volk, en elk van hen heeft op een of andere manier zwaar onder vuur gelegen. Intrigerende geschiedkundige literatuur.

In dezelfde reeks pockets onder nrs 4-5 in één band heeft dezelfde auteur nog twee andere persoonlijkheden belicht. Hendrik de Man, politicus, en Cyriel Verschaeve, priester-dichter, kregen in 't Pallieterke respectievelijk 17 en 16 artikelen die tesamen een goed gefundeerde, en toch volkse biografische schets zonder verdere pretenties moet voorstellen.

dinsdag 9 maart 2010

bilingue, dans les deux langues

Heerlijk toch, zo een man die als hij zijn mond opentrekt, altijd een uitspraak met weerklank klaar heeft, met als rechtstreeks gevolg dat elk door hem gesproken woord geïsoleerd wordt, en een bruikbare slogan kan vormen voor bij elke gelegenheid. Paul Vanden Boeynants, ooit een slager met visie en durf, later een politicus met visie en durf, zat nooit om een uitroepteken verlegen.

Zijn legendarische "teveel is trop, en trop is teveel" wordt te pas en te onpas gebruikt om te stellen dat het nu wel genoeg is geweest. Niemand zal de ware toedracht van de feiten, in de nasleep waarvan deze uitspraak gedaan werd, ooit ten volle kennen. Er hangt nog steeds een flou (artistique) omtrent de omstandigheden betreffende zijn ontvoering. Maar zijn woorden zijn de eeuwigheid ingegaan, lang voordat hij hetzelfde deed. Ooit Minister en Eerste Minister, was zijn werkelijke droom Burgemeester te worden van de Stad Brussel. Naar alle waarschijnlijkheid is het de Koning zelf, die er een stokje voor gestoken heeft. De man had in die tijd zijn vingers te fel verbrand om voor het Hof deze (seremonieel) belangrijke post te mogen bezetten.

Zijn al even legendarische tweetaligheid, die aangevuld werd met de zorgeloze zwier waarmee de wortelechte Brusselaar zich uit moeilijke taalsituaties redt, maakte hem aan beide kanten van de taalgrens populair. Een echte Brusselaar is een van oorsprong Vlaamstalige volksmens, die beter Frans dan Nederlands spreekt, en beide vloeiend door mekaar mengt.

Zo heeft hij lang voor zijn mediatieke hoogtepunt zijn volkse aard en unitair belgicistische ingesteldheid kort en krachtig verwoord in de volgende boutade: "Je suis bilingue dans les deux langues." Duidelijker kan een Brusselaar niet zijn als het op politiek gewin aankomt.

In de reeks Vandaag van Bruna heb ik het nummer 14 te pakken gekregen, speciaal gewijd aan Vlaanderen, hoewel Vandaag een jaarlijks weerkerend fenomeen was dat zowel de Nederlandse als de Vlaamse literatuur belichtte, en aan auteurs van beide zijden van de grens kans gaf nieuw werk aan de wereld voor te stellen. Een jaar of maximaal twee jaar geleden heb ik van die reeks de nummers 11 en 12, als mijn geheugen me niet in de steek laat tenminste, aangeschaft. De reden waarom hier een volkomen Vlaams nummer werd samengesteld was er een waarbij rechtstreeks uit de interne keuken van Bruna dampen opstegen die eind jaren zestig, begin jaren zeventig de uitgeverij geen goed gedaan hebben. Een project over Liefdesbrieven werd afgevoerd nog voor het kon gerealiseerd worden, gewoon omdat men geen Vandaag kon gevuld krijgen met literaire produkten terzake, want men vond eenvoudigweg niet voldoende brieven die uit de pen van Vlaamse en Nederlandse auteurs gevloeid waren. Toen daarbij nog het vertrek van een Nederlands redacteur zorgde voor een malaise in de toevoer van kopij, werd manhaftig besloten een zuiver Vlaamse versie van Vandaag naar voor te schuiven, en Frans de Bruyn en Fernand Auwera kregen de opdracht de klus te klaren.

Werk van onder vele anderen René Gysen, Paul van Herck, Wannes Van de Velde, Daniël Robberechts, Paul de Wispelaere, Piet Sterckx, Gust Gils, Bert Verhoye en Marcel van Maele werd voor de leeuwen geworpen. Daar haal ik er één enkel uit, om de geest van destijds terug boven te halen.

In "Een zwangerschap van tien maanden" van Laurent Veydt komt een Interludium voor, dat het vernoemen echt waard is. De Belgische politiek sinds 1830 werd gedomineerd door de drie grote families, die ook elders in Europa onder lichtjes andere partijpolitieke namen de lakens utdeelden: de Katholieken, de Liberalen en de Socialisten. Al de rest speelde behalve bij speciale gelegenheden over het algemeen een bijrol. En de auteur gaat aan het spelen: als Belg en als auteur moet je dat dan met de taal doen, en hij maakt woordenmoes van deze drie strekkingen:
katolisten, sosiaralen en libelieken. 
kasialieken, de libelisten en sotoralen.
kasialisten, sobelieken en litoralen.
kabelisten, sotoralen en lisialieken.
kaberalen, sotolieken en lisialisten. Enzoverder. Misschien vijftig varianten lang. En ook andere begrippen zoals Walen Vlamingen en Brusselaars worden verhakseld zoals een vakbekwame slager filet d'Anvers maakt.

Hoe ver je moet nadenken, om een ogenschijnlijk niemendalletje op zijn waarde te schatten, wordt bewezen door dit interludium dat echt veel meer is dan een banaal woordspelletje. Het vereiste dan ook een uiterst vakkundig gekozen motto, geplaatst boven zijn Belgisch politiek hakwerk: Je suis bilingue dans les deux langues (Vanden Boeynants).

zondag 7 maart 2010

Het werk van den Koning

Verbazend hoe kort het geheugen toch kan zijn. In dezelfde aankoop, waarbij ik het bewuste exemplaar van de Snoeks Almanak verwierf, en waarin het mooie artikel betreffende The man for all seasons stond, stak ook het boekje dat in zijn eenvoudige schoonheid zijn leeftijd overstijgt. Met zijn 86 jaar ziet het er nog zeer mooi en wel geconserveerd uit. Het betreft een uitgave van het Davidsfonds uit 1924, en is een vertaling uit het Engels door L. J. Verstraeten van het werk van Robert Hugh Benson, genaamd : Het werk van den Koning, deel I ’s Konings wil.

Zoals zo dikwijls zijn de delen door de tijd en de moeilijke reis van de veilige biblotheek waarin ze verbleven naar de tweedehandswinkel, gescheiden. Deel 2 is niet tot bij mij geraakt. En dat spijt me in dit geval erg, want het boek handelt over de historisch zéér moeilijke periode van de regering van Hendrik VIII, vanaf zijn kroning tot aan de terechtstelling van Thomas More.

De inleiding is geschreven door een naamloos redacteur van het Davidsfons, en die persoon wist wel degelijk hoe de geschiedenis in mekaar zat. Hij verdiende aldus toch wel met de naam vermeld te worden onder zijn bijdrage, maar kreeg die eer niet – of weigerde hem.

Robert Hugh Benson, zoon van den protestantschen aartsbisschop White Benson, was een geestelijke der Anglikaanse kerk, zo begint deze inleiding, en is van een niveau dat het interessante en wetenswaardige artikel van Joan Erskine overtreft. Hetgeen niet betekent dat ik de zaken niet in hun juiste perspectief kan plaatsen: in de almanak zou een uitgebreide geschiedkundige verhandeling niet op zijn plaats geweest zijn, zodat de badinerende benadering door de journaliste alles in zijn juiste context geplaatst heeft.

Volledig terecht wordt in deze uitgave aan de lezers de kans geboden op een indringende wijze kennis te maken met de historische personages en gebeurtenissen die de rechtstreekse en onrechtstreekse oorzaken zijn van de beslissing van Hendrik VIII om uiteindelijk de Paus aan de kant te schuiven en zijn eigen weg te gaan, en van de dramatische gebeurtenissen die daar het rechtstreekse gevolg van waren voor de positie van Engeland zowel bij interne aangelegenheden als op het internationale politieke toneel.

Het boek, hoewel het een vulgariserende roman is, is bedoeld als een ontspannend werk met een historische grondslag, bestemd voor een toch iet of wat gevormd publiek. Het beantwoordt in zijn tweeledigheid daardoor rechtstreeks aan de volksverheffende doelstellingen die het Davidsfonds zich bij de stichting voorgenomen had: een zestien of zeventien bladzijden lange wetenschappelijke inleiding, en daarna een vlot geschreven volkse roman, die de wandelwegen van de personages fictief laat herspelen, maar de historische feiten toch nauwgezet respecteert.

Nog op diezelfde, eerste bladzijde leren wij dat de auteur zelf de omgekeerde weg gevolgd heeft, en als Anglikaans priester is gaan nadenken over het onmogelijke van de stelling dat de Kerk van Engeland als enige het ware geloof vertegenwoordigt, en zich boven de Moederkerk stelde. Hij kwam tot de slotsom dat het gewoon niet mogelijk was, en sloot zich op 7 september 1903 aan bij de Roomsch-Katholieke Kerk. Twee jaar later werd hij katholiek priester, en werd later benoemd tot prelaat van het huis zijner Heiligheid. Als auteur schreef hij hoofdzakelijk geschiedkundige romans uit de wordingstijd van het Anglicanisme in zijn vaderland, waarvan dit werk, A Kings Achievements, waarschijnlijk zijn belangrijkste is.

In zijn gewetensvraag sloot hij zich dus rechtstreeks aan bij de klasse van de opposanten van de R.K.-Kerk in de jaren 1500. Hij vocht de bestaande orde aan, en nam het besluit eruit te trekken. Vroeger verliet men de R.K.-Kerk voor Lutheraanse of andere ketterijen, hijzelf deed in tegenovergestelde richting net hetzelfde. Maar dat bracht hem naadloos bij zijn verregaande interesse voor de wortels van de Engelse Staatskerk, en de vraag naar het hoe en waarom van de onherroepelijke gebeurtenissen, die de Europese godsdienstorganisatie en -beleving grondig door mekaar schudde.

Wat Luther en anderen deden op het vasteland, werd door Hendrik VIII gedaan op het eiland.  Maar niemand zal dit kunnen stellen zonder ook het verschil in morele achtergrond van de actoren te moeten benadrukken.

Daar waar ik van plan was het artikel van Joan Erskine als basis te nemen voor een uitgebreider artikel over deze gebeurtenissen, met Thomas More als mikpunt, heeft de ontdekking van deze literatuur mijn plannen omgegooid. Ik ben begonnen aan een synthese van beide, te weten het artikel in Snoeks, en de inleiding in het boek uit 1924. Maar een publicatie op deze blog hoort niet tot de mogelijkheden: het eindresultaat zou te lang zijn, en het aspect literatuur te klein in verhouding met het historisch element, om hier nog een plaats te krijgen.

De oplossing ligt dus in mijn vers aangemaakte website, die nog niet op het web staat. Daar ga ik het volledige artikel publiceren. Wanneer dat zal zijn, is een andere vraag. Ik moet nog werken aan de doelstellingen, de vorm, de inhoud en de toegankelijkheid van de website, en het artikel staat nog maar in zijn kinderschoenen.

Het is opgevat als een gedeeltelijke synthese van beide artikels, maar het is ook een persoonlijke impressie, waarbij ik gemakkelijkheidshalve voorbij ga aan wetenschappelijke correctheid en onderbouwdheid. Het blijft een persoonlijk document, dat niet veel meer dan dat als pretenties heeft. Het spreekt vanzelf dat er tientallen, honderden beter gedocumenteerde en gefundeerde werken bestaan die dit onderwerp belicht hebben. Natuurlijk zal ik niet opzettelijk gaan liegen in het opmaken van de tekst, evenmin heb ik de wetenschappelijke vorming om aan historisch onderzoek te doen. Dat zou in belangrijke mate een overschatting van mezelf zijn, en de doelstellingen van mijn vrijblijvende blog en website ver overschrijden.