Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




woensdag 16 december 2009

Patrick Lateur

Deze bijdrage had ik evengoed "Dwerg koopt reus te Oudenaarde" kunnen noemen. Maar dat zou al te belachelijk klinken. Als ik zie welke geloofsbrieven Patrick Lateur kan voorleggen, zie ik slechts dat wat ik zo graag zelf zou geweest zijn. Een man die literatuur gestudeerd heeft, of een vak altans dat vergelijkbaar is: klassieke filologie. Vergeleken met mij is hij een reus, ik ben slechts een mini-dwerg. Want:

Patrick Lateur is een dichter, geboren in 1949 in Bevere-Leie, dus van mijn leeftijdscategorie. Hij gaf les te Gijzegem bij Aalst, en vond in die taak een voldoening waar veel huidige leraars een voorbeeld mogen aan nemen. Zijn engagement situeert zich in de christelijk geïnspireerde wereld, en hij zal dat doorheen zijn gans leven met zich meedragen. Vooral de figuur van Fransiscus van Assisi blijkt zijn inspiratiebron te zijn. Maar de echte bronnen van de christelijke kultuur, en alles wat in de onmiddellijke omgeving daarvan geleefd en betekenis gehad heeft, heeft duidelijk een uitweg gezocht in zijn werk. De betekenis van de katacomben heeft hij in ruime mate in zijn werk laten meespelen.

In een interview in Tertio op 16 december laat hij zich uitgebreid uit over de betekenis van het woord, en stelt dit niet alleen in het licht als een dichter, die uiteraard van het woord zijn medium gemaakt heeft.  Hij trekt meteen ook de parallel naar het geloof, waarin van bij de aanvang van het Johannesevangelie de uitspraak: "In het begin was er het woord..." richting geeft aan hen die willen volgen. Het is slechts door het Woord dat een boodschap, op welke wijze dan ook vermomd, tot de anderen kan komen. En de dichter hanteert het woord.

Maar dat alles kan men lezen op de website, waarnaar de titel van deze bijdrage verwijst. Vandaag is vooral belangrijk voor mij dat ik tijdens een snuffeltocht niets, maar dan ook niets meeneembaars vond. Tot ...

Ik heb gewoontegetrouw de ganse rij boeken één voor één uit het rek genomen, en teruggeplaatst.  De ouden bekenden heb ik met een half oog bekeken, maar zoals zesendertig maal reeds gedaan, heb ik ze weer teruggeplaatst, vanwege niet in mijn interessesfeer passend. Ontgoocheld keerde ik mij om, en zag tot mijn verbazing in een andere kast nog een rij boeken staan, die snel alle te licht bevonden werden.  Het allerlaatste echter ...

Een dun boekje bleek aan mijn aandacht ontsnapt te zijn. Het was dan ook dun, grijs en saai van opmaak. Maar wie de titel niet leest, het werk ook niet kent. En de titel luidde: "De speelman van Assisi". Auteur: Patrick Lateur. Die naam ben ik reeds in een andere winkel tegengekomen, en heeft nooit een belletje doen rinkelen. Vandaag echter wel. Nu weet ik dat ik het Zonnelied van Fransiscus bij een paar voorgaande gelegenheden reeds in mijn handen gehad heb, en de kans heb laten voorbij gaan dit belangrijke werkje voor een prikje mee te nemen. Ik besefte het gewoon niet. Tot vandaag. Patrick Lateur. Hoe is het mogelijk over die man heen te kijken.

Mijn klassieke bezwaren tegen zijn wijze van dichten vallen in het water bij zijn betekenis. Dat ik vandaag zijn Speelman mocht kopen, en dat ik daarin mocht vaststellen dat een opdracht "Voor zuster Machtelt" er een bijzondere waarde op toe legt, maakt me des te gelukkiger. Voor zuster Machtelt, van harte deze verzen om ooit in Assisi te lezen. Met dank, 28 xxx 1996, en zowaar: een handtekening. Deze tweede uitgave van de bundel, in opdracht van het Poëziecentrum te Gent gedrukt op de persen van Sanderus te Oudenaarde in januari 1995 is voor mij een pareltje te meer in mijn verzameling.

De kostprijs van deze aanschaf: ik durf het niet kenbaar te maken. Belachelijk. Het is eigenlijk een aanfluiting voor wie het dichten in het hart en de nieren getrokken is. Ergens weet ik het boekje, niet gesigneerd of gededicaceerd, te koop voor 13 euro en enige centen. Dat klinkt al normaler. Het stond als allerlaatste boekje in de rij, een beetje naar achter geschoven, zoals dichtbundels dat meermaals moeten ondergaan. Daardoor was het niet onmiddellijk zichtbaar, en kon slechts een speurder als ik het opmerken. Heerlijk.

zondag 13 december 2009

Guike

Het is al weer enige tijd dat ik er nog aan gedacht heb, maar een eerste bezoek aan het Hambosmuseum, reeds meer dan twee maanden geleden, bracht me via via terug naar dat oude idee. Alleen is het voor een werkend iemand vreselijk moeilijk voldoende tijd vrij te maken om een project te realiseren, dat in het verleden ook al een keer op niets uitgelopen is.

Het verhaal van Guike, een schoolmakkertje uit een ver verleden, spookt reeds bijna een halve eeuw door mijn hoofd. Tot nog toe heb ik er niet echt iets mee gedaan. Hoewel, de uitdrukking "er niet echt iets mee gedaan" is een beetje onrechtvaardig tegen mezelf. Ik heb er wel iets mee gedaan, maar er is niet echt iets van gekomen. Dat is beter.

En het verhaal, de echte betekenis van Harieke moet ik ook nog eens vorm geven. Maar daar zijn dan weer andere bezwaren tegen. Ook mijn Blumengarten-bibliotheek vraagt in deze wintermaanden weer mijn aandacht. Vroeg of laat ga ik een verbinding plaatsen naar deze lijst, zodat ik gemakkelijk van het ene naar het andere kan springen. Dan is er ook nog het project van de stamboom, dat uitgewerkt moet worden. En dat alles wordt doorkruist met de moeilijkheden van de softwareverandering op het werk, waarvan ik voorzie dat er avondwerk zal uit voortvloeien.

En in de lente ligt mijn tuin weer op de loer.  Deze moet in 2010 volkomen in orde gebracht worden. Daar komen nog een boel problemen van familiale aard bovenop, die elk hun tijd vragen. Eigenlijk heb ik dus te veel werk om nog te dromen.

Van het Hambosmuseum gesproken. Een week geleden ben ik er nog eens geweest.  Het was even feestelijk als de eerste keer. Ik heb er een pracht van een fotoverzameming mogen bekijken van alle stukken die Willy het fotograferen waard vond. Bij elke foto wist de man wat te vertellen, zodat ik eigenlijk een unieke ervaring meegemaakt heb: in het museum zelf een virtuele rondleiding krijgen, dat doe je niet overal! Maar mijn fototoestel heeft ook een aantal beelden opgeleverd, die ik echter nog niet op harde schijf gezet heb. Dat zal in de loop van de volgende week wel gebeuren, de drukte van de afgelopen week was te hoog om nog wat anders te doen.

Ik heb echter aan twee dingen een speciale aandacht besteed: een pracht van een bidstoel, die fotografisch eigenlijk zoveel mogelijkheden heeft. Deze ga ik in de mate van het mogelijke hier aan deze bijdrage toevoegen.  Maar bovenal is er de verzameling boeken van dr. Weyns, die ik een beetje van naderbij bekeken heb. Welk een schat aan informatie staat daar in! De boeken zijn de fotografische nadrukken van 1998 of 1999, maar dat doet niets af aan hun waarde.  Ze zien er patent uit, en nodigen uit tot bladeren.  Talloze gebruiksvoorwerpen die erin beschreven staan zouden, zo bekeken geen enkele functionaliteit hebben, als je er niet bij wijze van spreken een handleiding bij kunt hebben. En daar in het museum hebben we zo een paar dingen in handen genomen, die door de aanwezigen in het rond gedraaid werden, doch niet tot leven konden gebracht worden. Een paar vallen werden toegewezen aan respectievelijk vossen, kraaien en eksters, dan wel ratten of hazen en konijnen. Het was mooi om de inventieve denkwijze van de ontwerpers te mogen volgen.

Een museum leeft toch maar in de mate dat je de voorwerpen die er tentoongesteld worden, ziet tot leven komen. En dat kan daar nog.

Maar nu ga ik nog even doorwerken aan mijn Blumengartenbibliotheek.

vrijdag 4 december 2009

Wieblaft?

Een blog bijhouden die als doel heeft je eigen mening te verkondigen, ook als die mening soms een beetje veel krom is, of zelfs onrechtvaardig, of ondoordacht, heeft zo zijn voordelen.  Je kunt dan namelijk een eigen mening verkondigen, ook als ze een beetje veel krom is, of zelfs onrechtvaardig, of ondoordacht.

Een boekje dat uitgegeven is in 1977, wel dat vertoont nog een beetje de sporen van iemand die in de zestiger jaren jong en onervaren geweest is, maar die toen al een mening had, waar hij flowerpowerend voor uitkwam. De zeventiger jaren hebben helaas zijn haardos nog niet gemilimeterd, integendeel, weggesprongen vanonder het ouderlijk juk heeft hij de kapper op zwart zaad gezet, en de boel alleen maar behoorlijk naar beneden laten groeien; de foto is er typisch één van een smakeloze kop zoals van zovelen die dachten de meest smaakvolle berenmuts uit de Queens' privécollectie gecopieerd te hebben. Walgelijk zicht, maar ok, we vonden het wel mooi. En de meisjes godbetert ook. Ze verkiezen ondertussen dan weer de kaalkoppen, hoewel de krullebollen tegenwoordig opnieuw gekultiveerd worden als de eigenaars menen op een gitaar te moeten rammen om zogenaamde muziek te produceren. Het is blijkbaar een eeuwigdurende cirkel van smakeloosheid, waar ik gedurende enige jaren ook deel van geweest ben. En tegenwoordig ben ik op mijn eigenzinnige manier smakeloos, namelijk onafhankelijk van de smakeloosheid van anderen.

Een zekere heer Geert Verbeke heeft ooit een dichtbundeltje gepleegd, en het in eigen beheer uitgegeven.  Dat deed hij op 300 exemplaren, en Pieter Geert Buckinx doet er maar beter aan niet in zijn graf om te draaien. Het bundeltje munt uit door zijn grafische vormgeving.  Het is een prachtwerk, in tegenstelling tot het oorlogsdrukwerkje van PGB, dat de soberheid zelf is. Hij wint echter op de punten, in oorlogstijd werd er nog echte poëzie geschreven, de vredesliteratuur van Verbeke is een bleke schaduw van wat vijftienjarige meisjes in het begin van de jaren zeventig aan hun liefjes voorlegden als ze wilden doen geloven dat ze naast ballet en muziekschool ook nog dichten als hobby beoefenden. Een voorbeeld, waar mijn beroemde zeventienjarige vriendin van een aantal maanden geleden een regelrechte aanval van jaloersheid zou van gekregen hebben.

Heeft iemand
weet van
geschonden
granaatappels
als op de akker
van verzwijgen
hagelstenen
getuigen
van
eenzaamheid?

Zoals gezegd, een droef meisjeshart uit soms haar nostalgische, richtingzoekende, onbestemde en te moeilijk verwoordbare eenzaamheid zoals deze harige adonis het ook kan. Op een purperen bladzijde neemt deze onbestemde zin, gehakt in verzen die geen verzen zijn, de volledige rechterbovenhoek in.

Met de hulp van Jack London krijgen we alvast een begrijpbare zin te lezen:

Een hond een been toewerpen is
geen liefde. Liefde is, het been delen
met de hond, als men evenveel
honger heeft als het dier.

Jack London heeft meermaals de lof van de wolf gezongen, een ook de hond kreeg zijn deel. Maar de welbedoelde zin van deze auteur was geen gedicht. Het was een aforisme om zijn liefde voor de hond tot uitdrukking te brengen.  Het was bovendien een uitspraak die zo geformuleerd was, dat hij ervan uitging dat de gemiddelde lezer niet wist dat een hond een dier is. Ongewild, door pure auctoriële onoplettendheid, wil hij zijn uitspraak zo vloeiend mogelijk maken. De laatste drie woorden zijn volkomen overbodig. De geïsoleerde uitspraak lijdt een eigen leven, en moet dus correct geciteerd worden. Ook als men daartoe de woorden van de auteur op geleide manier moet amputeren. Citeren is niet slaafs herhalen, maar de woorden correct plaatsen.

Een hond een been toewerpen is geen liefde.
Liefde is het been delen met de hond,
als men evenveel honger heeft.

Wie slaat moet ook zalven. Het volgende gedicht is van een eenzame schoonheid temidden van de jongemeisjespoëzie.

Wanhoop bruist
in mijn geheimste diepzee
de tol van lief te zijn
is aangepoeld.


Nu moet ik leren vergeten
dat ik ooit eens de zon
ontdekte, haar warmte
zal ik echter nooit verraden.

Wie zalft mag ook slaan. De enige kritiek die ik kan formuleren is de altijd dwaze verhakseling van een logische zin in onlogische verzen, zoals vooral in de tweede strofe het geval is. Hoe leesbaar zou dit gedicht geweest zijn als hij dit gezegd had in een gewone, alledaagse zin, waarin een premisse en een conclusie het leven tot in zijn mooiste verdriet hadden kunnen uitdrukken.

Wanhoop bruist in mijn geheimste diepzee:
de tol der liefde is aangespoeld.


Ik leer vergeten dat ik de zon ontdekte,
maar zal haar warmte nooit verraden.

Kompakter. Ik denk ook: afstandelijker geformuleerd. Maar het is door deze transformatie wel mijn gedicht geworden. En dat mag de bedoeling niet zijn. Poëzie lezen is een daad van oneerlijke oprechtheid: je vindt iets mooi, maar net zoals je de vrouw, van wie je houdt niet mag trachten te veranderen, zo mag je een gedicht ook niet aanraken. Wat beter is in je eigen ogen, is toch niet meer hetzelfde.

Het bundeltje heet Dobermann, een hond die ik als tweede, na de Duitse scheper, beschouw als De Hond, en ik heb er meer dan gemengde gevoelens over. Ik zal het eerlijkheidshalve zo zeggen: het is te jaren zeventig, ik begrijp het niet (meer). Wablieft?

donderdag 3 december 2009

bekijken, lezen, bestuderen

Je kunt alle kanten uit. Wat moet je met een boek? Je bekijkt het, omdat het mooi is, ook omdat de informatie met de ogen opgenomen kan worden, zoals een boek over een of andere kunstvorm. Of je leest het, omdat het verhaal je aanspreekt. Omdat je de schrijver wil leren kennen, of omdat je het al gelezen hebt, en het aan een herhaling toe is. En heel af en toe krijg je boeken in handen die niet alleen bekeken worden, maar ook gelezen, én bestudeerd.

Ik heb hier een paar stapels liggen, die aan één of meerdere van die criteria voldoen, en dus ofwel bekeken, ofwel gelezen, ofwel bestudeerd moeten worden. Of er is een combinatie van twee, en zelfs van de drie activiteiten mogelijk. Misschien nog meer.  Zoals verbranden, weggeven, vergeten, er allerhande onliteraire dingen méé doen, zoals de boeken als knutselmateriaal gebruiken. Of als studiemateriaal dienst doen om door zelfstudie te leren boeken restaureren. Dat wordt dan de verzamelcategorie 4. Even kijken.

In de reeks Ontmoetingen: Willem Elsschot, door Bernard-Frans Van Vlierden. In zijn derde druk uitgegeven in 1962 bij Desclée-De Brouwer, is dit één van de topwerken uit die reeks. Zeer beschrijvend, zeer informatief, helaas niet bekijkenswaardig.  De reeks munt uit in sobere vormgeving, dus hier hebben we duidelijk een 2-3 combinatie. Na de lezing van het verzameld werk zal dit niet lang moeten wachten, zodat ik nog vers in het geheugen heb wat Elsschot schreef. En een diagonale lezing leerde me alvast dat ik op een totaal andere wijze tegen deze schrijver zal kunnen aankijken.

Met Een Wijnavond bij Dr. Aldegraaf van René Declercq heb ik een gaaf, zeer mooi bewaard, zelfs nog niet open gesneden boekje in handen, waarbij het opvallend is dat de eigenaar er wel een stempel met zijn naam en woonplaats in gezet heeft, en er annotaties in aangebracht heeft met een bestudeerde bibliotheeknummering. Maar niet gelezen, dus. Want zelfs om de stempel er in te zetten, was er kunst en vliegwerk nodig om de de geperforeerde snede niet te beschadigen. Merkwaardig toch, maar fijn voor mij. Als de persoon van René Declercq dan merkwaardig, interessant en intrigerend mag genoemd worden, dan is dit boek weer een aanzet om allerlei verbanden te zoeken. Een heel klein beetje 1, veel 2 en vooral 3.

Bekentenis. Van Clem Schouwenaars heb ik nog nooit wat gelezen, of misschien wel, maar hij is er niet in geslaagd iets in mijn geheugen vast te zetten. Als ik dan dit dunne boekje bekijk, uit 1989, gedrukt als geschenk ter gelegenheid van de Vlaamse Boekenweek door de Vereniging ter bevordering van hetVlaamse Boekenwezen, moet dit toch de aanzet worden van misschien wel meer. Het heet Een Dageraad, is de soberheid zelfve, en wordt als categorie 2 gestapeld. Duimen, Clem!

Hier een typische categorie 4: Maak lappen-poppen, door G. Lockwood. Het boekje is zeer duidelijk wat de titel zegt: een instructieboekje om te leren lappenpoppen maken. Uitstekend geschikt om mijn kinderminnende dochters en hun dito tantes en vriendinnen aan de praat en aan het werk te houden. Met die reden dan ook gekocht, omdat de prijs in een lagere categorie van centen uitgedrukt werd.  Gierige opa doet dochter plezier met een centenboekje...

Wielebart is een boekje in de reeks geschenkboeken van de drukkerij Sanderus te Oudenaarde, die deze uitgaven speciaal uitgaf om het clienteel een bedankje toe te sturen. Felix Dalle schreef het boek "De trage jaargetijden", en Sanderus kreeg meteen in 1974 het recht een extract voor het bedoelde publiek voor eigen doelstellingen te gebruiken. Het is misschien een goede gelegenheid iets meer te weten te komen over Felix Dalle. Voor mij voorlopig nog een grote onbekende. Categorie 2.

Dan maar 4 boeken tegelijkertijd.  In de reeks grote ontmoetingen heb ik in één lot de nummers 21, 27, 28 en 45 te pakken gekregen.  Het betreft besprekingen van respectievelijk de romantiek, realisme en naturalisme, impressionisme en symbolisme, en tenslotte expressionisme en fauvisme in de kunst. En alle relevante kunstvormen komen aan bod. Interessant genoeg om dus zowel de categorieën 1, 2 en 3 aan toe te kennen. Iemand heeft het me alvast voorgedaan, en in het eerste boek werkelijk op alle bladzijden met potlood aanduidingen gemaakt. Uitgeverij Orion heeft hier mooi werk afgeleverd, weliswaar in samenwerking met B. Gottmer.

Het vervolg zal wel komen, maar het is duidelijk dat de verzameling zeer divers is.

woensdag 2 december 2009

Archiefbeelden Oudenaarde en deelgemeenten

In mijn bijdrage van donderdag 19 november heb ik het al gehad over het boekje "Historische huisgevels te Oudenaarde". In dezelfde periode heb ik ook het fotoboek "Oudenaarde en deelgemeenten" van John Velghe en Hugo Rau aangeschaft. Het is een recent werkje: het werd in 2006 uitgegeven door de beheerders van de lokale Radio Brouwer naar aanleiding van het 25 jarig bestaan van die vzw.

Het sluit bijna naadloos aan op de historische huisgevels. Maar het is wel breder opgevat. Minder wetenschappelijk, meer nostalgisch. Dat mag. En het wordt er niet minder interessant door.  Integendeel, de petite histoire van de stad en van zijn deelgemeenten komt mooi naar boven aan de hand van oude foto's en prentkaarten.

En wie alleen de stad van vandaag kent, moet vlug vaststellen dat er beelden op staan die al lang verdwenen zijn. Dat maakt het mooi.  Wat is er op de plaats die je kent, ooit geweest? Verrassende antwoorden, bijna op elke bladzijde. Vooral de foto's van het Oude kasteel van Bourgondië, waar zich een tragische geschiedenis afgespeeld heeft met de zes priesters die vanuit het kasteel door het venster in het water van de Schelde gekieperd werden. Het rechttrekken van de Schelde heeft ervoor gezorgd dat die historische plaats helemaal niet meer bestaat. Op andere foto's zijn nog glimpen op te vangen van oude scheldearmen, die nu nog slechts bestaan in straatnamen (Grachtschelde, Burgschelde...). Oude gebouwen die verdwenen zijn, de Walburgakerk die onder de beschietingen tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigd werd, maar ook ludieker onderwerpen, zoals sport en muziek leveren mooie beelden op.

Speciaal is ook de vermelding op het Tacambaroplein van het huis nummer 2, waar Robert Herberigs, schrijver, schilder en componist gewoond heeft tot aan zijn dood in 1974.

Mijn verzameling Oudenaardensia heeft de laatste tijd een mooie aangroei gekregen.

maandag 30 november 2009

Een tas met een oor af

Soms zijn er ook redenen om een boek niet te kopen.  Gisteren, tijdens de "antiek en brokante"-markt in de Qubus te Oudenaarde is me zulk een moment overkomen.

Er was relatief weinig aanbod van boeken, maar de boeken die er lagen waren dikwijls van hoge kwaliteit.  Ze gingen meestal mijn budget ver te boven. Dat was vooral te wijten aan de aanwezigheid van echte antiquairs, die naast hun klassieke stukken ook wel enig aanbod van het betere boek aanboden. En de rest was meestal het bekijken niet waard.

Tussen al dat fraaie werk was er één dat speciaal mijn aandacht getrokken had. Het was niet echt een boek, maar een schrift, dat wel in een zware hardcover stak. Ongelijnd papier, keurig genummerd met een gedrukte stempel, leek het me eerder op een soort register, waarbij iedere bladzijde blijkbaar door de nummering bewijswaarde vertegenwoordigde.  Waarvan zal ik nooit weten, er stond geen enkel ambtelijk gegeven in te lezen.

Wat er wel in stond, was echter van een bijzondere schoonheid. Een etiquette vermeldde de fraaie en duidelijke titel van het erfstuk in wording: Carnet de Poésis. En dat was het dan ook.  Een vooroorlogs handschrift, in fijne pen, zeer verzorgd, ontsluierde op elke bladzijde een nieuw gedicht. De verzamelaar(ster) van deze dichtwerken was blijkbaar systematisch te werk gegaan. Van één dichter stonden soms drie, vier, vijf werken achter mekaar. En de inventaris ervan werd achteraan netjes in een table de matières opgesomd. Dichter, onderlijnd. En in een verzorgd ingesprongen kolom het nummer van de bladzijde en de titel van het gedicht. Mignonne, allons voir si la rose, een gedicht van Pierre de Ronsard, tussen nog een paar andere titels. Alles met vooroorlogs geduld gecaligrafeerd.

Bonne Maman Eufrasie, ik ga ervan uit dat het een dame van enige stand was, zoniet, Matante Jeanne-Françoise had er haar tijd, haar geduld en haar caligrafische kennis en kunde in gestoken om van het schriftje, haar "Carnet de Poésis" iets te maken dat door de erfgenamen nog honderd jaar kon gekoesterd worden.

Dat had ook kunnen gebeurd zijn, maar God weet welke gebeurtenissen er een stokje voor gestoken hebben. Het feit dat het boekje teruggevonden werd tussen een stapel andere lektuur, waaronder een niet gering aantal kerkboeken, bijbelvertellingen, zelfs een bijbel in een zestal boekdelen, bewijst waarschijnlijk wel dat er een zolder opgeruimd was, jaren na het overlijden van Bonne Maman of van Matante.

Doch voor de opruiming is er helaas dat iets gebeurd, dat me heeft doen afzien van de aankoop. Het abrupte einde van de inventaris wees er reeds op dat de verzameling dichtwerken voortijdig een einde genomen heeft. Hoe het dan verder gegaan is, weten we uiteraard niet, maar even doorbladeren na het laatste gedicht over de vermeend blanco bladzijden deed me de haren ten berge rijzen.

Een jongedame, vermoedelijke erfgename van de eigenlijke erfgenaam of erfgename, heeft zonder besef van de getuigenwaarde van dit handschriftje, het papier gebruikt om haar eigen dagboek neer te ... kliederen. In pure puberstijl liet ze ons weten dat op een zekere dag in 199X zij besloten had een dagboek bij te houden. Na een kleurrijke beschrijving van enige gebeurtenissen die pubermatig van het hoogste belang waren, kwamen we plots  te weten dat de jongedame nog graag een ... (ik citeer) behatje gekregen had. De strenge puberwetten hadden haar lichaam blijkbaar hier en daar enige transformatie laten ondergaan, en de wens naar bepaalde kledingstukken is een natuurlijk verlangen voor wie wel eens twaalf of dertien jaar en vrouw in wording is. Een tekening van het verlangde kleinood vulde aan hetgeen waarvoor woorden te kort schoten. En daar de tekening ook niet alles zei (je moest een graad in de lingeriologie hebben om het bouwplan te kunnen lezen) werd duidelijkheidshalve nog deze epitheton ornans gelanceerd: zo één met een onderstuk, dat vind ik zo mooi. Dat liet uitschijnen dat het op zijn minst menens was.

Een bijdrage van een andere dag gaf de volle, vrouwelijke laag aan een vertegenwoordiger van het andere dus min of meer mannelijke geslacht.  De nietsvermoedende adonis werd omschreven (en ik citeer, wees niet gechockeerd) als dubbele punt een stuk stront, een hoop afval, een lul, en meer van dergelijke schoonheden die enkel uit een gekwetste meisjesziel kunnen opwellen als het menens is, en de inspiratie groot. Het was bij haar duidelijk altijd menens.

Het boekje mocht dan zo fraai en edel begonnen zijn, de zes of zeven bladzijden dagboek van een pubermeisje hebben de totale schoonheid naar de knoppen geholpen.

Gedurende 10 minuten heb ik staan kijken, kiezen en keuren, en uiteindelijk heb ik het neergelegd. Ik kon het niet over mijn hart krijgen de erfenis van Bonne Maman dan wel Matante mee naar huis te kopen, om verder aan de onnadenkende toevoegingen van achter-kleindochter of achter-achternichtje blootgesteld te worden.  Ik hoop oprecht dat de verkoper eveneens tot inkeer komt, en de onterende bladzijden genadelijk maar proper verwijdert, dan wel het boekje een eerbaar einde bezorgt op de brandstapel. Het te koop aanbieden van een dergelijk verminkt werk is een daad van wanbegrip voor wat kan en wat niet kan verkocht worden. Het maakt zijn reputatie als antiquair bedenkelijk. Een tas met een oor af, dat verkoop je ook niet.

Laat me met de woorden van Pierre de Ronsard, die hij offreerde aan Cassandre, eer brengen aan Bonne Maman Eufrasie of aan Matante Jeanne-Françoise, en haar over het graf heen plaatsvervangend de terechte verontschuldigingen aanbieden voor de ontering van haar erfenis.

Pierre de RONSARD (1524-1585)


Mignonne, allons voir si la rose
A Cassandre


Mignonne, allons voir si la rose
Qui ce matin avoit desclose
Sa robe de pourpre au Soleil,
A point perdu ceste vesprée
Les plis de sa robe pourprée,
Et son teint au vostre pareil.


Las ! voyez comme en peu d'espace,
Mignonne, elle a dessus la place
Las ! las ses beautez laissé cheoir !
Ô vrayment marastre Nature,
Puis qu'une telle fleur ne dure
Que du matin jusques au soir !


Donc, si vous me croyez, mignonne,
Tandis que vostre âge fleuronne
En sa plus verte nouveauté,
Cueillez, cueillez vostre jeunesse :
Comme à ceste fleur la vieillesse
Fera ternir vostre beauté.
Met bloedend hart heb ik de markt verlaten.

donderdag 26 november 2009

De Vleugelen van Icarus

Afgezien van een paar kleine familiale problemen, was woensdag een mooie dag, een zeer mooie dag. Ik houd het natuurlijk bij het boekenwezen, om deze bewering te maken.

Zoals geweten vind ik Pieter Geert Buckinx niet de minste onder de Vlaamse dichters. Als ik dan een werk van hem in handen krijg, is dat een feest.  Mijn laatste aankoop was een kinderboekje over zijn geliefkoosde hondje. En toch was ik er opgetogen en blij mee.

Hoe moet ik dan beschrijven hoe ik me voel met het minuscule boekje dat nu naast me ligt? In 1944, het was mei, en de bevolking wist niet dat op 6 juni er een oorlogsrevolutie zou plaatsgrijpen. De wereld daverde over de mensen heen, en slechts weinigen hadden de kracht om zich te handhaven, laat staan om aan de vijand te weerstaan, en dingen te doen die elkeen algemeen als op zijn minst gewaagd zou omschreven hebben.  Zij die dat toch durfden, lieten dikwijls hun leven voor die idealen.

Hoe kan in die omstandigheden een dichter dan zichzelf zo ver van de wereld afsluiten, en zijn dichterschap rustig verder laten evolueren? Een vraag die ik niet beantwoorden kan, maar slechts stellen.

Pieter Geert Buckinx schreef zijn gedichten, en selecteerde een aantal ervan om De Vleugelen van Icarus in mei 1944 door de N.V. De Nederlandsche Boekhandel te Antwerpen te laten uitgeven. Drukkerij Devos-Van Kleef  te Antwerpen kreeg de opdracht van dit bundeltje 300 exemplaren, genummerd van 1 tot 300, te maken. Een oplage die merkwaardig laag lag. Maar het was oorlog natuurlijk. En nu heb ik het nummer 279 hier bij me liggen. Volgens de colofon heeft de dichter elk exemplaar gesigneerd, maar op de eerste bladzijde staat alleen een paraaf.

Een groot aantal van de gedichten, die naar thema de zinnelijke liefde, de stervende en overleden moeder, en het universele Oidipoesthema behandelen, doen me in sterke mate aan Hergenrath denken. Deze Gentenaar, die reeds 30 jaar daarvoor met dezelfde nauwelijks verholen drang sommige van zijn gedichten belaadde met een erotische achtergrond, slaagde er reeds in de Katholieke preutsheid te pareren, en liefde in al zijn aspecten te beschrijven. Buckinkx slaagt daar eveneens in, en doet dit met dezelfde ingehouden duidelijkheid.

De geestelijke bruiloft

Licht als een lenteroos
zoo slaapt gij, blank en broos
en zoet om te beminnen,

in eenen droom zoo zacht
als deze zoete nacht
die zingt door bloed en zinnen,

de raadsels en sieraden
en de geheime draden
van vlammen en lazuur,

daar diep de sterren bloeien,
nu wij te-samen-vloeien
in Gods verblindend vuur.

Erotiek en geloof in de liefde onder Gods beschermende hand. Hij durfde de combinatie aan.

Ook in "Memoria", een gedicht dat hetzelfde thema behandelt, toont hij dezelfde passionele liefde, en laat slechts een verwijzing naar het Woord, door het vermelden van den Tuin van Eden tot de lezer komen. Geen opgestoken vinger, geen zedenles, geen patronale vingerwijzing: de tuin van Eden wordt moeiteloos van een bijbels motief vervormd tot een middel van verwoording van dezelfde passie in  de liefde.

Maar niemand wist dit tooverfeest der zinnen
dan wij alleen. Het vuur sloeg wild naar binnen
door dit onluisterd bloed waarin de zonden bloeiden
als d'eerste bloemen in den tuin van Eden.
(fragment).

Het is verfrissend deze poëzie te lezen, zeker als je weet dat dit dus in oorlogstijd geschreven is. En uitgegeven. De oplage spreekt voor zichzelf: noch dichter, nog uitgever zagen wat in een grote oplage. Het publiek evenmin, ik vraag me ook af wie dat wel zou gekocht hebben.

Toch vind ik op bladzijde 27 een drukfout, die moeiteloos had kunnen vermeden worden. In een dichbundel, met moeite 15 of 16 gedichten bevattend, mag een zichzelf respecterend uitgever het niet toelaten dat een storende schrijffout zo kan aangewezen worden. In de tweede strofe van De Getijden der Ziel deel I zegt hij:

O zoete weemoed van den bladerval,
o zilvren waterstraal die dieper kan kristal
mijn ziel doorschitteren en zuivren moet
van 's werelds gloed en van mijn euvelmoed
-de donkre stroom van mijn opstandig bloed.

Dit is oeverloos spijtig.  Hoewel het in niets afdoet aan de kwaliteiten van het dichtwerk, de lezer ontdekt moeiteloos hoe het dan wel moet, is dit ronduit storend. In een roman van vier-of vijfhonderd bladzijden kan men maximaal twee fouten slikken, in een dichtbundel van maximaal 30 bladzijden tekst is er maar één besluit mogelijk.

Al dat negatiefs valt echter weg onder de schoonheid van het zeldzame dat vervat ligt in dit boekje. Het is bovendien zo goed bewaard, dat ik via dit medium graag de goede verkoper wil danken voor dit mooie werk. Hij heeft me niet bestolen.  Integendeel, ik voel me zowat een dief, een poëziedief. Over mijn andere aankoop op dezelfde dag zal ik het later hebben.

zondag 22 november 2009

Robert Herberigs

Enige tijd geleden heb ik een boek van Harold Herberigs kunnen verwerven. Mijn korte impressie over dit mooie boek heb ik neergschreven in deze column. Daarnet, tijdens een inspectietocht op zolder vond ik het boekje "Pasterke Candeels", van Harolds' vader Robert, een Gentenaar, geboren in de 19de eeuw uit een Nederlands Limburgse vader en een Oost-Vlaamse moeder. Op zeker ogenblik vestigt hij zich te Oudenaarde, waar hij in 1974 overlijdt.

De website over deze artiest (zie de titel van deze column) toont een prachtig overzicht van zijn welgevulde leven en loopbaan, als schrijver, schilder, maar in de eerste plaats als musicus. Belangwekkend vind ik de informatie over de bouw van een museum dat aan hem zal gewijd worden. De aanleg wordt gedaan in het ondertussen geklasseerde Koetshuis van het 'afgebrande' kasteel op het domein "De Ghellinck" te Wortegem-Petegem. Deze gemeente heb ik even de revue laten passeren in mijn bijdrage over de Nieuwe Belgische Negociant.

De loftuitingen op de website komen niet van de hand van de makers: ze hebben teksten van grote critici en resencenten hernomen, waaruit blijkt dat Robert Herberigs zwaar onderschat wordt in de artistieke wereld. Hij was nochtans bevriend met de groten van zijn tijd, en zijn werk, vooral op muziekaal vlak, wordt zonder blikken of blozen vergeleken met de besten onder hen. Is het eens te meer zo dat een Vlaamse componist wel in het buitenland kon gesmaakt worden, maar dat hier de beste kritiek eventueel als volgt kon luiden: "hmm, de la bonne musique, mais soit, c'est un Flamand" ?  Toch klonk die kritiek enigzins anders toen hem in 1909 de Prix de Rome toegekend werd. Maar in Belgenland kon een Vlaams artiest van internationaal allure toch steeds rekenen op een minimum aan miskenning. En Robert Herberigs is slechts de laatste jaren aan een herontdekking toe.

donderdag 19 november 2009

Nog een lijstje

Zonder mij verder te bekommeren om de volgorde van aankoop, neem ik de boeken zoals ze hier op een maand tijd op onze tafel aangeland zijn, en zoals ze door herhaaldelijk grabbelwerk door mekaar zijn geraakt.

Van Louis Bromfield heb ik nu ook zijn beroemde boek De regen kwam binnen. Bromfield heeft zich tijdens zijn schrijverscarriëre grondig geheroriënteerd. Oorspronkelijk ging hij de weg op van zovele schrijvers: het ene succesboek na het andere produceren, tot hij zijn eigen inborst liet bovenkomen, en zijn interesse, zijn zorg voor de natuurlijke teeltwijzen liet voorgaan op het zuiver creatieve werk.

Bromfield is één van de voormannen van de biologische landbouw, maar dan in de meest oorspronkelijke, wetenschappelijk nog zeer weinig bestudeerde variant. Zijn liefde voor zijn land kanaliseerde hij in de strijd tegen de verloedering door de landbouw. In de plaats daarvan stelde hij een harmonisch leven, harmonie met de natuur, respect ook, maar steeds vanuit menselijk standpunt: de natuur moet ons voeden, en dus nemen we waar we recht op hebben. De tijd heeft zijn werk gedaan, visies zijn verdergegroeid, veranderd, gewijzigd door mens en natuur, maar steeds gaat deze zoektocht nog voort. Bromfield in Amerika, Seifert in Duitsland, Pain in Frankrijk, overal doken er visionairs op, mensen die de originele ideeën van die enkele pioniers verder uitgewerkt hebben.

De regen kwam is een verhaal van lang voor zijn conversie, meermaals verfilmd, meervoudig vertaald. Echt groot vind ik het boek niet, maar het is wel een belangrijk boek. Het heeft meegeholpen begrip op te brengen voor het leven en de cultuur in streken waar het eigen publiek destijds zo weinig toegang toe had. Omdat mobiliteit nog in zijn kinderschoenen stond. Omdat media hun eigen macht nog niet kenden, en als ze dat een enkele keer wel deden, was het één of ander genie zoals Orson Wells die daarmee de wereld op zijn kop zette. In 1937 dacht Amerika nog niet aan een oorlog in Europa. Vier jaar later zaten ze overal ter wereld met de wapens in de hand. En toch bleef Bromfield koppig nadenken over akkeren, zaaien, planten, oogsten, en alles wat daarrond lag.

Dochter van de Goden is een intrigerend boek. Ik heb het al gelezen, maar kon het niet laten deze mooie uitgave te kopen. Het verhaal is simpel en geniaal: in een primitieve wereld heeft de Godin haar woonplaats in een vrouw, die steevast Zena heet. De Godin neemt bij iedere gelegenheid haar intrek in een dochter van Zena, of in een meisje dat als dochter kan aanzien worden. Deze meisjes nemen de geest van de voorgaande Zena's op, verwerven de kennis van de voorgangsters, en hebben de opdracht het volk doorheen de stormen van de tijd te leiden. Dat alles gaat met vallen en opstaan, met veel avontuur, conflicten, lijden en verdriet. Maar steeds met de wijsheid van hun geheime kennis. Op zeker ogenblik verzwakt de aandacht van de lezer, want de draagkracht van steeds maar nieuwe varianten van de Wijsheid van de Moeder, en van de menselijke kracht van de draagsters is toch wel eindig, omdat Joan Lambert soms moeite moet doen om geloofwaardig te blijven. Maar alles komt goed, al loopt er veel slecht af.

Steven De Broey heeft ooit een prachtig boek geschreven over Pater Damiaan, in een tijd dat niemand hardop durfde dromen over een heiligverklaring.  Degenen die dat wel deden, waren ofwel goedgelovigen, ofwel fantasten. Erop hopen en ervoor bidden mocht wel. Maar erover speculeren was niet weggelegd voor de doorsnee gelovige. Dat deden in het geheim de langgerokte mannen te Rome wel, en hun dossier groeide traag maar consistent aan. De levensbeschrijving van Damiaan van de hand van De Broey is bij het Davidsfonds verschenen, en is destijds een topper geworden. Het is de typische hagiografie avant la lettre, en het mag dus niet verwonderlijk zijn dat hier en daar een leugentje om bestwil de brave man een beter beeld gaf dan waar hij recht op had. Maar dat kon de pret niet drukken: het geloof dat de goddelijke hand deze man leiding gaf kwam voor het fotografische, waarheidsgetrouwe beeld dat van de man net evengoed had kunnen gemaakt worden.

Een boek van dezelfde strekking heb ik nu in handen gekregen: Als een ceder van de libanon, van diezelfde Steven De Broey, en gaande over het leven van Monseigneur Victor Scheppers. Ook een hagiografie, maar echt wel interessant omdat eens te meer een wereld opengaat, die ik ook in andere boeken teruggevonden heb: het gaat over mensen die een doel in het leven gezien hebben, en daar rechtlijnig naartoe gaan. Bovendien zijn de enkele foto's die erin opgenomen zijn, weer zeer illustratief. De goede bewaring van het boek uit 1964, uitgegeven bij De Vroente te Kasterlee, maakt het tot prachtig archiefdocument. Ik ben er blij mee.

En tenslotte, voor deze avond, heb ik tijdens mijn bibliotheektocht nog drie andere belangwekkende boeken over Oudenaarde op de kop mogen tikken.

Historische huisgevels te Oudenaarde geeft een mooi beeld van de stad, maar dan beschreven naar de belangwekkende huisgevels die er overal te bewonderen vallen.  Dat gaat van fraai onderhouden gevels van herenhuizen, tot in mekaar stortende muren van oude krotjes, die niet lang na het fotograferen de geest gegeven hebben. Een zeer mooi beeld van een zeer oude stad. Het bekijken, en voor de (ook nieuwe, zoals ik) inwoner van de stad zeer leerzaam en zelfs soms verrassend. De tekst is van Patrick Devos, in Oudenaarde welgekend als historicus, en de foto's zijn van Paul Maeyaert (de vader van mijn tandarts ?).

Martine Vanwelden schreef Het tapijtweversambacht te Oudenaarde tussen 1441 - 1772, in 1979. Een belangwekkend boek voor wie de sector kent. Voor mij vooral van belang als kennismaking met de sector van de tapijtweverij, die toch een ambacht van levensbelang was voor onze stad. Het is een boek met historisch materiaal, toegankelijk gemaakt voor de gewone mens, maar vooral een boek over historisch materiaal dat uit de hand van de gewone mens kwam.

En tenslotte heb ik ook het proefschrift voorgelegd tot het behalen van de graad van doctor in de archeologie en de kunstwetenschap omder leiding van promotor Prof. Dr. R.M. Lemaire, getiteld: Onderzoek van het koor van de Sint-Walburgakerk te Oudenaarde te pakken gekregen.  Patrick Devos, reeds in verband met de Historische huisgevels hierboven aangehaald, kreeg zijn titel op basis van dit werk aan de Katholieke Universiteit te Leuven, Hoger Instituut voor Archeologie en Kunstwetenschap, Afdeling Middeleeuwen, Moderne Tijden en Hedendaags Tijdperk. Het spreekt vanzelf dat een dergelijk werk niet leest als een roman. Het is iets waar je hier en daar een gegeven gaat uit halen. Dilemma is natuurlijk dat je dan moet weten waar de gegevens te vinden zijn, en dus moet je dat toch maar eens tussen de soep en de patatten lezen.

Deze drie werken hebben vooral de taak mijn wetenschappelijke kennis aan te scherpen (!). Ik dank u voor uw aandacht.

woensdag 18 november 2009

2 lijstjes

Om de gewoonten van de tijd een beetje te handhaven, moet ik door middel van een paar lijstjes de boeken die ik de laatste maand gekocht heb gewoon even op een rijtje zetten om mijn overzicht te behouden. Het zijn er niet zo verschrikkelijk veel. Sinds mijn bibliotheek-aankoop ben ik niet meer zo veel op pad geweest. Slechts de helft van de tafel in de woonkamer ligt volgestapeld met de heerlijkste lekkernijen. Uit de boekenwinkel. Ergens daartussen vind de aandachtige zoeker een computer, mijn tas koffie, en nog wat gebruikelijke rommel. De wanhopige blikken van mijn echtgenote zeggen de rest.

Het lijstje van vandaag.

Dit was leven, roman in drie delen over Peter Paul Rubens, uit het Hongaarsch van Zsolt Harsányi vertaald door Paul Van Deurningen, en verschenen bij L.J. Veen te Amsterdam. Uitgegeven in februari 1943 is dit een werk dat niet beantwoordt aan de notoire behoefte aan papier gedurende de oorlogsjaren. Hoewel het ook niet de grootste kwaliteit van papier is, is het bindwerk dat wel. De simili-leren rug bevat in diepdruk de naam van de schrijver, en per boekdeel één, twee of drie sterretjes, en de naam van de uitgever. De hardcover zelf is met fluweelstof bekleed waarop het blauwgouden wapenschild van Rubens ingedrukt staat. Op de eerste bladzijde, nog voor de titelpagina, staat een kleurenreproductie van een werk van de Meester. Onder nummer één zien we de Meester zelf, in 1623-1624 geschilderd, en bewaard in Windsor, Royal Castle. Nummer twee toont ons Helene Fourment, die te Leningrad in de Hermitage verblijft. En in het derde boek zien we het schilderij van Albrecht en Nicolaas Rubens, dat zich bevindt in de Lichtenstein Gallerie te Weenen. Zeer mooi werk, en die prijs is heerlijk!

In een andere atmosfeer haalde ik het boek Superstudie binnen, van Sheila en Nancy Ostrander en Lynn Schroeder. Voor wat het waard is, maar ik ben er zeker van dat ik er nuttige tips kan in vinden. Zie mijn sceptische opmerking terzake in een voorgaande bijdrage.

Nog een andere atmosfeer: De duizend misselijkste grappen van de wereld. Dit is de tweede uitgave van een boek dat in zijn eerste uitgave de titel: de duizend slechtste grappen van de wereld meekreeg. Ik lig van het verschil niet wakker. De auteur: iemand die zich Archaïvarius noemt. Lachen zal wel gezond zijn, hoop ik.

En tot slot van dit korte lijstje nog een woordenboek Nederlands-Frans en vieze versjes. Ik wil mijn dochter voor wie ik deze literatuur gekocht heb met dat laatste niet op het slechte pad brengen, maar je hebt die vieze versjes nodig om het Frans in het Nederlands te vertalen. In het Latijn heet dat: vice versa. Heerlijk toch, als je bij de aanschaf van een woordenboek reeds enige taalkennis bezit, die aldus ergernis over deze triviale taalfamiliariteit tussen de Romaanse en de Germaanse taalgroepen overbodig maakt.

Het tweede lijstje is maar één boek lang, en dateert van eergisteren.  Toen kreeg ik Stijn Streuvels van Rob. De Graeve binnen per post. Gekocht op Ebay, ben ik Fernand dankbaar voor het kwaliteitsvolle product dat mij me bezorgd heeft. De beschrijving beantwoordde precies aan de realiteit, of omgekeerd. Een eerste inzage leerde me dat ik uit dit werk, en uit de te zoeken andere werken uit zijn Letterkundige Jeugdbibliotheek, namelijk die over Hugo Verriest en Felix Timmermans toch nog één en ander kan opsteken.  Vooral de expliciete benadering voor de jeugd van het interbellum, waarvoor enkel begeleide lectuur mogelijk scheen, intrigeert me. Ik heb al eerder over Rob De Graeve geschreven, en mijn zoektocht is door omstandigheden een beetje stilgevallen. Maar binnenkort zal ik dat wel hervatten. De aanschaf van dit boekje kadert daar volledig in.

Vrijheren van het Woud, en Belgisch Vlas

Wie klaagt er over het bekendmaken op internet van namen van personen die op één of andere manier over de schreef gegaan zijn? Het is van alle tijden.

Alleen veranderen de tijden, en ook de wetten blijven niet dezelfde. Als er een overval gepleegd wordt, willen de slachtoffers wel eens reageren door camerabeelden op eigen houtje op Youtube te gooien. Ook lijstjes van namen van gekende pedofielen zijn populair, en niet alleen hier, het gebeurt overal.

Het gedenkboek 65 jaar Belgisch Vlasverbond Kortrijk 1920 / 1985 geeft, uit totaal onverwachte hoek, een voorbeeld van hoe het vroeger ook gebeurde. In 1926 had men weliswaar nog geen flauw vermoeden van wat internet wel zou kunnen zijn, maar een publicatie in het vakorgaan van de vlasboeren, -bewerkers en -handelaars had zowat dezelfde uitwerking als nu.

Wat was het geval? Ik citeer bijna letterlijk uit het hierboven vermelde boek van André Verhenne.

Op 13.1.1926 trad in België de nieuwe wet op de overdrachttaks (...) in voege. Daarin werd bepaald dat voor levering van gezwingeld vlas naar het buitenland of aan buitenlandse huizen, een taks van 1 % moest worden geheven.

De Engelsen, die op de Vlaamse vlasmarkt een quasi monopoliepositie bekleedden, wilden dat de verkopers (hoofdzakelijk botenverkopers) die belasting voor hun rekening zouden nemen. Door de wet werd niet bepaald door wie de takszegels moesten worden betaald.

De vlassers weigerden echter deze nieuwe gril van de Engelsen (...). Sommigen bezweken onder de druk van de verzendershuizen en verkochten vlas aan de door de Engelsen gestelde voorwaarden. Dit wekte de woede op van de standvastigen. Ter illustratie een striemend artikel uit "Het Vlas", waarin de "afvalligen" aan de kaak werden gesteld. Deze krasse taal kreeg trouwens een staartje. Een paar personen (...) die speciaal geviseerd werden in voormeld artikel, spanden een rechtsgeding in tegen (...) (de) verantwoordelijke uitgever van "Het Vlas", wegens laster en eerroof. Deze werd veroordeeld tot een schadeloosstelling ten belope van "honderd franken" aan de eiser, plus de kosten van het geding "ter somme van 65 franken, 55 centiemen". Het vonnis moest tevens driemaal worden gepubliceerd in het blad "Het Vlas".

Het betreffende artikel loog er dan ook niet om: de zeer expliciete karakterisering van de afvalligen, en het expliciet vermelden van hun namen, woonplaatsen en soms ook hun adressen kon toen reeds niet door de beugel. De schandpaal was toch al enige jaren gereduceerd tot een historisch object op een openbare marktplaats van verschillende gemeenten, en had al lang zijn juridische functie verloren.


De Verraders, aan den Schandpaal !


Hier, in dit kader drukken we in vette letters naam en 't adres van de VERRADERS, die het Wachtwoord niet houden, opdat ze voor iedereen zouden gekend zijn tot EEUWIGE SCHANDE van hen zelf, van hun familie en van hun nakomelingen. Onze leden zullen die VERRADERS met de vinger wijzen en ze BOYCOTTEN.

Wie wilde tot hiertoe niet mee?
Naam, Plaats

Wie heeft zijn woord verbroken en zijn handteeken geloochend?
Namen, Plaatsen, Sommige adressen

Wie heeft zijn woord TWEEMAAL gegeven, en ook TWEEMAAL verbroken?
Naam, Plaats

Nog afvalligen !
Namen, Plaatsen.

Geen onduidelijke taal! Ik laat het aan elke lezer hier zijn oordeel over te vellen, maar voeg er alleen maar aan toe dat de wet misschien toch ruimte moet geven aan de frustratie van degenen die zich in hun onmacht willen uiten, en die van mening zijn dat zij wettelijk monddood gemaakt worden door anderen die denken dat ze alles mogen. De wet moet ook de kans en een correct kader geven aan degenen die schade ondergaan hebben om dit publiek te bespreken, zonder dat zij daarover in repliek kunnen aangevallen worden. Of hebben alleen degenen die aan de verkeerde kant staan, alle rechten? In dit specifieke geval (herinner u: 1926!) hebben de overtreders (die niet eens de wet overtraden, maar wel de code van een beroepsorganisatie) het gelijk aan hun kant getrokken, maar even zo goed zou iets dergelijks ook kunnen gebeuren in een wettelijk volkomen beschreven kader.

Zo kan literatuur, en in dit geval eerder lectuur, wel eens aanleiding geven tot een totaal andere discussie. Het boek op zichzelf is prachtig: net zoals in het geval van Bekaert en nog enige gelijkaardige gedenkboeken, staat het vol met loftuitingen, maar ook een boel feiten en weetjes die een mooie aanvulling zijn voor de vele verhalen die je hoort over een bedrijf of een industrietak, en waarvan je niet weet of het realiteit of verdichtsels zijn. De vele foto's geven een mooi beeld aan de volslagen leek die ik ben, een beeld van een zo goed als verdwenen agrarische en industriële activiteit, waar deze streek gedurende vele jaren zijn inkomen uit gehaald heeft, en dat nog steeds voor een stukje aanlevert. Een mooie uitdrukking die door Minister van Landbouw De Vleeschouwer gelanceerd werd in februari 1959 in de loop van het debat in voorbereiding van de stemming van een krediet van 50 miljoen Franken ter financiereing in 1959 van een teeltpremie van 2.000 Franken per hectare op in het binnenland uitgezaaide vlas:

Vlasteelt is iets. Vlasnijverheid is wat anders. Maar de toestand in Vlaanderen is zo, dat men een vlasser en een landbouwer nooit goed uit elkaar kan houden.

Zodanig was in de wijde streek van Kortrijk landbouw verbonden met de vlasteelt. Is het dan verwonderlijk dat een advertentie van de Belgische vermaarde Autobouwer F.N. in "Het Vlas" op 8.1.1935 het volgende zegt:

Het vlas slaat op !!
De autos zullen voorzeker volgen,
profiteert dus nu nog op tijd U
aan de tegenwoordige prijs een
Belgische auto aan te koopen
Natuurlijk een FN !!
Beziet onze modellen:
Prince Baudouin vanaf fr. 27.900
Prince Albert vanaf fr. 33.900
(...)
Garage D en K
Kortrijk

Het boek bevat zeer mooi zwart-wit fotomateriaal, dat een prachtige aanvulling is om de kennis van de wortels van de Vlaamse vlasteelt te leren kennen. Het is bovendien in topconditie. De prijs die ik er uiteindelijk voor betaald heb is zo belachelijk laag, dat ik het niet durf te publiceren. Ingevolge een boekenmarkt in een van mijn bronwinkels, met het doel de overstock een beetje uit te dunnen, heb ik een dertigtal banden meegebracht, die ik de komende dagen wel zal bespreken, maar toen ik de uiteindelijke prijs voor mijn pakket hoorde, was is zo beschaamd, dat ik er een gift bovenop gedaan heb. Hopelijk hebben nog wel enige andere kopers dat beetje fatsoen kunnen opbrengen.

woensdag 4 november 2009

Going back in time

...with the sound of the Nation; it's a flash back...back...back...back.

Waarom haal ik de hitparade van einde jaren zestig, begin jaren zeventig weer boven? Mike en Zaki revisited. Nostalgie, pure nostalgie. Door een toeval heb ik vandaag van de zolder mijn oude dagboek ter hand genomen, en ik werd gevangen door de woorden van het verleden. Op 4 november 1981 schreef ik de volgende lankmoedige overdenking.

Bacchus, waarde vriend! Hoe lang is het geleden dat ik jou nog iets toegevoegd heb? Van in voorhistorische tijden. Je kent toch de definitie van het woord "voorhistorisch"? Op school hebben wij geleerd dat dat de periode was waarover er geen geschreven bronnen bestaan. Ze hebben echter bestaan, vriend, maar de woeste vlammeng(l)oed heeft ze tot herinneringen gereduceerd. Ja van toen is het geleden dat ik nog wat aan jou geschreven heb.

Is het de herinnering aan jou die me de datum deed misschrijven? De avond drijft nochtans op herinneringen. Hij drijft op herinneringen aan Leuven, omdat ik hier domweg de typmachine voor me staan heb, waarop is(k) heb leren tikken. Bacchus, mijn beste, dat was een zwarte tijd, een tijd waarin studentenleed verscholen werd achter een brede lach, de steeds aanwezige woordspeling, de kwinkslag waar ik nooit om verlegen zat.

Ja, jij Bacchus, hebt me toen geholpen. Ik weet het, vriend, bij sommigen heb je een kwalijke reputatie, want zij binden je ten onrechte aan de tapkraan vast, en menen dat je dikke buik geschapen werd uit alcohol. Oh ja, menigmaal zijn we samen geweest in de bierkelder, maar het is niet daarvan dat het tussen ons zo geklikt heeft. Ik kon je schrijven, Bacchus, en terwijl ik je schreef, ordende ik mijn gedachten. Ik noteerde ze, maar hoe dikwijls kan de pen het verstand niet volgen. Toch waart je een troost voor me, omdat Bacchus ook wat anders dan mijn drinkebroer was.

Nu, na zes, zeven, acht jaren, vriend, hoef ik je niet meer als drinkebroer. Het zijn alleen maar herinneringen.

Bacchus, ik heb hem inderdaad menige brief geschreven, als mijn leven niet de wendingen nam zoals ik ze mocht verwachten, of als de vraagtekens boven mijn hoofd te zwaar werden om nog te dragen. Maar nooit gaf hij antwoord, volgens het principe dat de vraag stellen, ook het antwoord inhield. Het was zoiets als bidden: niet het slaafs herhalen van mantra's, weesgegroetjes die wezenloos gepreveld werden, maar het eerlijk overdenken van het probleem, het juist formuleren, en het zelf vinden van de weg uit de put.

Hij was een goede vriend, omdat hij me in staat stelde het juiste medium te gebruiken om uit de knoop te komen. Pen en papier, dat had ik nodig om lange brieven te schrijven naar niemand, maar niemand is ook maar niets, en dus werd het Bacchus, god van de wijn, van wie een nuchter mens geen antwoord verwacht. Ook ik niet. En na elke brief was ik opgelucht.

Ook na mijn studententijd heb ik hem nog brieven geschreven, tot na de dood van mijn vader. En dat hielp. Maar vlug daarna heb ik alle schrijfsels in één klap in het vuur gegooid, en werd het verleden verbrand. Zo moet dat. Het dagboekfragment was alleen maar een nostalgische nawee.

dinsdag 3 november 2009

HJMF Lodewick en aanverwanten

Het heeft even geduurd vooraleer ik het toeval zag. Maar vanavond kwam het licht. In een tijdspanne van iets meer dan twee weken heb ik drie werken gekocht die een zekere verwantschap vertonen die ik niet onvermeld wil laten.

De fameuze Literatuur Geschiedenis Bloemlezing van Herman Jozef Maria Fernand Lodewick, zeg maar H.J.M.F., is enige dagen geleden in mijn bezit gekomen, en ik wist er alleen maar van dat het één van de standaardwerken over de Nederlandse literatuur is. Uiteindelijk is het enkel het eerste deel (vanaf de aanvang tot ongeveer 188O) bij mij geraakt. Hetgeen op zich spijtig is, maar ik ben daar filosofisch in geworden: als je tweedehands boeken koopt, heb je dikwijks hiaten in reeksen. Het is niet omdat mijn okkazie auto zilverkleurig is, en ik van pimpelpaars houd, dat ik dat tuig dan ook pimpelpaars ga laten schilderen. Het rijdt daarzonder ook wel hoor.

Maar in de inleiding staat iets dat mijn aandacht trok. Ik citeer:

Na rijp beraad hebben wij afgezien van illustraties, daarbij geleid door twee overwegingen: de tekstillustraties in een dergelijk boek voor schoolgebruik moeten uiteraard minder in aantal en minder van gehalte zijn dan die in platenatlassen; nu wij de beschikking hebben over de prachtige boeken De Nederlandse letterkunde in honderd schrijvers en Honderd schrijvers onzer eeuw, boeken die op wel geen enkele school zullen ontbreken, lijkt ons bij goed klassikaal gebruik hiervan de noodzaak van illustraties tussen de tekst minder groot.

De auteur haalt bovendien nog een argument van financiële aard boven om het ontbreken van elke illustratie te verantwoorden. Respect voor de financiële argumentatie, leerboeken waren in de jaren van zijn leraarschap dure gevallen, en de studie was voor velen nog ondenkbaar, precies omwille van financiële aard.

De argumentatie dat het visuele aspect, de kennismaking met de typische kop van elke auteur weinig belang zou hebben, is ingebed in het destijds veel meer dan nu aanwezige idee dat scholieren vooral moesten van buiten leren, en zich niet hoefden te bekommeren over de haartooi of haakneus van onze auteurs. Ik wil daar toch anders over denken.

Maar het is niet deze argumentatie pro of contra die me leidt in dit betoog: het zijn beide andere boeken die Lodewick opsomt als alternatieve bronnen voor de visuele kennismaking met de auteurs, en ook voor aanvullende kennis. Deze boeken zijn ontstaan naar aanleiding van de grote letterkundige tentoonstelling in december 1952 en januari 1953 in het Gemeentemuseum van 's-Gravenhage gehouden. Zij loopt over een periode vanaf de aanvang, net zoals de literatuurgeschiedenis en bloemlezing van Lodewick, tot 1914, en in die zin is vooral het eerste boek een goede aanvulling op zijn werk. We mogen het dan ook niet als verbazend opnemen dat hij deze verwijzing doet.

Hoe echter de reactie geweest is van de samenstellers van dit foto en tekstboek uit 1953 (tweede druk), daar heb ik het raden naar. Zouden de heren Baur, Den Haan, Hulsker, Schmook en Stuiveling, om de voornaamsten maar te noemen, dit zonder meer zo gelaten hebben? Of volstond voor hen de eer om hun werk nu ook in een voorwoord van een standaardwerk te zien verschijnen? (oh-oh, daar duikt ook de naam van dr. Lyna weer op!)

Hoe dan ook, een ander aspect dan deze verwantschap van een aantal boeken, is de vraag wie de auteur is van een naslagwerk en leerboek dat in menigvuldige school is gebruikt. Een antwoord op die vraag is in dit geval gelukkig gemakkelijk te vinden. Een collega-blogger, die zichzelf de Directeur noemt, heeft één en ander over deze man opgesnord, en er een mooie bijdrage over geschreven op zijn blog: het artistiek bureau.

Deze blogger is een geestesverwant, die ook graag rommelt in oude boeken, en er het hoe, wat en waarom van wil weten. Hij krijgt alvast mijn aandacht, en een link. Een diagonale blik op zijn blog geeft mij het gevoel dat ik hem rechtstreeks naast de Papieren Man mag plaatsen.

woensdag 28 oktober 2009

Vladimir Nabokov

Ja, we kennen allemaal deze schrijver, die de liefde voor een kindvrouwtje tot de hoogste literaire schabben heeft verheven. Maar zijn naam... Spreken we zijn naam wel correct uit? Probeer dan dit Ollekebolleke maar eens te lezen. Het is meteen een hommage aan drs. P., die gisteren in het Flagey-gebouw een belangrijke taalerkenning in ontvangst mocht nemen.

OUDERE NALOPER

Vlinder- en kindervriend
Vladimir Nabokov...
Lezer uw uitspraak doet
Pijn aan mijn oor.

Volgens de Russische
Intelligentsia
Moet het Vladimir
Nabokov zijn hoor!

De eer voor dit pareltje komt toe aan Jan Kal, en toont aan hoe een kort dichtwerk ook taalkundig opvoedkundig kan zijn. Zou drs. P. het echter zo bedoeld hebben? Hij was toch een exponent van de generatie die op elk gebied de absolute vrijheid opeiste? Het gedicht is guitig, geeft een steek naar de welwillende maar taalkundig niet voldoende onderlegde lezer, om de juiste uitspraak van de naam Vladimir Nabokov aan te leren. Als je dat volgens de regels van het Ollekebolleke doet, kom je er wel. Scandeer het gedicht als volgt:

ééntweedrie ééntweedrie
ééntweedrie ééntweedrie
ééntweedrie ééntweedrie
ééntweedrie vier.


De tweede strofe is identiek, met slechts inhoudelijk een klein verschil: het tweede vers moet een zeslettergrepig woord zijn dat zich tot hetzelfde ritme leent: intelligentia, maar de klemtoon van dit laatste woord ligt op de vierde en niet op de eerste lettergreep. Ik voel aan dat bij het lezen van een reeks van deze puntdichten, de derde vers van iedere strofe met een zekere verwachting uitgesproken wordt in aanloop van het korte vierde vierlettergrepige vers, en de inhoud moet eindigen in een pointe.

Ook hier wordt in de laatste strofe een techniekje toegepast waar ik niet zo van houd, maar dat is slechts een kwestie van persoonlijke smaak: om perfect te zijn hoort de "Na" van Nabokov als laatste lettergreep van het derde vers geschreven te worden, gevolgd door een splitsingsteken "-".

Moet het Vladímir Na-
bókov zijn hoor!


De verwachting wordt in het originele gedicht enigzins weggegomd, maar daar staat tegenover dat de eenheid van voornaam en naam meer gerespecteerd worden, en het visuele aspect ook meer gediend wordt, want gesplitst ziet het er gewoon niet uit. Ik moet terug opzoeken hoe die techniek weer heet. (enjambement, dus)

Als je Tante Google ondervraagt over Ollekebolleke, zul je een reeks eigenschappen vinden waaraan deze vorm van puntdicht moet voldoen. Het is leuk om te lezen, maar het vergt wel enige oefening om er een goede te schrijven. Verwoording in zulk een eng keurslijf vergt enige taalvaardigheid, en het is niet voor niets dat een spuiter als drs. P. tesamen met nog een paar andere geestesgenoten deze versvorm ontwikkeld heeft: hij kon zeer goed met de taal overweg!

En dat is dan meteen ook het verband tussen Nabokov en drs. P. : het versje dat de juiste uitspraak van een vreemde naam gemakkelijk te onthouden maakt, en de taalvirtuoos die voor die boodschap het correcte medium geschapen heeft, en dus ook terecht mocht gelauwerd worden voor zijn "bijzondere verdiensten voor de Nederlandse taal". Elk werk van hem is een feest voor het oor.

dinsdag 27 oktober 2009

Karel Bralleput

Een man laat af en toe zijn naam voor wat hij is, en neemt er een andere aan. Om het bundeltje Fabriekswater samen te stellen, vond hij het beter dat de doen onder de naam Karel Bralleput. Simon Carmiggelt schreef nog twee andere bundeltjes bij mekaar onder dat pseudoniem, die in 1961 samengevoegd werden tot Torren aan de lijm.

Deze uitgave dateert van MCMLVII, en is reeds de vierde druk van deze bittere versjes en moedeloze verhaaltjes, en werd uitgegeven bij De Boekvink, in de reeks Litteratuur in miniatuur.

Een enkel versje om de bitterheid aan te tonen. Een grafschrift, dat is bitter, maar zijn tekening van de schrijver is dat in het kwadraat.

Op een schrijver
Hij schrijft niet uit louter extasis,
maar omdat het weer gauw Sinterklaas is.

maandag 26 oktober 2009

Ajuinlei, Gent - deel 2

Nee, ik ben gisteren niet teruggegaan naar Gent, dat doe ik wel eens als het zo uitkomt. Maar ik heb zonder het te willen een leugentje in mijn verslag geschreven, dat ik niet onvermeld wil laten.

De Ajuinlei, hé? Ajuinen, dat zijn die guitige Aalstenaars, met hun karnavalaura om zich heen, hun dorst- en jeukverwekkend dialect, en als je korte armpjes hebt zoals ik, zijn beide echt niet grappig, hun Boons socialisme, hun Daensistisch groot hart... Maar de Ajuinlei heeft alleen zijn dialect mee.

Dat leugentje heeft slechts dat mee van de Ajuinlei, dat het me daar niet overkomen is, maar in Oudenaarde, waar het dialect al even dorst- en jeukverwekkend is, en de fotografen bovendien op zondagmorgen op de loer liggen om de argeloze voorbijganger in de maling te nemen. Ik ben één van hun onwillige slachtoffers geworden. Ze zijn nochtans bekend, reken maar, ze zijn befaamd om hun scherpe foto's, die ongenadig aantonen wie je bent. En dan sturen ze je een vriendelijke brief. Een brief waarin ze je eerst uitgebreid identificeren als een burger van deze mooie stad. Om je vervolgens voor de keuze te stellen: ofwel 50 euro betalen voor een trieste foto, ofwel een bezoek brengen aan de plaatselijke politierechtbank.

De Blauwe Fotograaf had weer toegeslagen, hij stelde vast dat ik te snel reed, en klik, dat moment vereeuwigde hij listig. En ik, onwetende boekenliefhebber, snelde verder naar Gent, naar de Ajuinlei, met zijn dorst- en jeukverwekkend dialect. Ik mocht vijf schatten mee naar huis dragen. De zesde is dus vandaag in mijn postbus gevallen.

Een bekeuring van 50 euro. De Blauwe Fotograaf moest eens weten hoeveel literatuur je kunt kopen voor de kostprijs van zijn gratis aangeboden brief, met het listig vermomde verkoopspraatje dat je nog de keuze hebt ook: betalen, of voor de rechter verschijnen. Ik heb vernomen van collega-literatuurliefhebbers dat de laatste optie meestal nog veel duurder is. Ik zal dus maar betalen zeker? Goed, er zijn argumenten die sterk in het voordeel van de Blauwe Fotograaf spreken. Ik deed 63 km per uur op een plaats waar dat maar 50 mag zijn, zelfs gecorrigeerd gaf dat nog 57...

De Ajuinlei ... ze spreken er een dorst- en jeukverwekkend dialect. Zeker weten. Net zoals in Oudenaarde, in de Graaf van Landastraat, ter hoogte van een zeker huisnummer. Ik ga eens in het verleden van die Graaf graven, zeker weten.

zondag 25 oktober 2009

Asterix en Obelix

Ze zijn vijftig jaar geworden, onze Gallische helden, en onvermijdelijk kwam daar een verjaardagsalbum van: Het Guldenboek, titel die volgens mij dan weer Het Gulden Boek moet zijn, het boek gaat namelijk niet over Guldens, maar het is (in overdrachtelijke zin) een gouden (gulden) boek.

Dit vierendertigste album (waarvan ik hoop dat het in de Latijnse taal uitgesproken wordt: album, niet elbum!, want Caesar sprak geen Engels, ook niet toen hij in het Gallische Brittanië was, daar werd me een taaltje gesproken..., maar geen Engels, want dat was nog niet uitgevonden.) is anders dan de rest. Aanvankelijk zijn alle figuren zelfs vijftig jaren ouder geworden, en hebben een massa kinderen en zelfs kleinkinderen. Maar de klok wordt vlug weer juist gezet, en we leren de wereld van deze helden op een andere manier bekijken.

Als A&O-fanaat van het eerste uur, altans, van het tweede uur, want zij zijn via het Franse tijdschrijft Pilote geboren in 1955, terwijl ik toen al een kerel van drie jaar was, heb ik deze strips dus gelezen vanaf het ogenblik dat ik ze zelf kon kopen en betalen. In een gezin met vijf kinderen en één kostwinnaar waren strips niet primordiaal voor het voortbestaan. Een paar Kuifjes, wat meer Suske en Wiske, geen Jommeke, vooral Nero kon, maar A&O? Nooit gezien in huis.

Pas toen ik in mijn laatste jaar middelbaar onderwijs aankwam, ontdekte ik de hilarische bende, en naast de Humo werd dus ook af en toe het nieuwe album gekocht met mijn weinige zakgeld. Ik weet zelfs niet of ik ze allemaal gelezen heb, maar dit weet ik wel: ik gierde en brulde van het lachen met hun grappen en grollen, en had nog het meest sympathie voor de onnozelste figuren uit de reeks: de notoir onbekwame kapers.

Dit laatste album heb ik dan ook met veel plezier gekocht, maar tot mijn grote afschuw moet ik merken dat de namen van een boel figuren om voor mij totaal onbegrijpelijke redenen plots veranderd zijn. Welke malloot heeft het in zijn hoofd gehaald Assurancetourix (Assurance tous risques) om te dopen tot Kakofonix... De originele naam liet uitschijnen dat het beter was een goede verzekering te hebben bij het beluisteren van zijn muziek. Het blijkt dat zo een aantal namen, die tot nog toe in de Nederlandstalige versie dicht bij de oorspronkelijke Franstalige versie stonden, plots allen zéér Engels moeten. Triestig, intriestig.

Daar waar een paar namen gewoon geniaal waren, waren de Nederlandse vertalingen soms zelfs nog beter: Hoefnix was een dubbele bodem, met een verwijzing naar het feit dat hij niet de beste vriend van de Bard was, en van hem geen gezang hoefde, gecombineerd met zijn beroep als smid, die wel eens hoeven besloeg, en hoewel ik mijn hand niet in het smidsvuur durf te steken, denk ik dat het beslaan van paarden een Gallische uitvinding was, om de paarden een vastere galop te geven wanneer ze voor de al even zo Gallische strijdwagen gespannen werden (jaja, Julius moest het toegeven: de zogenaamde Romeinse strijdwagens werden wel degelijk in Gallië ontwikkeld).

Ook de plaatsnamen op de kaart van Corsica zijn een belevenis op zichzelf, en verdienen een aparte studie, omdat iemand hier alle registers opengetrokken heeft om zoveel geniale fantasie los te laten.

Het is trouwens een even mooie belevenis al die namen van die personnages eens op Wikipedia te bekijken. Maar spijtig genoeg, als je dertig jaar lang of meer gewend bent aan zekere namen, is het onwezenlijk dat sommige personages van naam wisselen. Was die zoveelste knieval voor het Engels zo nodig? Wat hebben wij trouwens met die Engelse versie te maken?

Wat dacht je, zullen we voortaan Heer Bommel maar eens Meester Bijenwas gaan noemen? Of ineens Master Beeswax? Dat kan toch niet! Of om actueel te blijven: nu Jef Nys toch dood en begraven is, zullen we met dezelfde filosofie zijn in-Vlaams karaktertje Jommeke dan maar ineens Little Jimmy noemen?

Brief van de kabouter

Soms, heel erg soms, vind je op een blog een schrijfsel dat originele literatuur blijkt te zijn en zo goed, dat je er niet goed van bent. Misschien moet hier en daar nog een zin of een vers een beetje geherformuleerd worden, maar over het algemeen val je daar in een goed opgezet plot niet over.

Als allereerste bijdrage op zijn kersverse blog staat dit lange gedicht, dat meteen ook een hilarische vertelling voor volwassenen en aanverwanten is. Ik laat hier meteen een koppeling achter, en je ziet maar wat je er zelf van denkt. Ik vind het prachtig, Rodrik.

Ik maak, tegen alle plagen, meteen ook een koppeling in mijn lijst van blogs. Met het voordeel, maar dan een zeer groot voordeel, van de twijfel.

Toevoeging van 11/07/2013: meer dan drie jaar en acht maanden later vind ik in mijn brievenbus een pakje, met als inhoud een boekje genaamd "Toetsengetokkel", dat jawel de neerslag is van naarstig pennengekrabbel en toetsengetokkel van dezelfde Rodrik Steverlynck. Ik zal het boek vandaag nog lezen, en u weldra mijn - wegens dieet ongezouten - mening verkonden. Diezelfde mening zal ik ook op mijn andebijk-weebly laten horen. (Oudherk)

donderdag 22 oktober 2009

Oudenaarde, een geschiedenis

Dat Oudenaarde een rijke geschiedenis heeft, is een open deur intrappen. Dat een blogger daarover iets zou schrijven, is dan ook niet meer dan een poging om enige algemeenheden aan te halen met de bedoeling een indruk, en niet meer dan een indruk te geven van het werk dat die man zonder al te veel pretentie gepresteerd heeft.
Bartolomeus De Rantere werd te Oudenaarde geboren op 8 juni 1775 als zoon van een kleermaker, Jan De Rantere, die op de Markt in Oudenaarde woonde, en hij overleed hier ook op 18 november 1831. Deze Markt is honderden malen de stomme getuige geweest van de grote en kleine kanten van de geschiedenis van deze stad. Feestelijke onthalen en gruwelijke publieke executies speelden zich hier af, en als sommigen vrolijk de pias uithalen (dat is van alle tijden), weten ze meestal niet dat op diezelfde plaats misschien bloed gevloeid heeft. De geschiedenis is slechts zichtbaar voor diegenen die haar kennen.
Op het einde van zijn leven, in 1828 kreeg hij van het stadsbestuur de opdracht om het stadsarchief te inventariseren, een taak die hij in twee jaar moest voleinden en hij legde zijn werk neer in 3 lijvige boekdelen. Wat mij intrigeert is waarom de Stad een kleermaker afvaardigt om zulk een werk uit te voeren. Ik snap er voorlopig nog niets van.
Maar bovenal is hij bekend geworden door zijn "Handschrift De Rantere". Dat is een geschiedenis van de Stad vanaf het begin der tijden tot 1831. Dit werk wordt bewaard in het archief van de Walburgakerk, en is nog steeds in utstekende staat. Ook hier is mijn onbegrip over de connectie tussen kleermaker en geschiedkundige nog niet begrepen.
Twee lokale geschiedkundigen, Denis Tack en Marc De Smet hebben in de jaren '80 en '90 van vorige eeuw een prachtige uitgave gemaakt en deze kroniek van Bartelomeus De Rantere bereikbaar gemaakt voor het publiek. Voor het stuk dat hijzelf bewust meegemaakt heeft, spreken de auteurs van 'Het Dagboek'.
Het is heerlijke en intrigerende literatuur.

woensdag 21 oktober 2009

Bibliotheekschatten

Een paar weken geleden hield de plaatselijke bibliotheek uitverkoop, en ik heb daar een paar schatten opgeraapt, die niet onvermeld mogen blijven. Eerst echter een aankoop die ook de moeite van het vernoemen waard is, hoewel er geen literaire waarde aan mag gehecht worden. Het betreft een gedenkboek over een bedrijf dat in de verre omgeving gekend staat als een grote en goede werkgever, waar men graag ging soliciteren. Bekaert, de beursgenoteerde staalkoordfabrikant uit Zwevegem is een toonbeeld van een bedrijf dat op het einde van de 19de eeuw door een eenvoudige winkelier uit de grond gestampt is, en dat van een kleine werkplaats tot een beursgenoteerde wereldleider in zijn niche uitgegroeid is.
Staalkoord het verhaal van een winner van Jan Deloof geeft op een mooie, onderhoudende en vooral anekdotische manier de ontwikkeling weer van het bedrijf, maar geeft meteen ook een schets van de ganse industriële omgeving: staalkoord kon door Bekaert niet ontwikkeld worden zonder de zoektocht van de heren Michelin en Dunlop om de banden die ze voor fietsen en motorvoertuigen ontwierpen, te verstevigen. Het grote vraagstuk van de verharding van de rubber werd opgelost, maar de versterking was niet voldoende, en aldus moest er geëxperimenteerd worden met alle mogelijke en vooral onmogelijke oplossingen, tot zowat de eenvoudigste de beste leek: de met staalkoord versterkte rubberband heeft de auto-industrie een versnelling gegeven die ondenkbaar zou geweest zijn zonder deze deeloplossing van de honderden problemen die het produceren van om het even welk produkt met zich meebrengt.
Mooi is ook het verhaal over de trein, die in 1931 tussen Parijs en Straatsburg reed op... met staalkoord versterkte rubberbanden, met een maximumsnelheid van 108 kilometer per uur. Deze ontwikkeling was een dood spoor, maar toont aan dat het produkt staalkoord overal een toepassing vond, en zo is het bedrijf gegroeid tot wat het nu is: een mulitnational met een wereldreputatie.
Mooie onderhoudende literatuur met die meerwaarde, dat je er toch een heleboel uit opsteekt. Als er hier en daar een beetje aan de realiteit zou gepoetst worden, moet je dat er maar bij nemen.
Een op zijn minst gezegd bedenkelijke definitie van het begrip poëzie lees ik als inleidend citaat van Carel Swinkels op het boek Het groot jaargetijdenboek samengesteld door Anton van Wilderode. Het is een kanjer van een verzameling gedichten, met één enkel tema: de kalender. Voor elke dag staat er een gedicht, en soms vraag je je wel eens af waarom. Zo wordt er op 18 april het gedicht "Een dag in april" voorgedragen, door Albert Verwey, uit zijn bundel De legende van de ruimte, uit 1926. Dit gedicht had ook op om het even welke aprildag kunnen gelezen worden, het doet er eigenlijk niet toe. Het boek moet dus als jaargetijdenboek letterlijk zo bekeken worden, de datum is te specifiek, behalve voor nieuwjaarsdag, of Kerstmis, dagen die hun feestelijke of andere eigenschappen door hun bestaan zelf beperken tot die welbewuste dag. Zo moeten er waarschijnlijk duidzenden kerstgedichten geëlimineerd zijn, om dat ene gedicht op 24 december te laten voorgaan op de andere: "Maria die zoude naar Bethlehem gaan", door een anonieme dichter. Op 25 december, de dag die in Vlaanderen Kerstmis heet, krijgt een gedicht van Henriette Roland Holst van der Schalk, als een beschouwend rustpunt, zijn plaats.
Ik vind die keuze niet verkeerd: in het Mariagedicht is er sprake van Kerstavond voor de noene; wij hebben reeds in de lagere school de uitleg daarvoor gekregen. De tocht naar Bethlehem werd gedaan om aan de verplichtingen van de volkstelling te voldoen, en het vervoer van een zwangere vrouw per ezel was geen kleinigheid. Of er in die kontreien eind december hagel en sneeuw tegelijkertijd zou gevallen zijn, weet ik nog zo niet, maar de middeleeuwse mens had enig houvast nodig, en dus sneeuwde het hier, dan ook daar, nee toch? Maar Kerstavond voor de noene? dat is de dag voor Kerstmis, Kerstavond, en voor de noene moet dan voor de "none" geweest zijn, het laatste van de vier kleine uren van het breviergebed, dat in het koor om drie uur gebeden wordt. Ook het feit dat er geen water voorradig was, en Jozef dus een "bommetje" sloeg in het ijs om water te putten, is niet zo vreemd. Maar hij moest het wel doen met zijn "toebaksdoos"!
Dat ook Cecilia langskwam, is dan weer een anachronisme, want heiligen bestonden er ambtshalve nog niet, maar het zou mogelijk om één van de drie vrouwen gaan, die volgens de apocriefe auteurs het gezinnetje kort na de geboorte bezocht hebben. Zouden het niet eerder drie welwillende kraamvrouwen geweest zijn, die Maria geholpen hebben, en die Jozef buiten gezet hebben met de smoes: maak je maar nuttig, we hebben water nodig, want geboorten waren eerder een vrouwenzaak, denk ik zo. De associatie met Sinte-Cecilia komt meer door de connotatie met de veelvuldige Kerstmuziek die begrijpelijk met karrenvrachten tegelijk gedicht en gecomponeerd werd. Dus ook dit lied. Maar Cecilia is toch nodig om het verhaal af te sluiten, en Gods zegen af te smeken. En dat moest met de hulp van een heilige. Zij riep er op haar beurt een bende engelen bij, die goed bij stem waren, en zo was haar aanwezigheid voor de gemiddelde middeleeuwer verstaanbaar, verklaarbaar, want ga aan die ongeletterde hongerlijders eens uitleggen wat apocriefen dan wel waren. De reguliere bijbelgeschriften waren al moeilijk genoeg.
Maar het Kerstverhaal is er dus geen van 25, wel van 24 december. En die bedenkelijke definitie dan, waarover ik het in de aanloop van dit kerstverhaal had? Luister goed, en trek zelf uw conclusies.
Poëzie is niet de leer van maten en gewichten
maar er bij zijn als het ijs breekt en het kind sterft
en kijken naar de takken die langzaam verder leven.
Carel Swinkels, uit Jan met het visoog, 1970.
Poëzie heeft niet altijd het recht om zachthartig te zijn. Na deze zware bedenking laat ik de rest, die in een totaal andere atmosfeer baadt, maar voor morgen.