dinsdag 9 februari 2010

Butter-Scotia

Af en toe een beetje geluk mag. En vandaag heb ik dus weer een vondst gedaan. Geen grote, maar wel een mooie. Op een plank, een beetje buiten de meer opzichtig ten toongestelde boeken, ligt een verzameling Engelse, Duitse, Noorse en soms wel eens Russische of Chinese literatuur van alle soort. Naast de obligate dierenboeken en de godsdienstige of godsdienstig geïnspireerde werken, vind je er ook de zwangerschaps-, bevallings-, vader- en moederschapsliteratuur, alsmede de opvoedkundige en politieke werken weer.  De wat moeten we hiermee-literatuur, zo krijg je de indruk. Ook de totaal onmogelijk te klasseren werkjes zoals Vlaamse filmpjes, kunstbrochures, tentoonstellingscatalogussen en handgeschreven verzamelboekjes van zweverige pubers zijn er terug te vinden.

Maar dus ook dit werkje, dat me na enig ploegen doorheen allerhande waardeloze blubber en voor mij niet belangrijke druksels plotseling verraste. Het was in het gedeelte Engelstalig, en in een stadje, waar het Frans druk gesproken wordt, is Engels vaak een verwaarloosd kind. Alzo trok de oude, degelijke afwerking en de romantische tekening op het voorplat mijn aandacht. Butter-Scotia is dan ook een werk, geschreven en voor de eerste maal gepubliceerd in 1896, en slechts in 1927 opnieuw uitgegeven, met een bekleding die een getrouwe copie is van die van de eerste uitgave.

Het boek is dan ook prachtig. De tekeningen zijn van een wonderbare schoonheid, en zijn weliswaar niet te vergelijken met de ontzettend fijne gravures die in de werken van Charles Dickens voorkomen, maar ze vallen hier dan weer op door de ongebreidelde fantazie, die perfect past bij de inhoud van dit boek. Butter-Scotia heeft een ondertitel die dit ten volle verklaart en verantwoordt: Butter-Scotia or A cheap Trip to Fairy Land, by His Honour Judge Edward Abbott Parry; illustrated by Archie Macgregor. Uitgegeven te London door William Heineman, om volledig te zijn.

Nog voor je één woord van het boek mag lezen, moet je eerst de kaart van Fairy Land ontplooien, en kun je alle belangrijke plaatsen in je opnemen. En dan worden vier kinderen op je losgelaten die elk een eindeloze fantazie hebben, en in de allerlaatste zin van het boek even door vader en moeder erop gewezen worden dat al die dwaze verhalen geen enkele grond hebben, want niet mogelijk zijn, en dat al die personen en wezens, die ze ontmoet hebben, niet bestaan. Ze moeten, zo luidt het verdict: brave kinderen zijn. En dat zijn ze dan ook maar.

Tussen de kaart en het zich neerleggen bij de ouderlijke wijsheid ligt echter een wereld van kinderlijke fantazie, ontsproten uit het brein van een rechter in het victoriaanse Engeland. Houpla, the Herald doet de belangrijke mededelingen, en met zijn trompet vraagt hij eenieders aandacht: tarantara tarantara .. tara; Oyez! Oyez! Oyez!

... a little man with a light moustache, flaxen hair, and a pink complexion, about four feet high, dressed entirely in newpapers.  He wore a cocked hat with a newspaper tassel on it, a long coat reaching to his ankles, made out of a whole copy of The Times, and frills of newspapers round his arms. In one hand he carried a red carpet-bag marked in black letters "On His Majesty's Service," in the other a long trumpet with a white banneret hanging from it on which the letter "H" was beautifully worked in red silk.

Meteen een kleine rechtzetting: de auteur is dus wel een rechter in het Victoriaanse Engeland, maar de omroeper staat in dienst van His Majesty. En inderdaad, dergelijke avonturen konden nauwelijks ten tijde van de puriteinse Koningin, en de rechter vecht daar ogenschijnlijk tegen.  Fairy Land heeft dan ook geen Koningin, maar een Koning. En de kinderen doen dingen die brave kinderen in het brave Engeland van toen onmogelijk mochten mogen.  Iedereen weet dat de wetten in dat land zo hard waren, dat het stelen van wat brood door een hongerige zwerver of hopeloze pauper al aanleiding kon geven tot zware straffen, en niemand minder dan de auteur-rechter durft het aan deze kinderen als echte vrijbuiters door de wereld te laten struinen! Niet verwonderlijk dus dat het verhaal eindigt op een korte terechtwijzing, en de onvoorwaardelijke overgave aan het ouderlijk gezag. Ook een rechter kon zich niet alles veroorloven.

Een ander figuur is the Red Cross Knight. Dat is het alter ego van Olga, één van de kinderen, en haar schild is een pareltje van knipogende heraldiek. ... a large traingular silver shield, (...). On it was emblazoned a red bantam chicken dancing a barn dance. Remember, your title in Fairyland will be Sir Olga the Fitful, Knight of the Festive Fowl. De wapenspreuk luidt volmondig: Cock - A - Doodle - Do.

Hier stel ik een tweevoudige aanslag vast op de gevestigde orde. In 1896 hoorde een meisje niet de rol van Sir Olga the Fitful op zich te nemen. Meisjes bij de poppen, jongens aan het zwaard. De volwassener versie zou luiden: vrouwen aan de haard, mannen bij de poppen, dan wel bij het zwaard. En een ridder, met andere woorden een lid van de gevestigde adelijke orde en bovenlaag van de maatschappij opzadelen met een wapenschild waarop ze als chicken afgebeeld stonden, die dwaas stonden te dansen en te kraaien als hanen ... A chicken, een banghaas dus, en een belachelijk beest dat luid om aandacht staat te schreeuwen ... rechtertje rechtertje, let op je job.

Dit boek is een hilarisch kinderboek, maar ook een verborgen pamflet tegen de gevestigde orde. Deze rechter had een verborgen agenda. Steeds verder lezend kom ik op steeds weer nieuwe paralellen met de Engelse Maatschappij, tot en met een aanklacht tegen de onderdrukking van bepaalde bevolkingsgroepen, in een vers, dat voorkomt in het meermaals geciteerd "Pater's Book of Rhymes"

Oh, some are for the Red, and some are for the Blue,
And others for the Orange or the Green;
And some will shout with me, while others shout with you,
But we'll all shout, "God Save the Queen!"
Rule Brittania! Brittania rule the waves!
Butter-Scotchmen never shall be slaves,
Never, Never, shall be slaves!

Geen verborgen agenda: in dit boek dat over kinderfantazie gaat, en dat zich hoofdzakelijk in Fairy Land afspeelt, doet de vaderfiguur zijn dochter de mannelijke wapenrok aan, en citeert een vers uit zijn Book of Rhymes, uit het dagelijkse leven: Rule Brittania, Brittania rule the waves! Dat is dus de echte maatschappij. Hij valt echter onmiddellijk aan: (Butter)-Scotchmen never shall be slaves! Never, Never ... En dochter Sir Olga verslaat zowaar de draak. Waarna er verkiezingen volgen. Zoek eens op wie er rond 1896 eerste minister was, en bedenk eens waarom er een draak moest verslagen worden, waarom er verkiezingen moesten komen.

Intrigerende kinderliteratuur!

Zo kun je nog een paar verrassingen oprapen. Onze goede vriend de rechter, beschermer van de gegoede burger, durfde het aan te schoppen tegen de gevestigde maatschappij.

zondag 7 februari 2010

Geestelijke Liederkrans

Zoals zo dikwijls gebeurt, worden boeken die onafscheidelijk bij mekaar horen, door het toeval of door wanbeheer van alle soort, als tweelingen van mekaar gescheiden.  Zij leven dan nog wel, maar met een wonde. De wonde van de eenzaamheid, die ongeneesbaar, onheelbaar is, en die maar zelden herstelbaar blijkt te zijn.

De Geestelijke Liederkrans door Alfons Moortgat, uit de Bloemen onzer Vlaamsche Toon- en Letterkundigen samengestrengeld, deel I, Nieuwe, verbeterde Uitgave ligt hier voor me, en straalt een nederige schoonheid uit. Het Imprimatur werd gegeven Mechliniae, 4 Martii 1904. Elk exemplaar draagt het handteeken van den verzamelaar. Mooi is ook het in zwierige letters geschreven Ex Libris van de "Zusters Franciscaner(es)sen" te "Quaremont". Het schrijffoutje is de brave zuster die de naam van haar eigen orde fout spelde, vergeven. Spijtig genoeg heb ik deel II niet in mijn bezit.

Dit muzieklees- en zangboek is nochtans een monument uit de Vlaamse religieuze liederschat. Nu heb ik sinds mijn jongensjaren op school verschillende liederboeken als handleiding meegekregen om in samenzang de Vlaamse en internationale zangstukken die opvoedkundig correct bevonden werden en dus aan schoolkinderen aangeboden werden, te bestuderen en aan te leren. Iedereen zal zich nog wel "In dulce Jubilo" herinneren, met een keure uit de volkse en religieuze liederen die iedereen nog wel kent. Maar dit liederboek is van een hoger schap gegrepen. De bladwijzer laat ons achtereenvolgens Kerstliederen, Eerste-Communieliederen, Gezangen ter eere van het H. Hert van Jezus, Gezangen op het lijden Onzes Heeren, Liederen op de H. Naam Jezus, Aanroeping van den H. Geest, gezangen ter ere van O.-L.-Vrouw, gezangen ter eere van de meest gevierde Heiligen, Varia en een Bijvoegsel met diverse Latijnse gezangen zien.

De muziek is bedoeld voor orgel, en de partituurgedeelten zijn voor mij dan ook te ingewikkeld voor hetgeen er nog aan muziekkennis en notenleer is achtergebleven in de uithoeken van mijn hersentjes.  Alfons Moortgat laat de pedagoog in zich nog even spreken als hij toelicht dat "De ondervinding (...) geleerd heeft dat sommige liederen te hoog of te laag staan als ze moeten gezongen worden door het volk, en daarom raad ik de orgelisten aan  nr. 3 gewoonlijk te spelen in sol, nrs 18, 71 en 77 gewoonlijk te spelen in mi." Waarom ze dan niet meteen zo gepubliceerd werden is voor mij een (muzikaal) raadsel. Maar de teksten kregen mijn grootste aandacht, en ik ontmoet namen van zowel auteurs, dichters als toondichters uit alle windstreken. Een niet geringe plaats wordt ingenomen door Guido Gezelle, die meerdere gedichten en Kleengedichtjes ziet opgenomen in deze muzikale bloemlezing. De verzamelaar vervult dikwijls zelf zowel de rol van tekstschrijver als van componist, apart of tesamen.

Niet zelden wordt éénzelfde werk in meerdere uitvoeringen na elkaar gepubliceerd, hetgeen ook al interessant zou kunnen zijn om te leren hoe de muziek dan wel van de ene versie tot de andere verschilt. Ik zou alleen iemand moeten vinden die dan deze versies eens na elkaar speelt, om het verschil te verstaan.

De auteur, of beter de verzamelaar is niemand minder dan Alfons Moortgat, tijdgenoot van de door mij hier reeds meermaals vernoemde Robert Herberigs, en ook één van Vlaanderens groten. Een beetje informatie kan men gemakkelijk lezen op de website van de gemeente Opdorp, vanwaar hij afkomstig was. Hij was zowel musicus, dichter als taalkundige. De vele onderscheidingen die hij ontvangen heeft, spreken voor zich. De informatie over de beide andere bekende Opdorpenaren is lekker meegenomen. Zo levert de bijdrage over de persoon van Prof. Edgar Blancquaert een mooie aanvulling op mijn postings van enige weken geleden betreffende de Rijksuniversiteit van Gent.

zondag 31 januari 2010

De lof der zotheid

Tussen mijn oudere aankopen stak er ééntje, dat toch niet aan mijn aandacht kan blijven ontsnappen. Het is een boekje zoals er duizenden gemaakt zijn, en dat alleen maar opvalt door een notitie die door de vorige eigenaar is aangebracht.

Zoals geweten is dit boek, zoals Erasmus het zelf in zijn inleiding uitlegt, ontstaan uit de overpeinzingen van de intellectueel die hijzelf was op reis van Italië naar het vaderland, en die het niet altijd aangenaam vond deel te nemen aan de voor het meerendeel van de reisgenoten nochtans grappig bevonden zever- en onzinpraatjes. Dat was voor de erudiet toch enigzins te min, en hij besloot zijn tijd "beter" te gebruiken door bij zichzelf over een of ander onderwerp uit "letteroefeningen" na te denken of herinneringen op te halen aan "de even geleerde als dierbare vrienden die ik  (...) had achtergelaten". Hij had daarbij vooral zijn vriend, de evenals hijzelf zeer hooggewaardeerde Thomas Morus voor ogen.

Daar de omgeving, het gezelschap noch de tijd geschikt waren voor een zeer ernstige overweging, dacht hij dat de beste oplossing in die omstandigheden was een "boertige lofrede op Moria (de Zotheid)" te houden.

Wij leren Erasmus, toch gekwalificeerd als een hooggeleerd man en groot Humanist, door deze inleiding ook kennen als op zijn minst gezegd een hooghartig iemand, die bovendien ook nog graag uitpakt met zijn uitgebreide kennis van zowel de Griekse als de Latijnse literatuur. Dat moeten we hem maar vergeven, ten eerste is een discussie met hem over zijn houding vrij moeilijk te voeren, tenzij voor die auteur die het aandurft een virtuele dialoog met hem aan te gaan, en daarbij de dood van zijn antagonist als een literair te verwaarlozen detail kan aanzien; ten tweede is ook de tijdsgeest niet zonder belang: een geleerde van zijn kaliber mocht destijds wel van mening zijn dat zijn paard een zwaardere verantwoordelijkheid had met zijn vracht naar Londen te voeren dan de andere viervoeters, die boertiger exemplaren van de mensheid op de rug meedroegen.

Hoezeer de ruiter het  betreffende de verantwoordelijkheid van zijn paard bij het verkeerde eind had, werd bewezen door de rollende kop van Erasmus' vriend, toen Hendrik VIII de theorie van de belangrijke vracht met één enkele zwaai van een scherp zwaard naar de humanistische vuilbakken verwees.

Over de nakende dood van Thomas Morus, over wie we tijdens onze middelbare studies nog de film "A man for all seasons" zijn gaan bekijken, wist Erasmus nog niets en hij overdacht dus met veel sprongen doorheen de Griekse en Latijnse literatuur wat hij later Moria Encomium Erasmi, Rotterdami Declamatio noemde.

Om het te lezen moet je je tijd nemen, want de volzinnen zijn niet altijd van de eerste keer begrijpbaar, maar ook daar weer moet ik nederig toegeven dat de erudiete geest van de auteur mijn middelbaar gevormd hersenklutsje met enige maten overstijgt. Maar wat ziet mijn lodderig oog, een voorgaande lezer van dit prisma pocketje heeft met toch wel enige kritische geest het boekje gelezen, en kwam tot de volgende conclusie, met potlood naast de titelbladzijde neergeschreven: "Een betere vertaling is 'Moriae encomium, dat is de lof der zotheid' (Rotterdam : Ad.Donker, 1986)".

Ik zal deze Lof alleszins lezen, en ervan genieten. Overwegingen over het paard, rollende hoofden noch de vertaling zullen mij daarbij hinderen. De aangevangen lektuur van het boek maken me duidelijk dat niemand moet rekenen op een kritische vergelijking tussen beide vernoemde edities.

zondag 24 januari 2010

Friesland's Volksleven, en nog veel meer

Ja, dat ik fier ben, hoeft niet meer gezegd. De beide boekdelen, een overdruk van de originele uitgave van 1895 of 1896, zijn in haast perfecte staat.  Ergens heb ik gezien dat er verschillende heruitgaven zijn gebeurd, maar deze is de integrale versie, zoals de grote volkskundige Waling Dykstra zelf de boeken gezien heeft.

Op deze korte tijd heb ik alleen maar diagonaal door de boeken heengekeken, maar het belooft inderdaad het beste.  Een volkse geschiedenis van Friesland laat meteen toe kennis te nemen van het ontstaan van Friesland, en daar zijn best interessante verhalen tussen.  De stichters hebben een soort van Illiade gedaan, na hun vertrek uit Indië, zijn vazallen van Alexander de Grote geworden, trokken met hun 24 overblijvende schepen, na het overlijden van Iskander, die in Perzië (het huidige Iran en Irak) nog steeds alleen maar vijanden kent en niet met het bijvoegsel "De Grote" aangeduid wordt, richting Noordzee, gingen aan land in Friesland, en verdeelden na enig getouwtrek het vers gestichte rijk in drie.  Horen we daar een vermenging met de echte geschiedenis van Karel de Grote?

Hoe dan ook, Friso, Saxo en Bruno stichtten respectievelijk Friesland, Saxen en Brunswijk. Het is heerlijk naïef, maar geeft de geïnteresseerde luisteraar naar de volkse verhalen toch stof tot nadenken en spreken, wanneer deze verhalen op een zomerse avond op het boerenerf, of een winterse avond aan het turfvuur verteld werden.  Zoals dat nog al eens gebeurt met volkse verhalen, groeien ze na verloop van tijd wat scheef, en ook de beste snoeischaar kan niet altijd de boom in vorm houden. Op dat vlak heb ik ooit een reportage op TV gezien over Alexander, die de machtige Koning Xerxes II verslagen had, en hem net terug vond op het ogenblik dat hij stierf, achtergelaten door zijn generaals, op een eenvoudige kar. In de versie van de volksvertellers en -zangers daar in Iran of Irak was Iskander duidelijk niet meer dan een wreed krijgsman, die wij zouden vergelijken met de barbaarse Djengis Khan, die achteraf bekeken helemaal niet zo barbaars was. Wel wreed, zoals het hoorde, maar niet barbaars.

Je moet dus geschiedenis, ook volksvertellingen, met de nodige soepelheid interpreteren. En vooral trachten te begrijpen vanuit welk standpunt er verteld wordt.  Is het Alexander de Grote, of toch maar beter Iskander de Wrede?

De boeken zelf zijn prachtig van uitzicht, en helaas niet van foutjes gespeend.  De bladzijden 234 en 235 zijn niet afgedrukt. En de geïnteresseerde moet het doen met heel wat minder feiten over het zeer belangwekkende onderwerp Voorbehoedmiddelen. Nee, niet dat wat wij nu met een tussen-s schrijven. Het gaat er om het meer kleurrijke probleem van de duivel: "Bij het vroeger algemeene geloof dat de duivel de macht bezat en gaarne gebruikte om den mensch op allerlei wijzen te plagen en ongelukkig te maken, lag het voor de hand, dat men steeds bedacht was op het aanwenden van middelen om hem te weren of zijn werk te verijdelen." Spîjtig, wanneer ik nu nog eens in Friesland kom, zal ik nooit weten of ik de duivel wel op correcte wijze buiten de deur weet te houden.  Maar misschien ben ik daardoor, welja, net daardoor, wel zelf de duivel, en de duivel zelf?

Wie kan of wil me een scan of kopie van deze bladzijden bezorgen?

Ik heb er al diagonaal in rondgeneusd, maar zal daar nog wel regelmatig terug te vinden zijn. Een aankoop om fier op te zijn, en te koesteren.

Werk van een totaal andere strekking: de Snoeks Almanakken.  Ik heb nu weer tegen een spotprijsje de '97, '99, 2001 en 2003 te pakken gekregen.  De notoir mooie dames binnen en buiten de boeken zijn een streling voor het oog, maar kunnen toch de aandacht van mij slecht en slechts vasthouden tot ik meer literaire  onderwerpen te pakken krijg. Ook de meer algemene informatie is van een niveau dat soms erg hoog is. Diverse artikels over de diamantwinning en -handel, de Hanzes, de eerste echte handelsgemeenschappen en Kunstdiefstal als big business weten de aandacht te trekken.

Als de dames, hoe schaarser gekleed hoe liever, dan schreeuwen om aandacht, dan val ik evengoed voor die magnifieke foto van MBA-basketter Dennis Rodman van de Chicago Bulls, die dank zij zijn fantastische rebounds de finale van de play-offs 1996 wonnen. Prachtige foto van een Afro-Amerikaan, met zijn zoveelste karakterestieke hoofdtooi. Maar vooral een profiel van een sportieve beer, die met een basketbal in zijn reusachtige schoppen, weemoedig denkend "betrapt"wordt door de fotograaf.  Waarschijnlijk na een minutenlang durend spelletje van lichtregeling en poseverbetering. Maar wat een foto! Zo bevatten elk van die almanakken hier en daar een prachtig uitroepteken. Het zijn wel kanjers van elk meer dan één kilo.

Deze almanakken zijn geen literatuur, maar ze doen de literatuur wel recht, door bij gezinnen in huis te komen waar een boek een vloek is, of waar er hooguit gekozen wordt uit de zeer anglofiele top-tienlijst van bestsellers. In de hoop natuurlijk dat sommige artikels toch minstens even bekeken worden, in plaats van zich te beperken tot de titel, en de zucht, och, zie, nog iets over boeken... Nochtans is ook de reeks van lijstjes zeer het bekijken waard, prijzen, overlijdens enz. En niet te vergeten, telkens ook een verhaal van bekende schrijvers.

Al iets literairder is een album, uitgegeven door Standaard Uitgeverij en P.N. Van Kampen: De Pallisers van Anthony Trollope. Maar eerst een vleugje televisie.

Nu het vleugje is voorbij, en voor het volgende eraan komt, nog wat Pallisers. Deze reeks werd op de BBC uitgezonden in zowat 1975, of 1976, toen ik nog uit mijn studentenfase moest ontsnappen, en ik dus nauwelijks televisie keek. Dat doe ik nu nog steeds niet, ergens is de student in mij altijd blijven leven, al was het alleen maar om elke avond een gezonde trappist te nuttigen. De tweede is al ongezonder, en mijn dokter vertelt mij bij elk bezoek op moederlijke wijze dat een derde dodelijk is. Ik flirt met de dood. En ook wel een beetje met mijn dokter, want zij houdt ook van literatuur.

Trollope en zijn Pallisers, een dynastie van door de auteur verzonnen politici in de Victoriaanse periode.  Dat kun je zien aan de baard van Anthony, die een beetje fan was van "Chuck". Dat durfde hij dus niet bekennen, en hij nam alleen de baard over. Niet de theorie. Prijsvraag: wie was Chuck, en welke theorie verspreidde hij?

Het boek is vooral interessant omwille van de omkadering van de familiereeks, met foto's van allerlei Victoriaans gegevensmateriaal, gaande van een groepje Bobby's uit Wimbledon, over een foto van Victoria en haar omgeving naar een foto uit 1857 van boogschietende dames, die ongeweten de voorlopers waren van de vrouwenbevrijdingsbeweging, daar zij als eersten op sportieve prestaties gewaardeerd werden. Hun adelijke posities zorgden er niet voor dat de emancipatie via henzelf iets van betekenis werd. Daar waren andere, meer opofferende vrouwen voor, die zelfs voor het paard van de Koningin durfden te springen bij wijze van statement. Weer geen literatuur, eerder een zeer goede handleiding met verrassende beelden en afbeeldingen van een tijd, waarin belangwekkende auteurs belangwekkende boeken geschreven hebben.

Ons aller KVLV, de moeder van de moeder aller Vlaamse kookboeken, heeft ook hetzelfde geprobeerd met de breiboeken, het heet dan ook heel toepasselijk: breien. Maar dat is toch niet hetzelfde, is gebleken.  Toen ik het zag liggen, kocht ik het in een opwelling, om mijn dochters'clubje van geitebreisters een pleziertje te doen: breien zoals door de KVLV voorgeschreven is katholiek, dus zedelijk als V gekwoteerd breien. En dat wil ik de dames niet onthouden. Als zij in heure zedeloosheid een kamelenharen truitje willen breien, zullen zij bij voorkeur een patroon uit dit Katholiek geïnspireerd boek opzoeken, zodat zij toch de lokale zeden en gebruiken niet zullen bruskeren.

En de rest van de aankoop van 13 januari laat ik weer voor een latere datum: de televisie roep me weer.

Noot: in een kamelenharen truitje ziet men de bulten nog staan.

vrijdag 22 januari 2010

Uit Friesland's Volksleven...

Een voorsmaakje... Ik heb ze. In perfecte staat. Kostprijs: 93 eurocent. Meer later, wegens dringende slaapaangelegenheden. Maar dat in een Indisch rijk toevallig enige afstammelingen van Sem, genaams Friso en Saxo leefden, en dat er dertig schepen op uit gestuurd werden om de overbevolking in goede banen te leiden, laat het beste verhopen. Neem de grootste cruiseschepen uit de laat-twintigste eeuw, overbeladen met landverhuizende wanhopelingen, en je komt met 5000 X 30 = 150000 mensen ergens in het aards paradijs aan. Leuk, maar de overbevoling is niet echt opgelost in het Friesche noch Indische vaderland.

Morgen meer, en minder  cynische kommentaar. Eerst gaan slapen, en werken. Met excuses aan de F-nationalisten: het is maar een grapje. De boeken zijn overheerlijk. (waarbij morgen eigenlijk al vandaag is)

zondag 17 januari 2010

Hemel en aarde

Als je op goed geluk boeken koopt, is er soms niet veel tijd om na te denken. Je neemt iets mee, of niet. Voor de prijs moest ik het alleszins niet laten, maar de kwaliteit, die liet veel te wensen over. Toch heb ik niet geaarzeld. En zo heb ik hier voor me liggen, drie "Vlaamsche Filmkens", die dateren van voor de oorlog. Het zijn boekjes die duidelijk afgezien hebben, maar die nog perfect leesbaar zijn. Ik ben er niet zeker van dat ze nog hun omslag hebben: je valt meteen op de voorpagina in de tekst, en achteraan staat een oproep om Vlaamsche Filmkens te verspreiden. Op één ervan kan ik het jaartal afleiden uit de reklame voor de zonneland-almanak 1934, die voor de frijs van 2 frank kan besteld worden te Averbode. 1933 dus.

De nummers en titels zijn als volgt:
Nerva, de kleine Heiden, nr 91(daar Heintje Bierbuyck op avontuur volgende week verschijnt als nr. 92), en de auteur is D.G.
De bewogen reis van Sint Niklaas, nr 161 (Karel en Elegast door Hein Pill verschijnt volgende week als nr 162), en de auteur is Yvonne Waegemans.
De Nieuwe, nr 163 (=tony's Kerstgeschenk door Y. Waegemans verschijnt volgende week als nr 164), en de auteur is R. Jaenen, die dit werk vrij vertaald heeft naar het Duitsch van Jassy Torrund.

Mooi, maar versleten en zeer oud van uiterlijk.  Verzamelstukken, maar ik denk dat niemand ze nog wil. Ik wel.

Een confrontatie, deel 2

vervolg

De Academieraad heeft op 28 maart onderzocht welke sancties dienden getroffen tegenover zekere studenten die in de incidenten op het rectoraat betrokken waren.  Een persoon die reeds afgestudeerd is, die ingeschreven was voor complementaire studies en practisch dit jaar op geen enkele cursus was verschenen en die als een van de belangrijkste opstokers van de oproerige beweging te beschouwen is, werd uitgesloten. Voor de anderen werd beslist, en een geest van tegemoetkoming en om de genoederen tot bedaren te brengen, slechts een berisping voor te stellen (die ik dan ook heb toegekend), met dien verstande nochtans dat zulks een ernstige waarschuwing zou betekenen en dat bij herhaling van laakbare feiten zeer streng zou worden opgetreden.

Ik hoop dat al diegenen die met de Universiteit in betrekking staan de ernst van de toestand inzien. Ik blijf steeds bereid -en dit is ook het geval voor de Raad van Beheer- zoals in het verleden, begrip aan de dag te leggen voor het standpunt van de studenten en de dialoog inzake de universitaire hervorming voort te zetten. De academische overheid en de professoren zijn steeds akkoord om de voorstellen van de studenten en van het wetenschappelijk personeel met welwillendheid te onderzoeken, doch er dient rekening mede gehouden dat bepaalde plannen in de huidige omstandigheden ten gevolge van wettelijke bepalingen en van financiële beperkingen, niet onmiddellijk realiseerbaar zijn. Er kan steeds onderhandeld worden maar de universiteit mag in de anarchie niet vervallen, er moet steeds orde heersen opdat zij haar taak op het gebied van het onderwijs en van het wetenschappelijk onderzoek op doeltreffende wijze en in volle sereniteit zou kunnen vervullen.

Ik richt dan ook tot allen een dringende oproep opdat na het paasverlof niet weer zou teruggekomen worden op de incidenten die zich deze laatste weken hebben voorgedaan en opdat de  Universiteit zich opnieuw en volledig op haar normale werkzaamheden zou kunnen concentreren. Tevens vraag ik aan de studentengemeenschap dat zij geen gehoor zou geven aan personen die in feite buiten deze gemeenschap staan (hetzij dat zij aan de Universiteit niet zijn ingeschreven, hetzij dat zij ingeschreven zijn maar niet studeren) en die zich in feite weinig bekommeren om de universitaire vernieuwing en de verdediging van het recht op vrijheid van opinie (die zij bij anderen niet dulden), enz. die zij alleen als voorwendsel nemen om de goede gang van onze Universiteit in de war te sturen.

DE RECTOR,

(getekend)

Prof. Dr. J.J. Bouckaert.