woensdag 16 december 2009

Patrick Lateur

Deze bijdrage had ik evengoed "Dwerg koopt reus te Oudenaarde" kunnen noemen. Maar dat zou al te belachelijk klinken. Als ik zie welke geloofsbrieven Patrick Lateur kan voorleggen, zie ik slechts dat wat ik zo graag zelf zou geweest zijn. Een man die literatuur gestudeerd heeft, of een vak altans dat vergelijkbaar is: klassieke filologie. Vergeleken met mij is hij een reus, ik ben slechts een mini-dwerg. Want:

Patrick Lateur is een dichter, geboren in 1949 in Bevere-Leie, dus van mijn leeftijdscategorie. Hij gaf les te Gijzegem bij Aalst, en vond in die taak een voldoening waar veel huidige leraars een voorbeeld mogen aan nemen. Zijn engagement situeert zich in de christelijk geïnspireerde wereld, en hij zal dat doorheen zijn gans leven met zich meedragen. Vooral de figuur van Fransiscus van Assisi blijkt zijn inspiratiebron te zijn. Maar de echte bronnen van de christelijke kultuur, en alles wat in de onmiddellijke omgeving daarvan geleefd en betekenis gehad heeft, heeft duidelijk een uitweg gezocht in zijn werk. De betekenis van de katacomben heeft hij in ruime mate in zijn werk laten meespelen.

In een interview in Tertio op 16 december laat hij zich uitgebreid uit over de betekenis van het woord, en stelt dit niet alleen in het licht als een dichter, die uiteraard van het woord zijn medium gemaakt heeft.  Hij trekt meteen ook de parallel naar het geloof, waarin van bij de aanvang van het Johannesevangelie de uitspraak: "In het begin was er het woord..." richting geeft aan hen die willen volgen. Het is slechts door het Woord dat een boodschap, op welke wijze dan ook vermomd, tot de anderen kan komen. En de dichter hanteert het woord.

Maar dat alles kan men lezen op de website, waarnaar de titel van deze bijdrage verwijst. Vandaag is vooral belangrijk voor mij dat ik tijdens een snuffeltocht niets, maar dan ook niets meeneembaars vond. Tot ...

Ik heb gewoontegetrouw de ganse rij boeken één voor één uit het rek genomen, en teruggeplaatst.  De ouden bekenden heb ik met een half oog bekeken, maar zoals zesendertig maal reeds gedaan, heb ik ze weer teruggeplaatst, vanwege niet in mijn interessesfeer passend. Ontgoocheld keerde ik mij om, en zag tot mijn verbazing in een andere kast nog een rij boeken staan, die snel alle te licht bevonden werden.  Het allerlaatste echter ...

Een dun boekje bleek aan mijn aandacht ontsnapt te zijn. Het was dan ook dun, grijs en saai van opmaak. Maar wie de titel niet leest, het werk ook niet kent. En de titel luidde: "De speelman van Assisi". Auteur: Patrick Lateur. Die naam ben ik reeds in een andere winkel tegengekomen, en heeft nooit een belletje doen rinkelen. Vandaag echter wel. Nu weet ik dat ik het Zonnelied van Fransiscus bij een paar voorgaande gelegenheden reeds in mijn handen gehad heb, en de kans heb laten voorbij gaan dit belangrijke werkje voor een prikje mee te nemen. Ik besefte het gewoon niet. Tot vandaag. Patrick Lateur. Hoe is het mogelijk over die man heen te kijken.

Mijn klassieke bezwaren tegen zijn wijze van dichten vallen in het water bij zijn betekenis. Dat ik vandaag zijn Speelman mocht kopen, en dat ik daarin mocht vaststellen dat een opdracht "Voor zuster Machtelt" er een bijzondere waarde op toe legt, maakt me des te gelukkiger. Voor zuster Machtelt, van harte deze verzen om ooit in Assisi te lezen. Met dank, 28 xxx 1996, en zowaar: een handtekening. Deze tweede uitgave van de bundel, in opdracht van het Poëziecentrum te Gent gedrukt op de persen van Sanderus te Oudenaarde in januari 1995 is voor mij een pareltje te meer in mijn verzameling.

De kostprijs van deze aanschaf: ik durf het niet kenbaar te maken. Belachelijk. Het is eigenlijk een aanfluiting voor wie het dichten in het hart en de nieren getrokken is. Ergens weet ik het boekje, niet gesigneerd of gededicaceerd, te koop voor 13 euro en enige centen. Dat klinkt al normaler. Het stond als allerlaatste boekje in de rij, een beetje naar achter geschoven, zoals dichtbundels dat meermaals moeten ondergaan. Daardoor was het niet onmiddellijk zichtbaar, en kon slechts een speurder als ik het opmerken. Heerlijk.

zondag 13 december 2009

Guike

Het is al weer enige tijd dat ik er nog aan gedacht heb, maar een eerste bezoek aan het Hambosmuseum, reeds meer dan twee maanden geleden, bracht me via via terug naar dat oude idee. Alleen is het voor een werkend iemand vreselijk moeilijk voldoende tijd vrij te maken om een project te realiseren, dat in het verleden ook al een keer op niets uitgelopen is.

Het verhaal van Guike, een schoolmakkertje uit een ver verleden, spookt reeds bijna een halve eeuw door mijn hoofd. Tot nog toe heb ik er niet echt iets mee gedaan. Hoewel, de uitdrukking "er niet echt iets mee gedaan" is een beetje onrechtvaardig tegen mezelf. Ik heb er wel iets mee gedaan, maar er is niet echt iets van gekomen. Dat is beter.

En het verhaal, de echte betekenis van Harieke moet ik ook nog eens vorm geven. Maar daar zijn dan weer andere bezwaren tegen. Ook mijn Blumengarten-bibliotheek vraagt in deze wintermaanden weer mijn aandacht. Vroeg of laat ga ik een verbinding plaatsen naar deze lijst, zodat ik gemakkelijk van het ene naar het andere kan springen. Dan is er ook nog het project van de stamboom, dat uitgewerkt moet worden. En dat alles wordt doorkruist met de moeilijkheden van de softwareverandering op het werk, waarvan ik voorzie dat er avondwerk zal uit voortvloeien.

En in de lente ligt mijn tuin weer op de loer.  Deze moet in 2010 volkomen in orde gebracht worden. Daar komen nog een boel problemen van familiale aard bovenop, die elk hun tijd vragen. Eigenlijk heb ik dus te veel werk om nog te dromen.

Van het Hambosmuseum gesproken. Een week geleden ben ik er nog eens geweest.  Het was even feestelijk als de eerste keer. Ik heb er een pracht van een fotoverzameming mogen bekijken van alle stukken die Willy het fotograferen waard vond. Bij elke foto wist de man wat te vertellen, zodat ik eigenlijk een unieke ervaring meegemaakt heb: in het museum zelf een virtuele rondleiding krijgen, dat doe je niet overal! Maar mijn fototoestel heeft ook een aantal beelden opgeleverd, die ik echter nog niet op harde schijf gezet heb. Dat zal in de loop van de volgende week wel gebeuren, de drukte van de afgelopen week was te hoog om nog wat anders te doen.

Ik heb echter aan twee dingen een speciale aandacht besteed: een pracht van een bidstoel, die fotografisch eigenlijk zoveel mogelijkheden heeft. Deze ga ik in de mate van het mogelijke hier aan deze bijdrage toevoegen.  Maar bovenal is er de verzameling boeken van dr. Weyns, die ik een beetje van naderbij bekeken heb. Welk een schat aan informatie staat daar in! De boeken zijn de fotografische nadrukken van 1998 of 1999, maar dat doet niets af aan hun waarde.  Ze zien er patent uit, en nodigen uit tot bladeren.  Talloze gebruiksvoorwerpen die erin beschreven staan zouden, zo bekeken geen enkele functionaliteit hebben, als je er niet bij wijze van spreken een handleiding bij kunt hebben. En daar in het museum hebben we zo een paar dingen in handen genomen, die door de aanwezigen in het rond gedraaid werden, doch niet tot leven konden gebracht worden. Een paar vallen werden toegewezen aan respectievelijk vossen, kraaien en eksters, dan wel ratten of hazen en konijnen. Het was mooi om de inventieve denkwijze van de ontwerpers te mogen volgen.

Een museum leeft toch maar in de mate dat je de voorwerpen die er tentoongesteld worden, ziet tot leven komen. En dat kan daar nog.

Maar nu ga ik nog even doorwerken aan mijn Blumengartenbibliotheek.

vrijdag 4 december 2009

Wieblaft?

Een blog bijhouden die als doel heeft je eigen mening te verkondigen, ook als die mening soms een beetje veel krom is, of zelfs onrechtvaardig, of ondoordacht, heeft zo zijn voordelen.  Je kunt dan namelijk een eigen mening verkondigen, ook als ze een beetje veel krom is, of zelfs onrechtvaardig, of ondoordacht.

Een boekje dat uitgegeven is in 1977, wel dat vertoont nog een beetje de sporen van iemand die in de zestiger jaren jong en onervaren geweest is, maar die toen al een mening had, waar hij flowerpowerend voor uitkwam. De zeventiger jaren hebben helaas zijn haardos nog niet gemilimeterd, integendeel, weggesprongen vanonder het ouderlijk juk heeft hij de kapper op zwart zaad gezet, en de boel alleen maar behoorlijk naar beneden laten groeien; de foto is er typisch één van een smakeloze kop zoals van zovelen die dachten de meest smaakvolle berenmuts uit de Queens' privécollectie gecopieerd te hebben. Walgelijk zicht, maar ok, we vonden het wel mooi. En de meisjes godbetert ook. Ze verkiezen ondertussen dan weer de kaalkoppen, hoewel de krullebollen tegenwoordig opnieuw gekultiveerd worden als de eigenaars menen op een gitaar te moeten rammen om zogenaamde muziek te produceren. Het is blijkbaar een eeuwigdurende cirkel van smakeloosheid, waar ik gedurende enige jaren ook deel van geweest ben. En tegenwoordig ben ik op mijn eigenzinnige manier smakeloos, namelijk onafhankelijk van de smakeloosheid van anderen.

Een zekere heer Geert Verbeke heeft ooit een dichtbundeltje gepleegd, en het in eigen beheer uitgegeven.  Dat deed hij op 300 exemplaren, en Pieter Geert Buckinx doet er maar beter aan niet in zijn graf om te draaien. Het bundeltje munt uit door zijn grafische vormgeving.  Het is een prachtwerk, in tegenstelling tot het oorlogsdrukwerkje van PGB, dat de soberheid zelf is. Hij wint echter op de punten, in oorlogstijd werd er nog echte poëzie geschreven, de vredesliteratuur van Verbeke is een bleke schaduw van wat vijftienjarige meisjes in het begin van de jaren zeventig aan hun liefjes voorlegden als ze wilden doen geloven dat ze naast ballet en muziekschool ook nog dichten als hobby beoefenden. Een voorbeeld, waar mijn beroemde zeventienjarige vriendin van een aantal maanden geleden een regelrechte aanval van jaloersheid zou van gekregen hebben.

Heeft iemand
weet van
geschonden
granaatappels
als op de akker
van verzwijgen
hagelstenen
getuigen
van
eenzaamheid?

Zoals gezegd, een droef meisjeshart uit soms haar nostalgische, richtingzoekende, onbestemde en te moeilijk verwoordbare eenzaamheid zoals deze harige adonis het ook kan. Op een purperen bladzijde neemt deze onbestemde zin, gehakt in verzen die geen verzen zijn, de volledige rechterbovenhoek in.

Met de hulp van Jack London krijgen we alvast een begrijpbare zin te lezen:

Een hond een been toewerpen is
geen liefde. Liefde is, het been delen
met de hond, als men evenveel
honger heeft als het dier.

Jack London heeft meermaals de lof van de wolf gezongen, een ook de hond kreeg zijn deel. Maar de welbedoelde zin van deze auteur was geen gedicht. Het was een aforisme om zijn liefde voor de hond tot uitdrukking te brengen.  Het was bovendien een uitspraak die zo geformuleerd was, dat hij ervan uitging dat de gemiddelde lezer niet wist dat een hond een dier is. Ongewild, door pure auctoriële onoplettendheid, wil hij zijn uitspraak zo vloeiend mogelijk maken. De laatste drie woorden zijn volkomen overbodig. De geïsoleerde uitspraak lijdt een eigen leven, en moet dus correct geciteerd worden. Ook als men daartoe de woorden van de auteur op geleide manier moet amputeren. Citeren is niet slaafs herhalen, maar de woorden correct plaatsen.

Een hond een been toewerpen is geen liefde.
Liefde is het been delen met de hond,
als men evenveel honger heeft.

Wie slaat moet ook zalven. Het volgende gedicht is van een eenzame schoonheid temidden van de jongemeisjespoëzie.

Wanhoop bruist
in mijn geheimste diepzee
de tol van lief te zijn
is aangepoeld.


Nu moet ik leren vergeten
dat ik ooit eens de zon
ontdekte, haar warmte
zal ik echter nooit verraden.

Wie zalft mag ook slaan. De enige kritiek die ik kan formuleren is de altijd dwaze verhakseling van een logische zin in onlogische verzen, zoals vooral in de tweede strofe het geval is. Hoe leesbaar zou dit gedicht geweest zijn als hij dit gezegd had in een gewone, alledaagse zin, waarin een premisse en een conclusie het leven tot in zijn mooiste verdriet hadden kunnen uitdrukken.

Wanhoop bruist in mijn geheimste diepzee:
de tol der liefde is aangespoeld.


Ik leer vergeten dat ik de zon ontdekte,
maar zal haar warmte nooit verraden.

Kompakter. Ik denk ook: afstandelijker geformuleerd. Maar het is door deze transformatie wel mijn gedicht geworden. En dat mag de bedoeling niet zijn. Poëzie lezen is een daad van oneerlijke oprechtheid: je vindt iets mooi, maar net zoals je de vrouw, van wie je houdt niet mag trachten te veranderen, zo mag je een gedicht ook niet aanraken. Wat beter is in je eigen ogen, is toch niet meer hetzelfde.

Het bundeltje heet Dobermann, een hond die ik als tweede, na de Duitse scheper, beschouw als De Hond, en ik heb er meer dan gemengde gevoelens over. Ik zal het eerlijkheidshalve zo zeggen: het is te jaren zeventig, ik begrijp het niet (meer). Wablieft?

donderdag 3 december 2009

bekijken, lezen, bestuderen

Je kunt alle kanten uit. Wat moet je met een boek? Je bekijkt het, omdat het mooi is, ook omdat de informatie met de ogen opgenomen kan worden, zoals een boek over een of andere kunstvorm. Of je leest het, omdat het verhaal je aanspreekt. Omdat je de schrijver wil leren kennen, of omdat je het al gelezen hebt, en het aan een herhaling toe is. En heel af en toe krijg je boeken in handen die niet alleen bekeken worden, maar ook gelezen, én bestudeerd.

Ik heb hier een paar stapels liggen, die aan één of meerdere van die criteria voldoen, en dus ofwel bekeken, ofwel gelezen, ofwel bestudeerd moeten worden. Of er is een combinatie van twee, en zelfs van de drie activiteiten mogelijk. Misschien nog meer.  Zoals verbranden, weggeven, vergeten, er allerhande onliteraire dingen méé doen, zoals de boeken als knutselmateriaal gebruiken. Of als studiemateriaal dienst doen om door zelfstudie te leren boeken restaureren. Dat wordt dan de verzamelcategorie 4. Even kijken.

In de reeks Ontmoetingen: Willem Elsschot, door Bernard-Frans Van Vlierden. In zijn derde druk uitgegeven in 1962 bij Desclée-De Brouwer, is dit één van de topwerken uit die reeks. Zeer beschrijvend, zeer informatief, helaas niet bekijkenswaardig.  De reeks munt uit in sobere vormgeving, dus hier hebben we duidelijk een 2-3 combinatie. Na de lezing van het verzameld werk zal dit niet lang moeten wachten, zodat ik nog vers in het geheugen heb wat Elsschot schreef. En een diagonale lezing leerde me alvast dat ik op een totaal andere wijze tegen deze schrijver zal kunnen aankijken.

Met Een Wijnavond bij Dr. Aldegraaf van René Declercq heb ik een gaaf, zeer mooi bewaard, zelfs nog niet open gesneden boekje in handen, waarbij het opvallend is dat de eigenaar er wel een stempel met zijn naam en woonplaats in gezet heeft, en er annotaties in aangebracht heeft met een bestudeerde bibliotheeknummering. Maar niet gelezen, dus. Want zelfs om de stempel er in te zetten, was er kunst en vliegwerk nodig om de de geperforeerde snede niet te beschadigen. Merkwaardig toch, maar fijn voor mij. Als de persoon van René Declercq dan merkwaardig, interessant en intrigerend mag genoemd worden, dan is dit boek weer een aanzet om allerlei verbanden te zoeken. Een heel klein beetje 1, veel 2 en vooral 3.

Bekentenis. Van Clem Schouwenaars heb ik nog nooit wat gelezen, of misschien wel, maar hij is er niet in geslaagd iets in mijn geheugen vast te zetten. Als ik dan dit dunne boekje bekijk, uit 1989, gedrukt als geschenk ter gelegenheid van de Vlaamse Boekenweek door de Vereniging ter bevordering van hetVlaamse Boekenwezen, moet dit toch de aanzet worden van misschien wel meer. Het heet Een Dageraad, is de soberheid zelfve, en wordt als categorie 2 gestapeld. Duimen, Clem!

Hier een typische categorie 4: Maak lappen-poppen, door G. Lockwood. Het boekje is zeer duidelijk wat de titel zegt: een instructieboekje om te leren lappenpoppen maken. Uitstekend geschikt om mijn kinderminnende dochters en hun dito tantes en vriendinnen aan de praat en aan het werk te houden. Met die reden dan ook gekocht, omdat de prijs in een lagere categorie van centen uitgedrukt werd.  Gierige opa doet dochter plezier met een centenboekje...

Wielebart is een boekje in de reeks geschenkboeken van de drukkerij Sanderus te Oudenaarde, die deze uitgaven speciaal uitgaf om het clienteel een bedankje toe te sturen. Felix Dalle schreef het boek "De trage jaargetijden", en Sanderus kreeg meteen in 1974 het recht een extract voor het bedoelde publiek voor eigen doelstellingen te gebruiken. Het is misschien een goede gelegenheid iets meer te weten te komen over Felix Dalle. Voor mij voorlopig nog een grote onbekende. Categorie 2.

Dan maar 4 boeken tegelijkertijd.  In de reeks grote ontmoetingen heb ik in één lot de nummers 21, 27, 28 en 45 te pakken gekregen.  Het betreft besprekingen van respectievelijk de romantiek, realisme en naturalisme, impressionisme en symbolisme, en tenslotte expressionisme en fauvisme in de kunst. En alle relevante kunstvormen komen aan bod. Interessant genoeg om dus zowel de categorieën 1, 2 en 3 aan toe te kennen. Iemand heeft het me alvast voorgedaan, en in het eerste boek werkelijk op alle bladzijden met potlood aanduidingen gemaakt. Uitgeverij Orion heeft hier mooi werk afgeleverd, weliswaar in samenwerking met B. Gottmer.

Het vervolg zal wel komen, maar het is duidelijk dat de verzameling zeer divers is.

woensdag 2 december 2009

Archiefbeelden Oudenaarde en deelgemeenten

In mijn bijdrage van donderdag 19 november heb ik het al gehad over het boekje "Historische huisgevels te Oudenaarde". In dezelfde periode heb ik ook het fotoboek "Oudenaarde en deelgemeenten" van John Velghe en Hugo Rau aangeschaft. Het is een recent werkje: het werd in 2006 uitgegeven door de beheerders van de lokale Radio Brouwer naar aanleiding van het 25 jarig bestaan van die vzw.

Het sluit bijna naadloos aan op de historische huisgevels. Maar het is wel breder opgevat. Minder wetenschappelijk, meer nostalgisch. Dat mag. En het wordt er niet minder interessant door.  Integendeel, de petite histoire van de stad en van zijn deelgemeenten komt mooi naar boven aan de hand van oude foto's en prentkaarten.

En wie alleen de stad van vandaag kent, moet vlug vaststellen dat er beelden op staan die al lang verdwenen zijn. Dat maakt het mooi.  Wat is er op de plaats die je kent, ooit geweest? Verrassende antwoorden, bijna op elke bladzijde. Vooral de foto's van het Oude kasteel van Bourgondië, waar zich een tragische geschiedenis afgespeeld heeft met de zes priesters die vanuit het kasteel door het venster in het water van de Schelde gekieperd werden. Het rechttrekken van de Schelde heeft ervoor gezorgd dat die historische plaats helemaal niet meer bestaat. Op andere foto's zijn nog glimpen op te vangen van oude scheldearmen, die nu nog slechts bestaan in straatnamen (Grachtschelde, Burgschelde...). Oude gebouwen die verdwenen zijn, de Walburgakerk die onder de beschietingen tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigd werd, maar ook ludieker onderwerpen, zoals sport en muziek leveren mooie beelden op.

Speciaal is ook de vermelding op het Tacambaroplein van het huis nummer 2, waar Robert Herberigs, schrijver, schilder en componist gewoond heeft tot aan zijn dood in 1974.

Mijn verzameling Oudenaardensia heeft de laatste tijd een mooie aangroei gekregen.

maandag 30 november 2009

Een tas met een oor af

Soms zijn er ook redenen om een boek niet te kopen.  Gisteren, tijdens de "antiek en brokante"-markt in de Qubus te Oudenaarde is me zulk een moment overkomen.

Er was relatief weinig aanbod van boeken, maar de boeken die er lagen waren dikwijls van hoge kwaliteit.  Ze gingen meestal mijn budget ver te boven. Dat was vooral te wijten aan de aanwezigheid van echte antiquairs, die naast hun klassieke stukken ook wel enig aanbod van het betere boek aanboden. En de rest was meestal het bekijken niet waard.

Tussen al dat fraaie werk was er één dat speciaal mijn aandacht getrokken had. Het was niet echt een boek, maar een schrift, dat wel in een zware hardcover stak. Ongelijnd papier, keurig genummerd met een gedrukte stempel, leek het me eerder op een soort register, waarbij iedere bladzijde blijkbaar door de nummering bewijswaarde vertegenwoordigde.  Waarvan zal ik nooit weten, er stond geen enkel ambtelijk gegeven in te lezen.

Wat er wel in stond, was echter van een bijzondere schoonheid. Een etiquette vermeldde de fraaie en duidelijke titel van het erfstuk in wording: Carnet de Poésis. En dat was het dan ook.  Een vooroorlogs handschrift, in fijne pen, zeer verzorgd, ontsluierde op elke bladzijde een nieuw gedicht. De verzamelaar(ster) van deze dichtwerken was blijkbaar systematisch te werk gegaan. Van één dichter stonden soms drie, vier, vijf werken achter mekaar. En de inventaris ervan werd achteraan netjes in een table de matières opgesomd. Dichter, onderlijnd. En in een verzorgd ingesprongen kolom het nummer van de bladzijde en de titel van het gedicht. Mignonne, allons voir si la rose, een gedicht van Pierre de Ronsard, tussen nog een paar andere titels. Alles met vooroorlogs geduld gecaligrafeerd.

Bonne Maman Eufrasie, ik ga ervan uit dat het een dame van enige stand was, zoniet, Matante Jeanne-Françoise had er haar tijd, haar geduld en haar caligrafische kennis en kunde in gestoken om van het schriftje, haar "Carnet de Poésis" iets te maken dat door de erfgenamen nog honderd jaar kon gekoesterd worden.

Dat had ook kunnen gebeurd zijn, maar God weet welke gebeurtenissen er een stokje voor gestoken hebben. Het feit dat het boekje teruggevonden werd tussen een stapel andere lektuur, waaronder een niet gering aantal kerkboeken, bijbelvertellingen, zelfs een bijbel in een zestal boekdelen, bewijst waarschijnlijk wel dat er een zolder opgeruimd was, jaren na het overlijden van Bonne Maman of van Matante.

Doch voor de opruiming is er helaas dat iets gebeurd, dat me heeft doen afzien van de aankoop. Het abrupte einde van de inventaris wees er reeds op dat de verzameling dichtwerken voortijdig een einde genomen heeft. Hoe het dan verder gegaan is, weten we uiteraard niet, maar even doorbladeren na het laatste gedicht over de vermeend blanco bladzijden deed me de haren ten berge rijzen.

Een jongedame, vermoedelijke erfgename van de eigenlijke erfgenaam of erfgename, heeft zonder besef van de getuigenwaarde van dit handschriftje, het papier gebruikt om haar eigen dagboek neer te ... kliederen. In pure puberstijl liet ze ons weten dat op een zekere dag in 199X zij besloten had een dagboek bij te houden. Na een kleurrijke beschrijving van enige gebeurtenissen die pubermatig van het hoogste belang waren, kwamen we plots  te weten dat de jongedame nog graag een ... (ik citeer) behatje gekregen had. De strenge puberwetten hadden haar lichaam blijkbaar hier en daar enige transformatie laten ondergaan, en de wens naar bepaalde kledingstukken is een natuurlijk verlangen voor wie wel eens twaalf of dertien jaar en vrouw in wording is. Een tekening van het verlangde kleinood vulde aan hetgeen waarvoor woorden te kort schoten. En daar de tekening ook niet alles zei (je moest een graad in de lingeriologie hebben om het bouwplan te kunnen lezen) werd duidelijkheidshalve nog deze epitheton ornans gelanceerd: zo één met een onderstuk, dat vind ik zo mooi. Dat liet uitschijnen dat het op zijn minst menens was.

Een bijdrage van een andere dag gaf de volle, vrouwelijke laag aan een vertegenwoordiger van het andere dus min of meer mannelijke geslacht.  De nietsvermoedende adonis werd omschreven (en ik citeer, wees niet gechockeerd) als dubbele punt een stuk stront, een hoop afval, een lul, en meer van dergelijke schoonheden die enkel uit een gekwetste meisjesziel kunnen opwellen als het menens is, en de inspiratie groot. Het was bij haar duidelijk altijd menens.

Het boekje mocht dan zo fraai en edel begonnen zijn, de zes of zeven bladzijden dagboek van een pubermeisje hebben de totale schoonheid naar de knoppen geholpen.

Gedurende 10 minuten heb ik staan kijken, kiezen en keuren, en uiteindelijk heb ik het neergelegd. Ik kon het niet over mijn hart krijgen de erfenis van Bonne Maman dan wel Matante mee naar huis te kopen, om verder aan de onnadenkende toevoegingen van achter-kleindochter of achter-achternichtje blootgesteld te worden.  Ik hoop oprecht dat de verkoper eveneens tot inkeer komt, en de onterende bladzijden genadelijk maar proper verwijdert, dan wel het boekje een eerbaar einde bezorgt op de brandstapel. Het te koop aanbieden van een dergelijk verminkt werk is een daad van wanbegrip voor wat kan en wat niet kan verkocht worden. Het maakt zijn reputatie als antiquair bedenkelijk. Een tas met een oor af, dat verkoop je ook niet.

Laat me met de woorden van Pierre de Ronsard, die hij offreerde aan Cassandre, eer brengen aan Bonne Maman Eufrasie of aan Matante Jeanne-Françoise, en haar over het graf heen plaatsvervangend de terechte verontschuldigingen aanbieden voor de ontering van haar erfenis.

Pierre de RONSARD (1524-1585)


Mignonne, allons voir si la rose

A Cassandre


Mignonne, allons voir si la rose
Qui ce matin avoit desclose
Sa robe de pourpre au Soleil,
A point perdu ceste vesprée
Les plis de sa robe pourprée,
Et son teint au vostre pareil.


Las ! voyez comme en peu d'espace,
Mignonne, elle a dessus la place
Las ! las ses beautez laissé cheoir !
Ô vrayment marastre Nature,
Puis qu'une telle fleur ne dure
Que du matin jusques au soir !


Donc, si vous me croyez, mignonne,
Tandis que vostre âge fleuronne
En sa plus verte nouveauté,
Cueillez, cueillez vostre jeunesse :
Comme à ceste fleur la vieillesse
Fera ternir vostre beauté.

Met bloedend hart heb ik de markt verlaten.

donderdag 26 november 2009

De Vleugelen van Icarus

Afgezien van een paar kleine familiale problemen, was woensdag een mooie dag, een zeer mooie dag. Ik houd het natuurlijk bij het boekenwezen, om deze bewering te maken.

Zoals geweten vind ik Pieter Geert Buckinx niet de minste onder de Vlaamse dichters. Als ik dan een werk van hem in handen krijg, is dat een feest.  Mijn laatste aankoop was een kinderboekje over zijn geliefkoosde hondje. En toch was ik er opgetogen en blij mee.

Hoe moet ik dan beschrijven hoe ik me voel met het minuscule boekje dat nu naast me ligt? In 1944, het was mei, en de bevolking wist niet dat op 6 juni er een oorlogsrevolutie zou plaatsgrijpen. De wereld daverde over de mensen heen, en slechts weinigen hadden de kracht om zich te handhaven, laat staan om aan de vijand te weerstaan, en dingen te doen die elkeen algemeen als op zijn minst gewaagd zou omschreven hebben.  Zij die dat toch durfden, lieten dikwijls hun leven voor die idealen.

Hoe kan in die omstandigheden een dichter dan zichzelf zo ver van de wereld afsluiten, en zijn dichterschap rustig verder laten evolueren? Een vraag die ik niet beantwoorden kan, maar slechts stellen.

Pieter Geert Buckinx schreef zijn gedichten, en selecteerde een aantal ervan om De Vleugelen van Icarus in mei 1944 door de N.V. De Nederlandsche Boekhandel te Antwerpen te laten uitgeven. Drukkerij Devos-Van Kleef  te Antwerpen kreeg de opdracht van dit bundeltje 300 exemplaren, genummerd van 1 tot 300, te maken. Een oplage die merkwaardig laag lag. Maar het was oorlog natuurlijk. En nu heb ik het nummer 279 hier bij me liggen. Volgens de colofon heeft de dichter elk exemplaar gesigneerd, maar op de eerste bladzijde staat alleen een paraaf.

Een groot aantal van de gedichten, die naar thema de zinnelijke liefde, de stervende en overleden moeder, en het universele Oidipoesthema behandelen, doen me in sterke mate aan Hergenrath denken. Deze Gentenaar, die reeds 30 jaar daarvoor met dezelfde nauwelijks verholen drang sommige van zijn gedichten belaadde met een erotische achtergrond, slaagde er reeds in de Katholieke preutsheid te pareren, en liefde in al zijn aspecten te beschrijven. Buckinkx slaagt daar eveneens in, en doet dit met dezelfde ingehouden duidelijkheid.

De geestelijke bruiloft

Licht als een lenteroos
zoo slaapt gij, blank en broos
en zoet om te beminnen,

in eenen droom zoo zacht
als deze zoete nacht
die zingt door bloed en zinnen,

de raadsels en sieraden
en de geheime draden
van vlammen en lazuur,

daar diep de sterren bloeien,
nu wij te-samen-vloeien
in Gods verblindend vuur.

Erotiek en geloof in de liefde onder Gods beschermende hand. Hij durfde de combinatie aan.

Ook in "Memoria", een gedicht dat hetzelfde thema behandelt, toont hij dezelfde passionele liefde, en laat slechts een verwijzing naar het Woord, door het vermelden van den Tuin van Eden tot de lezer komen. Geen opgestoken vinger, geen zedenles, geen patronale vingerwijzing: de tuin van Eden wordt moeiteloos van een bijbels motief vervormd tot een middel van verwoording van dezelfde passie in  de liefde.

Maar niemand wist dit tooverfeest der zinnen
dan wij alleen. Het vuur sloeg wild naar binnen
door dit onluisterd bloed waarin de zonden bloeiden
als d'eerste bloemen in den tuin van Eden.
(fragment).

Het is verfrissend deze poëzie te lezen, zeker als je weet dat dit dus in oorlogstijd geschreven is. En uitgegeven. De oplage spreekt voor zichzelf: noch dichter, nog uitgever zagen wat in een grote oplage. Het publiek evenmin, ik vraag me ook af wie dat wel zou gekocht hebben.

Toch vind ik op bladzijde 27 een drukfout, die moeiteloos had kunnen vermeden worden. In een dichbundel, met moeite 15 of 16 gedichten bevattend, mag een zichzelf respecterend uitgever het niet toelaten dat een storende schrijffout zo kan aangewezen worden. In de tweede strofe van De Getijden der Ziel deel I zegt hij:

O zoete weemoed van den bladerval,
o zilvren waterstraal die dieper kan kristal
mijn ziel doorschitteren en zuivren moet
van 's werelds gloed en van mijn euvelmoed
-de donkre stroom van mijn opstandig bloed.

Dit is oeverloos spijtig.  Hoewel het in niets afdoet aan de kwaliteiten van het dichtwerk, de lezer ontdekt moeiteloos hoe het dan wel moet, is dit ronduit storend. In een roman van vier-of vijfhonderd bladzijden kan men maximaal twee fouten slikken, in een dichtbundel van maximaal 30 bladzijden tekst is er maar één besluit mogelijk.

Al dat negatiefs valt echter weg onder de schoonheid van het zeldzame dat vervat ligt in dit boekje. Het is bovendien zo goed bewaard, dat ik via dit medium graag de goede verkoper wil danken voor dit mooie werk. Hij heeft me niet bestolen.  Integendeel, ik voel me zowat een dief, een poëziedief. Over mijn andere aankoop op dezelfde dag zal ik het later hebben.