ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

donderdag 4 december 2008

Giovanni Boccaccio en Roger Martin du Gard

In de categorie "Dat moet je gelezen hebben" staan vele boeken die het lezen niet waard zijn. Er staan een paar boeken in die het dubbel waard zijn, en er zijn een heleboel boeken die er onterecht niet in staan.

De Il Decamerone van Giovanni Boccaccio is er eentje dat meer dan terecht wel in de lijst opgenomen is. Het boek heeft op zijn eentje meer impact op de verhaalkunst en de tekening van de tijdsgeest dan veel gerenomeerde werken die op de naam teren, maar niet tegen de tijdsdruk bestand waren.

Ik heb er vroeger stukken uit gelezen, maar nooit het volledige boek verwerkt. Het komt op mijn beruchte lijstje te staan.

En nummer elf van de Pantheonreeks komt de rij vervoegen. Roger Martin du Gard is een grote onbekende voor mij. Een naam, nog geen auteur. Ik ben nieuwsgierig.

Tijdens het week-end ben ik ook een geschiedkundig werk over Oudenaarde tegen het lijf gelopen. "De Militaire Geschiedenis van Oudenaarde tot 1900" door Dokter J.P. Deweer, e.r. Lt. Kol.Med.

Deze brave man lijdt een ogenschijnlijk verborgen leven in ons stadje. Hij is hier gekend als oud-oogarts, en de helft van de bevolking, zoniet meer, is langs zijn rustige autoriteit gepasseerd om de ogen te laten onderzoeken en om de aangepaste bril te gaan kopen. Ik heb hetzelfde gedaan.

Maar dr. Deweer is meer. Hij is de drijvende kracht achter Oudenaardes geschiedkundige Kring. De amateur-vorsers die het verleden uitspitten om meer te weten over het verleden van hun stad en streek deden dat onder de rustige, deskundige en stimulerende leiding van een man die steeds de eenvoudige stadsgenoot bleef voor iedereen.

Het werk dat ik nu in handen heb, zal de opvolger worden van mijn Keltenboek, hoewel het een pak moeilijker te lezen lijkt dan het voorgaande. Maar geschiedenis is geen gemakkelijke materie, en geschiedenis lezen is niet bladzijden verslinden en titels vernoemen onder het mompelen van "Ja, dat heb ik ook gelezen"-zinnetjes. Het zal net zoals het vorige werk er eentje van tijd en inspanning worden. Met plezier gedaan, denk ik dan maar.

Ten slotte is er nog de 23ste Wereldkartoenale Knokke-Heist '84, onder de titel: De mens wil Lachen. Ooit, als jonge kerel ben ik begonnen elk jaar de uitgave in de davidsfondsreeks jaar na jaar aan te schaffen, maar de tijd heeft er anders over beslist. En nu vind ik langzamerhand de ontbrekende delen terug. Niet alles is nog even grappig of mooi als toen, maar het is jeugdsentiment. En ik houd van die glimlach, die onwillekeurig op mijn gezicht komt als ik dit doorblader. Onweerstaanbaar.

woensdag 3 december 2008

Dr. Jan Grauls, taalkundige

Vandaag weer even een kort bezoek gebracht aan de brongebieden. Tot mijn grote blijdschap heb ik er een werkje over onze taal te pakken gekregen, geschreven door niemand minder dan dr. Jan Grauls, Hasselaar.

En zoals dat in Vlaanderen hoort, heeft een Limburger uit de voor- én naoorlogse periode als wetenschapper net iets minder onmiddellijke impact op de gemeenschap. Wie kent er dr. Jan Grauls nog?

Hij is geboren te Hasselt op 19 april 1887 en overleden te Astene op 5 februari 1960. Hij promoveerde in 1914 aan de Rooms Katholieke Universiteit te Leuven (dat was nu éénmaal de officiële benaming van de Universiteit in die tijd) in de Germaanse Filologie (zou hij Ernest Claes als studiemakker gehad hebben? Zoniet, wie dan wel?) op een dissertatie over de klankleer van het Hasselts dialect. Hij werkte op het Ministerie van Openbaar Onderwijs als hoofd van de vertaaldienst. Zijn voornaamste bezigheid was het taalkundig en taalhistorisch onderzoek van het Nederlands. ((Louis Jacobs leert het mij: In 1910 promoveerde hij (Ernest Claes) in de Germaanse filologie
.))

Verrassend thema in zijn onderzoek: de invloed van de Vlaamse volkstaal op het Waals. Ook de kennis van familienamen door middel van beroep en begrip en de studie van de spreekwoorden van Pieter Breugel (een oude bekende) stonden op zijn programma.

Bovenal was hij een strijder voor de zuivere taal, hij was bij wijze van spreken de man die de ondertussen verouderde, maar niet vergeten woordcombinatie: A.B.N. vorm gegeven heeft; het zuivere taaleigen en de "beschaafde uitspraak" waren zijn stokpaardje.

In het boekje, de Vlaamse Pocket nr. 69, geeft hij in "duizend en een onderwerpen" taalkundige wegwijzertjes.

Zo leer ik dat Vrijmetselaars in het laat-middeleeuwse Engeland Freemacons genoemd werden, dat zij uiterst bedreven bouwers waren, die van stad tot stad trokken en deelnamen aan de grote bouwwerken, zonder zich onder de controle van de plaatselijke gilden te hoeven stellen. Ze hadden als onderlinge herkenningstekenen verschillende geheime tekens en woorden ter beschikking. Hun opleiding kregen zij in besloten huizen, die "Lodge" genoemd werden. In Engeland wemelt het nu nog van "Lodges"...

Een andere Hasselaar is de goddelijke Jos Ghysen, met de Vlaamse Pocket "In stukjes gevallen". Ik weet niet meer of ik hem al heb, ik heb het zekere voor het onzekere genomen.

In de reeks van Reclam verlag vind ik nu ook van Ernst Stadler "Der Aufbruch" terug.

Ook in de Duitse taal: "Mein Kriegstagebuch - Führerhauptquartier und Berliner Wirklichkeit - Vorwort: Kurt Sontheimer", van Marianne Feuersenger, uitgegeven bij de
Herderbücherei als Band 955. Weer een belangwekkende verzameling onbevooroordeelde momentopnamen door een bevoorrecht getuige. Altans, dat hoop ik, want de schrijfster is na de oorlog een gewaardeerd journaliste, redactiechef en omroepster geworden. Van journalisten verwacht ik onbevooroordeelde geschriften, ook als zij op één of andere wijze betrokken waren of zijn in de gebeurtenissen, die ze beschrijven, behalve als het om op de werkelijkheid gebaseerde fictie gaat. De omschrijving van de inhoud klinkt als volgt, en ik beperk me tot de eerste zinnen.

Dies sind keine Erinnerungen. Es ist eine Auswahl von Briefen und Notizen, wie sie in den Kriegsjahren spontan niedergeschrieben wurden von einer jungen Frau, die zeitweilig auch das offizielle "Kriegtagebuch der wermachtführung" zu scheiben hatte, also van Anfang an mit "Herschaftswissen" belastet war. Zunächtst in der Operationsabteilung tätig, später Sekretärin des "Beauftragten der Führers für die militärische Geschichtsschreibung", gehörten geheimste Pläne und Protokolle zu ihrem täglichen Arbeitsmaterial. (...)

De rest vul ik morgen aan.