Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




dinsdag 28 september 2010

De Bijbel

Enige tijd geleden heb ik mijn aankoop van een Bijbel toegelicht. Een Statenbijbel, zoals hij genoemd wordt, en dat boekwerk is er niet gekomen door doodeenvoudig  de vorige editie van een nieuw hemd te voorzien, er een ietwat geleerde titel boven te plaatsen, en voor de rest de mensen het eeuwig leven voor te spiegelen bij voldoende ijverige lectuur van de heilige woorden.

In verkorte woorden geef ik de brief weer die Filips van Marnix van Sint Aldegonde schreef aan Guillelmus Baudartus, die in het dagelijkse leven gewoon Willem Baudaert uit Deinze was, en ook predikant in Zutphen waar hij overleed. Het zijn zeer merkwaardige woorden over de kwaliteit van de in het land in gebruik zijnde Bijbels, die wel druk gelezen werden, maar die ook slechts een afkooksel waren van de oorspronkelijke teksten in het Hebreeuws, Grieks, Chaldeeuws en nog zo een paar talen die voor mij eerder kryptisch overkomen.
"Ik meen dat de Nederlandse bijbel die wij dagin daguit gebruiken van zodanige aard is dat hij, ronduit gezegd, nieuwe studie en grondige arbeid vereist. Ik moet bekennen dat ik geen bijbelvertaling ken die mij zozeer lijkt af te wijken van de waarheid der Hebreeuwse dan die van Luther waaruit de onze is ontstaan. Uit de gebrekkige Duitse is nog een slechtere Nederduitse tot stand gekomen. Ik zou het op prijs stellen als wij vertrouwelijk met elkaar daarover konden praten. Ik betreur echter tenzeerste dat velen daarvoor hun ogen op mij gericht houden,. Ik zou willen dat onze kerken - en dat heb ik hun dan ook aangeraden - naar u zouden opzien en u dat werk toevertrouwen..."
Als Baudaert dan uit Deinze afkomstig was, niet ver vandaar lag er nog een stadje, dat in de geschiedenis van Vlaanderen sinds de opkomst van de Vlaamse Graven steeds een historische rol gespeeld heeft, en waarvan sommige zonen tot grote hoogte zijn opgestegen. Een tijdgenoot van Baudaert was de Oudenaardist Jan Van den Driessche, die door de godsdienstperikelen zijn vader zag uitwijken naar Engeland, en zelf ook naar ginder ontsnapte. Hij was een goed en gedreven student, met een fameuze talenknobbel, en de voor mij zo kryptische talen waren voor hem zijn dagelijks werk. Terug in Vlaanderen, week hij weldra naar Zeeland uit, en kwam door achtereenvolgende aanbevelingen uiteindelijk terecht aan de universiteit van Franeker in Friesland (jawel, één van de Elf).

Baudaert zette zijn naam naar de geplogenheden van die tijd over in het Latijn, en dat werd dus Guillelmus Baudartius. Jan Van den Driessche voelde in die omgeving zijn ego ook een beetje aanzwellen en verkoos zijn geleerde tractaten te ondertekenen met Jo(h)annes Drusius.

Hij kreeg van de Staten Generaal van de Verenigde Provinciën de opdracht commentaren en nota's te schijven over de moeilijkste passages van het Oude Testament, en daarbij onderzoek te verrichten naar het werk van Chaldeeuwse, Griekse en Latijnse exegeten, taken die hij met de grootste nauwgezetheid heeft volbracht. Even twijfelde hij, en hij bood zijn ontslag aan, maar de Curatoren van de Universiteit deelden hem droogweg mee dat zulks niet kon: niet omwille van het belang van zijn werk, maar zeker niet ten opzichte van de Universiteit zelf, die niet weinig studenten recruteerde precies omwille van de zeer grote reputatie van Drusius.

Al deze geleerdheid heb ik gehaald uit een boekje dat amper meer is dan een brochure, en dat in vrij kort bestek het leven van de geleerde stadsgenoot beschrijft. Geleend uit de Stadsbibliotheek, moet ik er voor zorgen toch de inhoud in me op te nemen, omdat het boekje kadert in mijn interesse voor de geschiedenis van deze Stad, maar het toeval wil dus dat mijn totale onbekendheid met deze persoon mij enige mooie weetjes opgebracht heeft. Speciaal de band die er dus ligt tussen dit boekje en de Statenbijbel die ik onlangs aangekocht heb lijkt mij eens te meer het bewijs van de omstandigheid, dat hoe meer je leest, hoe meer vraagtekens er voor je oprijzen. Het zijn echter vraagtekens die ik met genoegen zie verschijnen, omdat ze de bevestiging zijn van mijn overtuiging dat ik beslist niet voor niets lees. Lezen is de mooiste ziekte van mijn leven.

Johannes Drusius (°Oudenaarde 1550 - +Franeker 1616) Jan Van den Driessche uit Oudenaarde taalgeleerde en professor te Franeker, is een bewerking van het boek: Leven en werken van Johannes Drusius (vita Joh. Drusii) door Abel Curiander, vertaald en van aantekeningen voorzien door Herman Van Den Abeele, lic. Wijsbegeerte en Letteren. Uitgegeven en gedrukt in 1979 door Uitgeverij Sanderus te Oudenaarde. Ook de naam Abel Curiander, gedragen door de schoonzoon van Drusius, is een vergrieksing van de echte naam: Abel Heer-man, die de oorspronkelijke versie van dit werk schreef nog in  het jaar van overlijden van zijn schoonvader. Hij deed dit omdat Drusius niet alleen vrienden had, maar ook enige tegenstanders, die op alle mogelijke manieren bewerkstelligd hebben dat een groot aantal van de geschriften van Drusius nooit het daglicht te zien kregen, meer nog, die zelfs niet konden verkroppen dat de lijkrede voor de geleerde heer zou gepubliceerd worden. Alzo is dat werk een redelijke vervanging geworden van diezelfde lijkrede. De geschiedenis heeft toch wel zijn rechten.

Herman Van Den Abeele besluit zijn nawoord met de volgende alinea:

Alles bij elkaar komt Drusius ons voor als een eerlijk en onbekrompen man, een taalgeleerde en bijbelkenner van uitzonderlijk formaat, die door zijn langdurig professoraat en zijn ontzaglijke wetenschappelijke arbeid heel wat heeft bijgedragen tot de roem, niet alleen van Franeker, doch ook van zijn geboortestad Oudenaarde en van de hele Nederlandse stam.

zondag 26 september 2010

Van Langendonck, Sourie, Hoewaer

In mijn vorige bijdrage heb ik de aanwezigheid van twee In Memoria, van Prosper Van Langendonck en van Louis Sourie aangehaald in de bundel "bezinning 1963" van Trudo Hoewaer. Ik durf er mijn hond voor opeten, als Trudo Hoewaer deze poëtische bezinningen niet geschreven heeft omdat hij hetzelfde boekje als ik nu hier voor me liggen heb, ook in zijn bezit had, en waarschijnlijk nog een boel andere literatuur, die ondersteunend moeten gewerkt hebben wanneer men het aandurft in een dichtbundel het In Memoriam als genre te beoefenen voor iemand die reeds in 1920 overleden is, en voor de auteur van datzelfde boek, die overleed in 1962, op amper 52-jarige leeftijd. De gedichten waarvan sprake zijn niet toevallig zoals de titel en de colofon vermelden, geschreven in 1961 en 1962, overduidelijk in 1962 omdat het overlijden van Louis Sourie de motor is geweest, en uitgegeven in 1963.

Het boek "Prosper Van Langendonck" werd door Lous Sourie geschreven, en door het Davidsfonds uitgegeven onder nummer 28 van de Keurreeks van het Davidsfonds, als tweede boek van de Jaarreeks 1942. Het is zo fris als een hoentje, want de eigenaar heeft zoals zoveel anderen de lectuur opgegeven ten laatste op bladzijde 57 onderaan, want verder is het niet meer opengesneden. Het lijkt dan ook geen gemakkelijke lectuur, en het is begrijpelijk dat lezen over iemand, waarover in die tijd (vanaf ongeveer 1940) sinds zijn overlijden zo weinig verschenen is, zou kunnen aanleiding geven tot de gedachte dat het om een obscuur dichtertje gaat. Maar die eerste bladzijden moeten toch wel duidelijk gemaakt hebben dat een medeoprichter van een beweging als Van Nu en Straks toch niet niemand was. Maurice Roelants schreef de inleiding, en precies die omstandigheid beschrijft hij op een weliswaar zeer samengebalde, maar toch duidelijke wijze.
Het was mij gegeven Prosper van Langendonck in zijn laatste levensdagen bij te staan. Terloops drukte hij eens den wensch uit, die, meen ik wel, ook eens door Alfred de Vigny werd uitgesproken, dat om de twintig jaar een jonge man zich in zijn werk zou verdiepen en hem een ontroerde gedachte zou wijden. Prosper van Langendonck stierf op 7 november 1920. Sourie, de twintig jaar zijn om. Het is uw uur. 
Heel opvallend dateert Roelants zijn voorwoord: Woluwe, 7 november 1941. Toeval? Ik geloof het niet. Maar toeval is het wel dat Sourie in 1962 overlijdt, waarbij het ritme van de 20 jaar uit de wensen van de Vigny en van Langendonck ongeveer gehandhaafd werd. De poëtische bijdrage aan de herdenking van Prosper  van Langendonck en zijn biograaf Sourie in het dichtbundel van Trudo Hoewaer is weliswaar geen literair-historische studie geworden, maar bezorgt ons wel een merkwaardige referentie naar dit Davidsfondsboekje, een referentie waarvan ik het bestaan niet kan  bewijzen, maar de samenloop van namen en data geven me voldoende recht deze veronderstelling te maken.

Ik ga in de eerstvolgende dagen dit boekje lezen, tussen alle andere lectuur door, omdat het openslaan van het boek op een willekeurig katern, op bladzijde 96 en 97, mij meteen in een atmosfeer dompelde, zoals je die alleen maar in die artistieke middens kon terugvinden, meer dan een eeuw geleden. Sprekend over de samenkomsten van "De Distel", laat Sourie dr. G. Schamelhout even aan het woord:

(noot van OudHerk: een onverklaarbare omstandigheid heeft ervoor gezorgd dat mijn tekst vanaf hier verdwenen was. Nochtans heeft een kersverse volger van mijn blog een citaat uit dit deel van mijn bijdrage rondgetwitterd. Merkwaardig, dat ook de lay-out - nu dus in citaatvorm - hier toch automatisch hernomen wordt ... In de loop van de namiddag zal ik trachten een zo gelijkend mogelijke herstelling van dit ontbrekende deel te doen. Zoals bij alle geniale schrijvers het geval is, zijn mijn invallen echter éénmalig, en zeer kort opslaanbaar op mijn inwendige harde schijf. Het resultaat zal dan ook slechts een afkooksel zijn van wat ik vannacht vermocht te componeren. Mijn duizendvoudig lezerspubliek moeten mij maar vergeven. De strychnine is echter net op. Eigen portie graag zelf meebrengen.)



(...) waar de kritiek (...) de gemoedsrust der aanwezigen niet stoorde(n), wat wel gebeurde toen J.M. Brans De Nieuwe Gids ontdekte. Om deelachtig te worden aan de nieuwe schoonheid, zochten wij in December 1892 de stilte van de achterkamer eener herberg in de Leopoldswijk en nadat deze ons werd ontzegd, omdat wij te weinig verteerden, hielden wij onze wekelijksche bijeenkomsten beurtelings in Vermeylen 's lange, smalle studeerkamer of in mijn studeervertrekje in de Troonstraat.

Prosper van Langendonck las er uit Vondel, Gezelle, Verlaine voor, of zijn eigen verzen die in de eerste reeks van Van Nu en Straks zijn opgenomen.  Hij zette er zijn gedachten over kunst uiteen, die een blijvenden vorm in zijn "Herbeleving" hebben gekregen.
Daartoe heb ik vanmorgen het boekje plechtig opengesneden, en onder het genot van de zondagse apperitief de atmosfeer gemeten, met het doorbladeren van deze belangwekkende lectuur. Het echte lezen zal gebeuren in de hopelijke stilte van mijn zolderlijke studeerkamer. Althans, zoals Hilarion meermaals zei, dat is het plan, want een herstuderende dochter ontneemt me mijn zolderkamer om er haar studeerruimte in te richten. Kon ik nee zeggen? Een man, moet je dan maar denken, is des te minder man naarmate er meer vrouwen zijn die zijn leven beheren en beheersen. In zijn leven zegt hij slechts tweemaal volmondig ja: de eerste maal is éénmalig, vóór het altaar, de tweede maal is repetitief, vóór de vaat.

dinsdag 21 september 2010

Trudo Hoewaer

In de lente van het jaar 1965, als mijn geheugen mij niet in de steek laat, werd ik samen met een drietal andere jongens die ik van haar noch pluim kende, van de speelplaats geplukt, en naar de klas, waar het tweede of derde leerjaar les kreeg, gezonden. Vlak voor de bel van halftwee kregen wij het over onzen duvel van een in woede ontstoken meester, met een weelderige haardos en een zware stem. Waarover de pandoering ging, heb ik nooit geweten, ik had er niets mee te maken, want ik werd door "getuigen" voor iemand anders aanzien, die achteraf wel eens zal gegrinnikt hebben.

Straf hebben we niet gekregen, want onze beteuterde gezichten hebben het goede hart van die meester omgesmolten tot de vaderlijke figuur die hij ondanks zijn opvliegend karakter bleek te zijn. Maar ik was wel zwaar onder de indruk. Je kon blijkbaar in een grote school de les gespeld worden voor dingen waar je niets mee te maken had.

Die school was het Sint-Jozefscollege te Hasselt, en de meester was een zekere Meester Hoewaer, een kleurrijke figuur, die volgens de geruchten boeken schreef, en zelfs gedichten. Hij had zijn woning op de hoek van de Toekomststraat en de Stadsomvaart, een gebouw dat deed denken aan de villa's zoals ze vooral aan de Belgische kust menigvoud rondgestrooid werden, zo ergens rond 1900. Het was omgeven door een hoge haag, met op de hoek een toegangspoortje, dat alles in zich had om een kind te verleiden tot fantaziën over een huis waar mogelijk een tovenaar of toch een zeer geheimzinnig wezen woonde. Vanuit het aardrijkskundelokaal konden we in de tuin van de meester kijken. Door de lucht zeilende bordwissers brachten ons snel tot andere gedachten.

Maar er woonde echt een tovenaar of zo. Trudo Hoewaer was een man, die het niveau van lagere-schoolmeester ver overschreed, en dat beseften "zijn" kinderen niet. Ik ook niet. Het maakte hoegenaamd geen indruk op mij, te weten dat die man gedichten kon schrijven. Maar daar bleef het niet bij. Naast zijn 12 dichtbundels schreef hij nog de roman "Antoine de Loze, architect", novellen, sprookjes, een toneelstuk en een aantal essays over onder meer Hans Christian Andersen, Ernest Miller Hemmingway, Halldor Laxness, Jiminez en Camus. Hun nobelprijzen staan nog steeds dankzij Heideland op een zeer hoog schab.

Maar nu, vijfenveertig jaar na datum, komt die pandoering terug in mijn geheugen, maar ik moet toegeven dat van alle meesters uit het lager onderwijs, de naam van Trudo Hoewaer er één is geworden die me beter bijgebleven is dandan die van de meeste andere leraars die daar in het lager onderwijs les gaven.

Zijn bundeltje "Bezinning" bevat, zoals de colofon vermeldt, "gedichten geschreven door trudo hoewaer (geen hoofdletters, 1963!) in 1961 en 1962". Van de 250 exemplaren die in privé-uitgave werden verdeeld, draagt dit exemplaar het nummer 95, eigenhandig door Meester Hoewaer genummerd, en ondertekend. Hilarion Thans schreef een lovend woord over het voorgaande bundel, "Littekens en sporen" (1960), en dit werd hernomen in "Bezinning" :


Deze verzen hebben mij dieper getroffen dan die uit vroeger werk van u. Men voelt in deze uitingen een warmere menselijkheid, een grondiger ervaring, een hoger poëtisch gehalte, een doeltreffender directheid van nu eens raak-eenvoudige, dan weer van beeldrijke verwoording.
Lovende woorden, maar de eerste zin doet me toch wel schrikken. Volgens mij zeg je zo iets alleen als een dichter, die reeds een paar bundels gepubliceerd heeft, nog enige aanmoediging nodig heeft van een oudere, volgroeide dichter, mentor en vriend. Maar dit vind ik voor een zesenvijftigjarige dichter net iets te neerbuigend om als echt lovend over te komen. Het heeft iets van een zucht: eindelijk, jongen, vooruit, doe maar verder! Waarom Meester Hoewaer deze bedenkelijke laudatio voor een tweede maal opneemt in zijn in eigen beheer uitgegeven bundel, terwijl hij tot de laatste punt en komma in eigen hand kon houden, weet ik natuurlijk niet. Ik zou het niet gedaan hebben. Maar ik ben dan wel bijzonder kritisch in deze materie.

De dichtkunst van Trudo Hoewaer komt me hier en daar een beetje te gedateerd over, de moderniteit van de jaren zestig ligt hem niet helemaal, mij bovendien ook niet, en hier en daar zoekt hij naar een kontrast om de spirituele waarden van de materiële te onderscheiden, maar volgens mij vindt hij niet steeds een poëtische formulering, die een voldoende sterk beeld oproept voor hetgeen hij wil poneren.

Een voorbeeld hiervan is het gedicht "De lente komt", dat drie strofen met vrij sterke natuurbeelden levert voor de lentegroei van ons hart, van onze geest en onze ziel. Maar de vierde strofe ontkleurt dat beeld plotseling. Een enkel woord valt volledig uit de kontekst, trappelt moederloos in het rond, vindt niet de minste binding met de rest, en haalt aldus de kwaliteit van het gedicht een eind naar omlaag.

de lente komt

de lente wacht
met aarzelende zon
en vruchtbare winden
en spuit de bast
vol sap en kracht.

door de monotone roep
van de tortelduif
en de aarzelende groet
van de zwellende knoppen,
die zingend openspringen,
worden wij gewekt
uit onze winterslaap,
uit onze grijze lethargie.

verrezen lichte-feeën
kriewelen in ons bloed.
de illusie van nieuwe
veroveringen maakt ons
overmoedig.

onder de zwellende bast
van het leven wacht
de lente.
De drietrapsraket gevuld
met licht en lucht en goedheid
staat klaar voor de start.
doel: ons hart !
Ik kan er niets aan doen: die drietrapsraket verteer ik niet. Die middenste vers stoort me.

Wat me helemaal niet stoort, zijn de twee daaropvolgende gedichten. Een in memoriam voor Prosper van Langendonck, een één voor Louis Sourie. Twee figuren die in mijn aankopen van de laatste maanden ook een rol spelen, en die dus met dit bundeltje een extra dimensie krijgen.

Kunstenaars trekken kunstenaars aan. Ze geven ook hun genen door. Het bandontwerp van deze dichtbundel werd verzorgd door Lidy Hoewaer, en dochter Gerty is een begeesterde schilderes geworden. Bovendien stond zijn huis open voor schrijvers als Ernest Claes en Stijn Streuvels, maar ook beeldende kunstenaars zoals Pierre Cox, Paul Hermans en Gaston Wallaert vonden de weg naar de Toekomststraat.

Dit is nog een dichtbundel die ik zeker de moeite van het bewaren waard vind. Ooit heeft het in de Provinciale Bibliotheek van Hasselt gestaan of gelegen, toen nog in het begijnhof, waar ik in de late jaren zestig meer en meer kwam. Of ik ooit in de afdeling poëzie ben gaan kijken: in die tijd was ik er nog niet rijp voor. Ik heb het boekje nooit ontmoet. Maar we zijn in een ver verleden toch wel dikwijls dicht bij mekaar in de buurt geweest. Fijn dat ik het heb mogen kopen.

zondag 19 september 2010

Dierensprookjes van De Laey

Door een gelukkige aankoop ben ik in het bezit gekomen van een klein, onooglijk boekje, waarvan geen kat zou kunnen zeggen dat het van belang zou zijn. Maar de schijver van deze 19 sprookjes is niemand minder dan Omer Karel De Laey. En wat het belangwekkender maakt, deze sprookjes heeft hij toen hij ze bij mekaar geschreven had, aangeboden voor publicatie, maar de heren uitgevers, aldus benaderd en gesoliciteerd, vonden het werk niet van aard om er de gebruikelijke risico's mee te lopen. Tijdens zijn korte leven zijn ze aldus slechts in zijn handschrift blijven bestaan.

De Laey stierf in 1909 op 33-jarige leeftijd, en slechts drie jaar na zijn overlijden werden deze sprookjes ook uitgegeven. In 1923 werden ze "Ten tweeden male voor schoolgebruik uitgegeven door Emiel Vliebergh en Jul. Persyn". Dit gebeurde bij S.V. De Vlaamsche Boekenhalle. Typerend is dat hij genoemd wordt: Omaar, en niet Omer, zoals zijn gebruikelijke roepnaam was. Officieel heette hij Odomarus. Men hield van het extreem vervlaamsen van al wat naar franstaligheid rook. Ook namen werden medogenloos vertaald, als dit ook maar enigzins mogelijk was.

Het boekje lijkt onaanzienlijk. Dat is het ook. Maar dit exemplaar bevat een aantal inscripties, als ex-libris, en de vlaamsgezinde eigenaar heeft er zijn AVV-VVK teken aangebracht naast zijn handtekening, waaruit ik kan opmaken dat hij of zij "Kindt" heette, waaraan toegevoegd de kapitalen: RHS. In potlood is achteraf nog het overlijdensteken (een kruis) toegevoegd. Hoewel de eigenaar hier en daar een onderlijning heeft gedaan, en in de marge enige opmerkingen heeft geschreven, is de bladspiegel daardoor niet zwaar geschonden. Het moet waarschijnlijk een leraar geweest zijn, iemand in ieder geval, die de tekst van deze luchtige verhalen niet zomaar las, maar ze kritisch in zich opnam, en zich niet schuwde voor enig opzoekingswerk. Mooi om te zien.

In de inleiding en ook in de levensbeschrijving van O. K. De Laey laten Prof. Vliebergh en dr. Persyn de kans niet liggen om enerzijds het aspect "sprookje" nader te belichten. Zo leren we samen met de scholieren voor wie het boekje bestemd was, dat sprookjes eigenlijk verhalen zijn met een veel diepere inhoud dan het oppervlakkige verhaaltje. Het verontrust me een beetje dat deze sprookjes, als we de laatste zin van de inleiding mogen geloven en letterlijk zouden opnemen, enkel in handen van "onze jongens" werd gegeven. Mochten meisjes deze onschuldige dierenverhaaltjes niet lezen? Of moeten we de meer West-Vlaamse betekenis van het oude Vlaamse woord "jongens" begrijpen als een synoniem voor kinderen? Ik herinner mij een gesprek, heel lang geleden met mijn schoonfamilie, die het hadden over "jongensgeld", waar ze "kindergeld" bedoelden.

Anderzijds wordt de liefde van de auteur voor de Renaissance onwaarschijnlijk benadrukt, en dan denk ik de reden gevonden te hebben waarom het boekje aan "onze jongens" opgedragen wordt: in het lager onderwijs zal niet dikwijls het woord Renaissance belicht geweest zijn. Het boekje was eerder bestemd voor leerlingen in het middelbaar onderwijs, en daar vond men in 1912 betrekkelijk weinig meisjes terug. In de pensionaten bij de zusters werd er wel onderwijs verstrekt aan meisjes, maar de grote nadruk lag in het systematisch aanleren van huishoudkundige vaardigheden, naast de gebruikelijke porties godsdienstige vorming, en een handvol algemene vakken. De eerste universitaire studentinnen hebben het alvast niet gehad van de doorgedreven intellectuele vorming op school, om zich toch een weg gebaand te hebben in de universitaire instellingen. Een getuigenis terzake van de kwaliteit van het onderwijs in diezelfde pensionaten heb ik van mijn eigen moeder, die te Petit-Rechain drie jaar doorgebracht heeft bij de zusters van de Orde van de Heilige Harten bijgenaamd les Picpusses, waarvan haar oudere zus ook het habijt aangetrokken had. Tijdens de eerste les "Flamand" was het eerste aan te leren woord niet minder dan: "Belgischen Boerenbond"! Met zulke kennis ga je er zeker komen.

Dat het om een schooluitgave gaat, wordt bevestigd door de veelheid aan voetnoten, die stuk voor stuk mijn interesse gekregen hebben. Ieder woord dat thuishoorde in het "Algemeen Vlaamsch", wordt systematisch belicht en voorzien van de nodige "Algemeen Nederlandsche" synoniemen. Zo op het goedvallen uit neem ik de voetnoot die toelicht welke de betekenis is van het woord "wulpsche" in de zin: "Schielijk hief Witte Zwane heur prachtlijf op en heur wulpsche vleugels sloegen open (...)". De uitleg die de leerlingen voorgeschoteld kregen luidde als volgt: "Zinnelijk verlokkende". In een katholiek onderwijsinstituut zal dit zeker de nodige aandacht gekregen hebben. Daaropvolgend lezen we de zin: "De blanke waterleliën dobberden monkelend boven het vlot van hun groene blaren, (...)". De uitleg betreffende het woord "monkelen" luidt, letterlijk: "Of ook West Vl. monkeren : glim- of grimlachen. Men kan dus monkelen van inwendige vreugd, maar ook monkelen van spotternij. Gezelle bezigt het meer in den spijtigen, Verriest meer in den prettigen zin."

Eerlijk en gewoon toevallig gekozen, zijn deze twee opeenvolgende voetnoten tekenend voor het schoolse onderricht, en voor de voorgeschreven terughoudendheid om zinnelijke onderwerpen zoals de betekenis van het woord wulps, dat toch enige duiding vergde, verder te laten gaan dan de twee eerder genoemde woorden. Maar een ietwat vergeten woord als monkelen kreeg een duiding, waarbij niet aan de taalkennis van Gezelle en zijn leerling Verriest voorbij gegaan werd. We schrijven, laat ons eerlijk blijven, 1912.

Aangezien het verzameld werk van De Laey in 1911 werd uitgegeven, kunnen we aannemen dat deze sprookjes inderdaad door Vliebergh en Percyn opgeraapt werden uit zijn literair archief. Ze zijn niet te vergelijken met de sprookjes van de grote vertellers. Maar ze bevatten alle de dubbele bodem, die bij Sneeuwwitje en bij Roodkapje ook terug te vinden zijn: elk van de figuren zijn eigenlijk vermommingen voor een bredere interpretatie, stereotypen van individuën ter beschrijving van de mens. De oorspronkelijke sprookjes zijn dan ook een stuk wreder dan hetgeen wij nu als kindervertelling voorgeschoteld krijgen. In die mate zelfs zijn de meest populaire sprookjes voor kinderoren zo ongeschikt, dat nu nog slechts de versies gekend zijn die guitig, onschuldig en gelukkig met een happy end aflopen. De verhaaltjes van De Laey, alle gaande over een archetypisch dier, zoals: "de koppige ezel", de "schuwe kraai", de "vroeden uil" en de "schichtigen zwaluw", brengen eveneens een boodschap, die veel minder prozaïsch is dan het verhaaltje ons voorhoudt.

Elk van die dieren krijgt een (versierend) bijvoeglijk naamwoord toegevoegd, in de inleiding omschreven als een epitheton (ornans). Ik heb al de uil, de zwaluw, de ezel en de kraai genoemd, maar de 19 dieren hebben allemaal hun eigen tekening, die standvastig gehanteerd wordt telkens het stereotiep genoemd wordt. De ezel staat dus niet voor het dier zelf, maar voor de mens, over wie iets ten goede of kwade verteld wordt. In het allereerste verhaal gaat het over de aschgrauwe reiger, en konsekwent wordt bij elke vernoeming het nochtans zeer zwaar aandoende epitheton genoemd. Wanneer, onvermijdelijk, de mens voor de eerste maal ter sprake komt in het tweede sprookje over de koppige ezel, wordt ook hem zijn typerend adjectief toegevoegd: hij wordt "schampere mensch" genoemd, en de voetnoot verklaart waarom. "In deze sprookjes heeten de menschen steeds schamper, ruw in hun uitingen, bits, hoonend : ten overstaan van de dieren verdienen veel menschen inderdaad dit epitheton; anders moest hun immers niet worden voorgehouden : Behandelt de dieren met zachtheid." Het woord "epitheton" in deze verklaring bevestigt mijn vermoeden dat onze jongens middelbare scholieren met reeds een gevorderde kennis waren.

Over deze titels kan nog dit gezegd worden. Toen De Laey deze sprookjes schreef, was het blijkbaar nog gewoonte een titel te laten beginnen met het woord "over". Later zou als ik me niet vergis Streuvels, toen hij enige van zijn eerste verhalen schreef, door de uitgever vriendelijk verzocht geweest zijn die "over" maar weg te laten, omdat dat oubollig en belerend overkwam. Ten tijde van De Laey was dat echter nog geen belet. We lezen achtereenvolgens de sprookjes: Van aschgrauwe reiger, Van koppigen ezel, Van witte zwane, Van vluggen haas, Van driesten haan, Van blinden mol, Van schuchtere tortel, Van looze katte, Van schuwe kraai, Van lustigen krekel, Van schoonen pauw, Van moedig veulen, Van vroeden uil, Van wreeden snoek, Van loome ganze, Van blooden puit, Van krielen vlinder, Van jonker kankoen, en Van schichtigen zwaluw. Mooi om even op te zoeken wat een "krielen vlinder" dan wel mag wezen. Ik citeer: "Kriel, bijv. nw. in den zin van "dartel", zooals hier, is ook in Noord-Nederl. in gebruik. Zoo kent men er ook : krielhaan (kleine haan), krielhen (kuikentje, kortpoot), krieltje (bijzonder klein soort van haan of hen, en fig., een kort en dik ventje)." Een uitleg die weliswaar zeer verhelderend is, maar in 2010 op zijn beurt enige toelichting vraagt!

Ik ben blij met dit boekje, dat drie grote namen uit de jonge Vlaamse literatuur in zich verenigt, en dat mijn kennis van De Laey, reden waarom ik het uiteindelijk gekocht heb, met een onverwacht merkwaardig inzicht op dit facet van zijn persoonlijkheid vergroot.

Ik wil nog een onverhoopt toeval aan deze bijdrage toevoegen. Bij het nakijken van mijn tekst, toen ik deze reeds gepubliceerd had, viel mijn oog op mijn lijstje van door mij gevolgde blogs. Daar bemerk ik dat de zeer door mij op prijs gestelde Romenu in zijn lijstje van behandelde personen ook Omer Karel De Laey vernoemt. Hij is geboren op 18 september 1876, en ik ben deze bijdrage, zonder de minste voorbedachtheid, ook begonnen voor middernacht, dus op 18 september. Toeval? Ja, toch wel.

Zie ook mijn bijdragen op 17 juni 2009, 18 juni 2009 en 14 oktober 2009 over Omer Karel De Laey.