Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




zondag 26 september 2010

Van Langendonck, Sourie, Hoewaer

In mijn vorige bijdrage heb ik de aanwezigheid van twee In Memoria, van Prosper Van Langendonck en van Louis Sourie aangehaald in de bundel "bezinning 1963" van Trudo Hoewaer. Ik durf er mijn hond voor opeten, als Trudo Hoewaer deze poëtische bezinningen niet geschreven heeft omdat hij hetzelfde boekje als ik nu hier voor me liggen heb, ook in zijn bezit had, en waarschijnlijk nog een boel andere literatuur, die ondersteunend moeten gewerkt hebben wanneer men het aandurft in een dichtbundel het In Memoriam als genre te beoefenen voor iemand die reeds in 1920 overleden is, en voor de auteur van datzelfde boek, die overleed in 1962, op amper 52-jarige leeftijd. De gedichten waarvan sprake zijn niet toevallig zoals de titel en de colofon vermelden, geschreven in 1961 en 1962, overduidelijk in 1962 omdat het overlijden van Louis Sourie de motor is geweest, en uitgegeven in 1963.

Het boek "Prosper Van Langendonck" werd door Lous Sourie geschreven, en door het Davidsfonds uitgegeven onder nummer 28 van de Keurreeks van het Davidsfonds, als tweede boek van de Jaarreeks 1942. Het is zo fris als een hoentje, want de eigenaar heeft zoals zoveel anderen de lectuur opgegeven ten laatste op bladzijde 57 onderaan, want verder is het niet meer opengesneden. Het lijkt dan ook geen gemakkelijke lectuur, en het is begrijpelijk dat lezen over iemand, waarover in die tijd (vanaf ongeveer 1940) sinds zijn overlijden zo weinig verschenen is, zou kunnen aanleiding geven tot de gedachte dat het om een obscuur dichtertje gaat. Maar die eerste bladzijden moeten toch wel duidelijk gemaakt hebben dat een medeoprichter van een beweging als Van Nu en Straks toch niet niemand was. Maurice Roelants schreef de inleiding, en precies die omstandigheid beschrijft hij op een weliswaar zeer samengebalde, maar toch duidelijke wijze.
Het was mij gegeven Prosper van Langendonck in zijn laatste levensdagen bij te staan. Terloops drukte hij eens den wensch uit, die, meen ik wel, ook eens door Alfred de Vigny werd uitgesproken, dat om de twintig jaar een jonge man zich in zijn werk zou verdiepen en hem een ontroerde gedachte zou wijden. Prosper van Langendonck stierf op 7 november 1920. Sourie, de twintig jaar zijn om. Het is uw uur. 
Heel opvallend dateert Roelants zijn voorwoord: Woluwe, 7 november 1941. Toeval? Ik geloof het niet. Maar toeval is het wel dat Sourie in 1962 overlijdt, waarbij het ritme van de 20 jaar uit de wensen van de Vigny en van Langendonck ongeveer gehandhaafd werd. De poëtische bijdrage aan de herdenking van Prosper  van Langendonck en zijn biograaf Sourie in het dichtbundel van Trudo Hoewaer is weliswaar geen literair-historische studie geworden, maar bezorgt ons wel een merkwaardige referentie naar dit Davidsfondsboekje, een referentie waarvan ik het bestaan niet kan  bewijzen, maar de samenloop van namen en data geven me voldoende recht deze veronderstelling te maken.

Ik ga in de eerstvolgende dagen dit boekje lezen, tussen alle andere lectuur door, omdat het openslaan van het boek op een willekeurig katern, op bladzijde 96 en 97, mij meteen in een atmosfeer dompelde, zoals je die alleen maar in die artistieke middens kon terugvinden, meer dan een eeuw geleden. Sprekend over de samenkomsten van "De Distel", laat Sourie dr. G. Schamelhout even aan het woord:

(noot van OudHerk: een onverklaarbare omstandigheid heeft ervoor gezorgd dat mijn tekst vanaf hier verdwenen was. Nochtans heeft een kersverse volger van mijn blog een citaat uit dit deel van mijn bijdrage rondgetwitterd. Merkwaardig, dat ook de lay-out - nu dus in citaatvorm - hier toch automatisch hernomen wordt ... In de loop van de namiddag zal ik trachten een zo gelijkend mogelijke herstelling van dit ontbrekende deel te doen. Zoals bij alle geniale schrijvers het geval is, zijn mijn invallen echter éénmalig, en zeer kort opslaanbaar op mijn inwendige harde schijf. Het resultaat zal dan ook slechts een afkooksel zijn van wat ik vannacht vermocht te componeren. Mijn duizendvoudig lezerspubliek moeten mij maar vergeven. De strychnine is echter net op. Eigen portie graag zelf meebrengen.)



(...) waar de kritiek (...) de gemoedsrust der aanwezigen niet stoorde(n), wat wel gebeurde toen J.M. Brans De Nieuwe Gids ontdekte. Om deelachtig te worden aan de nieuwe schoonheid, zochten wij in December 1892 de stilte van de achterkamer eener herberg in de Leopoldswijk en nadat deze ons werd ontzegd, omdat wij te weinig verteerden, hielden wij onze wekelijksche bijeenkomsten beurtelings in Vermeylen 's lange, smalle studeerkamer of in mijn studeervertrekje in de Troonstraat.

Prosper van Langendonck las er uit Vondel, Gezelle, Verlaine voor, of zijn eigen verzen die in de eerste reeks van Van Nu en Straks zijn opgenomen.  Hij zette er zijn gedachten over kunst uiteen, die een blijvenden vorm in zijn "Herbeleving" hebben gekregen.
Daartoe heb ik vanmorgen het boekje plechtig opengesneden, en onder het genot van de zondagse apperitief de atmosfeer gemeten, met het doorbladeren van deze belangwekkende lectuur. Het echte lezen zal gebeuren in de hopelijke stilte van mijn zolderlijke studeerkamer. Althans, zoals Hilarion meermaals zei, dat is het plan, want een herstuderende dochter ontneemt me mijn zolderkamer om er haar studeerruimte in te richten. Kon ik nee zeggen? Een man, moet je dan maar denken, is des te minder man naarmate er meer vrouwen zijn die zijn leven beheren en beheersen. In zijn leven zegt hij slechts tweemaal volmondig ja: de eerste maal is éénmalig, vóór het altaar, de tweede maal is repetitief, vóór de vaat.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen