ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

zondag 31 januari 2010

De lof der zotheid

Tussen mijn oudere aankopen stak er ééntje, dat toch niet aan mijn aandacht kan blijven ontsnappen. Het is een boekje zoals er duizenden gemaakt zijn, en dat alleen maar opvalt door een notitie die door de vorige eigenaar is aangebracht.

Zoals geweten is dit boek, zoals Erasmus het zelf in zijn inleiding uitlegt, ontstaan uit de overpeinzingen van de intellectueel die hijzelf was op reis van Italië naar het vaderland, en die het niet altijd aangenaam vond deel te nemen aan de voor het meerendeel van de reisgenoten nochtans grappig bevonden zever- en onzinpraatjes. Dat was voor de erudiet toch enigzins te min, en hij besloot zijn tijd "beter" te gebruiken door bij zichzelf over een of ander onderwerp uit "letteroefeningen" na te denken of herinneringen op te halen aan "de even geleerde als dierbare vrienden die ik  (...) had achtergelaten". Hij had daarbij vooral zijn vriend, de evenals hijzelf zeer hooggewaardeerde Thomas Morus voor ogen.

Daar de omgeving, het gezelschap noch de tijd geschikt waren voor een zeer ernstige overweging, dacht hij dat de beste oplossing in die omstandigheden was een "boertige lofrede op Moria (de Zotheid)" te houden.

Wij leren Erasmus, toch gekwalificeerd als een hooggeleerd man en groot Humanist, door deze inleiding ook kennen als op zijn minst gezegd een hooghartig iemand, die bovendien ook nog graag uitpakt met zijn uitgebreide kennis van zowel de Griekse als de Latijnse literatuur. Dat moeten we hem maar vergeven, ten eerste is een discussie met hem over zijn houding vrij moeilijk te voeren, tenzij voor die auteur die het aandurft een virtuele dialoog met hem aan te gaan, en daarbij de dood van zijn antagonist als een literair te verwaarlozen detail kan aanzien; ten tweede is ook de tijdsgeest niet zonder belang: een geleerde van zijn kaliber mocht destijds wel van mening zijn dat zijn paard een zwaardere verantwoordelijkheid had met zijn vracht naar Londen te voeren dan de andere viervoeters, die boertiger exemplaren van de mensheid op de rug meedroegen.

Hoezeer de ruiter het  betreffende de verantwoordelijkheid van zijn paard bij het verkeerde eind had, werd bewezen door de rollende kop van Erasmus' vriend, toen Hendrik VIII de theorie van de belangrijke vracht met één enkele zwaai van een scherp zwaard naar de humanistische vuilbakken verwees.
Betreffende de nakende dood van Thomas Morus, over wie we tijdens onze middelbare studies nog de film "A man for all seasons" zijn gaan bekijken, wist Erasmus nog niets en hij overdacht dus met veel sprongen doorheen de Griekse en Latijnse literatuur wat hij later Moria Encomium Erasmi, Rotterdami Declamatio noemde.

Om het te lezen moet je je tijd nemen, want de volzinnen zijn niet altijd van de eerste keer begrijpbaar, maar ook daar weer moet ik nederig toegeven dat de erudiete geest van de auteur mijn middelbaar gevormd hersenklutsje met enige maten overstijgt. Maar wat ziet mijn lodderig oog, een voorgaande lezer van dit prisma pocketje heeft met toch wel enige kritische geest het boekje gelezen, en kwam tot de volgende conclusie, met potlood naast de titelbladzijde neergeschreven: "Een betere vertaling is 'Moriae encomium, dat is de lof der zotheid' (Rotterdam : Ad.Donker, 1986)".

Ik zal deze Lof alleszins lezen, en ervan genieten. Overwegingen over het paard, rollende hoofden noch de vertaling zullen mij daarbij hinderen. De aangevangen lektuur van het boek maken me duidelijk dat niemand moet rekenen op een kritische vergelijking tussen beide vernoemde edities.

zondag 24 januari 2010

Friesland's Volksleven, en nog veel meer

Ja, dat ik fier ben, hoeft niet meer gezegd. De beide boekdelen, een overdruk van de originele uitgave van 1895 of 1896, zijn in haast perfecte staat.  Ergens heb ik gezien dat er verschillende heruitgaven zijn gebeurd, maar deze is de integrale versie, zoals de grote volkskundige Waling Dykstra zelf de boeken gezien heeft.

Op deze korte tijd heb ik alleen maar diagonaal door de boeken heengekeken, maar het belooft inderdaad het beste.  Een volkse geschiedenis van Friesland laat meteen toe kennis te nemen van het ontstaan van Friesland, en daar zijn best interessante verhalen tussen.  De stichters hebben een soort van Illiade gedaan, na hun vertrek uit Indië, zijn vazallen van Alexander de Grote geworden, trokken met hun 24 overblijvende schepen, na het overlijden van Iskander, die in Perzië (het huidige Iran en Irak) nog steeds alleen maar vijanden kent en niet met het bijvoegsel "De Grote" aangeduid wordt, richting Noordzee, gingen aan land in Friesland, en verdeelden na enig getouwtrek het vers gestichte rijk in drie.  Horen we daar een vermenging met de echte geschiedenis van Karel de Grote?

Hoe dan ook, Friso, Saxo en Bruno stichtten respectievelijk Friesland, Saxen en Brunswijk. Het is heerlijk naïef, maar geeft de geïnteresseerde luisteraar naar de volkse verhalen toch stof tot nadenken en spreken, wanneer deze verhalen op een zomerse avond op het boerenerf, of een winterse avond aan het turfvuur verteld werden.  Zoals dat nog al eens gebeurt met volkse verhalen, groeien ze na verloop van tijd wat scheef, en ook de beste snoeischaar kan niet altijd de boom in vorm houden. Op dat vlak heb ik ooit een reportage op TV gezien over Alexander, die de machtige Koning Xerxes II verslagen had, en hem net terug vond op het ogenblik dat hij stierf, achtergelaten door zijn generaals, op een eenvoudige kar. In de versie van de volksvertellers en -zangers daar in Iran of Irak was Iskander duidelijk niet meer dan een wreed krijgsman, die wij zouden vergelijken met de barbaarse Djengis Khan, die achteraf bekeken helemaal niet zo barbaars was. Wel wreed, zoals het hoorde, maar niet barbaars.

Je moet dus geschiedenis, ook volksvertellingen, met de nodige soepelheid interpreteren. En vooral trachten te begrijpen vanuit welk standpunt er verteld wordt.  Is het Alexander de Grote, of toch maar beter Iskander de Wrede?

De boeken zelf zijn prachtig van uitzicht, en helaas niet van foutjes gespeend.  De bladzijden 234 en 235 zijn niet afgedrukt. En de geïnteresseerde moet het doen met heel wat minder feiten over het zeer belangwekkende onderwerp Voorbehoedmiddelen. Nee, niet dat wat wij nu met een tussen-s schrijven. Het gaat er om het meer kleurrijke probleem van de duivel: "Bij het vroeger algemeene geloof dat de duivel de macht bezat en gaarne gebruikte om den mensch op allerlei wijzen te plagen en ongelukkig te maken, lag het voor de hand, dat men steeds bedacht was op het aanwenden van middelen om hem te weren of zijn werk te verijdelen." Spîjtig, wanneer ik nu nog eens in Friesland kom, zal ik nooit weten of ik de duivel wel op correcte wijze buiten de deur weet te houden.  Maar misschien ben ik daardoor, welja, net daardoor, wel zelf de duivel, en de duivel zelf?

Wie kan of wil me een scan of kopie van deze bladzijden bezorgen?

Ik heb er al diagonaal in rondgeneusd, maar zal daar nog wel regelmatig terug te vinden zijn. Een aankoop om fier op te zijn, en te koesteren.

Werk van een totaal andere strekking: de Snoeks Almanakken.  Ik heb nu weer tegen een spotprijsje de '97, '99, 2001 en 2003 te pakken gekregen.  De notoir mooie dames binnen en buiten de boeken zijn een streling voor het oog, maar kunnen toch de aandacht van mij slecht en slechts vasthouden tot ik meer literaire  onderwerpen te pakken krijg. Ook de meer algemene informatie is van een niveau dat soms erg hoog is. Diverse artikels over de diamantwinning en -handel, de Hanzes, de eerste echte handelsgemeenschappen en Kunstdiefstal als big business weten de aandacht te trekken.

Als de dames, hoe schaarser gekleed hoe liever, dan schreeuwen om aandacht, dan val ik evengoed voor die magnifieke foto van MBA-basketter Dennis Rodman van de Chicago Bulls, die dank zij zijn fantastische rebounds de finale van de play-offs 1996 wonnen. Prachtige foto van een Afro-Amerikaan, met zijn zoveelste karakterestieke hoofdtooi. Maar vooral een profiel van een sportieve beer, die met een basketbal in zijn reusachtige schoppen, weemoedig denkend "betrapt"wordt door de fotograaf.  Waarschijnlijk na een minutenlang durend spelletje van lichtregeling en poseverbetering. Maar wat een foto! Zo bevatten elk van die almanakken hier en daar een prachtig uitroepteken. Het zijn wel kanjers van elk meer dan één kilo.

Deze almanakken zijn geen literatuur, maar ze doen de literatuur wel recht, door bij gezinnen in huis te komen waar een boek een vloek is, of waar er hooguit gekozen wordt uit de zeer anglofiele top-tienlijst van bestsellers. In de hoop natuurlijk dat sommige artikels toch minstens even bekeken worden, in plaats van zich te beperken tot de titel, en de zucht, och, zie, nog iets over boeken... Nochtans is ook de reeks van lijstjes zeer het bekijken waard, prijzen, overlijdens enz. En niet te vergeten, telkens ook een verhaal van bekende schrijvers.

Al iets literairder is een album, uitgegeven door Standaard Uitgeverij en P.N. Van Kampen: De Pallisers van Anthony Trollope. Maar eerst een vleugje televisie.

Nu het vleugje is voorbij, en voor het volgende eraan komt, nog wat Pallisers. Deze reeks werd op de BBC uitgezonden in zowat 1975, of 1976, toen ik nog uit mijn studentenfase moest ontsnappen, en ik dus nauwelijks televisie keek. Dat doe ik nu nog steeds niet, ergens is de student in mij altijd blijven leven, al was het alleen maar om elke avond een gezonde trappist te nuttigen. De tweede is al ongezonder, en mijn dokter vertelt mij bij elk bezoek op moederlijke wijze dat een derde dodelijk is. Ik flirt met de dood. En ook wel een beetje met mijn dokter, want zij houdt ook van literatuur.

Trollope en zijn Pallisers, een dynastie van door de auteur verzonnen politici in de Victoriaanse periode.  Dat kun je zien aan de baard van Anthony, die een beetje fan was van "Chuck". Dat durfde hij dus niet bekennen, en hij nam alleen de baard over. Niet de theorie. Prijsvraag: wie was Chuck, en welke theorie verspreidde hij?

Het boek is vooral interessant omwille van de omkadering van de familiereeks, met foto's van allerlei Victoriaans gegevensmateriaal, gaande van een groepje Bobby's uit Wimbledon, over een foto van Victoria en haar omgeving naar een foto uit 1857 van boogschietende dames, die ongeweten de voorlopers waren van de vrouwenbevrijdingsbeweging, daar zij als eersten op sportieve prestaties gewaardeerd werden. Hun adelijke posities zorgden er niet voor dat de emancipatie via henzelf iets van betekenis werd. Daar waren andere, meer opofferende vrouwen voor, die zelfs voor het paard van de Koningin durfden te springen bij wijze van statement. Weer geen literatuur, eerder een zeer goede handleiding met verrassende beelden en afbeeldingen van een tijd, waarin belangwekkende auteurs belangwekkende boeken geschreven hebben.

Ons aller KVLV, de moeder van de moeder aller Vlaamse kookboeken, heeft ook hetzelfde geprobeerd met de breiboeken, het heet dan ook heel toepasselijk: breien. Maar dat is toch niet hetzelfde, is gebleken.  Toen ik het zag liggen, kocht ik het in een opwelling, om mijn dochters'clubje van geitebreisters een pleziertje te doen: breien zoals door de KVLV voorgeschreven is katholiek, dus zedelijk als V gekwoteerd breien. En dat wil ik de dames niet onthouden. Als zij in heure zedeloosheid een kamelenharen truitje willen breien, zullen zij bij voorkeur een patroon uit dit Katholiek geïnspireerd boek opzoeken, zodat zij toch de lokale zeden en gebruiken niet zullen bruskeren.

En de rest van de aankoop van 13 januari laat ik weer voor een latere datum: de televisie roep me weer.

Noot: in een kamelenharen truitje ziet men de bulten nog staan.

vrijdag 22 januari 2010

Uit Friesland's Volksleven...

Een voorsmaakje... Ik heb ze. In perfecte staat. Kostprijs: 93 eurocent. Meer later, wegens dringende slaapaangelegenheden. Maar dat in een Indisch rijk toevallig enige afstammelingen van Sem, genaams Friso en Saxo leefden, en dat er dertig schepen op uit gestuurd werden om de overbevolking in goede banen te leiden, laat het beste verhopen. Neem de grootste cruiseschepen uit de laat-twintigste eeuw, overbeladen met landverhuizende wanhopelingen, en je komt met 5000 X 30 = 150000 mensen ergens in het aards paradijs aan. Leuk, maar de overbevoling is niet echt opgelost in het Friesche noch Indische vaderland.

Morgen meer, en minder  cynische kommentaar. Eerst gaan slapen, en werken. Met excuses aan de F-nationalisten: het is maar een grapje. De boeken zijn overheerlijk. (waarbij morgen eigenlijk al vandaag is)

zondag 17 januari 2010

Hemel en aarde

Als je op goed geluk boeken koopt, is er soms niet veel tijd om na te denken. Je neemt iets mee, of niet. Voor de prijs moest ik het alleszins niet laten, maar de kwaliteit, die liet veel te wensen over. Toch heb ik niet geaarzeld. En zo heb ik hier voor me liggen, drie "Vlaamsche Filmkens", die dateren van voor de oorlog. Het zijn boekjes die duidelijk afgezien hebben, maar die nog perfect leesbaar zijn. Ik ben er niet zeker van dat ze nog hun omslag hebben: je valt meteen op de voorpagina in de tekst, en achteraan staat een oproep om Vlaamsche Filmkens te verspreiden. Op één ervan kan ik het jaartal afleiden uit de reklame voor de zonneland-almanak 1934, die voor de frijs van 2 frank kan besteld worden te Averbode. 1933 dus.

De nummers en titels zijn als volgt:
Nerva, de kleine Heiden, nr 91(daar Heintje Bierbuyck op avontuur volgende week verschijnt als nr. 92), en de auteur is D.G.
De bewogen reis van Sint Niklaas, nr 161 (Karel en Elegast door Hein Pill verschijnt volgende week als nr 162), en de auteur is Yvonne Waegemans.
De Nieuwe, nr 163 (=tony's Kerstgeschenk door Y. Waegemans verschijnt volgende week als nr 164), en de auteur is R. Jaenen, die dit werk vrij vertaald heeft naar het Duitsch van Jassy Torrund.

Mooi, maar versleten en zeer oud van uiterlijk.  Verzamelstukken, maar ik denk dat niemand ze nog wil. Ik wel.

Een confrontatie, deel 2

vervolg (voor de goede orde, lees eerst mijn bericht van 15 januari, vervolgens mijn bericht van 17 januari, deel 1, en ten slotte dit artikel).
De Academieraad heeft op 28 maart onderzocht welke sancties dienden getroffen tegenover zekere studenten die in de incidenten op het rectoraat betrokken waren.  Een persoon die reeds afgestudeerd is, die ingeschreven was voor complementaire studies en practisch dit jaar op geen enkele cursus was verschenen en die als een van de belangrijkste opstokers van de oproerige beweging te beschouwen is, werd uitgesloten. Voor de anderen werd beslist, en een geest van tegemoetkoming en om de genoederen tot bedaren te brengen, slechts een berisping voor te stellen (die ik dan ook heb toegekend), met dien verstande nochtans dat zulks een ernstige waarschuwing zou betekenen en dat bij herhaling van laakbare feiten zeer streng zou worden opgetreden.

Ik hoop dat al diegenen die met de Universiteit in betrekking staan de ernst van de toestand inzien. Ik blijf steeds bereid -en dit is ook het geval voor de Raad van Beheer- zoals in het verleden, begrip aan de dag te leggen voor het standpunt van de studenten en de dialoog inzake de universitaire hervorming voort te zetten. De academische overheid en de professoren zijn steeds akkoord om de voorstellen van de studenten en van het wetenschappelijk personeel met welwillendheid te onderzoeken, doch er dient rekening mede gehouden dat bepaalde plannen in de huidige omstandigheden ten gevolge van wettelijke bepalingen en van financiële beperkingen, niet onmiddellijk realiseerbaar zijn. Er kan steeds onderhandeld worden maar de universiteit mag in de anarchie niet vervallen, er moet steeds orde heersen opdat zij haar taak op het gebied van het onderwijs en van het wetenschappelijk onderzoek op doeltreffende wijze en in volle sereniteit zou kunnen vervullen.

Ik richt dan ook tot allen een dringende oproep opdat na het paasverlof niet weer zou teruggekomen worden op de incidenten die zich deze laatste weken hebben voorgedaan en opdat de  Universiteit zich opnieuw en volledig op haar normale werkzaamheden zou kunnen concentreren. Tevens vraag ik aan de studentengemeenschap dat zij geen gehoor zou geven aan personen die in feite buiten deze gemeenschap staan (hetzij dat zij aan de Universiteit niet zijn ingeschreven, hetzij dat zij ingeschreven zijn maar niet studeren) en die zich in feite weinig bekommeren om de universitaire vernieuwing en de verdediging van het recht op vrijheid van opinie (die zij bij anderen niet dulden), enz. die zij alleen als voorwendsel nemen om de goede gang van onze Universiteit in de war te sturen.

DE RECTOR,

(getekend)

Prof. Dr. J.J. Bouckaert.

Een confrontatie, deel 1

Meningen moeten altijd tegensprekelijk gemaakt worden.  Verschillende versies van een verhaal staan soms loodrecht tegenover mekaar, en dan is het altijd interessant meerdere versies te kunnen vergelijken.  Daarom heb ik besloten de integrale tekst van de "Mededeling vanwege het Rectoraat van de Rijksuniversiteit te Gent" te publiceren, en deze te confronteren met het relaas van de feiten, gedaan door de protagonist van de gebeurtenissen, zoals hij het verteld heeft aan een andere geïnteresseerde, die dat vervolgens op het net gezet heeft.

Aan u om de zeven fouten van beide "auteurs" te vinden.

Mededeling vanwege het Rectoraat van de Rijkuniversiteit te Gent
 
Waarschijnlijk zult U onder de indruk gekomen zijn van de gebeurtenissen die zich deze laatste weken aan de Rijksuniversiteit te Gent hebben voorgedaan. Van verschillende zijden werd mij medegedeeld dat in dit verband gebrek aan informatie op te merken valt.  Sommige dagbladen en zekere uitzendingen van televisie hebben verder niet steeds de juiste toedracht van de gebeurtenissen weergegeven.  Daarom acht ik het nuttig in deze mededeling mij te wenden tot al diegenen die deel uitmaken van de universitaire gemeenschap of die er rechtstreeks of onrechtstreeks mede in betrekking staan ten einde hen zo objectief mogelijk in te lichten.


De aanleiding tot de incidenten was het verbod tot projectie in het openbaar van pornografische beelden door de studentenvereniging "Prokus" in de zaal van de Academieraad op 12 maart. De vergadering zelf was wel toegelaten. Indien pornografische beelden, naar de wens van de inrichters wel in het openbaar, bijgevolg ook voor personen beneden de 18 j., zouden vertoond geweest zijn, dan zou niet alleen de goede naam van de Universiteit in de openbare opinie in opspraak gekomen zijn, maar tevens zouden voor de Universiteit moeilijkheden opgerezen zijn met het parket dat het vertonen in het openbaar van pornografische beelden niet duldt. De medeplichtigheid van de Universiteit in deze aangelegenhied zou ondubbelzinnig bewezen geweest zijn, wegens het ter beschikking stellen van een lokaal, een projectieapparaat en een bediende die de projecties zou doen. Ik was bijgevolg verplicht de projectie van pornografische beelden te verbieden terwijl ik wel de vergadering toeliet.  Deze laatste ging in feite niet door en de aanwezigen beslisten een actiecomité op te richten waarvan ik vernam dat het van zin was daags daarop omstreeks 14 u. het rectoraat te komen bezetten.  Als voorzorgsmaatregel had ik de deuren van het rectoraat doen sluiten.  Op 13 maart, omstreeks 14 u., verschenen vóór het rectoraat een groot aantal personen, meestal studenten, maar ook enkele mensen die tot de Universiteit niet behoorden.  Een deur van het rectoraat werd opengebroken en circa 150 à 200 personen stroomden binnen naar de 3de verdieping waar mijn cabinet en mijn burelen gelegen zijn.
Deze groep eiste dat ik mij vóór haar zou komen verantwoorden.  Ik weigerde te verschijnen voor deze opgewonden massa waarmede een dialoog niet mogelijk was; ik verklaarde mij echer wel bereid een delegatie van hoogstens 3 studenten te ontvangen.
Dit werd geweigerd.  Intussen werd met de oproerigen onderhandeld o.m. door de heer Ondervoorzitter van de Raad van Beheer en door de secretaris van het rectoraat. Na ongeveer 45 minuten bleken de besprekingen totaal vruchteloos. Daar de onderhandelingen zonder enig resultaat bleven en de studentenmassa weigerde de lokalen te ontruimen, heb ik dan telefonisch de politie opgeroepen om haar te verzoeken het rectoraat door de bezetters te doen verlaten.  De politie verscheen na een tiental minuten en trachtte eerst gedurende een twintigtal minuten de oproermakers ervan te overtuigen dat zij het gebouw moesten verlaten.  Ook dit bleek vruchteloos.  Dan is de politie actief opgetreden terwijl ook door de oproermakers in mijn kabinet werd binnengestormd, dat tijdelijk door een zeventigtal personen werd bezet. Bij de ontruiming van mijn kabinet werden meubels en allerhande voorwerpen beschadigd en werden mijn dossiers dorheen op de grond gegooid. De polite slaagde er ten slotte in de lokalen te doen ontruimen.


Enkele dagen later, op 17 maart, begon de doorlopende bezetting (dag en nacht) van het gebouw van de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte op de Blandijnberg. In het begin waren er slechts een dertigtal personen die 's nachts teksten typten en polycopieerden.  Dit aantal steeg echter geleidelijk.  Ik heb gemeend het permanent bezeten van lokalen niet te mogen dulden en heb dan ook, na zulks te hebben doen mededelen aan de personen die het gebouw van de Blandijnberg bezetten en na hun weigering de lokalen te verlaten, de nacht van 20 op 21 maart de politie en de rijkswacht verzocht de lokalen te doen ontruimen, wat zonder incidenten verliep : ongeveer 500 personen werden geïdentificeerd.


Ik ben steeds zeer begrijpend geweest tegenover de studenten en ben altijd bereid geweest tot het voeren van een dialoog.  O.m. heb ik in juli jl. een raad voor onderzoek der Gentse universitaire problemen opgericht met paritaire vertegenwoordiging van professoren, studenten, leden van het wetenschappelijk en van het adminsitratief en technisch personeel.  Op 11, 12 en 13 maart had ik, ter gelegenheid van het V.V.S.-Congres, ook verlof gegeven en de universitaire lokalen ter beschikking gesteld om aan de studenten de mogelijkheid te bieden de verschillende aspecten van de universitaire problematiek te bespreken. Maar in de maatschappij moet een zekere tucht heersen en meer bepaald op de universiteit kan niet aanvaard worden dat studenten en andere personen die aan de universiteit vreemd zijn, op gewelddadige wijze al hun willen en grillen doordrijven en lokalen in beslag nemen zonder voorafgaandelijke toelating, ten einde er om het even welke vergadering te beleggen. De bestaande wetten en reglementen, ook die welke men onaangenaam vindt, gelden voor iedereen, voor de studenten zoals voor de andere burgers. Wil men er verandering aan brengen, dan moet zulks via de bestaande lichamen geschieden en niet op revolutionaire wijze.

wordt vervolgd (de beide in het rood geplaatste zinsdelen zijn op de originele tekst met stippellijn onderstreepte woorden)

vrijdag 15 januari 2010

Rijksuniversiteit Gent 1817-1967

Na een maand windstilte, terug aan het werk. Zoals gevreesd heeft het werk een negatieve impakt op mijn vrijetijdsgebruik.

Gelukkig zijn er nog boeken op de wereld.  Zo vond ik eergisteren het gedenkboek Rijksuniversiteit Gent 1817 - 1967. Op zich niets schokkends, maar er zit duidelijk een verhaal vast aan dit boek. Ik vind namelijk op de titelbladzijde een handtekening terug, en een datering: 18/x/67. Wie de eigenaar was, dat kan ik niet achterhalen, alleen een beetje vermoeden. Het was alleszins iemand die de Universiteit kende, en er een emotionele band mee had. Op diezelfde titelbladzijde heeft hij namelijk een mooie reproductie van het wapenschild van de universiteit gekleefd. En de beschrijving van dat wapenschild kan je mooi terugvinden op de website van de RUG. Helaas heeft hij die afbeelding een beetje slordig uitgeknipt, maar met een beetje lijm heb ik het geheel mooi herplakt, zodat de onregelmatige sneden minder opvallend uitkomen. Omwille van de authenticiteit laat ik het knipwerk zoals het was, zo slordig was het niet, maar het kon beter.

Het verhaal schuilt ergens anders. In het boek stak namelijk een bericht, genaamd "Mededeling vanwege het Rectoraat van de Rijksuniversiteit te Gent", met een lekker ouderwetse typmachine foutloos op vier A4-tjes neergelegd en ... ondertekend door de Rector, Prof. Dr. J.J. Bouckaert. Een origineel document, dus. Beter nog, in de rechterbovenhoek van het eerste blad is het document met de hand gedateerd: 18/4/69, en geparafeerd. Ja hoor, onder deze datum staat zeer duidelijk de paraaf van de persoon die ook de eigenaar van het boek is geweest. De karakteristieke kronkels van de eerste letter van zijn naam komen zowel in de paraaf als in het handteken voor. Onmiskenbaar dezelfde. Wie dat dan kan geweest zijn, daar heb ik het raden naar, en dat is op zich zo erg niet. Een zoektocht langsheen de namen van de personen die in het comité zaten dat de uitgifte van dit boek verzorgde, laat me twee kandidaten overblijven die de eigenaar kunnen geweest zijn. Maar dat zijn speculaties.

Veel interessanter is de reden waarom deze mededeling gedaan werd. De rector zet deze reden dan ook uitgebreid uiteen. Ik voel de kriebels om de volledige tekst op te nemen, en deze zo voor de vergetelheid te redden. (toevoeging: in de beide volgende bijdragen heb ik deze tekst inderdaad integraal hernomen, en de lezer zal er best aan doen eerst met deel 1 te beginnen, om de juiste volgorde van de tekst te bewaren. Wie de documenten wil bekijken, moet maar eens naar de Bibliotheca Studentica et Erotica springen.) Een korte zoektocht via Tante Google leert me alvast dat deze tekst nooit eerder gepubliceerd is. En het gaat om historische feiten, als je de context van het gebeurde leert kennen. Een eerste kort extract zal je alvast duidelijk maken dat ik in eerdere berichten waarin ik de jaren zestig en zijn betuttelende houding ten opzichte van sexualiteit beschreven heb, niet zomaar uit de nek gekletst heb. Ik citeer:

- (...) De aanleiding tot de incidenten was het verbod tot projectie in het openbaar van pornografische beelden door de studentenvereniging "Prokus" in de zaal van de Academieraad op 12 maart (1969, noot van mijzelf). De vergadering zelf was wel toegelaten.  Indien pornografische beelden, naar de wens van de inrichters wel in het openbaar, bijgevolg ook voor personen beneden de 18 j., zouden vertoond geweest zijn, dan zou niet alleen de goede naam van de Universiteit in de openbare opinie in opspraak gekomen zijn, maar tevens zouden voor de Universiteit moeilijkheden opgerezen zijn met het parket dat het vertonen in het openbaar van pornografische beelden niet duldt. De medeplichtigheid van de Universiteit in deze aangelegenheid zou ondubbelzinnig bewezen geweest zijn, wegens het ter beschikking stellen van een lokaal, een projectieapparaat en een bediende die de projecties zou doen. Ik was bijgevolg verplicht de projectie van pornografische beelden te verbieden terwijl ik wel de vergadering toeliet. (...)"

Het zou me benieuwen indien er comilitones zijn die de feiten meegemaakt hebben, of van dichtbij gevolgd hebben.  Ze mogen met een gerust geweten een bericht zenden met hun versie van de feiten, om alzo dit grensverleggend incident opnieuw te herinneren en er de zo juist mogelijke omstandigheden van te omschrijven.

Eindnoot. De Blumengarten Bibliothek heeft tijdens de vakantiedagen van 2011 besloten het boek en het typocsript van de toespraak te schenken aan de Bibliotheca Studentica & Erotica. Dit besluit werd genomen tijdens het bezoek aan Lier, waar ik een ontmoeting had met een kunstenares die tot de groep Am I Yours behoort. Een verslag ervan vindt men in de bijdrage over de Madonna van Woodstock. Alles hoort ergens thuis, en in de verzameling Studentica heeft dit boek, dat onafscheidelijk door een wederzijdse handtekening en paraaf verbonden is met het typocsript, een plaats die het beter tot zijn recht laat komen. Op 12 september werd de schenking een feit.