ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

woensdag 23 september 2009

Lezen is soms leuk

Lezen is soms leuk. Maar niet altijd. In mijn lijstje stond tot vandaag een blog, die dezelfde naam draagt als de titel van deze bijdrage, en de auteur is van oordeel dat lezen altijd leuk is, niet alleen maar soms. Dat is natuurlijk zijn recht. Maar ik had de blog reeds in mijn lijstje van interessante blogs opgenomen als curiosum, omdat hij als laatste bijdrage stelde dat hij vanaf nu regelmatig wat zou schrijven. Het is er sinds veel meer dan één jaar niet meer van gekomen, en aldus heb ik besloten dat het rationele vóór het curieuze komt, en is de brave borst geweerd uit mijn blikveld.
Aldus zal ik ook de andere blogs behandelen, die door hun activiteit zichzelf als nutteloos bestempelen. Te lang inactief, is zoveel als zeggen: het hoeft niet, hoor. Voor mij dus ook niet.
Hoewel het voor zeer veel mensen onmogelijk is een dagelijkse bijdrage te leveren, en hoewel het voor de meeste lezers onmogelijk is alle interessante blogs dagelijks te lezen, denk ik wel dat enige activiteit toch wel gewenst is. Maar lezen moet ook leuk blijven, en altijd hetzelfde boek op dezelfde bladzijde zien openliggen, nee, dan neem ik toch maar liever een ander boek.

woensdag 16 september 2009

De mannen van twater

Tussen vaat, eten, meegebracht thuiswerk en andere dagdagelijkse beslommeringen die een woensdag dikwijls kleur geven, moet ik helaas een lek in de waterleiding noteren. De tuin lag gedurende het weekend als een modderplas langsheen de straat te pronken, en gisteren is men het lek komen dichten. Gelukkig hebben we de put, die gegraven is aan de wortels van mijn geliefde Japanse kerselaar opengelaten, want vanmorgen stond die put weer netjes onder water. Probleem verschoven, als het ware. Seffens komen ze nog eens kijken, maar de eigenlijke oplossing is een volle dag werk: het vervangen van de leiding vanaf de distributie tot aan de teller in de kelder. En daar zal één en ander bij komen kijken dat meer dat "eventjes komen kijken" mag genoemd worden.

Gelukkig was de postbode niet lek, en hij liet me twee aankopen op Ebay achter, waar ik zielsgelukkig mee ben. Ik zal me nu in afwachting van de bel beperken tot een korte beschrijving, later kom ik er hopelijk meer uitgebreid op terug.

Een Limburgensium waar ik bijzonder trots op ben is het boek Groote Mannen van Limburg, van H.C. Melis, uitgegeven bij L. Opdebeek te Antwerpen in 1928. Het boekje is aan een lichte restauratie toe, maar binnenin is alles pico bello. Als de lectuur ervan dan ook bol staat van het paternalisme van die jaren, het blijft een tijdsdocument, waarin op "voortreffelijke wijze" aan schoolmeesters een kleine handleiding wordt gegeven om hunne leerlingen meer informatie te geven over deze grote mannen (Limburg heeft in dei tijd nog geen grote vrouwen opgeleverd, maar daar zal later wel een mouw aan gepast worden) die elk een bladzijde of meer geschreven hebben in de Vaderlandsche Geschiedenis.

Hendrik van Veldeke, Rudolph, Abt van St.-Truiden (zonder koppelteken!), Willem van Ryckel, Radulphus de Rivo, Dionysius de Karthuizer, Frans Titelmans, Jan Frederickx van Lummen, Cornelius à Lapide, Govaert Wendelen, Joannes Mantelius, Pieter Geuns, G. Jos. Ev. Ramoux, Eg. Godfried Guffens, Jan-Joseph Thonissen, en Dr. Louis Willems passeren achtereenvolgens de revue. Zelfs de bibliographie is op zich reeds een belevenis.

Vergeef me maar dat ik inwendig op wolken loop. Gelukkig kun je dat via deze blog niet zien.

Het andere boekje is al even boeiend. Het meet slechts 9 op 14 centimeter, en is even mooi geconserveerd, hoewel de ouderdom ervan beduidend hoger is dan het voorgaande. La Religion, Poème par Louis Racine werd in 1849 uitgegeven bij L. Lefort, Imprimeur-Libraire, à la rue Esquermoise, 55 Lille. Nooit heb ik in druk een kleiner lettertype voorgeschoteld gekregen dan er hierin opgenomen is. Hadden de mensen destijds zulke goede ogen, of waren de vergrootglazen toen zoveel beter dan nu? Ik weet het niet, maar daar zijn tegenwoordig wel oplossingen voor te vinden.

Wat vooral mooi is, is de handgeschreven tekst op de binnenkant van de hardcover. Voulez-vous savoir mon nom regardez dans ce petit rond; Voulez-vous savoir ma demeure, regardez dans ce petit coeur. En daaronder inderdaad een getekend hartje, waarin staat Lebbeke 1852, en een cirkeltje , waarin guitig staat: les curieux sont trompés.

Maar de persoon die deze liefdesgift ontvangen heeft was ongetwijfeld ene De Blieck, zoals op de blancobladzijde daarnaast staat. Verder nog zeer onduidelijk in potlood dat de tijd niet weerstaan heeft, enige verdere persoonsgegevens, vermoedelijk veel later aangebracht.

De bel. De mannen van twater zijn daar.

woensdag 9 september 2009

De Dikke, de Dunnen en enige Nobele Prijswinnaars

Op het gevaar af dat ik Dame weer zou ontmoeten (en ontmoedigen) heb ik nogmaals dezelfde winkel bezocht, en tot mijn grote jolijt was zij er niet. Boeken waren er des te meer. En voor een keertje was ik slim geweest: ik had mijn lijstje met ontbrekende Nobele nummers meegebracht, om dit maal niet voor een serie aankopen te komen staan, die ik later op de verkoophoop moet leggen. Ik heb zeven ontbrekende nummers op de kop getikt. De lijst kan je hier raadplegen.

Maar tegen mijn gewoonte in begon ik niet rechts beneden om links boven te eindigen. Twee dikke kanjers trokken mijn aandacht. En terecht, want hun dagdagelijkse naam luidt ook zo: de Dikke van Dale, eerbiedigheidshalve het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal genoemd. Twee ongerepte boekdelen, uitgave 1985. Helaas bleek het eerste nummer A-I te ontbreken. Een eigenaardigheid, daar deze boeken onafscheidelijk met mekaar verbonden zijn. Had de vorige eigenaar niet de tijd gevonden deze delen ook vanbuiten te leren, of was tijdens de studie het deel zo versleten en zwart gelezen, dat het niet meer vatbaar was voor recyclage, ik begrijp er geen iota van. Misschien heeft iemand gedacht dat dat eerste deel wel, en de rest niet hoefde aangekocht te worden wegens de noodzaak tot het opzoeken van één enkel woord dat noodgedwongen in dat deel te staan had...

Voor de prijs die er voor gevraagd werd, wilde ik wel vergeten dat deel I afwezig zal blijven. Spijtig, maar geen onoverkomelijk probleem.

Een merkwaardig werk dat als wetenschappelijke bundeling verhandelingen betreffende één enkele tentoonstelling is opgezet, betreft: Dirk Bouts en zijn tijd, uitgegeven in 1975 naar aanleiding van de herdenking van zijn overlijden 500 jaar daarvoor, te Leuven in de Sint-Pieterskerk, van 12 september tot 03 november 1975. In die tijd maakte ik Leuven onveilig, en zeker in het begin van het academisch jaar had ik met mijn huidige instelling deze tentoonstelling niet links laten liggen. Ik heb het vermoeden dat studentikoze aangelegenheden toen belangrijker gevonden werden dan een tentoonstelling, die niet het vakgebied van mijn studie betrof. Een gemiste kans noem ik het alleszins, maar toen is nu niet, weet ik ook wel. Het Leuvense stadsbestuur, in samenwerking met het Ministerie van Nederlandse Cultuur heeft hier blijkbaar kosten noch moeite gespaard om dit prestigieuze werk aan een aantal mensen mee te geven. Dit boek is genummerd 1561, en heeft een deel van zijn leven doorgebracht in de "Mediatheek" van de Rijkmiddenschool te Ronse, waar het opgenomen was in de leraarsbibliotheek onder inventarisnummer 1221, als gift van een vereniging tijdens het schooljaar 1977-1978 door een Schepene van de Stad Ronse. Onbegrijpelijk.

Het boek is een prachtige verzameling van wetenschappelijke artikels door een keure van kunstkenners samengesteld. Toch zal de lectuur ervan geen kleinigheid zijn: precies de wetenschappelijke benadering en behandeling van de onderwerpen maakt het tot een eerder elitair geheel, dat schittert door zijn pracht, en dat opvalt door de goede staat van conservatie. Ik ben niet zo erg gesteld op bibliotheekexemplaren, maar soms zijn er voldoende redenen om uitzonderingen toe te staan.

Dan de werken in de categorie Dunnen. En de titel van het eerste boekje is meteen een aanval op deze wijze van categoriseren. Maar het is dan ook van de hand van Louis de Lentdecker, gedurende lange tijd Vlaanderens meest explosieve journalist, een man die keihard kon zijn, maar die evengoed meerdere malen met tranen in de ogen een onderwerp belicht heeft. Vooral het ogenblik van de faling van zijn krant heeft op mij in die tijd zware indruk gemaakt en nagelaten. Een journalist wordt verondersteld objectief zijn onderwerp te behandelen, zonder betrokkenheid, maar die keer was de menselijke kant voor hem zo groot dat hij zonder schaamte zijn tranen liet rollen, iets wat nog meer indruk maakt als je weet dat hij zelf het verhaal verteld heeft hoe hij als 17-18 jarige weerstander in 1944 meegedaan heeft aan de executie van een "zwarte" tegenstander. Hij was geen doetje. Maar die tranen blijven me bij. Zware jongens, lichte meisjes is een verhandeling over prostitutie en onderwereld, en alleen het feit dat hij een gezaghebbend journalist was heeft de publicatie als Vlaamse Pocket nr 61 in 1966 (copyrihgt 1962) mogelijk gemaakt.

In 1962 kon Katholiek Vlaanderen zulk een onderwerp in een boekenreeks bestemd voor de breedste schare die onder het publiek bereikt kon worden, best de grond in boren. Vraag maar aan Paula Semer, Vlaanderens televisie-First-Lady van de jaren vijftig en zestig, hoelang onderwerpen die enkel in bedekte termen konden besproken worden onder supervolwassenen, in kranten en tijdschriften door zwaar gechockeerde huisvaders en -moeders op de korrel genomen werden. Het ging over "Voorhuwelijkse Betrekkingen", zelfs over "Betrekkingen zonder Huwelijkse Staat"! De moraalloze moraalfilosoof Jaap Kruithof heeft het toen bestaan in aanwezigheid van een Katholiek Priester te beweren dat hij alleen maar voordelen zag in die laatste categorie van doodzonde. Hij werd door Katholiek Vlaanderen verketterd, in de ban geslagen en publiek gevierendeeld, maar ook de priester kreeg vanwege zijn te zachte houding een voltallig bisdom geagiteerde penneridders over zich heen, die hem naar believen hondsvod, slappeling, zeemlap, schotelvod, schijtpapier en Judas noemden. Vooral dat "zeemlap" heeft hem zwaar gekwetst. En dat twee jaar lang. Toen had televisie nog enige impact.

Een mooie Marnix Pocket nummer 1 is Wierook en Tranen van Ward Ruyslinck. Behoeft geen commentaar. Het is een tragisch verhaal van een ontmoeting van twee kinderen in de oorlog, dat tragisch eindigt, en zeer goed de hardheid van een oorlog weergeeft. De vertelling door een kind (Waldo, het jongentje dat in tegenstelling tot Vera het drama overleeft) maakt het des te indrukwekkend.

In de reeks "Ontmoetingen" heb ik nu van A. van Hageland het nummer 26, de studie van Ernest Claes uit 1960 te pakken. Behoeft geen commentaar.

Een merkwaardigheid is Een beetje Columbus zijn, een pleidooi voor schrijver, boek en lezer van Jozef Deleu. Uitgegeven door de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekenwezen v.z.w., ter gelegenheid van de opening van de Boekenweek voor Vlaanderen 1989 te Antwerpen. Zeg maar de Boekenbeurs, de Vlaamse hoogmis van de literatuur. Boekje in nieuwstaat. Ik ben benieuwd wat Jozef Deleu te vertellen heeft. De bibliografie van de werken die hij geraadpleegd heeft om deze toespraak te schrijven laat vermoeden dat het geen prietpraat is voor het vuisje weg.

Ook goed verzorgd en bewaard is Het Algemeen Wereldtijdschrift van Willem Elsschot. Dit is eigenlijk een fragment uit Lijmen, en dat staat dus ook in de verzamelde werken die ik op dit ogenblik aan het lezen ben. Maar het is fijn dit dingetje te vinden, dat zo mooi verzorgd is door de Drukkerij Sanderus p.v.b.a. te Oudenaarde, die de gewoonte heeft jaarlijks een klein werkje van dit allooi aan zijn klanten aan te bieden. Wie deze volledige verzameling heeft, bezit een merkwaardige bloemlezing uit de meest diverse literatuur.

Twee gelijkaardige boekjes met aforismen, en beide samengesteld door Gerd De Ley laten het beste verhopen voor het humeur. Zowel Hugo Raes (Trapezewerk in het luchtledige) als Simon Carmiggelt (Het klinkt soms wel aardig) hebben het hunne te zeggen, maar er is een hemelsbreed verschil. De lichtvoetigheid van Carmiggelt steekt schril af tegen de rebelse, opstandige en meestal politiek zwaar beladen one-liners van Hugo Raes, die wanneer hij een pen ter hand neemt, niet zonder azijn kan schrijven. Maar dat maakt de boekjes complementair. Beide uitgegeven bij Publiboek/Baart in 1980.

Dame was er niet. Mijn bloeddruk, kan ik de bezorgde lezer verzekeren, is slechts door de aanwezigheid van een zekere portie onzedelijke literatuur in mijn aankoop oorzaak van een zekere verhoging, maar mijn dagelijkse portie medicatie, zo heeft mijn huisarts me verzekerd, staat garant voor een gematigd gedoseerd verbruik van deze literatuur. Deze column kan dus met vermelding van de zedelijke kwotering III door een breed Vlaams publiek gelezen worden, enige begeleiding door volwassenen is wel aangewezen.

maandag 7 september 2009

Even in de oudheidkunde gedoken, deel 2

Het heeft enig zoekwerk gekost, maar eindelijk is er iemand gevonden die deze gedenkplaat kon duiden voor wat ze was. Het antwoord per E-mail leert me niet zoveel meer als hetgeen ik reeds wist en vermoedde, maar goed, een bevestiging van een vermoeden is ook een positief antwoord. Hier eerst de integrale mail. Ik denk niet dat het vermelden van de namen enig kwaad kan berokkenen.

Beste Danny,

Ik heb de foto's aan een aantal mensen getoond, maar het is dr. Luc Vandeweyer (werkzaam in het Rijksarchief en lid van het Ijzerbedevaartcomité) die me deze informatie heeft bezorgd. Hieronder vindt U een weergave van zijn antwoord. Ik hoop U hiermee wat verder geholpen te hebben.

VOS bezorgde zijn leden in het interbellum, via de afdelingen, dergelijke prenten waarop een naam kon ingevuld worden. De prent had zowat dezelfde functie als het papieren diploma dat je het ereteken van de arbeid had ontvangen. Het diende om in te kaderen en in huis op te hangen zodat het voor elke bezoeker zichtbaar was. Het was meteen een publiek "statement" en het toonde dat je tot eenzelfde groep met een zeker zelfbewustzijn behoorde. Dat was heel gebruikelijk in het interbellum. Ook religieus getinte prenten vervulden die rol. Of foto's die dienden als bewijs dat je naar Lourdes waart getrokken.

Dat de antimilitaristische en Vlaamse boodschap uitdrukkelijk verbonden wordt met het oudstrijderschap is dus niet ongewoon. Het was nu eenmaal het wezenskenmerk van VOS. Oudstrijders beschouwden zich als een elite maar dan los van de diploma's en rijkdom. En dat wilden ze tonen.

Tot daar de mail. Waar ik wel gelukkig mee ben, maar die zoals gezegd niet veel toevoegt. Ik vind het vooral verbazend dat een instelling als het Ijzertorenmuzeum van dit soort documenten niet zelf iets afweet. Als je weet dat tijdens het interbellum VOS een bloeiende vereniging was, met duizenden leden, dan kan mijn afbeelding geen uniek document zijn, en moet er ergens in archieven, of in kasten of rommeldozen gelijkaardig materiaal verscholen liggen.

Straffer nog, een historicus verbonden aan het Ijzerbedevaartcomité weet er wel van, of spint vanuit zijn wetenschappelijke kennis de draden zelf aan mekaar. Daarbij neemt hij niet veel risico, want ook hij maakt geen gewag van plaatsen of personen waar of bij wie dergelijke platen reeds gezien zijn.

Dus ga ik nu de raad die ik op het forum Eerste Wereldoorlog gekregen heb, opvolgen, en de erfdragers van de vereniging VOS, die van een oudstrijdersvereniging nu een vredesbeweging geworden is, een logische evolutie dunkt me, dezelfde vraag stellen, aangevuld met de ervaring uit het eerste antwoord. Tijdens mijn vraagsteling was men bezig de tentoonstelling op te zetten over 90 jaar VOS, en aldus kunnen mogelijk reeds mensen van de vereniging deze foto gezien hebben, maar dan hebben zij alvast niets bijgebracht. Misschien kan een archivaris van de vereniging mij nog meer informatie verschaffen. En mijn bijkomende vragen (wie is de kunstenaar? Zo men de kunstenaar kent, wat is er van zijn werk? Is dit werk een oorspronkelijk werk, of gaat het om de neerslag van bestaande foto's en tekeningen? Zijn er nog archieven beschikbaar van afdelingen die destijds deze gedenkplaten uitgereikt hebben? Bestaan er foto's van dergelijke gebeurtenissen? etcetera etcetera.) willen niet stilliggen in mijn pan. Zij gebruiken mijn hersenen als trampoline, net zoals de kater dat deed in mijn studentenjaren.

Ik weet het. Met één antwoord ben ik nooit tevreden. Dan stel ik twintig nieuwe vragen. Maar dat is het kenmerk van echte nieuwsgierige mensen*. Lange neuzen verafschuw ik. Maar wanneer men vragen stelt die leiden naar een vervulling van de zucht naar kennis, is men op een positieve manier nieuwsgierig. Je hebt dan geen Pinokkioneus. En een beetje dromen helpt altijd. Vraag het maar aan Kékulé.

* Echte nieuwsgierige mensen zijn nieuwsgierige mensen die echt zijn. Echt nieuwsgierige mensen zijn mensen die "echt nieuwsgierig" zijn, de laatste categorie trekt mij het minst aan.

zaterdag 5 september 2009

een vleugje statistiek

Vanmorgen was ik eventjes nieuwsgierig naar mijn bezoekers. Hoe komen ze hier? De teller geeft er een indruk over.

Ik vind het helemaal niet verbazend dat Tante Google in haar drie verschijningsvormen die hier getoond worden, goed is voor een aanvoer van meer dan 68 % van de bezoekers, volgens de top-15 van de domeinen. Maar zéér mooi om te zien is dat de door mij hoogst gerespecteerde Perkamentus tekent voor liefst 20% van de trafiek. En een al evenzeer gerespecteerd collega-blogger is BibliothecaStudentica, die op eerbiedige afstand moet volgen met 3%, de investeringsdrempel waarboven je in veel beursgenoteerde bedrijven moet openbaar maken dat je aandeelhouder bent (!). De andere beschouw ik gemakkelijkheidshalve als kleinere contacten, maar sommige die ik nauwelijks sinds een maand bezoek, genereren al een merkwaardig aandeel in mijn bezoekers.

Ik wil daarmee maar zeggen dat het van belang is een ruime en welgekozen kring te organiseren om regelmatige bezoeken aan je blog te bewerkstelligen. Dat is uiteraard voornamelijk van belang voor mensen die de blog in de eerste plaats voor commerciële of publicitaire redenen aangemaakt hebben, of die een expliciete boodschap in de wereld willen sturen. In mijn geval is dat niet zo noodzakelijk, maar een regelmatige blik op die statistieken kan toch leuke vaststellingen meebrengen. Ik jaag dan ook niet actief op bezoekers.

Mooi is ook dat bezoek vanuit eigen huis (blogger.com en zijn klanten-bloggers) reeds 30 % opleveren. Dat bewijst dat de keuze van de leverancier van je blog-software ook niet zonder belang is, met de vraag hoe de interne bezoeken zo vlot mogelijk uit te voeren zijn. Zo kan ik het me voorstellen dat er goede (en misschien ook minder goede) redenen zijn om naast de publieke lijst van blogs ook een verborgen lijstje van niet publiek te maken blogs zou moeten gemaakt kunnen worden.

Zo studerende, heb ik vastgesteld dat een bezoeker uit Aruba met een Nederlandstalige zoekterm langsgekomen is. En dat een heleboel mensen een Engelse provider hebben, terwijl ze van daaruit toch met Nederlandstalige zoektermen uit de hoek komen. Een groet stuur ik dan ook graag naar Polen, Portugal, Luxemburg en Maleisië. Maar door het gebruik van andere software heb ik evenzeer kunnen vaststellen dat sommige bezoekers uit de meest exotische landen niet eens door de teller opgemerkt werden. En dat één enkele bezoeker uit Texas op enige minuten tijd meer dan dertig pogingen gedaan heeft om bij mij binnen te komen, zonder dat er een domein of url te lezen viel. Zonderling, misschien zelfs gevaarlijk. Alles is relatief, zelfs de relativiteit.

woensdag 2 september 2009

Márquez, Buckinx en Chris Tusa

Het hoeven niet altijd grote, dikke kanjers te zijn. Vandaag ben ik een paar werkjes op het spoor gekomen die me in grote mate warm gemaakt hebben.

Flinterdun, nauwelijks zes- of zevenentwintig bladzijden tekst. Daarna een bibliografie die twee bladzijden beslaat, en tenslotte een aantal beschrijvingen van zijn werken gespreid over 12 bladzijden, zo komt De Wereld van Gabriel Garciá Márquez over je heen. Het is de neerslag van twee gesprekken van Marlise Simons, één in 1982, vlak na de bekendmaking van zijn Nobelprijs, het andere in 1985. Vervolgens een nabeschouwing door Mariolein Sabarte Belacortu over Liefde in tijden van cholera. Het boekje zelf verscheen in 1986 bij Meulenhoff Amsterdam, in zijn sobere vormgeving en zijn kleine formaat best aantrekkelijk. Weer lectuur voor in de trein, met het notaboek in aanslag. Ik beschouw het ook als een mooie aanwinst, die best naast de eerder besproken bladzijden uit de Snoeks Almanak geplaatst mogen worden, en die veel meer prijs geven dan wat oppervlakkige lectuur voor de lege uren meestal doet.

De Cartoons 1999 zijn een aanvulling van het jeugdsentiment dat ik al eerder aangehaald heb. Deze reeks had ik al in de jaren '60 in mijn bezit, maar de tijd en een paar ongelukkige beslissingen over mijn toenmalige bibliotheek hebben er voor gezorgd dat de reeks nooit volledig gebleven is. Meer nog, sommige van de boekjes die ik bezat zijn onherstelbaar beschadigd, verdwenen zelfs.

Scott Adams is welgekend als de tekenaar van Dilbert, de eeuwige kluns-wijsneus, die hoofdzakelijk de taak heeft op hilarische manier zijn visie op de wereld, vooral op het onlogische van de wereld te illustreren. In dit geval is de titel Multimedia volgens Dilbert. Geruststellend is alleszins de titel van het korte hoofdstukje op bladzijde 8. Het luidt als volgt: In de toekomst zullen computergebruikende mannen de meeste sex-appeal hebben. Nah! Merci, Adams.

Een niet literaire aanschaf: K3 en het Ijsprinsesje, een schrijfblok voor pubermeisjes, waarvan de aankoop bedoeld is als pesterij voor sommigen. Het was dan nog het duurste stuk uit de opsomming van vandaag. Pesten is een vak, en moet blijvend gepromoot worden. Het is heerlijk. De eerste maal dat iemand weer wat truttig doet, krijgt zij mijn schrijfblokje. Zeker weten.

Het verhaal over het aanleggen van het kanaal van Suez werd als eerste in de reeks Vernuft en Wilskracht door Gust Müller in 1957 bij Opdebeek te Antwerpen uitgegeven in 1957 als Suez. Ondanks de jaren ziet het er nog goed uit. Een hoekje van een klassieke blauwgerande schooletiket met het nummer 15 op, bewijst dat dit boekje door een leergierig kind netjes in zijn bibliotheekje ingebracht werd. Mooie vintage kinderlectuur, en zeker nog het lezen waard. Opmerkelijk is ook de voetnoot helemaal op het einde, waaruit blijkt dat het werk tot stand gekomen is vóór het uitbreken van het Suez-conflict. Slechts de allerlaatste paragraaf maakt allusie op dit conflict in de typische belerende steil:

"...het standbeeld van Ferdinand de Lesseps die met uitnodigend handgebaar naar de zeeweg wees, het Suez-kanaal waarvan hij gedroomd had dat het de vrede onder de volken en de welvaart van de mensheid zou dienen. Helaas, hij heeft niet kunnen voorzien dat zijn waterweg de aanleiding zou worden tot een oorlog en een dreigend gevaar voor de wereldvrede."

De aanwinst van de dag is echter een flinterdun jeugdboekje, geschreven door niemand minder dan Pieter G. Buckinx. Toen ik gedaan had met het doorsnuffelen van de afdeling boeken, bedacht ik dat het misschien toch wel interessant kon zijn ook bij de kinderlectuur even te gaan rommelen. En plotseling wordt mijn aandacht getrokken door die naam. Was dat een vergissing, of is het echt: Buckinx in de jeugdafdeling? Maar ja, als de naam klopte, zei de titel me niets. Mijn kleine Prins Joepie. De achterkant van het boekje geeft echter de mooie foto van Pieter G. Buckinx weer, met hoogopgekamd haar, en pijp in de mond. Hij wordt genoemd: niet alleen één van onze belangrijkste dichters, maar ook een groot kindervriend. En meteen worden er nog een paar andere titels van werken voor de jeugd opgesomd, zoals De kikker, het Musje en de Leeuw, of De koningen van het Kaartspel, of Ik zing de ganse Dag. Hij heeft ook kinderliederen geschreven die getoonzet worden door Theo Van Doren, Willem Kerstens en Simone Vens. Als groot dierenvriend, laatste van zijn kwaliteiten die hier aangehaald worden, heeft hij dit boekje over zijn eigen hondje geschreven: zijn Kleine Prins Joepie.

De illustraties van Ida Moors zijn in de stijl van die andere meisjesboeken die in de jaren zestig de markt overspoelden, en die mijn vrouw zo graag gelezen heeft. Helemaal naar mijn zin is dat het werd uitgegeven in 1972 in de reeks "Het Fonteintje" bij Heideland-Orbis, en gedrukt op de persen van Drukkerij Sanderus p.v.b.a. te Oudenaarde. Mijn wortels en mijn kruin verenigd in een fraai bewaard boekje, dat bij de andere werken van P.G.B. zijn plaats mag gaan innemen.

De lectuur ervan wordt even uitgesteld, daar ik net begonnen ben in de verzamelde werken van Elsschot, met Villa des Roses op kop. Dat boek had ik nog niet gelezen, maar het is ongelooflijk meeslepend. De zakelijke toon waarop hij ons in het dagelijkse leven van dit bizarre pension inleidt, weerhoudt de lezer er niet van geleidelijk aan in te zien dat het topje van de ijsberg alleen maar kan verbergen dat er op ijsbergen ook soms ijsberen huizen, en die dieren zijn levensgevaarlijk. Elsschot brengt je zin per zin dichter bij de beer, en het is maar de vraag wanneer deze lucht van hje zal krijgen.

Een ander boek dat dringend moet gelezen worden, maar dat ik slechts in E-bookvorm hier heb, is: Dirty little Angels, van Chris Tusa. Ik heb enige tijd geleden een bericht gehad van deze auteur, op LibraryThing, met het verzoek om zijn boek te lezen en te resenceren. Taak die ik op me ga nemen, zij het dan dat het boek uiteraard in het Engels geschreven is, en ik die taal wel lees, maar dat het hier en daar toch met de hulp van een woordenboek moet gebeuren. En dat het noodgedwongen enigzins trager zal zijn dan een boek in de eigen taal.

Nu ben ik niet de enige die zulk een uitnodiging gehad heeft, honderden lezers hebben zulk een verzoek gehad, en honderden zijn ook op zijn uitnodiging ingegaan, maar toch, ik beschouw het als een mooie meerwaarde om voor zo iets in aanmerking te mogen komen.

Enige jaren geleden heb ik een gelijkaardig verzoek gekregen via mijn huisarts. Zij is ook een aardige lezeres, en daar ik altijd eigen lectuur meeneem voor in de wachtkamer, omdat de Flair en gelijkgestemden mij nog zieker zouden maken, ziet zij altijd mijn boekenkeuze van het moment grondig na. Waarna we soms wel eens een beetje de geneeskunde aan de kant laten, en een boom opzetten over één of ander dat gerelateerd is aan de literatuur. Zo kwam zij op zekere dag met een manuscript afdraven, en vroeg me of ik het eens wilde resenceren. Zij kon het niet verteerd krijgen, en wilde mijn mening erover. Het bleek van een kennis van haar te zijn, die schrijverskriebels gevoeld had, en zijn ei gelegd had in de handen van de dokter.

De lectuur was inderdaad onverteerbaar, ik ben niet verder gekomen dan een paar bladzijden, en heb dan het boek teruggegeven met de mededeling dat het als recuperatiepapier ongetwijfeld nog een mooie carrière kon meemaken alvorens bij de papiermolen aan te kloppen om in de literatuurhemel te genieten van rijstpap met zilveren lepeltjes. Mijn eerste resencie was een zware tegenvaller, en genadeloos. Als je er zelfs niet in slaagt het product volledig te lezen, is dat product ook het lezen niet waard.

Ik hoop dat het werk van Chris(topher) Tusa beter is. Iets lezen dat het lezen niet waard is, is een zware opgave. Enig voordeel is dat het gebruik van niet professionele resencenten volkomen vrijblijvend is. Dat het vooral je mening als lezer is die telt. Iemand die in het vak zit, schrijft die beoordeling vanuit andere, dikwijls ook meer complexe standpunten. Is het werk commercieel genoeg? Een belangrijke vraag voor een Amerikaans uitgever, hoewel elke uitgever helaas die vraag ook moet stellen. Een totaal niet-commercieel onderwerp moet volgens mij haast onoverkomelijk in eigen beheer uitgegeven worden. Is het onderwerp zo beschreven dat een leek het ook kan begrijpen? Voegt de schrijver een dimensie toe, die enige vragen oproepen bij de lezer? Slaat de auteur zijn lezers om de oren, of aait hij ze in slaap? Heeft de auteur een engagement, of badineert hij vrijblijvend doorheen zijn onderwerp? Enzovoort enzovoort.