ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

woensdag 19 januari 2011

Dichtbundels in de sneeuw 6 (38 tot 42)

38) 333 Coplas Populaires, suivies de 33 coplas sentencieuses du floklore andalou. Uitgegeven bij éditions Charlot in de reeks Poésie et Théatre. 1946. Dit is een dichtbundeltje afkomstig uit de bibliotheek van de Katholieke Universiteit van Leuven, zoals de stempel van de Sedes Sapientiae bewijst. Coplas zijn korte meestal vierregelige verzen die gemaakt werden door al wie wat te vertellen had over wat zijn hart het meest beroerde. Van oorsprong Andalousisch, werden deze gedichtjes gemaakt of vertaald in het Frans. Omdat ze voor het merendeel anoniem geschreven zijn, is de mondelinge overlevering een belangrijk instrument geweest om ze te behouden tot in onze tijd. Daardoor zijn er twee kenmerken waar te nemen: ze reflecteren een gevoel, waarvan we niet met zekerheid kunnen weten of ze oorspronkelijk ook zo door de "auteur" bedoeld zijn, en ten tweede is de vorm niet altijd academisch juist. Dat belet niet dat groot en klein hierin zijn beste dichterspen kon bovenhalen. Charmante literatuur.

(XX) Uren met Vinet. In de reeks "Boeken van wijsheid en schoonheid", uitgegeven door de Hollandia-Drukkerij te Baarn in het jaar MXMXVIX (Zou dit bedoeld zijn als 1914? Alleszins is de X tussen beide eerste M-en waarschijnlijk een drukfout, als het als 1900 bedoeld zou zijn, maar dan blijft me nog steeds de XVIX als een wel eigenaardige notatie voor 14. Erachter staat met de hand geschreven 1919. Ik weet het niet). Het boek is een bloemlezing van teksten van de Zwitserse criticus, moraalfilosoof en theoloog. Op zich boeit het me maar matig, de theologische discussies van de 18de en 19de eeuw ontsnappen mij in grote mate wat betreft hun betekenis en belang. Het boek past dus ook niet in deze verzameling, maar mijn speurend oog heeft toch een kleinigheid waargenomen. Achteraan in het boek worden verschillende uitgaven in deze reeks aangeprezen, zoals Uren met Hegel, ... met Nietsche, ... met Montaigne, ... met Goethe, ... met Shakespeare, ... met Schopenhauer en zoverder. Bij Montaigne blijkt de inleiding gedaan te zijn door Jan Van Nijlen, van wie ik in deze verzameling nog twee dichtbundels gekocht heb. Ik lees: "De bekende Vlaamsche dichter Jan van Nijlen heeft zich geheel in den geest en het werk van de Franschen moralist ingeleefd en de kern van Montaigne's gedachten in smijdig Hollandsch weten over te brengen." Mooi!

(Toevoeging op 13/08/2011 : hoewel dit boekje wel degelijk aangekocht is in een groot pakket dichtbundels, ben ik van oordeel dat enkel de verwijzing naar Jan Van Nijlen in de recentie van een ander boek uit de reeks waarin het uitgegeven werd niet voldoende is om het op te nemen in een categorie van dichtwerken, dichtbundels, tijdschriften of werken over de dichtkunst. Het nummer 39 staat dan ook tussen haakjes en wordt in de BIN6-reeks niet benut.)

(Toevoeging 2 op 15/08/2011: bij nader inzicht en overweging zal het nummer 39 herbruikt worden bij een eerstvolgende aanvulling in de DIS-classificatie. Zie ook het nr 33 Papillotten in DIS5)

40) en 41) N.N. Het Nachtfeest van Venus (Pervigilium Veneris). Wereldbibliotheek-Vereeniging Amsterdam, 1946. Uit het Latijn vertaal door Dr Nico Van Suchtelen. Opmerkelijk is dat dit werkje zich tweemaal in deze verzameling bevindt. Erg mooi is ook de uitgebreide verklaring van zovele namen uit de Romeinse Mythologie. Ik kan natuurlijk zoals iedereen wel een paar namen en gebeurtenissen citeren, maar als men details vraagt, is een handig hulpje welkom. De houtsneden die dit werk verluchten zijn heerlijk mooi. Maar ook het gedicht zelf (het gaat om één enkel dichtwerk) is een groot mysterie: in deze versie wordt het werk ingedeeld in tien ongelijke strofen, die elk eindigen met de beginregel van het werk zelf, een ode aan de liefde, en voorbode van de nieuw te komen lente:

Cras amet qui numquam amavit;
quique amavit cras amet.
Morgen mint wie nimmer minde;
wie ooit minde ook morgen mint.
Om het werk te begrijpen is wel enige studie nodig, want het mysterie ligt in de ongewilde betekenis van het werk, daar er sprake is van een goed onderbouwde gissing dat deze verzen zowat de zwanenzang van het Romeinse Heidendom zouden zijn geweest. Ik citeer letterlijk uit de inleiding, zoals die door de vertaler geschreven werd:

Naast enkele eigenaardigheden van taal en metrum zijn het deze (laatste - nv OudHerk) vier regels die het vermoeden wettigen, door Dr C. Brakman Jz. uitgesproken (Pervigilium Veneris, E. J. Brill, Leiden 1928), als zou het gedicht geschreven zijn door een volgeling van de door het opkomende Christendom tot zwijgen gedoemde heidense dichterschool, die in diepe smart de oude eredienst der natuurgoden en daarmede de oude latijnse dichtkunst zag te gronde gaan. En zo zou dan dit lentelied eigenlijk de zwanenzang zijn van het stervende heidendom.

De sleutelverzen van het ganse gedicht worden dus op het einde, in de bedoelde laatste vier regels gezongen:

Zij kan zingen! Ach, wij zwijgen. Wanneer zal 't mijn lente zijn?
Tjilpen wilde ik als de zwaluw, zo 'k slechts niet meer zwijgen moest.
't Zwijgen heeft mijn kunst doen sterven; Phoebus kent mij reeds niet meer.
Zo heeft eens 't gedwongen zwijgen Amyclae ten val gebracht.

De dichter weet dat hij in de toekomst niet meer gekend zal zijn, dat zijn godsdienst én zijn kunst tot zwijgen worden gebracht. Hij blijft dan ook naamloos achter. Zeer interessant werk.

42) Joswin (Pseudoniem van Jos Swinnen): Late vruchten. Uitgave in eigen beheer, gestencileerd werk, gebonden door de Sint-Franciscusdrukkerij te Mechelen. 1972. Vriendelijke poëzie van iemand die zelf zegt dat zijn einige bekommernis was geen karamellenverzen te produceren. Een unicum is dit boekje wel. Ik weet niet of het ook bij andere exemplaren voorkomt, maar de auteur, of de ontvanger van het boekje heeft een "pasfoto" van de auteur onder de titel op de titelbladzijde gekleefd. Ongezien! Opgedragen "Aan Dhr. Senator en Mevrouw Wim Jorissen in blijvende vriendschap. 14/7/1978. Getekend Joswin".

Ik heb in mijn studententijd nog stencils gemaakt, en weet welk een monnikenwerk dit is. Het boekje van 101 bladzijden is in optimale staat.

zondag 16 januari 2011

Dichtbundels in de sneeuw 5 (28 tot 37)

28) Bernard J Sijtsma: Ter wille van wat zachte wangen. De Bezige Bij, Amsterdam, 1972.

29) Juul Kinnaer: Lage rugpijnen.Dilbeekse cahiers, 1996. Een verzameling gedichten uit verschillende bundels.

30) Godelieve Moenssens: Uit mijn witte stad. De Roerdomp, 1973 - tweede en derde druk, mei 1970, juni 1970 en september 1973. Beklijvende poëzie, die de (toenmalige) actualiteit niet schuwde. De Kennedy's, Amerika, rassendiscriminatie, Praag. Interessante inleiding ook door Frans Depeuter. Het is een beetje storend, maar dat heeft met de poëzie niets te maken, dat in het zelfde bundel (derde druk) de sterfdatum van de dichteres één maal in de inleiding op 28, de andere maal in de colofon op 20 december 1968 gelegd wordt. Voor alle duidelijkheid, het is 28 december. (toevoeging op 13/08/2011 : onlangs heb ik ook een tweede druk van deze bundel op de kop getikt. Hij wordt onder DIS8-48 toegevoegd aan de verzameling)

31) Lieve Moenssens: Avondzwijgen gedichten. Litera, 1983. Een bloemlezing uit haar werk. Als totaal verlamde dichteres gaf zij met de ogen de letters aan die genoteerd werden tot een gedicht ontstond. De verlamming ontstond na de geboorte van haar kind, waarna zij acht jaar te bed gelegen heeft, en enkel haar ogen nog kon bewegen. Toch spreekt een grote levensvreugde en wijsheid uit haar werk. Het eerste gedicht in deze bundel is een wens om haar eigen begrafenis in een positieve atmosfeer te laten plaatshebben.

Mijn wens

Laat toch mijn dood niet zwart omkransen
maar wit als het lied van vreugde zelf
wit van vogels, van bloemen, die ik minde,
het wit waarin geluk zich weeft.
Hier past geen zwart
ik was gelukkig
ik heb met heel mijn hart geleefd.
Dan is het goed te mogen rusten
in de aarde die je mint.

32) Gery Heldenberg: Veldbloemen koorgedicht voor B.J.B. Uitgave van den Boerinnenbond Leuven, 1934. Een hymne voor deze vrouwenbond, om hun verknochtheid aan Land en God te bevestigen. Iemand heeft dit werkje gebruikt om ook effectief een koor op te stellen, ingedeeld in groepen, die om beurt de verzen declameren/zingen. Een zeer sober boekje voor één enkel gedicht, in zijn eenvoud een pareltje.

(XX) Fritz Francken: Papillotten (aan- en kanttekeningen van een dagdief). L. Van Uffelen Antwerpen 1963. Dit is in het pakket een uitzondering: geen dichtbundel, maar een verzameling gedachten, citaten en aforismen. Toch maar in de verzameling gehouden, voor de volledigheid. Ondanks het feit dat het niet opengesneden is, slaagde ik erin een stukje gedachten over niemand minder dan Nestor De Tière te vinden. Een anecdote die de figuur van De Tière, zoals hij hier in deze stad, en zeker in de deelgemeente Eine ten voeten uit afgebeeld wordt: als een levensgenietende drinkebroer, voor wie elk excuus goed was om het stamcafé op te zoeken. Een ander figuur uit dezelfde gemeente heeft om dergelijke kwaliteiten zelfs een standbeeld gekregen, al moest hij daartoe soms de voordeur van het huis uit de hengsels halen. Een legende die erg grappig dus ook toepasbaar is op hem, hoewel Prosper De Maeght en deze auteur niet dezelfde persoon zijn. Het standbeeld in kwestie staat namelijk op het Prosperpleintje aan de ... Nestor De Tièrestraat. Dit boekje moet ik beslist opensnijden, want wie weet welke verrassingen ik nog zal vinden.

(Toevoeging op 19 januari 2011) Wel hier alvast nog een verrassing: dbnl, nochtans geen kleine autoriteit op het vlak van het werk van Nederlandstalige (en andere) auteurs, heeft in de literatuurlijst van Fritz Francken de titel "Papillotten" uit 1963 niet op haar website staan.

(Toevoeging 2 op 15 augustus) Bij nader inzicht en overwegingen allerhande, zal dit boekje niet in de DIS-classificatie opgenomen worden, maar onder de literaire varia, waarvoor ik nog een naam moet verzinnen. Het nummer 33 wordt herbruikt bij de eerstvolgende aanvulling in deze reeks. De bespreking in deze blog zal uiteraard gewoon als XX blijven staan. Het boekje stak per slot van rekening -misschien als bonus bedoeld - in deze verzameling bij de aankoop, net zoals dat met de Uren met Vinet het geval was.

34) Fabre Jaak: Even kijken! In eigen beheer uitgegeven, vermoedelijk in 1943. Opgedragen, gedateerd en gehandtekend "5-5-43 Woensdag. De Vriendschap is een schoone zaak. Aan vriend Joris Collen, van harte, getekend Fabre Jaak". Deze opdracht is de enige aanduiding van een jaar van uitgave die ik heb. Wie iets meer weet, mag het me altijd melden. Van Jaak Fabre weet ik ook dat hij in de absurdistische speelfilm "De ordonnans" uit 1962 meespeelde, met ondermeer ook niemand minder dan Nand Buyl. Bobbejaan Schoeppe vertolkt een paar nummers, staande op een cafétafel, onder meer "De jodelende fluiter" en "Café zonder bier", twee van de grootste hits van Bobbejaan.

Zijn poëzie is afwisselend zwaarmoedig en zeer vrolijk, soms olijk en liefdevol, zoals het versje over het voorleesmoment voor de kinderen, en dat door duizenden onder ons maar al te zeer herkenbaar is.

Alle dagen mondjes vragen om een mooi verhaal.
Allen weten en vergeten, door de mooie taal.

Altijd weer, keer op keer al die kindertjes hierrond.
Ze beleven het gegeven, en met open mond!

En het spijt me na een tijdje hen te zeggen: 't is gedaan!
Oogjes blikken, hoofdjes knikken, en nu naar bed gegaan!

35) Frans De Wilde: Het huis op de vlakte. Regenboog, Antwerpen, 31 augustus 1926. Meestal stille, introspectieve poëzie. Het bundel eindigt toch met een vrolijke noot, met een grafschrift:

Hieronder ligt Mijnheer Janssens Jan
Een volksgeliefd en waardig man,
Waarheid en recht heeft hij steeds gediend.
Hij aanbad zijn vrouw en die van zijn boezemvriend.

Haast elk gedicht in dit bundeltje is gedagtekend.

36) Martien de Jong: In de nieuwe wereld. Nijgh en Van Ditmar, 1979.

37) Schoontijd, trimesterieel tijdschrift, nummer één van de tweede jaargang, 1993. Een tijdschrift over en met literatuur en poëzie, op 700 exemplaren gedrukt, en uitgedeeld aan Katholieke Middelbare scholen. Onafhankelijk, gratis en zonder subsidie. Wie weet er vanwaar de middelen kwamen?

In dit nummer staat een voor mij zeer interessant artikel van Marcel Obiak over het schilderij van Bruegel: "Landschap met de val van Icarus". Het hoeft inderdaad niet steeds over poëzie te gaan, soms zit die ook wel verscholen in een werk over een andere kunstvorm, of, zoals in het artikel van Jef Heynderickx, bioloog-priester, de zuivere wetenschap.

zaterdag 15 januari 2011

dichtbundels in de sneeuw 4 (13 tot 27)

Omdat het een eindeloos werk dreigt te worden, en dat nu ook mijn bedoeling niet is, en omdat bovendien -tot mijn allergroooootste spijt - de sneeuw weg is en het land alom met wateroverlast kampt, zodat ik de titel zou moeten weizigen in "dichtbundels in het water" - dat lijkt dus nergens op - ga ik me beperken tot een korte opsomming, met hier en daar een beetje extra duiding.

13) P. Vanosmael: Windharp, uitgegeven bij Colibrant, met colofon die ons leert dat het een genummerde oplage betreft, zonder de totale oplage te vermelden, maar dit is het nummer 200. De eigenaar was geen poëzieliefhebber, want het blok is onafgesneden. Iemand zal weer als eerste de verzen moeten lezen. Uitstekende staat.

14) August Leunis: Nachtelijke trein bestemming Eden, uitgegeven bij Panther Paperback V.Z.W., in juli 1979. Goede staat, wel beschreven met potlood op de achterkant (adressen, telefoonnummers, data en uren).

15) Wiericus' Sjel: Verlakzegeld kleingoed. De Driehoorn vzw te Neerpelt, 1983. Bevat merkwaardige gedichten, die je niet in eenmaal begrijpt.

16) Rooske Brems: Sporadisch. Kofschip-Kring vzw, 1983. Zeer eenvoudige, hartverwarmende poëzie.

17) Carla Pols: Over Eén Stemmen. Ankh-Hermes Deventer, 1983. Dit is new-age poëzie. Naast het dichtwerk zijn de foto's van het houtsnijwerk en het houtsnijwerk zelf ook van haar hand. Het eindigt met het volgende:

Voor dít mijn lieve leven wil ik zeggen: u zij lof
Om eindloos u te danken ben ik - ach - te kort van stof.

18) Edith Oeyen: Neveldragen en morgendauw. Lithera vzw, Beringen, 1983.

19) René van Daele: Visserslatijn. De bladen van de poëzie, 1974-4 gedrukt bij Sanderus Oudenaarde voor rekening van Orion-Desclée De brouwer. Gesigneerd en gedateerd op 23-3-1981. In 1958 gaf RvD, een leraar te St.-Niklaas reeds zijn debuut "Elementen" uit onder pseudoniem Van Rijnsland.

20) René Van Daele: Orientatie. Colibrant, 1970. Onopengesneden! Opgedragen: "Met dank voor het "licht"". Getekend: René.

21) Marcel Anckaert: Een doorbroken onderbrekening. Kofschip-Kring vzw, Zellik, 1983. Dit bundeltje is een in memoriam voor deze dichter, die als medewerker van Gerrit Achterland, zo zegt Raoul Maria De Puydt, voorzitter van de Kofschip-kring, meer gedaan heeft voor de verspreiding van het tijdschrift dan voor de poëzie zelf. Heel terecht staat op het achterplat dus een poëtisch afscheid van Gerrit Achterland.

Het was als bloeden
in witte watten
die je me zacht aanbieden wou

Het was als zingen
in tedere tonen
met een gemartelde vogelbek.

22) Josephine Vonk: Moeder, zeg nou ook eens wat. Querido, 1979.

23) Hugo Rycken: Chrysanten. St.-Norbertusdrukkerij, Tongerlo, juni 1958. Een merkwaardige bundel, die zoals de titel aangeeft, gaat over dood, en het leven na de dood voor hen die achterblijven. Vooral zijn verzen, genaamd "Vrouwke" laten zijn leed zien over het overlijden van wie voor de hand ligt. Daarna volgen nog een paar In Memoria van vrienden, familieleden of kennissen. Citeren uit dit werk vraagt tot publicatie van het geheel. Het is ingetogen poëzie van de allerpersoonlijkste soort. Opgedragen: "Voor Ida, met vriendelijke groet." en getekend.

24) Anton van der Weyden (pseudoniem van de Limburger Jan Weckx). Hekeldichten (Jazzrythmiek). Uitg. Regenboog, Borgerhout. (niet gedateerd, maar van 1931). Poëzie die naar Van Ostaeyen riekt. Haast surrealistisch, maar daardoor ook tijdeloos. Auto's, motoren, beursspeculatie, Chaplin, Vliegen naar Mars ... met die ingrediënten tijdeloos zijn is Van Ostaeyen zijn. Je moet wel in de juiste stemming zijn voor de lektuur ervan. Zullen we even een "Neomalthusianistische fox-trot" dansen?

25) Gerard Schumouga: Op zevenendertig graden. Litera vzw, 1981.

26) P.N. Van Eyck: Gedichten. Maatschappij voor Goede en Goedkoope lectuur, Amsterdam. 1917. Bevat de bundels: Het ronde perk, en Lichtende golven. Dit fraai uitgevoerde boekje met Art Nouveauvignetten versierd bevat een merkwaardige epische lyriek, die zeker het lezen en bestuderen waard is; ik wil echter eerst veel meer over de dichter te weten komen.

27) Jacques Perk: Gedichten, Sijthoff's uitgeversmij, Leiden, 1917. 17de druk, met een slotwoord door Willem Kloos, en facsimile's naar het handschrift der "Mathilde". De uitgebreide inleiding door Willem Kloos van September 1882 is eveneens hernomen, en geeft een onvergelijkbare kijk op het werk en de persoon van Jacques Perk. Eens aangeboden voor 9,50 euro!. Een aanwinst van formaat van mijn poëziehoek.

Verzoek

Niet iedere dichtbundel is voorzien van een afdoende bio- en bibliografie. Sommige dichters blijven na hun eerste bundel achter in de naamloosheid, andere hebben erna nog meer werk uitgegeven, maar zijn door Tante Google niet opgevist als noemenswaardige personen. Ook pseudoniemen vormen vaak een hinderpaal voor eenduidige identificatie en beschrijving. Wie me dus meer gegevens kan bezorgen over de vernoemde dichtbundels onder de titels "Dichtbundels in de sneeuw X", alsmede over de dichters in kwestie (biografie en bibliografie), zal ik dankbaar zijn. Iedere informatie over een dichter, hoe obscuur of bekend hij of zij ook weze, draagt bij tot een beter zicht op de totaliteit van de poëzie. Nationaliteit, taal, oorspronkelijkheid, vertaling, plagiaat ... in dit kader is dat alleen maar een verrijking. Elke bezorger van informatie, die zich op afdoende wijze kenbaar maakt, wordt vereeuwigd in mijn gegevensbank. Naamloze bijdragen worden na verificatie zover als mogelijk opgenomen, indien de bijdrage degelijk en aanvaardbaar blijkt te zijn.