Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




dinsdag 30 augustus 2011

Enige mooie boeken

Soms mag het geluk ook al eens meespelen. Dat is me de laatste weken een paar keer overkomen. Voor een kleine prijs een paar grote boeken binnenhalen, daar kan je hart weer even van kloppen.

Groot in zijn kleinheid is het schriftje dat ik hier naast me heb. In de hoogte net 10 centimeter, terwijl het zes centimeter en zeven millimeter breed is, is dit gelijnde cahiertje met zijn glanzend zwarte hemd van stevig kartonpapier van een vooroorlogse eenvoud. Ik meen me dit soort van "calepins" nog uit mijn prille jeugd te herinneren, maar het handschrift geeft me de indruk eerder uit de periode tussen beide oorlogen te stammen. Een zinsnede uit de tekst geeft richting aan: het kleine boekje is mogelijk een fabricage van een legeraalmoezenier geweest: "O Maria, hulp der Christenen, bidt voor onze kristen soldaten." Christenen en kristen broederlijk naast mekaar. Gezien het formaat was dit zakboekje ideaal om gemakkelijk overal meegedragen te worden.

De inhoud is een litanie van Maria der Zeven Smarten. Op meerdere plaatsen is de verwijzing naar het sterven in afwezigheid van ouders en familie expliciet: "Begraven worden in het vaandel dat gij tot de dood getrouw geweest zijt..." ... het moet uit die omgeving komen. Maar het is moeilijk te zeggen of we nu met een gebedsboekje uit de Eerste- dan wel Tweede Wereldoorlog te maken hebben.

Helaas hebben de muizen het gevonden, en sommige bladen gedeeltelijk vernield.  Ik ga trachten met een vergroting toch nog zo veel mogelijk van de tekst te herstellen. Een opvallend gegeven aan deze tekst is de vermelding, op het einde van deze litanie: "Réproduction interdite". De auteur was niet van plan zijn zalvende woorden door een ander te laten inpikken. Enige bladzijden zijn er ook uitgescheurd, waarschijnlijk om enige nota's te nemen  en door te geven, of om de papiertjes te vernietigen wanneer de genoteerde opdracht op één of andere manier is uitgevoerd. In een ander handschrift, en met een andere pen staat achteraan genoteerd: Oorlogskruisweg 1914-1918. Zonder verdere mogelijkheid om enige uitleg te geven.

Helemaal op het einde staat er in potlood nog een versje genoteerd.

Maintenant une amitié 
Plus tard une pensée
A ma mort une larme
Sur ma tombe une prière.

De neerslag van een trieste, zware opdracht op enige vierkante centimeter samengeperst, en wegens inflatie en muizenissen gewaardeerd op 0,50 euro.

Volksschrijvers krijgen zelden grote erkenning. Zij schrijven geen hoogdravende romans, waarvan de boodschap een rechtstreekse impakt hebben op het verdere verloop van de maatschappij. Maar ze hebben toch wel hun publiek. Lode Zielens is zo één van die auteurs, die misschien niet tussen de plooien van de literaire geschiedenis gevallen zijn, maar geef toe, ken je iemand die twee titels van deze auteur kan opnoemen, zonder daarbij fronsend te moeten toegeven dat hij eigenlijk niet weet wie de brave man dan wel was? En dan komt het: triomfantelijk, in plaats van zuchtend, zoals de titel het vereist: "Moeder, waarom leven wij?" Was dit verhaal niet verfilmd en op TV vertoond, het zou heel wat minder geweest zijn. Els Dottermans, weet je nog wel?

In 2001 verscheen bij Lannoo, van de hand van Ludo Stynen, de biografie Lode Zielens, volksschrijver.

Als de man dan niet in de eerste plaat gekend zou zijn omwille van zijn werk, moeten we zijn dood dan maar eens aanhalen. Schrijvers zijn ook maar mensen, en niet iedereen sterft in zijn bed. Sommigen zijn in oorlogsomstandigheden om het leven gekomen. Als we Anne Frank een auteur mogen noemen, krijgen we één van de ikonen van het verschijnsel "auteur-oorlogsslachtoffer" voor ons. Gedeporteerd na een tijdlang ondergedoken geleefd te hebben op de zolderkamers van een achterbouw werd zij en een deel van haar familie verraden en opgepakt. Zij werd ziek en als uitgehongerd jong kind haalde ze het niet. Een minder gekend Vlaams oorlogsslachtoffer-auteur was Kamiel Van Baelen, van wie ik de verzamelde werken hier liggen heb. Pittig detail (voor mij altans) is dat de inleiding tot de biografie geschreven is te ... Sint-Lambrechts-Herk, in 1980, zijnde mijn geboortedorp. Kamiel overleed in Dachau, in april 1945, enige dagen voor het einde van de oorlog, uitgeput, verhongerd, verwaarloosd. Maar Lode Zielens is ook in oorlogsomstandigheden gestorven. In zijn eigen stad, maar dat neemt van de tragiek van zijn overlijden niets weg. Hij stond domweg op de tram te wachten, op 28 november 1944, toen het grootste gedeelte van het land reeds bevrijd was, maar Antwerpen heeft nog tot 8 mei '45 geleden onder de vliegende bommen. Om en bij de 3700 V1- en V2-bommen vielen op de haven en de Stad. Eén ervan is vlak bij hem neergestort. Fernand Toussaint Van Boelare heeft dit trouwens ook in zijn dagboek genoteerd. Hij werd op het ereperk van het Schoonselhof begraven. Een foto van het opgebaarde lichaam toont de wonden in het aangezicht van de overledene, als gevolg van de rondvliegende scherven en brokstukken. Maar hij verloor bij de ontploffing ook een arm en een been.

De biografie van ludo Stynen is een behoorlijke brok literatuur, maar eens te meer een document waarin de verbanden tussen een aantal persoonlijkheden gelegd worden. Het mag over een "volksschrijver" gaan. Hij was geen Guido Gezelle, maar zijn relaties met verschillende groten uit de literaire wereld tonen aan dat hij niet groot moest zijn, om toch zijn plaats in te nemen. Als journalist had hij natuurlijk overal zijn connecties, tot in de politiek toe. De combinatie van die twee ingangen maakte dat hij inzichten had die verder strekten dan die van de doorsneeburger. En als hij op het niveau van zijn werk altijd de "volksschrijver" geweest is, dan verdient hij alleszins toch deze biografie, die ik, zodra ik er aan toe ben, aan mijn trage leesmethode ga onderwerpen.

Een referentie naar mijn studieverleden ligt nu naast me. Een "Flora van de Vlaamse Ardennen", gloednieuw, stralend in zijn degelijke schoonheid. Deze regionale plantenatlas van de Schelde-Leiestreek werd opgesteld onder auspiciën van het Regionale Landschap Vlaamse Ardennen, en werd uitgegeven bij Lannoo in 2005, op basis van studies en waarnemingen door elke plantenliefhebber die zijn waarnemingen wilde doorgeven in een periode van 1972 tot 2002. Aldus werd via een kaartensysteem exakt aangegeven welke plant op welke plaats in het wild voorkwam. Van sommige planten heb ik kaartjes gezien met één enkele vindplaats! Zeer mooie detailfoto's, duidelijke kaartjes, het is een voorbeeld van wetenschappelijke duidelijkheid. Ik ben er superblij mee!

Vervolgens heb ik hier van het Mercatorfonds, P.P. Rubens van Frans Baudouin. In zijn casette, met een perfecte stofwikkel... Ik heb er zonder aarzelen mijn hand op gelegd, en de 18 euro die gevraagd werd met plezier op de toonbank gelegd. Nu kun je zeggen, over Rubens is dit toch niet het eerste, noch het laatste werk. Nee, maar wel uitgegeven op een wijze die perfect harmonisch is met de barokke kunst van deze artiest.

De kwaliteit van de uitgaven van het Mercatorfonds is alomgekend. De andere exemplaren van dit fonds, die ook in mijn bezit zijn, kunnen aan dit exemplaar niet tippen. Een heerlijke vondst, om fier op te zijn.

Toen ik vandaag in de winkel rondneusde, wist ik niet naar wat ik op zoek was. Maar ik ben met twee schitterende boeken naar huis gekomen. Bij het eerste boek kwam ik niet onmiddellijk op het idee dat dit een aanwinst voor mijn bibliotheek in creatie kon zijn. Als een school namelijk één of ander lustrum of wapenfeit te herdenken heeft, maakt zij een boek gevuld met gegevens die interessant kunnen zijn voor de populatie van die school. Het lerarenkorps, de studenten of beter, in dit geval, de leerlingen, want een Atheneum geeft middelbaar onderwijs, en herbergt leerlingen. Studenten werken reeds een trapje hoger, hetgeen hen echter niet beter maakt hoor. Maar zuiver bekeken op het uiterlijk van het boek, waren alle argumenten daar om de prijs niet erg te vinden. Het boek is zuiver bewaard, de stofwikkel heeft geen scheuren, het boek zelf is nauwelijks open geweest, er is in gekeken, maar dat heeft zo goed als geen sporen nagelaten.

Hoe zit het echter inhoudelijk? Als ik hierboven dan liet uitschijnen dat dit soort van boeken hoge troeven nodig heeft om betekenisvol voor mij en mijn bibliotheek te zijn, moet ik nu kleur bekennen. Mijn beslissing om het boek mee te nemen kwam omdat ik deze keer meer dan een minuutje nodig had om het fiat uit te spreken.

Vooreerst viel me de naam op. Liber Magistrorum. Ik mag wel een boek waarvan de titel begint met Liber. Maar meestal smelt ik pas op basis van de titel als er het woord Amicorum achter staat. Dit staat garant voor loftuitingen die, wanneer ze goed verpakt worden, hoogstinteressant kunnen worden. Interessant omdat er belangwekkende gegevens betreffende belangwekkende personen en gebeurtenissen te vinden zijn. Als het Kleinseminarie van Roeselare een Liber Magistrorum zou uitgeven, kunnen de samenstellers dat boek volproppen met namen die anderhalve eeuw na hun optreden Vlaanderen nog steeds doet trillen. Wat als het Koninklijk Atheneum te Gent een dergelijk boek uitgeeft? En er voluit de titel "Liber Magistrorum - van Ecole Centrale du Département de l'Escaut tot Koninklijk Atheneum te Gent 1797 - 1997 boven zet?

Een Liber Magistrorum is een boek dat het Magistraat van de school, dus het lerarenkorps in de verf zet. Dat is hier ook het geval. Ik sloeg het boek dan open op een willekeurige bladzijde, en kwam pardoes terecht op de naam "Frank Baur". Op bladzijde 147 en volgende dwaalden mijn ogen even af naar een foto van Gouverneur Balthazar in het hoge gezelschap van de Koning en de Koningin, maar ze sprongen onmiddellijk terug naar het onderwerp. En zeer tegen mijn gewoonte heb ik het volledige artikel over de grote Gezellekenner volledig gelezen, rechtstaande at ik het ongedesemde brood, en ik wist meteen dat ik de lange tocht zou aanvatten: hier had ik de beschrijving van een deel van iemands leven voor wie ik een grote bewondering heb voor mijn neus, en waarvan ik hoegenaamd niets wist.

Maar vooral de levendige beschrijving van één van de fratsen van de olijke wetenschapper heeft me groot plezier gedaan. In 1971 namelijk werden de opgravingen gedaan van de Boudelo-abdij, in het Waasland. In deze abdij moet "Het priorkijn Gulielmus" geleefd en gewerkt hebben. Dat priorke is niemand minder dan Willem, die Madoc maecte. Altans volgens de historicus Wenseleers. Maar dat is een ander hoofdstuk.

Frank Baur werd gevraagd aanwezig te zijn tijdens een hoogstaand bezoek aan de werken. Dat bezoek zou plaats hebben op uitgerekend één april 1971. En Frank Baur had meteen zijn plan klaar: hij nam één van de stenen die ergens achter gebleven waren op het werkterrein, sloeg aan het werk, en grifte er de volgende tekst in: Wilhem de Baudelo, die reynarde maecte", en als historicus deed hij dat perfect in dezelfde letter als die gebruikt in het Comburgse handschrift, zijnde een van de oudst gekende versies van het Reynaert-verhaal. Ook op de achterzijde van de steen grifte hij nog één en ander.

De gasten kwamen toe, er werd wat geneusd rond een pas aangesneden graf, dat millimeter na millimeter uitgegraven werd, en de steen, die door Frank Baur met het zand van het graf ingesmeerd en dus oppervlakkig verouderd was, werd gevonden. Maurice Nonneman, de leider van de opgravingen en instigator van het bezoek was in alle staten: een steen met inscriptie terwijl er net gasten waren! En hij herkende ook meteen het lettertype. Een hartaanval nabij las hij de tekst... Stilte alom, daarna gefluister, nieuwsgierige handen boden de steen aan aan nieuwsgierige ogen, en natuurlijk kwam Professor Leopold Peeters, notoir Amsterdams wetenschapper, op het idee de steen om te keren. Daar las hij de rest van de tekst: "Fecit 1 aprilos 1975".

Maurice Nonneman voelde een tweede aanval van hartzwakte opkomen,  Frank Baur brulde van het lachen, en de meeste hoge gasten plooiden in twee van de pret. Wetende dat Nonneman de opgravingen begonnen was met de heimelijke hoop op een bewijs van het auteurschap van Wilhem en dat de schrijfarbeid in deze abdij zou gebeurd zijn, was dit een meer dan geslaagde één april-grap, die enige uren later nog eens voor de camera van de BRT overgedaan werd.

Naast Frank Baur worden er nog vele leraars van het Atheneum opgevoerd, en de biografie en bibliografie van sommigen is meer dan interessant te noemen. Om er maar één te noemen: René De Clercq, de auteur-dichter uit Deerlijk, die ik in een van de vorige bijdragen opgevoerd heb met zijn dichtbundel "Toortsen". Er zijn er nog die mijn aandacht vragen!

Het boek, dat hoef ik niet uit te leggen, overstijgt het lokale karakter van een huldeboek van een doorsnee Vlaamse school. Dit opzet is het eerste in zijn soort, dat in mijn handen valt, en ik ben best tevreden met het opzet. Vijf euro die welbesteed zijn!

Ook vandaag gekocht: van Clemens V. Trefois: "Het Boerendak". Ook geen kleinigheid. Het gaat wel over de heruitgaven van de oorspronkelijke werken van de bekende volkskundige, die werk gemaakt heeft dat gerust naast dan van dr. Jozef Weyns mag gelegd worden. Tijdens mijn eerste bezoek aan het Museum te Wortegem heeft de conservator Willy mijn aandacht op dit werk getrokken, en ik heb zorgvuldig de naam van de volkskundige onthouden. Toen ik vandaag het boek zag liggen, aarzelde ik geen ogenblik: twee en een halve euro voor een mooie aanvulling op de vier lijvige "huisraad"-boeken van Jozef Weyns? ja toch?

De foto's van Trefois zijn nog steeds afgedrukt op basis van de originele negatieven die hij in de periode 1925-1950 gemaakt heeft, en zijn van een ongewone scherpte. Als zwart-wit-getuigenissen zijn ze van een opvallende documentaire waarde. Veel van de vervallen gebouwen, die hij fotografisch vastgelegd heeft, zijn ondertussen gesloopt, of verder afgetakeld. We leven natuurlijk niet in een museum, maar een beetje meer respect voor ons erfgoed zou toch mogen, dacht ik.

Mijn augustusmaand is op het vlak van belangwekkende aanwinsten geslaagd.

zondag 21 augustus 2011

Felix Timmermans, lier, Elke Onzea en Woodstock

Literatuur en kunst gaan hand in hand, want zij zijn meer dan broer en zus. Zij zijn mekaar. Toen ik voor het eerst kennis maakte met de Madonna, die op haar arm een eigenlijk mismaakt Jezuskind droeg, te groot en te mager, was dat jaren geleden, en voor mij een gips zoals er de vorige eeuw met honderden per dag geproduceerd werden om de katholieke huiskamer de uitstraling van geloof en betrouwbaarheid te geven. Haar naam ben ik vergeten, ik weet niet meer welke Madonna zij echt is, maar er werd over haar geschreven in toch enigzins misprijzende bewoordingen.

Het beeld is inderdaad een gipsen afgietsel van een bestaand houden kunstwerk, en de gipsfabrikanten hebben daarmee hun zwakke fantasie niet op het kind botgevierd.

Toen de kunstenares Elke Onzea het in handen kreeg, waren er vingers en hoofden afgebroken, het beeldje was klaar voor het containerpark. Maar zo zijn kunstenaars niet. Met alle voorstellingsvermogen, eigen aan hun soort van ambachtslui, heeft ze het juiste hoofd op het juiste lichaan teruggeplaatst, de juiste vinger aan de juiste hand gekleefd, en daarna werden alle kunstduivels gelost: de kleurpotten en penselen werden bovengehaald, en het resultaat is een Multi-culti Maria geworden.

Ze is een hippie-meisje met een zwart kindje, met een goedkoop kroontje op het hoofd, en een Indisch huwelijksteken op het voorhoofd. Haar kleding kon niet méér jaren zestig zijn: flodderige langgedrapeerde doeken, in helle, mooie kleuren, en op haar rechterhand staan henna-tatoeages. Haar buik (maar dat is ook in het originele hout het geval) is behoorlijk dik, hetgeen twee dingen kan betekenen: ofwel hebben de echte modellen ook echt een kind op de wereld gezet, onlangs, en was hun buik nog niet ten volle weggewerkt, ofwel was het model weer zwanger.

Het geheel is echt een multi-culti geval, dat enige afstand genomen heeft van de originele iconografie. Een kapot beeld dat reeds een replica is van een oeroud geval, mag eens bewerkt, zeg maar opgefrist worden. Elke Onzea heeft dat fantatisch naar haar hand gezet, en het resultaat is bij mij terecht gekomen, via de Antwerpse kunstgroep "Am I Yours?".

Het beeld zelf ben ik in Lier gaan ophalen, en ik heb er volkomen mijn eigen ding mee gedaan. Vanaf het eerste ogenblik dat ik haar zag, voelde ik de jaren zestig terug komen. Dat was hippiecultuur van het beste soort, en ik was verkocht. Ik wilde het hebben, en heb daartoe een uitstap van een goede honderd kilometer voor gemaakt. Lier ligt niet bepaald bij de deur. Het geluk was bij mij, en ik werd op de voor "Am I yours?" gebruikelijke rituelen en voorwaarden de nieuwe eigenaar van het beeldje.

Lier, dat wil zeggen: Nete. Zimmer. Opsomer. En boven al: Timmermans.
Daar de plaats van afspraak aan de begijnhofkerk lag, en het fraaie standbeeldje van Juffrouw Symphorosa naar mij gluurde, nota bene vlak tegenover het Marinusstraatje, heb ik even gezocht naar passende woorden, uitgesproken door Felix hemzelf, woorden die zijn kunstenaarshart lucht gaven, maar die ook het kleurrijke van dit gerestaureerde beeldje zijn plaats gaven. En welk een mooi gedicht heb ik in de dichtbundel "Adagio" van Felix gevonden? Lees het maar.

Met rood en blauw op gouden grond

Met rood en blauw op gouden grond
maal ik mijn englen en Madonen,
en wat men van ons Heer verkondt;
'k Meng er nog wat groen en purper bij
voor 't loof en Gods doorboorde zij.
Een droon van vleuglengeur, en kronen
op fijne vingren, ranke tronen...
'k Laat d'aarde over aan haar lot,
ik droom uiteen in mijn ikonen,
dan word ik geest, ik groei in God,
de Hemel druipt over zijn randen!
Maar d'uren gaan, de dag snelt heen
en neemt de borstels uit mijn handen,
en heel mijn weelde spat uiteen.
Ik sta weer moederziel alleen,
een arme mens in zak en asse,
die angstig op zijn ziel moet passen,
zo wordt zij door de stof verdwaasd.
Hoe kan een mens zo in elkander steken?
Ik ben de stenen pijp, die ieder uur kan breken
en elke dag voor U een nieuwe zeepbel blaast.

Het gedicht geeft niet helemaal de opgewekte atmosfeer van die vrolijke dag te Lier weer, maar het is wel Timmermans, het is wel de schilder die praat, die zijn kleuren laat leven. En daar hij naast een vrolijke Hans ook een soms zwaarwichtig denker was, eindigt het gedicht in een vragende, zich bevragende reeks van verzen.

Ik heb ook gedaan wat Elke Onzea deed: iets bestaand een nieuwe identiteit geven. De kunstenaar maakt iets, en de uitleg die de kunstliefhebber er aan geeft, is totaal eigen aan de liefhebber. Dus is Multi-culti Maria voor mij: de Madonna van Woodstock geworden. De jaren 1968-1969 zijn voor mij de kleurrijkste van mijn hele leven, en dit beeldje houdt het midden tussen houtsnijkunst, schilderkunst, poëzie en literatuur, jongerencultuur anno 1968 - 1969 en dus: Woodstock.

Twee dagen na haar intrede in mijn huis heb ik haar een rondleiding gegeven in mijn tuin. Dat is een mooie fotoreportage geworden.

maandag 15 augustus 2011

Dichtbundels in de Sneeuw 10 (33, 39, 54 en 55)

Zo, de dichtbundels van de voorgaande reeks zijn meteen ook gedigitaliseerd, dat wil zeggen geïnventariseerd in mijn Blumengarten-Bibliothek. Met de vanaf nu officiële DIS-inventarisatie. De nummers 33 en 39 heb ik uit de reeksen gehaald, ze zullen herbruikt worden in deze 10de reeks. Door de haast, en door onvoldoende aandacht heb ik deze boeken, die in het pakket van de aankoop vervat zaten, gewoon als poëzie geklasseerd, en dat past natuurlijk niet. Daarmee staan er nu 723 titels in die lijst. Inderdaad, nog een paar duizenden te gaan...

33)Anton van Duinkerken. Hedendaagsche Kerstlyriek van Katholieke Dichters. Soms aandoenlijke, soms gewoonweg grote lyriek. Er komen tussen de dichters grote namen voor, en ook een aantal die ik niet eens kan plaatsen als grotere dichters.

Namen die voor mij onaantastbaar zijn: Jan Engelman, Anton van Duinkerken, Marie Koenen, Pierre Kemp, Hilarion Thans, Bertus Aafjes. Maar wie zijn bijvoorbeeld Maria Viola, Bernard Verhoeven, Luc van Hoek en andere? Ik ga maar weer eens op zoek.

Twee opeenvolgende gedichten hebben als titel : "Kerstvrede (1914). Ik lees ze nogmaals. Koude rillingen zijn mijn deel.

39) H.H. De Jong. Bundel Poëzie, verzameld voor de christelijke school. Een boekje dat behoord heeft aan de Chr. School voor M.U.L.O. te Bloemendaal, en uitgegeven door H.J. Spruyts - Amsterdam in 1929. Dit is een bundel gedichten van alle aard, wel alle met de nodige adelbrieven om in een dergelijke bundel opgenomen te worden, maar thematisch is het minder beperkt dat het voorgaande bundel nr 33.

Dat geeft natuurlijk aan de samensteller grotere vrijheid, en Guido Gezelle laat er zijn fliefflodderke los, René De Clercq zijn moederken, maar ook een paar dichters hebben in het Afrikaans mooie verzen aangebracht. Rozalie Loveling, Marie Boddaert, G.W. Lovendaal, Alice Nahon, M. Nijhoff, Totius, en Prosper Van langendonck prijken er naast een heleboel andere dichters, die net zoals hierboven nog een boel opzoekingswerk van mij vereisen. Dat een groter deel van de geciteerde namen Vlaams zijn hoeft niet te verwonderen, want alleen al met de Vlaamse dichters zou ik een leven kunnen vullen, maar de Nederlandse krijgen ook mijn aandacht hoor.

Helaas. Iemand heeft zich een hele piet gewaand, door de spelling (samengesteld in 1929) meedogenloos te amenderen. Eén gedicht in het Afrikaans is zelfs kort en goed met een kruis geschrapt. Doodzonde. Het boekje heeft nochtans de tand des tijds prachtig doorstaan, dat maakt de doodzonde dubbel zo zwaar.

54) N.N., Gedichtenkrans voor een "Gezellige Thuis", door een Antwerpse Capucienes.

Deze zuster heeft thematisch zowat elke gebeurtenis is het familiale leven aangegrepen om in dichtvorm gebeden en vrome gedachten aan te bieden aan wie ze lezen wil. Ze zijn dus ook van wisselende kwaliteit, maar de intentie is groter dan de dichtkunst, en het geheel stoort niet om toch, met soms een glimlach, soms een goedkeurende knik, deze pretentieloze poëzie een juiste plaats te geven. Het is vooral een tijdsbeeld, maar het voelt goed aan.

55) J. Jacques Thomson. Religieuse Poëzie. Nederlandse dichters. Een degelijke uitgave van J. Ploegsma te Zeist, uit 1920. Net zoals de drie voorgaande bundels, ook hier religieuze poëzie, maar dan gekozen uit niet de minste der Nederlandstalige dichters door de eeuwen heen. Men heeft gekozen voor het concept van de geleide lektuur. De heer Thomson geeft een inleiding waarbij een bepaald idee ontwikkeld wordt, en speelt het spel: eerst geeft hij het idee mee, en laat dan de dichtwerken dat idee bevestigen, vervolgens legt hij het gedciht in extenso nog eens uit in het kader van het daarvoor ontwikkelde idee. Dat sluit dan perfect aan op een volgend gedicht, waaruit weer enige mooie gedachten worden gepuurd, enzoverder.

Van Middelnederlandse liederen, over Spieghel, Huygens en Bredero, loopt men langsheen een tal van andere dichters naar Vondel, Jan Luiken (jawel), Poot, Bilderdijk, Da Costa, Beets, Gezelle, Verwij, en zo verder. Telkens met de nodige uitleg, telkens met de nodige duiding. Voor wie niet echt gelovig meer is, moet deze vroeg twintigste eeuwse goede lectuur voor de zondagnamiddag, aangeboden aan ongetrouwde joffrouwen, vrome grootmoeders en kwezels van het laatste uur lichtjes onverteerbaar lijken, maar het weerhoudt me er niet van toch aan het lezen slaan, want wie bijvoorbeeld Gezelle wil verstaan, mag niet versmaden de duiding en plaatsing van enige toppers, zoals "Ik ben een blomme" en zeker "Gij badt op eenen berg alleen" toch maar eens aan te vatten. Een mens kan er alleen maar beter van worden. Op eenen zonnige zomermiddag, als de zonne schijnt, en 't nachtegaaltje slaap'rig nog, zijn avondstond verwacht, weliswaar...

zondag 14 augustus 2011

Dichtbundels in de Sneeuw 9 (49 tot 53)

49) Trudo Hoewaer. Littekens en sporen. Een dubbel van het bundel dat ik reeds in DIS1 opgenomen heb. Dit is het nummer 282 van 350, het voorgaande was het nummer 6. Aangekocht op 06/10/2010, maar ik weet niet meer waar.

50) Trudo Hoewaer. Bezinning 1963. Een boekje dat ook uit de Stedelijke Bibliotheek van Hasselt komt. Bevat het In memoriam Prosper van Langendonck, en het In Memoriam Louis Sourie, waarnaar ik in een vroegere bijdrage reeds verwezen heb.

(in deze farde met dichtwerk van Trudo Hoewaer bewaar ik ook zijn roman Antoine De Loze, Architect, uitgegeven in de Oostlandreeks, van de Vereniging van Limburgse Schrijvers en Heideland te Hasselt)
51) Ward Hermans. Gekluisterde Verzen. De auteur Hermans heeft zijn vlaamsgezindheid opgedaan toen hij als vrijwilliger in de eerste wereldoorlog de wantoestanden aanzag, waaronder de vlaamse soldaten onrecht aangedaan werden.  Zijn uitspraak: "hier verstaan de paarden beter Nederlands dan de officieren" is gekend gebleven. Als vlaamsgezind activist publiceerde hij zowel poëtisch werk als andere polemische artikels in kranten en tijdschriften. Hij werd zelfs volksvertegenwoordiger voor het VNV. Na de tweede Wereldoorlog werd hij ter dood veroordeeld, zijn straf werd echter in levenslang omgezet. Camille Huysmans heeft ten goede gesproken voor hem, en in 1955 kwam hij vervroegd vrij. De poëet en publicist bleef echter zijn extreme vlaamsgezindheid trouw tot zijn dood in 1992.
Het bundel gekluisterde verzen is niet gedateerd, maar wordt door de website "Schrijversgewijs" gedateerd in 1960. Het is een privé-uitgave van Ward Hermans zelf, en de colophon vermeldt: Buiten de gewone oplage werden 300 luxe-exemplaren getrokken op handgeschept Ingrespapier, genummerd van  1 tot 300. Dit is nr 115. Getekend Ward Hermans, 1960-1961.
Zonder hiermee positie in te nemen, wil ik toch laten horen hoe schrijnend sommige toestanden tijdens de repressie geweest zijn.
Es gibt Musik unt Tote!
Es gibt Musik unt Tote!
Ein Coctail Pietät!
 Die Qual werd musikalisch!
Der Scherz: Humanität!
Er gibt Musik - und Tote!
Die Welt sich Hölle nennt!
Der Teufel hat's gewonnen!
Er spielt nun Dirigent!
Als duiding voor dit gedicht geeft de auteur zelf aan:
Een katholiek, frans dagblad van Brussel vroeg... muziek ten gerieve van gevangenisbewakers, die moesten waken bij kandidaten (sic) voor het exekutiepeleton...
Op 10.05.1948 was er muziek ! Radio-muziek, die het gehuil trachtte te overstemmen van een terdoodveroordeelde in de gevangenis te Sint-Gillis...
52) Jan Eekhout. De zanger van den nacht. Jan Eekhout was net als Ward Hermans een dichter die in de collaboratieatmosfeer gewerkt heeft. Zij het dan dat Eekhout veel minder doorgedreven actief geweest is, en omwille van zijn werk en daden slechts twee jaar gevangenisstraf heeft moeten uitzitten. Geboren in Sluis in 1900 en overleden te Amsterdan in 1978,  richt hij zich tijdens de oorlog als Nederlander, Zeeuwsvlaming vooral tot een Vlaams publiek. Het bundel De zanger van den nacht wordt bij de Nationaalsocialistische uitgeverij "De Schouw" te 's Gravenhage uitgegeven. Elk gedicht geeft een ondertoon weer, waar duitsgezindheid  toch uit afleesbaar is.
Met zijn werk "Vlucht naar de Vijand" doorbreekt hij de stilte in 1954, en zoekt rehabilitatie.
53) René de Clercq. Toortsen. Een boekje dat doortrokken is met roestvlekjes, wegens de zeer slechte kwaliteit van het papier. Uitgegeven bij S. L. van Looy te Amsterdam, is de opmaakt nochtans prachtig, met de mooie illustraties van J.B. Heukelom, in zwart en rood, en bij de aanvang van elke sectie van dit boek een titelvignet, gevolgd door een alegorische gravure.
Inhoudelijk is de Clercq volop in zijn socialistische fase, en de rode kleur van de illustraties, alsmede de rode kapitalen refereren hieraan. Het is niet de grootste dichtkunst, maar ik kan me voorstellen dat in de atmosfeer van een propaganda-avond het bloed warmer - en roder - stroomde, wanneer men het volgende voorgedragen hoorde:
't Is schoon te staan met broeders in 't veld,
Naast kampers een kamper, naast helden een held,
Al samen, schouder aan schouder geschoord,
Moedsiddrend te wachten op 't sein van het woord,
En dan, als het dondert, krachtig, luid,
Den rhytmus te gaan van dat kort: vooruit!
De Clercq werd na de eerste Wereldoorlog wegens zijn activisme ter dood veroordeeld, en vluchtte naar Nederland. Geboren in 1877, overleed hij in 1932. Veel van zijn gedichten zijn op muziek gezet, waaronder het beroemde Tineke van Heule, en Moederke alleen. Zelf was hij ook een gesmaakt (romantisch) componist, die ondermeer 7 cycli van liederen en "Liederen voor Vlaanderen en Nederland" uitbracht.
Buiten deze verzameling heb ik hier ook van René de Clercq het boek "Een wijnavond bij dr Aldegraaf uit 1927 liggen, en aangehaald in deze blog.

zaterdag 13 augustus 2011

Dichtbundels in de sneeuw 8 (46 tot 48)

46) Gerard Michiels is zo één van die dichters waar ik niet gemakkelijk werk van gevonden heb. Eindelijk heb ik zijn Gebed om Licht te pakken gekregen. Het is christelijk geïnspireerde poëzie van een zoekende. Ook bij Tante Google moet je ver zoeken vooraleer je recht hebt op een beetje beschrijving. Maar dit gebed om licht is een werk dat in december 1954 gepubliceerd werd bij Die Poorte te Antwerpen, in een beperkte oplage van 220 exemplaren, waarvan dit het 75ste is. Het boekje zelf is goed geconserveerd: de eigenaar heeft alleen die bladen opengesneden, die de inhoud weergeven. De gedichten zelf? Nee, niet gelezen. Ik heb ze zelf dus ook niet gelezen. Het is nochtans doenbaar om de bladen open te houden, maar ik denk dat ik hier toch maar ga doen wat een eerbare lezer moet doen: het boekje opensnijden, op de ambachtelijke manier, zoals vroeger beschreven.

Via boekenverkoper kom ik dan uiteindelijk toch wat te weten: zij hebben een lijst van door verkopers aangeboden boeken van Michiels. Maar voor een echte biografie en bibliografie moet ik de digitale en de Koninklijke Bibliotheek waarschijnlijk ontleden. Dat komt wel.

47) L. Reypens, s.j. : Liederen van Moeder. Dit is een dichtbundel met elegieën, in vierde druk van 1933, na een eerste druk in 1922, uitgegeven door den "Bode van het H. Hart" Alken. Inhoudelijk nog niet onderzocht. Het boekje zelf heeft een ruime infectie van roestvlekken, en helaas heeft de bezitster één enkel gedicht voorzien van uitgebreide potloodnotities. Er zijn twee interessante insluitingen in het boek; als bladwijzer vind ik een vlekkeloos en niet ingevuld blaadje, van de Aangenomen Meisjesschool van Neeroeteren (vanwaar mijn veronderstelling dat de notities van een studente of een lerares zijn), voor de Prijsuitdeeling, met plaats om het Leerjaar, de prijs, behaald door, te Neeroeteren, den XX-8-19XX in te vullen. Een tweede bladwijzer bestaat uit een vloeiblad, dat rijkelijk gebruikt geweest is. Met een spiegel zou ik zelfs een paar woorden kunnen lezen. Dat wordt morgen allemaal onderzocht.

Zoals gebruikelijk voelde de "Bode van het Heilig Hart" te Alken niet veel voor uiterlijke vormgeving: het boekje is zeer sober, en dat misstaat in dit geval, wegens de aard van de voorgestelde lyriek, helemaal niet. De licentia Superirum Ordinia en het Nihil Obstat werd op 20 Maii 1933 gegeven door G. Simenon, Vicaris Generaal. Zijn naam heb ik nog onder andere boeken gezien. Zulk een naam vergeet je niet.

48) Godelieve Moenssens. Uit mijn witte stad, tweede druk. Zie DIS5-30.

Het lag in mijn bedoeling vandaag nog een aantal bundels toe te voegen, maar dagelijkse beslommeringen, zelfs tijdens een regenachtige vakantieperiode, bezoek, toch nog een beetje lusteloosheid en alleshande besognes hebben mij daar van af gehouden. Toch heb ik vandaag reeds de nummering van het grootste gedeelte van deze boeken aangebracht, zodat ze nu hun definitieve plaatsen kunnen innemen in mijn digitaal systeem. Dat houdt ook in dat ik die tabel vanaf morgen eveneens moet terug aanvullen, maar met een extra kolom, die de index van de Blumengarten Bibliothek als onderwerp heeft. Dus dat wordt nog een extra karweitje voor deze winterse dagen. Maar de eerste 48 exemplaren zijn bij deze officieel geboren. Er liggen er nog een paar duizenden te wachten... 

vrijdag 12 augustus 2011

Dichtbundels in de sneeuw 7 (43 tot 45)

Dit is een protestactie. Tegen de weermannen en -vrouwen. Zij moeten maar zorgen dat we ijsjes kunnen eten, in onze blote bast aan de rand van een feestelijk zwembad, ver genoeg van het water weliswaar om onze boeken droog te houden. In de zomer wil ik ijs, geen sneeuw, is dat niet duidelijk?

Daar deze mensen kampioenen zijn in het zoeken van uitvluchten, hebben ze steeds een uitleg voorhanden om deze zomerse herfsttijd aan ons op te dringen, en Het Herfsttij der Middeleeuwen is te winters om zomers te zijn. Brueghel heeft ons nog schilderijen nagelaten met zijn visie op de Kleine IJstijd uit de 16de-17de eeuw, wij eisen zomer.

De winter van 1586-1587 indachtig (hij duurde van december tot september!) heb ik besloten mijn dichtbundels uit de reeks "Dichtbundels in de Sneeuw" vanonder het stof te halen, en daar ik in de loop van de maanden nog een stapel bijkomende werken heb aangekocht, is deze reeks hier en daar zelfs nog interessanter geworden. door geschuif wegens verhuis van de ene kast naar de andere, en het toevoegen van werk uit vorige en volgende aankopen, weet ik van een aantal werken niet meer of ze tot de oorspronkelijke aankoop van de DIS - reeks behoren. Meestal dateer ik mijn aankopen onmiddellijk, maar dat gebeurt niet dwangmatig, tot mijn spijt trouwens. Maar uit deze centralisatie volgt automatisch dat het gedeelte Poëzie in mijn Blumengarten - Bibliothek een aparte afdeling gaat worden, onder de vaste acroniembenaming DIS. En alzo heb ik nu reeds 42 werken voor de eeuwigheid vastgelegd onder de DIS-code.

Hier nog een aanvulling.

43) Pieter Geert Buckinx. Het is geen verrassing meer als ik zeg dat mijn onvoorwaardelijke bewondering uitgaat naar deze limburgse dichter. Zijn werk: De Moderne Vlaamse Poëzie, is verschenen als een verhandeling van de Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding, die om de twee maanden werd uitgegeven, hier als nr. 1 van Jaargang L, Verhandeling 444 in 1956 bij N.V. Standaard-Boekhandel. In zeer klare taal weet Buckinx de evolutie van de vlaamse poëzie te schetsen, en dat hoeft niet te verbazen, want jarenlang stond hij zelf in het middelpunt van die beweging(en). Het is heerlijke lectuur, en bijna huiveringwekkend als hij in deze verhandeling letterlijk het volgende schrijft, op bladzijde 17:

Het eerste nummer van De Tijdstroom verscheen in oktober 1930 onder redactie van P. G. Buckinx, A. Demets, F.van Bogaert, R. Verbeeck, J. Vercammen en L. Lagasse. Dit tijdschrift bedoelde het orgaan te worden van een generatie die, wars van de experimenten der laatste jaren, arbeiden wou aan de opbouw ener persoonlijker en menselijker kunst. "Wij menen dit te kunnen bereiken, lezen wij in het manifest, door meer tucht en concentratie enerzijds; en anderzijds door meer waarachtigheid. Wij aanvaarden dat de kunst de kritallisering is van het leven van de kunstenaar en dat de graad schoonheid wordt bepaald door de hevigheid van het beleven en de mogelijkheid deze bewogenheid te verstoffelijken in de enige passende vorm. De manier van beleven verschilt echter volgens de levensovertuiging van de kunstenaar, en zo blijft het ten slotte het ethische beginsel dat richtinggevend optreedt én voor het leven én voor de schoonheid.  Ook dit beginsel kan verschillend zijn, maar wij geloven het te bezitten in de door God veropenbaarde en door de heilige Roomse kerk voorgehouden leer."

R.F. Lissens schrijft een volgens mij zeer terecht nawoord, dat meer een duiding is van Buckinx als dichter, waarin hij hem kernachtig plaatst en duidt in de tussengeneratie tussen de expressionisten en de experimentelen.

Het boekje dateert ook uit een vroegere aankoop, namelijk op17/11/2010, en wordt zoals hierboven voorzien, terecht in het DIS-Pantheon opgenomen.

44) Pieter Geert Buckinx: Zeven Gedichten. Een Limburgse Suite. Ik herneem letterlijk de vrij compacte inleiding op deze uitgave, die alles zegt.

"Deze poëziebundel is een speciale uitgave van De Tijdspiegel, cultureel maandblad voor Limburg, en moet beschouwd worden als aflevering nummer 3 van 1963. Door de Provincie Limburg werd in 1962 een wedstrijd uitgeschreven voor boekillustratie op gedichten van Pieter G. Buckinx. De jury bekroonde het werk van Joris Mommen, maar had ook speciale waardering voor de inzending van Rik Hoydonckx en Jan Boelen. De illustratie van deze bundel is samengesteld uit een keuze van hun werk."

Het secretariaat en de redactie werd waargenomen door niemand minder dan Albert Dusar (reeds eerder aangehaald als een markant Limburger), terwijl dat secretariaat gevestigd was in de Dr. Willemsstraat 34 te Hasselt. Hasselaars weten wat dit adres betekent, en hebben wij het recent hier ook niet gehad over Dr. Willems? Heerlijke limburgensia, maar dit wordt toch onder DIS geklasseerd, hoor. Het dateert eveneens van 17/11/2010, met dank aan Fernand.

45) Victor E. Van Vriesland: Spiegel van de Nederlandsche Poëzie door alle eeuwen. Een aankoop die ik vorige zomer bij Fernand gedaan heb, op 06 augustus 2010. Eén jaar en zes dagen later (het is midden in de nacht, en de datum van publicatie van deze bijdrage zal reeds zeven dagen aanwijzen) dus eindelijk een bespreking van een boek dat voor de Nederlandstalige dichtkunst toch van grote betekenis geweest is, daar Van vriesland een behoorlijk mooi overzicht geeft van de groten uit de dichtkunst aan beide kanten van de landsgrens. Een correcte datering kan ik niet geven, maar in zijn inleiding refereert de auteur naar een hypothese van prof. dr. Jac. van Ginneken in Onze Taaltuin V 1936/1937 over het allereerste dichtwerk dat in deze bloemlezing wordt naar voor gebracht. Een onbekende dichter uit de 2de helft van de 11de eeuw krabbelde namelijk op de rand van een perkament uit de Gruuthuuse-verzameling: Hebba olla vogala nestas hagunnan / hinase hic anda thu. En dan mag Heinric van Veldeke (12de eeuw) twee minneliederen voordragen. Als je begint met lezen, stop je zo moeilijk...

Het is een stevig boekwerk, 652 bladzijden groot, en met een stevige hardcover, die hoe dan ook afgebroken is van de rug. Ik zoek nog wat verdere gegevens op over dit werk. Ik dank Fernand, maar ook de Ferdinand X die zijn naam vooraan in het boek geschreven heeft. Geen slordige nota's of potloodmarkeringen... heerlijk boek van het Kompas te Antwerpen.

Bijna al deze werken, beste lezer van deze nederige blog, bevinden zich in het gelid gezet in een... schoenendoos. Op dit ogenblik gaat het nog niet beter; maar het gaat komen. Zucht. De verzameling Hoewaer bevindt zich in een ander compartiment, de werken van Buckinx hebben ook hun eigen stek, dus zij gaan naar hun eigen plaats, en helaas moet ik vaststellen dat één van de werken die voorheen besproken werd in één van de zes voorige DIS - afleveringen niet meer in deze doos terug te vinden is. Ooit zal het wel boven water komen. Hoop ik. En dan heb ik nog geen woord gezegd over nog twee andere gelijkmatig en gelijkwaardig opgevulde schoendozen. Evenmin heb ik al veel verteld over de afdeling poëzie die op mijn zolder rust. Ik heb nog verschrikkelijk veel werk te doen voor deze blog. 

vrijdag 5 augustus 2011

Oostende in oude prentkaarten

Er is mij een uitstekend exemplaar van deze foto-oblong van de Stad Oostende in  handen gevallen. Door ons verblijf aldaar vorig jaar net in de eerste week van augustus, tijdens ons verlof in Mariakerke hebben we de tijd gehad, weliswaar tussen de aankopen van een paar kilo's boeken van de gestrande kapitein door, de stad ook wel te bezoeken. Speciaal het park waar Leopold II zijn befaamde villa op een duintop stond, heeft onze aandacht gekregen.

In dit foto-overzicht zijn er enige foto's te zien, maar veel duidelijkheid heb ik er niet door gekregen. Mooier vind ik de afbeeldingen van het oude Casino-Kursaal, dat in al zijn fin de sciècle-glorie nog te zien is. Deze stad moet inderdaad destijds de naam van "Koningin der Badsteden" met eer gedragen hebben, getuige de schitterende binnenzichten van twee eersterangshotels "Splendid" en "Plage" omstreeks 1900. Een luxe die tegenwoordig niet meer kan bereikt worden, of, om het beter uit de drukken, die nu op een andere wijze geuit wordt.

Dit is één van die schitterende boekjes, waarvan de foto's voor mij zo belangrijk zijn. Beeldmateriaal geeft dikwijls een onwezenlijk echte inkijk op de wereld waarin misschien de groten der aarde hun weelde tentoonspreidden, maar waaruit de gewone mens toch ook zijn kleine pleziertjes vandaan haalde.

In dezelfde atmosfeer, maar dan totaal anders van opzet, is de brochure "Hasselt tussen korrel en borrel", uitgegeven door het Nationaal Jenevermuseum Hasselt v.z.w. dankzij de bank BBL (nu een deel van ING-bank). De brochure is in uitstekende staat, en vult mooi mijn Limburgensia aan. Want ja, ik kan onmogelijk zeggen hoe dikwijls ik 's middags een wandeling gemaakt heb van het begijnhof, door de Bonnefantenstraat naar de Wittenonnenstraat in de Kempische Wijk (Vlakbij de Kempische Poort), die destijds nog echt volks was, waar toen een vervallen gebouw de laatste restanten van de oude stokerij Stellingwerff/Theunissen vertegenwoordigde.

Een woensdagnamiddag in 1971 ben ik daar tesamen met een groep actievoerders nog even symbolisch vensters gaan zemen (in het hele gebouw stond geen enkels stuk glas meer in de ramen, zodat we zoals luchtgitaarspelers dan maar hypothetisch zeemden, hetgeen de symbolische waarde van onze actie nog verhoogde) met de bedoeling de aandacht van het stadsbestuur op het bestaan van dit uitzonderlijke industrieel erfgoed te vestigen. De politie heeft ons toen onvriendelijke gevraagd het pand te verlaten, en in ruil voor een paar slagen van de matrak waren we helemaal bereid onze zeemvellen uit te wringen (hoe droog ze ook waren), onze ledige emmers uit te gieten in de inmiddels overdekte Demer, en het pand te verlaten, niet zonder de handhavers van de wet toch nog een oneerbaar voorstel te doen en hen uit te nodigen tot het drinken van een slok jenever in het meest nabije café. Het was blijkbaar tijdens de diensturen, en er was ook een wachtmeester of zo iets bij, dus dat feestje is niet doorgegaan. Zelfs "Noenk Jean", de geüniformeerde oom van één van de actievoerders durfde zijn medewerking aan onze toch reeds voorziene dorstlessing niet verlenen, hoezeer zijn paarse neus ook garant stond voor voldoende "goesting" om de reglementen even te laten voor wat ze waren. Argumenten zoals "koffie met geitenmelk", ordehandhaving in een openbaar gebouw en toezicht op het naleven van de wetten op het drankmisbruik (de wet Vandervelde uit 1919) deden zijn neus alleen maar verbleken. Dat de wachtmeester of zo iets zich moest omdraaien om niet in lachen uit te barsten stoorde ons niet.

Het heeft resultaat gehad, maar meer dan 10 jaar later slechts werd het Jenevermuseum geopend. En die opening heb ik door mijn verhuis naar de andere kant van het land niet meer meegemaakt. De brochure echter werd in 1981 uitgegeven, voorlopend op de opening, en is een schoolvoorbeeld van hoe een informatief document over het industrieel en architectonisch erfgoed van een stad moet geschreven worden.

Een paar dingen springen mij bijzonder in het oog. In het hoofdartikel (Tussen korrel en borrel van de hand van R. Wissels) wordt het belang van de jeneverindustrie in zijn ware kontekst geschetst. Cijfers over productie en export naar de meest exotische landen (Senegal, om er maar één te noemen), prijzen behaald tijdens de befaamde wereldtentoonstellingen, en vooral het debiet - dus het relatieve belang in de nationale productie - tonen aan dat Hasselt als jeneverstad niet moest onderdoen voor de Oost- en West-Vlaamse productie, die vooral verspreid en dus per eenheid over het algemeen zeer klein was ten opzichte van de Limburgse (en een beetje later ook Antwerpse) productie.

Wat ik zo bijzonder vind, is echter het artikel over Dr. Louis Willems. Misschien heb ik hier reeds aangehaald hoe tijdens mijn Wikipedia-periode ik het belang van deze dokter verdedigd heb tegen een al te arrogante Nederlandse geleerde, die van oordeel was dat wat betreft de besmettelijke ziekten, enkel het werk van Koch en Pasteur van belang waren.  Een "Belgische" "Geleerde" die zich met die materie bezig gehouden zou hebben? Daar kon zijn verstand niet bij. Neerbuigend schreef hij dan ook op de discussiebladzijde: "Pasteur en Koch, ala, maar Willems?" Ergens in mijn archieven heb ik nog steeds de brieven die ik naar verschillende wetenschappelijke instellingen en bibliotheken geschreven heb om documentatie te verzamelen over deze Hasseltse wetenschapper, en hun gedocumenteerde antwoorden. Het bewijs was verpletterend, en toen ik fijntjes de woorden van Pasteur, in een brief gericht aan Dr. Willems zelf in mijn basisartikel opnam, was zijn reactie: nihil.

Ik citeer even uit deze brochure, bladzijde 24:

De mooiste erkenning van zijn werk is voorzeker de brief die L. Pasteur hem eigenhandig schreef op 29 juni 1880: "...je me félicite grandement de l'obligeance qu'a eue mon éminent confrère, Mr. Bouly (naaste medewerker van L. Pasteur), de me mettre en relations de correspondance avec vous dont j'avais appris à apprécier tout le mèrite par votre belle découverte de l'inoculation préventive de la péripneumonie contagieuse...". Deze zinsnede uit de brief van Pasteur aan Willems, gepubliceerd in een populaire brochure ter promotie van een jenevermuseum in oprichting, maakt dit document voor mij plots zeer belangrijk, omdat de publicatie ervan helemaal gebeurd is lang voordat er van Wikipedia sprake was.

De altijd moeilijke materie van de inhoudsmaten wordt hier in het licht van de jeneverindustrie, voornamelijk te Hasselt dan, hoe het lag in Oost - en West - Vlaanderen heb ik niet onderzocht, ook mooi toegelicht. Wie weet wat een slaapmutsje is? De betekenis is "wetenschappelijker" en tegelijktertijd folkloristischer dan je zoudt kunnen vermoeden. Stopen, kannen en steekkannen worden je om de oren geslagen, en na een wettelijke regeling waarvan ik u de details wil besparen, werd op 1 oktober 1855 het verbod gegeven nog langer de oude maten te gebruiken. In de toenmalige nijverheid was er echter meer nodig dan een wet om gewoonten te veranderen, de industrie bleef lustig verder stopen en kannen. Waar de wet zei dat het oude moest vervangen worden door het nieuwe, deed men te Hasselt net het omgekeerde. Ik citeer blz. 60:

"Doch inmiddels was ook de gewoonte ontstaan om bepaalde oude benamingen voor de nieuwe maten te gebruiken.  Zo duidde men 1 liter aan als 'n kan of 'n kop : R. Wissels wist alzo te vertellen dan men de eenheidsbenaming van kop nog tot over (sic) een paar jaar volop gebruikte bij de jeneverstokers. Een stoop stond (van, sic) voor 3 liter, 'n maatje voor 0,1 liter en 1 vingerhoed voor 0,01 liter.  Ook de oude vochtmaat "mutsje" wist zich te handhaven en stond nu voor 1 1/2 dl., trouwens men sprak in 't café over "een half mutsje jenever" en het mag daarom ook niemand verwonderen dat we nog steeds spreken over "'n slaapmutsje". Aldus evolueerde de term KAN (voor de invoering van het tiendelig stelsel: 1,49 liter) als aanduiding van eenheidsmaat., vanaf de Franse periode naar de aanduiding voor 1 liter, die nieuwe eenheidsmaat die (in, nvAndebijk) de 19de eeuw(-se, sic) nog zeer dikwijls als "fransche liter" werd aangegeven."

De koppigheid van de volksmens om veranderingen te aanvaarden kan soms uitmonden in burgerlijke ongehoorzaamheid met een laagje vernis! En daar houd ik wel van.

woensdag 3 augustus 2011

Johannes en Caspaares Luiken

Soms krijg je er kop noch staart aan. Wat heb je nu eigenlijk gekocht? Toen ik het in handen nam, dacht ik bij mezelf: hm, ja, aardig. Maar toch...

Een boek dat in de laatste honderd jaar uitgegeven is, daar verwacht je toch van dat er enige informatie over de auteur, de samensteller in dit geval, het jaar van uitgave, de uitgeverij, mogelijk een ISBN-nummer of een gelijkwaardig gegeven, een imprimatur als het nodig blijkt, gegeven wordt.

Het boek heet: Johannes en Caspaares Luiken - 100 Verbeeldingen van Ambachten - 't Amsterdam 1694.

De titelpagina vermeldt: Johannes en Caspaares Luiken Het Menselyk Bedryf. Amen. En die Amen heb ik er zelf bijgevoegd, hier in deze blog, om duidelijk te zijn, want behalve een informatieve eerste gravure (of is het houtsnede) met een banier bevattende het opschrift Het Menselyk Bedryf, kom je niet veel te weten. Daaronder in een soort van etiquet verduidelijkt men: Vertoond in 100 verbeeldingen van : Ambachten, Konsten, Hanteeringen en Bedrijven; met Versen.

De rest van het boek wordt gevuld met wat ik vermoed 100 gravures te zijn, waaronder steeds een vers staat dat enige omschrijving maar eigenlijk meer een alegorische randbemerking betreffende het uitgebeelde onderwerp is.

Voor de volledigheid: op de hardcover staat een gekleurde versie van de tonnenmaker, die door zijn positie in de publicitaire afdeling van de omslag, als vergoeding daarvoor geen recht heeft op enige poëtische toevoeging door middel van "versen". En achteraan op de hardcover staat nogmaals de eerste gravure zoals twee paragrafen terug beschreven als informatieve eerste gravure.

Maar de gewone gegevens, samensteller, jaartal enzovoort: nee, vergeet het. Wie het zo wilt geloven, dit boek kan gemaakt zijn in 1884. Samengesteld onder redactie van Guido Gezelle. Imprimatur door de Bisschop van Brugge. Het is te gek voor woorden.

Internet dan maar weer eens afgezocht aan de hand van Tante Google, en ja hoor, zij kent een exemplaar van dit werk dat via Antiqbook verkocht wordt in de boekhandel De Kantlijn te Bredevoort, Nederland. In die advertentie zie ik dat het om een uitgave van Elsevier uit 1984 kan gaan, maar dan toch niet dit exemplaar, want het mijne meet 23 X 15 cm., waar de advertentie over 17 cm. spreekt. Ene Leonard de Vries zou de samenstelling gedaan hebben, en ook een inleiding geschreven hebben. Ik zou ze graag lezen!

Maar er is nog meer onduidelijkheid: hier spreekt men over een herdruk van een werk van "De Nederlandse dichter en graveur", en men vermeldt zelfs geboorte en overlijden: "1649-1712". Jan en Caspaares, dat zijn dan twee broers, denk ik zo. Toevallig geboren en gestorven in hetzelfde jaar?

Verdere opzoekingen leiden naar de Koninklijke Bibliotheek Van België, die in bezit hebben van Luiken Johannes: Het Menselijk Bedrijf, van Jan en Casper Luyken, ed: 1984. Let op de spelling. Daarenboven bezitten ze ook nog: Spiegel van het Menselijk Bedrijf, Johannes Luiken, ed: 1979. Duidelijkheid ver zoek.

Sommige verkopers geven wel een ISBN-nummer, steeds voor een uitgave uit 1984. Maar wat heb ik dan hier in handen? Wie me een verklaring kan bezorgen, ben ik dankbaar voor eeuwig en drie dagen. De drie dagen gaan gemakkelijkheidshalve nu in.

Anton Eijkens

Beginnen en eindigen met een woord van dank, kan het mooier: mijn dank gaat naar de vriendelijke en geduldige verkoper, die me dit boekje, en het gedenkboek van mijn vorige bijdrage verkocht heeft. Goede waar!

Vandaag heb ik tussen het tuinieren door een zéér mooi gedicht gelezen. Zéér mooi, omdat de taal zo eenvoudig, doelgericht, en duidelijk is.

Anton Eijkens werd geboren te Tilburg op 17 september 1920. Een tijdgenoot van mijn ouders dus, maar voor beide kan ik een sterfdatum achter hun naam toevoegen, Tante Google heeft deze voor Anton nog niet gevonden.  Ik hoop dat ze het daar nog een flinke tijd moeilijk mee heeft. In de boeken op het stadhuis werd hij dan wel ingeschreven als Antonius Maria, de dichter wil alleszins de korte, populaire naam hanteren die hij als kind ook wel gedragen heeft. Op achttienjarige leeftijd ging hij aan het werk Bij Bureau Spaendonck, waar hij zich tot directeur opwerkte. Zijn strekking als auteur werd zeer zwaar beïnvloed door zijn Katholieke achtergrond. Dat resulteerde in een redacteurschap bij het blad Brabantia Nostra, dat hij tot een zuiver literair blad wilde omvormen.

In 1946 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel, Een Handvol Verzen, dat ik hier als tweede pakje van de verzending van gisteren ontvangen heb. Het is een stevig boekje geworden, waarin welgeteld vijfentwintig, over het algemeen zeer compacte, gedichten hun opwachting maken. Elk gedicht begint met een rode hoofdletter, en het is fijn vast te stellen dat interpunctie in 1946 nog een punt was. Het ex-libris is een mooi kunstige reproductie van een populaire afbeelding, voorstellende een marktkramer-tandheelkundige-kwakzalver, die met hoge hoed staande op zijn podium een beklompte boer met een doek om het hoofd gewonden verlost van een pijnlijke tand. Hoogstwaarschijnlijk op een behoorlijk pijnlijke wijze. Het onderschrift luidt:

Die van syn tandpijn wil geneesen,
moet daervoor op de markt wezen.

De tandheelkundige gilde zal het graag horen. Maar het kan wel betekenen dat de vorige eigenaars, alvorens hun goed verzorgde dichtbundeltje in het tweedehandscircuit terecht kwam, dit beroep uitgeoefend hebben. De namen duiden alleszins op een echtpaar.
Dat eerste gedicht is een zeer allegorische liefdesverklaring. De dichter laat in de eerste strofe een aantal aan de deuren en ramen zingende kinderen optreden in een als-vergelijking. Die kinderen zijn in het Katholieke zuiden van Nederland en in Vlaanderen genoegzaam gekend als zangertjes, dikwijls in Kerst- en Nieuwjaarstijd.

Maar dan neemt hij zelf de rol van zangertje waar, en legt in de laatste twee verzen zijn ziel bloot. Lees maar.

Voor de Beminde

Mijn liederen zijn gering als schaamle kinderen,
die voor een aalmoes komen zingen aan je raam,
als 't daglicht in de straat begint te minderen
en aan de avondlucht de eerste sterren staan.

Wie zal mij in mijn schamelheid verhinderen
mijn leed en vreugd te komen zingen aan je raam?
Ik weet: jij kunt het lied van schaamle kinderen
niet zonder mildheid langs je venster laten gaan.

Ik vind het prachtig. Krachtig en toch zwak. Sprekend en zo stil. En de beeldkracht van de spiegeling van de tweede strofe in de eerste is gewoon meesterlijk.

Het gedicht moet nog bezinken. Toch heb ik het tweede gedicht ook reeds gelezen, maar nog niet opgenomen. Het bevat dan ook nog een boel geheimen, die ik wil laten groeien.

Nog een gedicht heb ik wel gelezen, en het roept een wondere atmosfeer op. Kent gij het gedicht van de man die de Dood ontmoette, en vierklauwens te paard naar Ispahan reed, waar dezelfde avond de Dood een afspraak met hem had? Een klein beetje van die atmosfeer zit ook in het gedicht genoemd

Ontmoeting

Ik had maar de kortste weg genomen,
een weg vol distels en woekerkruid,
want de avond viel dichter in de bomen
en de wind blies langzaam de sterren uit.

Maar aan de rand van een bloeiende tuin,
geurend van appels, pruimen en peren,
blies een bultenaar op zijn kranke bazuin;
"Kunt gij het geluk uw rug toekeren?"

Hoe vreemd: teruggaand heb ik genomen
de langste weg, langs de hoogste bomen.

Veel, dikwijls en traag lezen, dat moet je met deze poëzie doen.

Als u nog leeft, Anton Eijkens, en dat hoop ik vurig, groet ik u op dit middernachtelijk uur. Het woord groet leest u beter als "dank".

maandag 1 augustus 2011

Pater Stracke

Ongelooflijk maar waar. Ik ben er weer. Toch in afwachting van betere tijden. Maar niet getreurd. Het virus heeft me nog steeds te pakken.

Vandaag arriveerden twee pakketjes mij per gewone post. Eén ervan bevatte het Gedenkboek Pater Dr. D. A. Stracke S.J. Weer een pareltje bij in mijn bibliotheek, weer een boek dat bij het lezen meer vragen dan antwoorden zal oproepen. Alhoewel, het boek zelf is bij de eerste, diagonale lectuur van vanmorgen, eerder een antwoord.

Op 26 april namelijk heb ik de Secretaressendag bezongen, die me ondermeer de Viola Animae bezorgd heeft. En precies in de randgeschriften van deze Viola vond ik verwijzingen naar het Ruusbroecgenootschap, opgericht door deze zelfde Pater Stracke.

In dit gedenkboek wordt verwezen naar bepaalde geschriften van Pater Stracke, betreffende de Nederlandse letterkunde en Mystiek. En dan valt onvermijdelijk naam van het Ruusbroecgenootschap, tegenwoordig een deel van de Antwerpse Universiteit, en het befaamde tijdschrift "Ons geestelijk erfgoed". Sterker nog, Het volgende hoofdstuk in dit gedenkboek handelt ronduit over het Ruusbroec-Genootschap, en werd geschreven door niemand Minder dan Z.E. Pater Dr. L. Moereels s.j. Deze figuur was op zijn beurt auteur van de nabeschouwingen in de Viola, en president van het Ruusbroecgenootschap. De bijdrage zelf is een overname van een uittreksel uit het inleidend woord tot het Congres over de Nederlandse Vroomheid, gehouden te Gent in April 1952. Deze toespraak werd geplaatst tussen het werk van E.P. Stracke, omdat ze zo nauw aansloot bij de vorige bijdrage. Sommige blogs houden zich bezig met het fotograferen van bekende en minder bekende bibliotheken. De foto op bladzijde 86 is er één van de bibliotheek van het genootschap, een doorkijk door liefst drie boekenkamers. De prachtige in gelijke banden (her)ingebonden werken staan op zeer eenvoudige boekenplanken samengebracht, en de zwart-witfoto geeft zulk een heerlijk tijdsgebonden beeld van hoe een wetenschappelijke verzameling zich in handen van zéér geleerde wetenschappers voordeed.

Weerom moet ik dus boeken naast mekaar leggen, kruiselings lezen, en hopen dat mijn kleine verstand nog net groot genoeg is om toch een kleinigheid te begrijpen van hoezeer Vlaanderen in het interbellum een waar netwerk van literair intellect is geweest: zij die na universitaire studies hun vlaamsgezindheid trachten te verspreiden, deden dit hand in hand met de eenvoudige burger, die zijn vlaamsgezindheid trachtte te verheffen tot intellectuele verheffing. De Kerk verbond aan die beide aspecten nog haar apostolisch werk (de Vlaming was Christen, de Christen was Vlaming), hetgeen culmineerde in het befaamde AVV-VVK-motief. De culturele, religieuze, politieke en sociaal-intellectuele verheffing van de Vlaming was onontwarbaar. Dit boek is één van de zovele uitingen van deze denkwijze.

Het boek op zichzelf is een stevige hardcover, in groen kunstleer met gouden opdruk en bevat naast belangwekkende bijdragen van allerlei hooggeplaatste academici, politici en religieuzen, weer een aantal mooie en verhelderende foto's, een gegevensbron die steeds mijn onmiddellijke aandacht krijgen.

In het boek bevindt zich ook de papieren Feestwijzer van het Huldebetoon. Het welkom werd uitgesproken door Dr. Fil. J. Goossenaerts. Arhtur De Bruyne, ooit het voorwerp van een bijdrage in deze blog, waar hij ondermeer een levensbeschrijving van Dom Modest Van Assche geschreven heeft, schetste het leven van Pater Stracke. Een muzikaal intermezzo werd door het Akademisch Muziekgezelschap.

Daarna kwamen er groeten uit Frans-Vlaanderen, door E.H. J.M. Gantois, en namens Noord-Nederland sprak dhr J.P.M. Meuwese, burgemeester van Hilvarenbeek dezelfde wensen uit. Ook Drs. J. Van Overstraeten, algemeen voorzitter van de Vlaamse Toeristenbond, Prof. Dr. W. Opsomer namens de Vlaamse intellektuelen, en Z.E. Pater Dr. Dhanis namens het Gezelfschap van Jezus deden hetzelfde. Een tweede muzikaal optreden rondde dit gedeelte af.

Mevrouw Dr. Jur. L. Dosfel, voorzitster van het Inrichtend Komitee en van het Komitee ter Aanbeveling las het Huldeadres dat onder haar leiding opgesteld werd, en niemand minder dan Z.E. Pater Callewaert las de feestrede.

Er werd nog een omhaling gedaan ten voordele van de Indiase Missiewerken van Pater Stracke, waarna het Slotwoord door de voorzitter werd uitgesproken. Willem De Meyer, muziekleraar dirigeerde de samenzang van het Wilhelmus en de Vlaamse Leeuw.

Een tweede toevoeging aan het boek is zo mogelijk nog mooier: de statiefoto van Pater Stracke, die vooraan in het boek opgenomen is, en die bovendien ook prijkt op de geciteerde Feestwijzer, steekt nog als los document in fotografische druk nogmaals in het boek. En, niet onbelangrijk detail, het boek is door de Pater zelf ondertekend op 21/10/56.

Toevoeging: morgenochtend spurt ik naar de zolder, om er het vierde deel van Ten Huize Van, van Joos Florquin te halen. Dat deel bevat namelijk een interview met de toen negentig-jarige Pater Stracke, iets dat ik in de jaren zestig reeds gelezen heb, maar waar ik geen iota meer van weet. Lezen maar!