Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




woensdag 19 mei 2010

Vlaanderen zendt zijn zonen uit!

Heel lang geleden heb ik in één van de autobiografische werken van Stijn Streuvels iets gelezen, dat bij mij een blijvende indruk heeft nagelaten. Ik geloof dat het in één van zijn Avelghem-boeken was. Hij vertelde hoe hij, wanneer hij weer eens een pak boeken besteld had bij een of andere uitgever, elke dag weer vervuld met ongeduld op de postbode wachtte. Dan zette hij zich op een laag muurtje aan de overkant van de straat, stak zijn pijp op, en genoot van het warme zonlicht, de rustige omgeving en sprak een spaarzaam woord tot de enkele voorbijgangers, die hem groetten. Dikwijls ging hij onverrichterzake weer naar binnen, maar als de postbode stopte, en hem het langverwachte pakket bezorgde, kon hij niet vlug genoeg de verpakking verbreken om de inhoud in ogenschouw te nemen.

Na eerst ieder boek afzonderlijk aan een uitgebreid visueel onderzoek onderworpen te hebben, kwam het ritueel dat in die dagen nog de normaalste zaak ter wereld was voor de persoon die een nieuw boek ter hand nam, aan de beurt. Het boek moest opengesneden worden.

En net dat ritueel heb ik daarnet van bijna A tot Z uitgevoerd met een boekje toch weer uit 1942, dat aan de buitenkant wel enigzins vervuild is, maar dat vanbinnen vanzelfsprekend zo fris is als een nieuw boek toendertijd kon zijn. Vlaanderen zendt zijn zonen uit! van Frans M. Olbrechts, boek nr 304 der Volksreeks van het Davidsfonds is het tweede boek in de jaarreeks 1942. (Zedelijke kwotering IV!) is gedrukt op oorlogspapier, en heeft dus het eeuwig leven niet. Maar voor mij was het een belevenis: de beschrijving van Stijn Streuvels indachtig, dat dit met zorg moest gebeuren, en dat het dus zijn tijd vroeg en kreeg, heb ik me aan een tafel neergezet, en een mes geprepareerd dat de taak aankon: een oud aardappelschilmesje, dat ik in beslag genomen heb om er allerlei klusjes mee op te knappen die niets met de keuken te zien hebben. Het gebruik heeft ervoor gezorgd dat het mesje een beetje achteloos buiten op een beschut verstertablet rust, en dus niet meer een bepaald frisse metaalkleur vertoont. Slijpen en kuisen was dus de boodschap.

Met dat vlijmscherpe werktuig heb ik dan daarnet het hele boekje, op de voorste bladzijden na, opengesneden. Daarbij ondervond ik dadelijk dat dit een karweitje was dat met zorg moet uitgevoerd worden. Ik begreep ook onmiddellijk waarom sommige oudere boeken zulk een flardig voorkomen hebben, als ze na jaren plots in mijn handen geraken. Het mes moet echt scherp zijn, want je snijdt niet zoals met een schaar, nee, je trekt het mes door de plooien van het papier. En het bleek dat papier toch eigenzinniger is als het met een mes doortrokken wordt, inplaats van met een schaar gesneden. Maar ik leerde al vlug hoe je met zorg toch mooie recht gesneden randen kunt bekomen. En inderdaad, een bibliothecaris had een zekere verantwoordelijkheid, als hij zijn boeken mooi verzorgd op de plank wou gezet zien. Het gebruik van een schaar om dit werkje op te knappen leidt ongetwijfeld op niet in de plooi gesneden  bladen, het gebruik van een botte schaar, of tenminste een niet meer heel scherpe, zorgt ervoor dat het metaal dikwijls naast de plooi door het papier gaat, hetgeen een zeer onzorgvuldig uiterlijk aan het boekje verleent. Een goed geslepen mes met een scherp V-vormig lemmet zoals de klassieke aardappelmesjes, is de beste oplossing. Beter zou nog zijn te kunnen beschikken over een gelijkaardig maar langer mes, om met één lange, trage haal het hele blad open te maken.  Maar Elsschot zei het al: tussen droom en daad staan wetten in de weg, en practische bezwaren.

De dubbele bladeren zijn de moeilijksten, omdat je dan tot tegen de rug van het boek moet snijden, en precies daar is het papier tegen mekaar geklemd bij het binden en lijmen. Dubbel voorzichtig moet je daar dus zijn, want ook het scherpe mes krijgt van de papierplooi foute informatie toegespeeld, en je glijdt nog wel eens uit de plooi.

Maar nu is het boekje klaar om, na 69 jaar, eindelijk door daglicht en mijn speurend oog onderzocht te worden. En daar binnenin, in de bibliografische lijst, wordt als tweede voor het schrijven van dit werk geraadpleegd boek dat van G. Blachon vermeld: Pourquoi j'aime la Flandre, uit 1927, een boekje dat me onlangs in handen gevallen is. De Nederlandse vertaling is van Stijn Streuvels, en daarom is het voor mij belangrijk. Ik heb me toen te pletter gezocht om enige gegevens van de auteur terug te vinden, maar de oogst was bijzonder mager. En het is weer een aansporing om iets te doen aan mijn dubbele werk, dat ik zo graag zou voltooien: een systematische klassering van mijn bibliotheek, en een verwijzing naar de in allerhande boeken voorkomende namen, en de plaats waar deze namen voorkomen. Want geef toe, hoe zou ik nu die naam van die auteur nog kunnen onthouden, als hij zo onbekend is dat Tante Google van hem nauwelijks meer weet als zijn naam?

Vlaanderen zendt zijn zonen uit! is een boekje dat geschreven is om een aantal historische Vlamingen, en vooral hun voor die tijden ongelooflijke reizen te beschrijven. Willem van Rubroek (Mongolië, 13de eeuw), Joos van Ghistel (1481 tot 1485, naar Palestina, het H. Land), Pieter van Gent (Zuid-Amerika, 1523 en later), enzoverder. Het kan alleen maar interessant zijn. Het boekje uit 1942 is nooit volledig gelezen. Heeft de oorlogstijd er anders over beslist? Was het inleidende hoofdstuk te taai, en heeft de eerste eigenaar het opgegeven na bladzijde veertig? Feit is dat de prachtige tekeningen nooit het daglicht aanschouwd hebben, tenzij vanavond, want toen heb ik voor het eerst mijn ogen daarop laten vallen. Ik ben dan ook bijzonder blij met dit boekje.

Terugdenkend aan het opensnijden ervan, valt me ook de anecdote in van de in "colère" ontstoken Streuvels, die van een nieuw geschreven boek een exemplaar aan een tafelgenoot schonk. Deze maakte terstond aanstalten om met een vuil tafelmes dit boek open te snijden; hij kwam zover niet, want een briesende Streuvels ontnam hem het zopas gegeven geschenk met enig gemompel tussen de tanden dat een nieuw boek niet behandeld moest worden als het vuil van de aarde. Zo ver zou ik zelf nooit durven gaan, maar ik geef hem wel volmondig gelijk.

maandag 17 mei 2010

Ave, Caesar Gezelle. Zij die gaan lezen

Ik ga de hoek van mijn Gezelle-Verriest-Rodenbach-Streuvelsafdeling moeten verwennen met de aanbouw van een nieuwe vleugel. Tussen alle boekengeweld van afgelopen vrijdag heb ik zoveel lekkers gevonden in de genoemde auteurskring, dat ik er weken lectuur aan overhoud.

Terwijl ik nog steeds ijverig Caesar Gezelle's  werk genaamd "Guido Gezelle", dat hij op 27 maart 1918 voltooide te Versailles, als treinlectuur aan het verwerken ben, heb ik nu dus ook van dit neefje van de grote meester het boekje Solitudo - acht dagen bij de Trappisten in handen gekregen. Uitgegeven bij Jos. Vermaut te Kortrijk in 1927 blijkt dit een eerste druk te zijn. Het boekje zelf is mooi bewaard, en heb ik voor een habbekrats (2 euro) mogen meepikken. Een koopje. Dat Caesar Gezelle een retraite van 8 dagen in de Abdij La Trappe beschrijft, is voor mij aanleiding om mijn voorliefde voor dit gezegend brouwersvocht, en de liefde voor boeken even te combineren. Zoals geweten zijn er op dit ogenblik zeven bieren die officieel de naam Trappist mogen dragen. Achel en La Trappe zijn de twee minder gewaardeerde soorten. Minder gewaardeerd, niet omwille van de kwaliteit, die even hoog is als de andere trappistenbieren, maar vooral omdat ze elk op hun manier gewoon minder bekend zijn. Achel omdat ze nog niet zo lang geleden de titel gekregen hebben, La Trappe omdat het en haat-liefde relatie met de resencenten aangekweekt heeft, en nu eens de naam wel, dan weer niet mocht dragen. La Trappe is daarbij de enige buitenlandse gast in dit illuster gezelschap. En de naam van de orde, Cistercienzers weliswaar, heeft in de lage landen een synoniem gekregen dat gebaseerd is op de naam van de abdij waar Caesar Gezelle dus (misschien) een retraite gedaan heeft. Alhoewel, de naamgeving van de abdij en van de orde is eerder een wisselwerking tussen beide. Het toont aan hoe flinterdun de grens tussen het fait-divers en de geschiedenis kan zijn.

In deze abdij is de auteur dus literair een rustperiode gaan nemen. Op het ogenblik dat hij dat schreef, verbleef hij inderdaad te Versailles, als proost van een grote groep Vlaamse vluchtelingen, maar ook als leraar germaanse talen. Is hij inderdaad door twijfel overmand steun gaan zoeken in die abdij, of is het een louter literaire evocatie? daar ben ik nog niet uit. Stijn Streuvels, een volle neef van Caesar, is een tijdlang goed bevriend geweest met hem, maar de vriendschap is op zeker ogenblik fel bekoeld. Vooral het beheer van de nagelaten geschriften, zeg maar het archief van Guido Gezelle zorgde voor grote spanningen tussen beiden. Maar ook de visie op de persoon van Guido Gezelle heeft een wig gedreven tussen beide.

Caesar stond als dichter steeds in de schaduw van de Grote Guido, en een zekere mate van onzekerheid over zijn positie zal een paar keren leiden tot een jaloerse reactie, die niet door iedereen op prijs gesteld werd. Zeker een flapuit en rechtlijnig landman als Stijn Streuvels kon met zulke toestanden niet overweg. Na de oorlog kwam Caesar in rustig vaarwater terecht, maar een zware en slopende ziekte maakte hem het leven zuur. Hij stierf in 1939 dan ook als een eenzaam man. Ik ben blij met deze onverwachte aankoop. Tussen de vele andere.

wordt vervolgd.

zaterdag 15 mei 2010

Gaudeamus, en andere gezangen

Drie kleine tekst- en zangboeken zijn tijdens mijn strooptocht over de rommelmarkt in de Bergstraat van eigenaar gewisseld, en ik mocht ze mee naar huis nemen. Ze zijn alle drie in uitstekende staat, en tesamen hebben ze geen tien euro gekost.

Gaudeamus! is eigenlijk geen liederboek, of het woord Lied moet hier in zijn poëtische betekenis begrepen worden. Eerst wist ik niet wat ik in handen had, en ik heb flink moeten graven in de gegevens van Tante Google om er iets meer van te begrijpen. Het boekje zelf is nog steeds één groot geheim, want op de eerste blanco bladzijde heeft iemand in een fijne pen een mooi verzorgde tekst geschreven, die voor mij totaal onontcijferbaar is. Ik betwijfel of dit zelfs Duits is, want het is gewoon onmogelijk ergens een aanknopingspunt te vinden in één of ander bekend woord. Géén und, geen mit, geen der-die-das-die, ook geen ich, mich, Sie, er, uns(er)(e) laten zich ontcijferen. Of toch... het allerlaatste zinnetje zou als volgt kunnen luiden: Und f.. am Tod das ......ich. Een doorgedreven vergelijking van lettertje hier, dan ook daar leert me uiteindelijk niet veel. Ik zal met een foto trachten er een beeld van te geven.

Ook het monogram, waarvan ik vermoed dat het een kunstig verweven M-B is, zegde me op het eerste moment niet zoveel. Een mooie overeenkomst vind ik echter met de naam van de uitgever: Verlag der J.B Meckler'schen Buchhandlung.

De dichter zelf, Jozef Scheffel, was niet de eerste de beste. Wikipedia geeft een mooie beschrijving van de man, maar één enkel gegeven vind ik dan weer meer dan interessant: hij zou onrechtstreeks aan de basis van het ontstaan van de benaming van de Biedermeier-stroming gelegen hebben. Dit vind je op deze Wikipedia-bladzijde mooi beschreven terug.
Het boekje zelf is een dichtbundel, en misschien kunnen alle gedichten op een of andere wijze gezongen worden, maar daar ben ik nog niet uit. De volledige titel luidt: Gaudeamus! Lieder aus dem Engeren und Weiteren von Joseph Victor Scheffel. Hij is later in de adel verheven, en mocht een von voor zijn naam zetten.

Dan gaan we het dichtwerk bekijken: ook geen kleinigheid. In zijn Gaudeamus! behandelt Scheffer achtereenvolgens: zaken die hij Naturwissenschaftlich noemt, zoals Der Granit; Der Ichthyosaurus; Der Haselwurm; Das Megatherium; Der Basalt; Der erratische Block; Der Komet; Guano; Asphalt. Alles in dichtvorm gegoten. Ik kan me daar geen gezang bij voorstellen, als hij het over Guano heeft...

Vervolgens komt "Culturgeschichtlich" aan bod, gevolgd door "Die Lieder vom Rodenstein"; dan leren we meer over het "Heidelbergisch"; en dan gaan we "Aus dem Weiteren". Het werk wordt afgesloten door een poëtische "Festgruss zur Feier von Hebels hundertjärigem Geburtstag". dat laatste werk is weer geen kleinigheid, en heeft een tiental bladzijden nodig om tot het volgende besluit te komen:

Der Meister Hebel hoch!
Und hoch si Heimet, 'S allemannisch Land!

Geschreven in een ouder soort van Duits, door mij nauwelijks leesbaar. Het zou me niet verbazen dat de opdracht of de gedachte op de eerste bladzijde van het boekje in dezelfde taal is geschreven. Mooi toch hoe hij het vaderland verwoordt: Heimet, niet Heimat. En Duitsland heet op een oude wijze "s'allemannisch Land", het land van de Allemannen.

Als het dan een Siebente unveränderte Auflage betreft, stamt het toch reeds uit 1871. Met zijn goud op snee en zijn prachtige rode mantel met ornamenten in hoogdruk, terwijl  de in gouden, kunstig met een vignet omkranste titel toch niet echt het Biedermeierkarakter ingedruk kregen, is de rug het meest door de leeftijd aangetast. Dit is een prachtboekje, dat vraagt om begrepen te worden.

Met "Köhler's Taschen-Liederbuch für das deutsche Volk" krijg ik een massaprodukt in handen, dat gemaakt werd om het duitse volk de waarde van het volkslied niet te laten vergeten. Ik vond via Google Books een oudere versie terug, gedrukt in 1853, en ik moet vaststellen dat zoals dat met liederboeken onafwendbaar het geval is, de samenstelling doorheen de tijd steeds aangepast wordt. Zodoende ben ik vlug even naar A. Willems vergelijkende studie beteffende de KVHV-codex van Leuven gaan kijken. Het moet toch een huzarenstukje geweest zijn de verschillende uitgaven met mekaar te vergelijken, om bij elke nieuwe versie de verschillen in de inhoudstabel te gaan vergelijken. Liederen die in een volgende versie verdwenen zijn, liederen die bijgevoegd zijn. Liederen die terug opgedoken zijn en zo verder. De vaststelling dat de samenstellers spijtig genoeg geen geschriften achtergelaten hebben waarin ze een rechtvaardiging geven van hun wijzigingen die verder gaat dan de stelling dat sommige liederen niet meer gezongen of nauwelijks gekend zijn, toont aan dat diezelfde samenstellers niet het historische inicht hadden dat nodig is om enerzijds de geschiedenis zijn rechten te geven, en om anderzijds sommige liederen voor een langzame dood te behoeden. Natuurlijk kun je stellen dat zij eerder bezig waren met het bevredigen van de studentikoze nood om te beschikken over een actueel handboek dat tekst, en beter ook nog de muziek erbij levert, en daarbij de wetenschappelijke en historische impakt van hun ingreep niet overzagen. Maar het blijft een te mager gegeven om zulk een ingrijpende aanpassing van de inhoud door te voeren, zonder daarbij een archief van de wijzigingen na te laten, waarin nu vergeten of verlaten, verweesde teksten bewaard en geplaatst worden.

De samenstellers van Het Taschen-Liederbuch für das deutsche Volk hebben met dezelfde kwaal af te rekenen gehad. Een korte, louter informatieve vergelijking met de volgorde van de liederen ten opzichte van de oorspronkelijke uitgave toont aan dat het aantal en de volgorde van zeer veel liederen drastisch gewijzigd is. De uitgave die ik hier heb dateert van 1910, en verwijst voor de muziek steevast naar Köhlers Musik-Album, waarin alle opgenomen liederen van partituur voorzien zijn. Toch heb ik mijn hart kunnen ophalen aan sommige teksten, die me als het ware deden opveren. Wat is me dat? Zo herkende ik een lied dat in een ander tekstboek, dat ik hier ook liggen heb, een Nederlandstalige en een Franstalige versie heeft: Waar ligt mijn duurbaar vaderland? Herinner ik me niet dat dit lied zowat twintig jaar geleden door een Vlaamse groep (Het Belgische Combo) met succes gezongen is?

Ik zal trachten later de drie versies eens naast mekaar te leggen, maar dat wordt dan weer enig zoekwerk. Geduld gevraagd dus. Toch ben ik zeer blij met deze tekstuitgave, die me, zoals de ondertitel aangeeft, 400 der beliebtesten Vaterlands-, Volks-, Studenten-, Trink-, Jäger-, Turner-(?), Soldaten-, Krieger-Vereins-, enz. Lieder bezorgt. Ontcijfering is voor mij soms moeilijk, maar de herkenning van sommige teksten doet een ontzettend genoegen. Als ik dan de vergelijking kan maken met teksten uit andere liederboeken, is dat een waar genot.

Tot slot is de "Chansonnier de la Jeunesse Belge - Liederboek van den Belgische Jeugd" een liederboek dat in verschillende versies en onder verschillende vlaggen gepubliceerd is. Deze is een uitgave die minstens vanaf 1930 uitgegeven werd. Een onderschrift aan La Brabançonne van Ch. Rogier met muziek van F. Van Campenhout zegt namelijk het volgende: L'Hymne de la Brabançonne, reproduit ci-dessus, est un peu simplifié en comparaison du texte primitif de Van Campenhout et de la version officielle établie en 1930 par l'Acadèmie Royale de Belgique. Bij nazicht van deze verklaring vond ik dan weer dat er eigenlijk geen officiële versie bestaat van onze vaderlandse hymne.  Iedereen kan zowat doen wat hij wil. Het is dan ook niet verrassend dat een aspirant eerste minister desgevraagd de Marseillaise begon te zingen, toen een Waals (en overigens zeer sympathiek) journalist hem vroeg of hij de Franstalige versie van het vaderlands lied kende. Hilarisch incident, waar weer een heleboel belgicisten grijze haren van kregen. Een Belgisch politicus die de Marseillaise zingt? Waarom niet? Zullen we eens nagaan welke scabreuze teksten diezelfde politici tijdens hun studententijd gedebiteerd hebben? Die Marseillaise stelt niets voor. Laat de haren niet grijzer worden dan ze willen. Het is zo al erg genoeg.

Mooi aan dit boek is de samenstellers de verzuchting maken dat Vlaamse zangers verwacht worden door middel van dit boekje ook de Waalse volksliederen te kennen en te zingen, en dat omgekeerd de Waalse zangers zich de kennis van de Vlaamse liederen eigen maken. Dat stamt nog vanuit de tijd dat dit boekje voor de eerste maal samengesteld werd, en het boekje voorbestemde om dienstig te zijn voor de soldaten die aan de IJzer in de loopgraven af en toe een samenzang wilden ten gehore geven. Oude verhalen van getuigen uit die periode van onze geschiedenis hadden daar zware bedenkingen bij. De Belgische soldaten begonnen te zingen in reactie op avondlijke gezangen van hun Duitse tegenstanders, die op soms nauwelijks 50 meter aan de andere oever van de IJzer hun Duitse volksliederen in koor zongen. Maar al vlug bleek dat die samenzang van de Belgen uitmondde in een zanggevecht tussen Walen en Vlamingen. En de taalonrechtvaardigheden die toen schering en inslag waren voor de Vlamingen aan het front zullen er wel voor gezorgd hebben dat de hardelijners de zaken keer op keer scherper stelden.

De militaire overheden hebben dan ook hun hersenen moeten laten werken, en een gezalfde oplossing bedacht door deze tweetalige Chansonnier-Liederboek te verspreiden. Het was 1916, een een fameus kerstfeestje dat gezamenlijk door verschillende nationaliteiten gevierd werd in 1914 zal ook wel argument geweest zijn om de Belgische soldaten ten minste auditief eensluidend te laten weerklinken. Maar ik houd het niet voor mogelijk dat totaal Vlaams-onkundige franstalige soldaten ook maar één enkel lied in het Vlaams zouden gezongen hebben. De Vlaamse jongens daarentegen waren niet zelden studenten die op de Colleges en Seminaries een zware pro-franse indoctrinatie ondergingen. Zij zongen zonder moeite de franstalige liederen mee.

Let ook op de rechtvaardiging van de inhoud: er wordt expliciet benadrukt dat deze bundel enkel de "Nationale liederen " worden hernomen. Men verwoordt de zaken zo mooi, dat je bijna een oorlog zou wensen:

Het succes van de eerste uitgave bewijst hoe verlangend het publiek uitzag naar een "Belgisch" Liederboek, dat tegelijkertijd door en door Vlaamsch en door en door Waalsch zou zijn. Ook hebben wij alleen echte nationale liederen opgenomen. Daarin bestaat het kenmerk van den bundel.

Cynisch! De Vlaamsche Leeuw zou dus een door en door Belgisch lied zijn. Het strijdlied bij uitstek voor elke combatieve Vlaming. Hoe on-Belgisch De Vlaamse Leeuw wel ingeschat werd in die periode, wordt door Louis De Lentdecker in zijn "Flor Grammens 1899-1985", uitgegeven bij Grammens (!) te Brussel, bewezen op bladzijde 8, als hij aanhaalt dat deze Vlaamse luis in de pels in Juli 1919 van belgicist tot flamingant werd, wanneer het hem verboden werd om op de Vlaamse feestdag de Belgische vlag uit te hangen. De Vlaamse Leeuw zingen, en de Belgische vlag uithangen viel volgens de rijkswacht niet te rijmen.

De Vlaamse Leeuw wordt in dit zangboek onmiddellijk gevolgd door de Valeureux Liegeois. De verwijzing bij de titel van dit lied luidt als volgt:

Chant de la révolution liègeoise. Chestret est un des chefs patriotes. D'après Closson le texte ne serait pas de Ramoux. L'origine de l'air serait égallement inconnue (Chansons des provinces belges, page 129).
Een chanson des provinces belges! Dit lied is even Belgisch als de Vlaamse Leeuw. Maar het wordt wel in het Nederlands (zeg maar Vlaams) vertaald, en de tekst is combatief genoeg om in oorlogstijd tot een neutraal, integraal belgisch strijdlied omgebogen te worden.

Het lied "Naar wijd en zijd", op tekst van Gentiel Antheunis (elke Oudenaardist kent die componist en dichter) en met muziek van F.A. Gevaert is een waarlijk tweetalig en in-Belgisch lied, gecomponeerd ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van de nationale onafhankelijkheid. Met de franstalige tekst bovenaan.
De tijd spoedt heen, en bakent reeds de laan. Waar ook nieuwere tijden ons wenken, wij volgen fier en zullen langs de baan, onze roemrijke vadren gedenken. Is uw bodem hier klein, ginds wacht u toch een strand. Als een wereld zo groot, waar uw vlag staat geplant.

Alle patriottische prietpraat op enige bladzijden samengeperst. Tot lang na de Eeerste wereldoorlog. En het was nodig, want in 1940 dacht men nog even aan het graven van een nieuw IJzerbolwerk. De snelheid en vuurkracht van de Duitse troepen heeft er anders over beslist.

Ho! Nee maar. Een "Lied ter ere van de inlijving van prins Leopold in 't Belgisch leger (3april 1915)" is een mooie afsluiter. H. Norda zorgde voor de tekst, en de samensteller van dit bundel, Aalmoezenier Quoidbach hemzelf schreef de noten neder. Die tekst. Onovertroffen als het op opportunisme aankomt. Een Belgisch patriotisch lied dat weer refereert aan De Gulden Sporen! De ultieme vernedering der Franse troepen door een Vlaams vrijwilligersleger van boeren, beenhouwers en gelukkig toch ook een aantal getrainde militairen, en historisch kenmerk van de dapperheid der Vlaamse vrijheidsstrijders te Kortrijk in 1302, wordt hier doodeenvoudig een kwestie van Belgische eer.

O! Heerlijkheid der heerlijkheden! O jong en dierbaar Vorstenkind, dat in den reuzenstrijd van heden, uw eerste gulden sporen wint. Heil u! Wees vroom; 't mag u verblijden dat rampen en dat tegenspoed, dat oorlog en dat leed en lijden voorwaar de grootste zielen voedt.

Dit boekje is belangrijk in zijn historische context. Zum kotzen! Het krijgt dan ook een ereplaats in mijn verzamelingetje zangboeken.

vrijdag 14 mei 2010

Boekenhoogdag

Een dubbel feestelijke gelegenheid, vandaag. Eerst vier ik mijn tweehonderdste bijdrage op deze blog. En vandaag was er de vlooienmarkt in de Bergstraat, en dus was ik weer in alle staten. Mijn budget was zestig euro, en daar moest ik het mee stellen. Toch ben ik met een behoorlijke vracht van liefst tweeëntwintig titels thuisgekomen. Om de zaken ordelijk te houden, volgt hier alvast een opsomming zonder waardebeoordeling van deze verzameling. Later zal dan naargelang tijd en inspiratie een bespreking van deze boeken volgen.

In de atmosfeer van de liederboeken, heb ik drie merkwaardige boekjes bijeengekocht.

  1. Köhler's Taschen-Liederbuch für das deutsche Volk, Wilhelm Köhler, Minden im Westfalen, 1910.
  2. Gaudeamus!, van Joseph Victor (von) Scheffel, Stuttgart, 1871, zevende uitgave.
  3. Chansonnier de la Jeunesse Belge - Liederboek van den Belgische Jeugd,door Th. Quoidbach, uitg. Schott, Brussel, naoorlogs.
  4. Encyclopedie 2de deel, van Ame tot Aug, Het Laatste Nieuws, Spectrum.
  5. Prince et Prêtre - Alexandre de Hohenlohe, le plus grand thaumaturge du XIXe siècle. zn, uitg. Oeuvre de St.-Charles, Grammont.
  6. Leurs Soeurs. Henri Lavedan. Paris, Modern-Bibliothèque, Arthème Fayard Editeur. Geen datering.
  7. Constant De Kinder: Gemeente (Bertrand, de Zwarte Jager). L.Opdebeek, Antwerpen, 1944, tweede druk.
  8. De Sprookjes van Godfried Bomans. Van Goor, Amsterdam. 1989
  9. Marguerite Yourcenar. Het hermetisch zwart. Athenaeum -Polak & Van Gennep, 1986.
  10. F.R. Boschvogel. Waar Maas en Schelde Vloeien. Lannoo, Tielt, 1953.
  11. Andrè Demedts. Edward Vermeulen, Schrijver en Boer. Davidsfonds, Volksboek nr 174 van 1937.
  12. Caesar Gezelle. Solitudo, acht dagen bij de Trappisten. Jos. Vermaut, Kortrijk, 1927.
  13. Hugo Noé. Ernest Claes en Zichem. Gedenkboek Kulturele Kring 'Ernest Claes' Zichem. 1986
  14. Michel Van Der Plas. Mijnheer Gezelle, biografie van een priester-dichter. Lannoo, Tielt en Anthos, Baarn, 1998.
  15. Karel Platteau. Gezelles groei in Kortrijk. Het belang van de overdichting van The Song of Hiawatha. Uitgeverij Groeninghe, Kortrijk. 1999.
  16. The complete Bernard Shaw Prefaces. Published 1965 bij Paul Hamlyn Ltd.
  17. Dom Bruno Van Havere O.S.B. Een Apostel. E.H. Edw.-Johannes-Maria Poppe, 1890-1924. Uitg. Abdij Dendermonde. 1926.
  18. Remaclus Moonen O.F.M. Het Heilig Paterke van Hasselt. P. Valentinus Paquay. Zesde druk, 1941.
  19. Frans M. Olbrechts. Vlaanderen zendt zijn zonen uit! Davidsfonds Leuven, Volksreeks nr 304 van 1942.
  20. Dr. Arnoldus Smits O.S.B. Dom Modest Van Assche, Kersten en Vlaming. Stichting Jan Cobbaut vzw, Sint-Pietersabdij van Steenbrugge, 1986.
  21. Michiel De Bruyne en Lieve Gevers. Kroniek van Albrecht Rodenbach.Uitgeverij Orion, 1980.
  22. Lode Herreman, 15 nov. 1991. Overzicht van een tentoonstelling in het Stadhuis te Oudenaarde. Uitgegeven in eigen beheer, 1991.
De nummers 14 en 15 namen een flinke hap uit mijn budget, maar zijn dan ook de topwerken waarvoor ik het niet gelaten heb. Aangevuld met Solitudo van Caesar Gezelle (nr 12)en Vlaanderen zendt zijn zonen uit (nr 19), alsook het werk over Dom Modest Van Assche (nr 20), en zeker ook de kroniek van Albrecht Rodenbach (nr 21) zijn de pareltjes. De rest zijn ofwel fraaie uitvoeringen, of interessante werken, zonder groot te zijn. Maar elk werk heeft zijn eigen waarde. Zoals altijd is mijn ganse dag gewijd aan boeken. Het tuinieren kwam (weer eens) op de tweede plaats.

Toch ben ik gedurende meer dan een kwartier met mezelf in worsteling geweest: ik kon een lot behoorlijke antiek kopen onder de vorm van een prachtige 19de eeuwse levensbeschrijving van Christus, aangevuld met een driedelig werk, dat als het ware de antipode an het voorgaande werk was, want gaande over "de vriendin van Christus". Dat alles werd me zonder dat ik er hoefde naar te vragen (mijn interesse voor de boeken was overduidelijk) aangeboden voor 130 euro. Maar dat was dus ruim het dubbele van mijn voorziene budget. En een mens moet al eens durven keuzen maken. Met pijn in het hart heb ik het aanbod laten varen. Maar ik beklaag het me niet.

vrijdag 7 mei 2010

Jotie 't Hooft

Heel kort: via facebook ben ik op het evenement gekomen, waarbij een verzameld werk van Jotie 't Hooft wordt gepresenteerd in De Slegte - Wapper Antwerpen. De hele toedracht kunt u meer uitgebreid lezen op de website van De Slegte, en ook een beetje op facebook. Ik ga er alleszins heen.

maandag 3 mei 2010

Poems, by John Banister Tabb

Twee boeken heb ik hier voor me liggen, die met mekaar wedijveren in schoonheid en eenvoud. Het ene is een nederig gedichtenbundeltje, uitgegeven in 1910 als tweede editie, na de eerste uitgave van 19O6, bij Burnes and Oates, 28 Orchard Street in London W. Het is omschreven als "a selection from the verses of John B. Tabb, made by Alice Meynell."

Toen ik de eerste foto zag van deze dame, dacht ik spontaan: een suffragette. En inderdaad, Wikipedia zegt het met evenveel en nog veel meer woorden: Alice Christiana Gertrude Thompson Meynell (22 September 1847 - 27 November 1922) was an English writer, editor, critic, and suffragist. Dat is natuurlijk louter afgaan op het uiterlijk, het zegt niets over de rest van de persoonlijkheid van de betrokken persoon.  Ik bedoel maar, deze keer was het volkomen raak.

Father Tabb zelf was een soldaat tijdens de burgeroorlog, en bekeerde zich later tot de Rooms Katholieke Kerk. Hij werd er zelfs priester benoemd, en gaf les aan het Saint Charles College in Ellicott City, Maryland. Als dichter was hij geen kleine jongen, maar zijn beschouwende, contemplatieve poëzie is niet altijd toegankelijk. Daarin speelt voor een groot deel natuurlijk mee dat hij als intellectueel uit de tweede helft van de 19de eeuw graag uitpakte, en dat hij bovendien als priester, dus bijbels goed getraind, gemakkelijk en veelvuldig citeerde uit de oude geschriften. Daarbij sprak hij zijn specifieke publiek aan, en hoefde aldus niet alles uit te leggen. Wat toen voor de hand liggend klonk, vraagt tegenwoordig een boel opzoekingswerk voor de niet meer zo bijbelvaste westerlingen. Maar ook zijn meer wereldse gedichten zijn ingebed in een soms ondoorwaadbare gedachtenstroom, die voor ons vaak belerend en pedant overkomt. Herhaalde lezing hebben mij er echter van overtuigd dat ontdaan van de menigvuldige sluiers, de onderliggende poëzie best te slikken valt.

Uiteraard moet ik hem in zijn tijd kaderen: grof genomen was hij zelfs een tijdgenoot van Gezelle.  Maar een vergelijking is moeilijk te maken. De Amerikaan is beschouwend, hoewel ook soms speels, maar kan in geen enkele mate winnen van de parelende, snel stromende en muzikaal hoogstaande Gezelle. Zijn poëzie is taaier, minder toegankelijk, en ernstiger. Ik twijfel er zelfs aan of ze wel ooit van mekaar gehoord hebben. Maar alles kan.
Toch wist hij wel iets over België af. Of misschien ook niet, want het onderwerp van het volgende, minuscule gedichtje geeft een korte impressie over een groot man, maar geen aanduiding over wat dan ook meer. De man in kwestie is niemand minder dan Pater Damiaan, Father Damian voor de Amerikanen. Zoals de meeste van zijn gedichten is het een doordenker van formaat. Hij herneemt als laatste vers een bijbels citaat, dat niemand begrijpt als het niet uitgelegd wordt.

Damiaan stierf op  15 april 1889 op Molokaï, en nog geen maand later schreef Father Tabb dit gedicht, hetgeen bewijst dat de dood van Damiaan in Amerika geen fait-divers was. Dit kwatrijn kan echter slechts gelezen en begrepen worden als je de bijbelse tekst, waarnaar gerefereerd wordt, ook leest en begrijpt. Het komt uit "2 Kings 5:27", maar het vers in kwestie is te nietszeggend om iets aan de waarde van het gedicht toe te voegen, zonder de benodigde context. Je moet het ganse verhaal lezen.

Father Damien

O God, the cleanest offering
Of tainted earth below,
Unblushing to thy feet we bring -
"A leper white as snow!"

Het verhaal gaat over Naaman, een generaal van de Koning van Aram(enië) die wel een groot krijgsheer was, maar ook een melaatse. Wanneer een Israëlisch meisje meldt dat er een profeet is, die hem mogelijk kan genezen, mag hij van zijn Koning vertrekken. Hij neemt rijke geschenken mee, maar de profeet schrijft hem slechts een doop in de Jordaan voor, en wil voor zijn werk geen beloning. Naaman geneest, en keert weer. Hij krijgt echter een lading klei-aarde mee naar Aramenië om een altaar voor de Israëlische God op te richten.

Maar Gehazy, een bediende van de profeet ziet de kans schoon om een deel van de rijkdommen te stelen, onder voorwendsel dat de profeet toch van mening veranderd is, en een vergoeding voor zijn werk wil. Hij krijgt van Naaman inderdaad een deel van de geschenken. Wanneer de dief echter terug keert bij de Profeet, doorziet deze zijn bediende, en straft hem, door de melaatsheid van de Generaal op hem over te laten gaan. Het verhaal sluit met de beklijvende woorden van vers 27: "De melaatsheid van Naaman zal u en uw nakomelingen besmetten. En Gehazy ging weg van de Profeet, als een melaatse, wit als sneeuw".

In zijn gedicht brengt Father Tabb dus twee feiten uit dit hoofdstuk uit het Boek der Koningen tesamen: het geschenk van de profeet, de vracht oude klei voor het bouwen van het altaar, en de man, melaats, en wit als sneeuw. De bedrieglijke bediende wordt geschrapt, en de sneeuwwitte melaatse wordt aan de voet van het altaar gebracht, als een offer. Father Tabb zag dus zeer goed dat Damiaan niet toevallig als melaatse gestorven is: hij heeft de ziekte als een zoenoffer aan de voeten van zijn God voor het altaar gelegd.

In een ogenschijnlijk obscuur engelstalig dichtbundeltje van een Amerikaans priester vind ik een gedicht terug over een man die ik ondanks alle tegenpubliciteit, bewonder. Ik heb het gekocht van een dame, die om redenen die ik verder niet ken, haar bibliotheek moest uitkuisen. Het heeft de schifting niet overleefd, en zij zocht iemand die dit werk op zijn manier kan op prijs stellen, het een huisvesting wil geven, zodat hij er het genot van kon ontvangen zoals zij dat ook gedaan heeft, en bereid is het boekje "de plaats te geven dat het toekomt". Voor de prijs moest ik het niet laten. Het ware geschenk ligt dus in die vier regeltjes, technisch een kwatrijn genoemd. Dat het boekje voor zijn leeftijd mooi bewaard is, vind ik fijn. Het goud op snee is de suiker in de koffie. De ongesneden bladen zijn als warme room, om de temperatuur van de koffie niet te schaden. De andere gedichten, een bloemlezing uit zijn totale werk, zijn het chocolaatje erbij. Ik zal heel langzaam, en zeer dikwijls een klein slokje van deze koffie nemen. Dag Lut, en dank u!