Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




zaterdag 31 juli 2010

Ik mag, ik mag, ik mag.

Het is zeer lang geleden dat ik nog met zoveel plezier uitgekeken heb naar een beetje verlof. De laatste week was er al een voorbereiding op. De riem lag er al af. Maar de dagelijkse routine moest nog steeds gevolgd worden. Alleen kon het middaguur even verlengd worden, en werd een dikke Gezelle naast de soep gelegd. Of mocht Streuvels zijn goed verpakte woordenwisselingen doorheen de stilte van een zinderende zomer, met als grootste zomerhit het "Agnus Dei", en "Tantum Ergo"met stip genoteerd, afvuren op deze argeloze jongen, die nochtans niet voorzien was op zoveel literaire arbeidsvreugde.

Een ganse maand thuis, of bijna. Wegens ook een beetje het zand tussen de tenen willen voelen. Een ganse maand boeken snuisteren, tuinieren, enige musea begapen, slapen, schrijven als de inspiratie dat wil. Lezen als de pen moe is.

Mijn bibliotheek is aangegroeid. Ik heb een paar belangwekkende werken van zowel Gezelle als Streuvels gekocht, of er mijn oog op laten vallen. Maar zeker ook nog een massa anderen, die mijn hart van vreugde doen slagen overslaan. Dit blogje mag geen toonplaats worden waar ik opzichtig mijn schatten aan de wereld vertoon, maar enige fierheid kan ik mezelf moeilijk ontkennen. Toch wil ik geen kijkkast creëren. Maar evenmin kan ik, net zo min als ik dat kon toen ik mijn bibliotheek in de kiem liet ontstaan, mijn verbazing verbergen als ik zie dat zovele belangwekkende boeken naar me toe komen, zonder dat ze door een geïnteresseerd oog benaderd zijn door hun vorige eigenaars. Andere vertonen dan weer scheuren en vlekken en andere onvolmaaktheden. Ze kunnen de pret niet drukken. Maar toch begrijp ik niet waarom zovele boeken nooit gelezen zijn.

Ik lees niet meer. Ik studeer boeken. Dat is pretentieus van me zo te denken. Maar ik zoek achter ieder woord een tweede betekenis. Ik wil een verklaring vinden. Of geven. En geen periode is daar meer geschikt voor dan een groot verlof. Zodoende moeten trappistlievende medemensen wel even geduld oefenen. Een namiddag op een terrasje zal er ooit wel van komen. Toch zijn deze eerstvolgende drieëndertig dagen aan mezelf, aan mijn vrouw en aan mijn boeken, maar ook aan al die vervelende dagdagelijkse beslommeringen die het voorgaande verzuren, gewijd.

Na elf maanden van moeten, van werken zonder dat ik de groei van hetgeen ik produceer als primordiaal vreugdeverwekkend kan aanzien. Ik moet werken. Maar ja, gelukkig mag ik nog altijd werken. Elf maanden per jaar. En dan komt die ene maand.

Het is vakantie. Het is verlof. Ik mag slapen. Ik mag tuinieren. Ik mag mijn kaktussen verzorgen. Ik mag lezen. Ik mag schrijven. Ik mag fietsen. Ik mag nadenken. Ik mag rusten. Ik mag wandelen. Ik mag zonnen. Ik mag de vaat doen. Ik mag kuisen. Ik mag schilderen. Ik mag mijn hond strelen. Ik mag de schepen van openbare werken uitschelden. Ik mag naar de Ajuinkaai. Ik mag mirabellen plukken. Ik mag aardbeien planten. Ik mag mijn komposthoop bewonderen. Ik mag mijn kiwi's leiden; en mijn passiebloemen ook. Ik mag mijn orchideeën drenken. Ik mag mijn druiven dieven. Ik mag mijn buxus snoeien. Ik mag mijn japanse kerselaar bewonderen. Ik mag mijn klimop wegsnoeien. Ik mag mijn terras herstellen. Ik mag. Eén maand van het jaar mag ik eens iets.

Heel soms, als er even geen maggen aanwezig zijn, zou ik toch een tikkeltje minder willen mogen maggen.

zondag 25 juli 2010

Een kleine opruiming

Er liggen weer stapels op tafel, en mijn echtgenote is in verlof. Het leven en welzijn van een aantal boeken is dus in gevaar, en noodgedwongen doe ik datgene dat zij anders zou doen, sneller, efficienter, maar boek- en verzamelaaronvriendelijk. Toch moet ik mijn papieren vrienden nog even vastpakken alvorens hen naar hun verblijf te zenden. Zoek hier dus geen ordening, geen verband, geen logica, het is zoals ze me nu in handen vallen.

Van Louis De Lentdecker, journalist, historicus en kenner van de Tweede Wereldoorlog, de repressie en zijn gevolgen, heb ik uit de reeks Aktueel nr 13 aangekocht: Flor Grammens 1899-1985. In onnavolgbare stijl beschrijft hij op nauwelijks 90 bladzijden de levenswandel van deze onverzoenlijke, harde flamingant, die nochtans bezield was met de beste bedoelingen. Alleen waren zijn daden niet altijd slikbaar voor iedereen, was zijn levenshouding er één vanuit zijn enge, eigen persoon, en was zijn leven objectief bekeken een ramp. Maar hij was een belangrijk man, een groot Vlaams voorman die, als hij ergens zijn schouders onder stak, dit steeds deed met al zijn energie. Hij is het die de stier aangeleerd heeft op de rode lap te chargeren, en deed dit zelf met overgave en passie, laat daar geen twijfel over bestaan. Hij kon niet anders. Niet zonder humor schaaft Louis De Lentdecker hier en daar een paar scherpe randjes af, toch doet dit niets af aan het waarheidsgehalte van de levensbeschrijving, die allesbehalve een hagiografie kan genoemd worden. De Lentdecker noemt een kat een kat, graaft met zijn journalistieke gaven hier en daar een been op,  waarop zolang geknaagd wordt, dat het al zijn merg moet afgeven, en doet op zijn beurt zijn eer aan als lastige, want journalistiek waarheidsgetrouwe verslaggever.

De Lentdecker is eigenlijk een man, die, net zoals Maurice Dewilde deed voor televisie, aan het graven ging, en voor koning of paus niet uit de weg ging. Hij was niet zo bot, een houding die Dewilde er wel op nahield als het erom ging zijn zin door te drijven. Zo hebben we gigantisch mooie beelden uit een reportage achter de schermen van de beroemde reeks over de collaboratie. Dewilde had een man gevonden die op één of ander aspect van de collaboratie iets te vertellen had, dat mogelijk een primeur was. Alles werd minitieus voorbereid, en de man werd gevraagd de essentie van zijn verhaal op een zeer directe manier te vertellen. Waarop dan de vraag kwam: "En men kan dus besluiten dat X een verrader was?"

De camera"s gingen aan het draaien, de uitleg kwam, en de hamvraag werd gesteld. De man draaide echter angstig rond de pot. Dewilde schold zijn ongelukkige slachtoffer uit voor vuile vis, maande hem aan bij de volgende opname in de pas te lopen, en liet de camera's opnieuw aan het werk. En weer durfde de man niet. Een nieuwe, en zware scheldpartij, gelardeerd met enige welgemeende vloeken waren het gevolg. Die keer heeft hij zijn zin niet gegekregen, maar of het nu om Jan met de Pet ging, ofwel om Léon Degrelle, die hij in Spanje is gaan opzoeken om te interviewen, als ze niet precies deden wat Dewilde wilde, werd Dewilde een woeste wildeman. Ook Degrelle, België's meest beruchte collaborateur, nochtans verbaal niet vlug in het nauw te drijven, kon er in zijn laatste levensjaren van meespreken. De interviews werden voor de oude, nog lang niet moegestreden collaborateur, een ware verschrikking.

De Lentdecker was jonger. Hij was reeds van een andere school. En hij was diplomatischer. Dat laatste speelt hij tenvolle uit in dit boekje. Hij had evengoed kunnen zeggen dat Grammens een wereldvreemde snuiter was. Eigenlijk deed hij dat ook. Maar in zulk een welgekozen bewoordingen, dat je zelfs als tegenstander er vergoelijkend bij begint te glimlachen. En op die manier is het hem onmiddellijk vergeven dat hij zijn sympathie voor Flor Grammens niet onder stoelen of banken kan steken. Een mooi boekje uit 1985.

De Liederenkrans, die ik hier voor me liggen heb, en die vermoedelijk in 1960 gedrukt werd, bevat een bloemlezing uit onze nationale, maar ook internationale liederenschat. Niets nieuws onder de zon, maar voor mij is het eigenlijk het liederboek, zoals dat gepromoot werd voor gebruik in  middelbare scholen van de leerlingen van een generatie vlak voor mij, met respect voor de strekking waarbinnen dit onderwijs gegeven werd. Geen overdaad aan katholiek geïnspireerde liederen dus, maar toch uitdrukkelijk aanwezig. In ons volksleven zijn bijvoorbeeld Kerstliederen niet weg te denken, en het Kerstlied bij uitstek, het beroemde Stille Nacht is niet eens van Vlaamse, maar van Oostenrijkse herkomst. Eigenlijk zou men al die liederen niet moeten scheiden in categorieën, zoals Natuur en Volksleven, Familieleven, Gezelschaps- en verenigingsleven, Canons, Historische liederen, Vlaamse vroomheid, en Liederen uit Vreemde Landen, maar op een andere wijze, meer logisch bij elkaar moeten brengen.  Ik verheug me toch erop de naam Gezelle te ontmoeten, en op muziek van Ghesquiere bijvoorbeeld het Kleengedichtje: "Ik jeune mi daarin" terug te vinden. Ofwel laat mijn geheugen mij in de steek, ofwel is het zangboekje uit mijn middelbare schooltijd, namelijk "Singhet ende weset Vro" niet zo literair aangelegd. Maar het levert wel mooi vergelijkingsmateriaal op.

Wie een keer op een andere manier iets meer wil leren/lezen/weten/en wie weet/zweten, moet het boekje "Abdijen" van Dirk Hanssens, bij Davidsfonds Leuven aanschaffen. In een aantal zogenaamde brieven vertelt de auteur in, over en rond de abdijen die in ons land te vinden zijn. Vooral "rond" is hetgeen me interesseert. Het geloofsleven, dat zijn verblijf in soms/meestal eeuwenoude muren vindt. Want de auteur is ook een abdijbewoner, benedictijnermonnik, en belicht het kloosterleven op zijn manier, ook met zijn eigen benadering. De titel van het boekje is eigenlijk een kunstig werkje grafiek, waarbij de "d" in abdijen eigenlijk moet gelezen worden als de "c" van abc, om dan opnieuw gelezen te worden als "abc abdijen". Mooie vonst.

Dirk Hanssens is niet de eerste de beste. Hij is/was prior van de benedictijnenabdij Keizelsberg in Leuven. Hij weet ook één en ander over poëzie, want naast een welgesmaakt essay over relegie, heeft hij ook de poëzie in hetzelfde literaire genre verwoord. Bij de éénentwintig brieven van dit boekje hoort dan ook telkens een gedicht, dat de nodige ruimte en tijd tot reflectie eist. Eist, niet vraagt. Een eis is de mooiste vorm van een vraag, als ze niet eisend overkomt. En ik ben ervan overtuigd dat voor elk religieus levend mens van om het even welk geloof de eis tot geloof door zijn God niet meer is dan een vriendelijke uitnodiging. Het gedicht van Hubert van Herreweghen, Brak, is intellectueel een raadsel, maar ook een zoektocht naar je innerlijke bestemming, èn de mogelijke (nog verborgen) vondst daarvan, voor de dichter persoonlijk, voor niemand anders, en dus voor iedereen. Want geschreven door een dichter. Als ik hier het copyright schend, vraag ik nederig om vergeving.

Brak

Het is een geur die gij moet vinden,
het is een spoor, geen onderdak.
Ik die de kriebeling beminde
die jong in mijn neusvleugels stak,
ik steek mijn neus in de vier winden
gelijk een afgerichte brak,
gewarige oren, poten strak.
Het is een geur, die ik moet vinden,
het is geen spoor, geen onderdak.
De geuren die de reuk verblindden,
't laf maanzaad en het klef gebak,
't geschifte zuivel in de spinde,
de zure rotting van het wak.
De honig van pioen en linde
verdoolt me en zet mijn poten strak,
mijn natte neus in de vier winden.
Het is een geur die ik moet vinden,
het is een spoor, geen onderdak.
Hubert van Herreweghen.

maandag 12 juli 2010

de hemel of de hel

Boeken kunnen je, zoals zoveel dingen op aarde, naar twee eindbestemmingen leiden. Je gaat als een goed christen mens al lezend naar de hemel, of je gaat als een slecht christenmens naar de hel. De derde mogelijkheid, dat je geen christenmens, goed of slecht, bent, wordt in de handleidingen en reisbeschrijvingen voor deze twee bestemmingen, nooit echt duidelijk uiteengezet. Je wordt bij het lezen van die handleidingen en reisbeschrijvingen a priori verondersteld van het juiste geloof te zijn. Als je het namelijk niet gelooft, ben je met wat je leest niets, want je eindbestemming wordt per definitie toegevoegd aan de tweede mogelijkheid. Eigenlijk is het dus als ongelovige volstrekt tijdverlies om bijvoorbeeld vieze boekjes te lezen. Als je ze leest, ga je naar de hel. Als je ze niet leest ook. Besteed die tijd dus maar aan iets nuttigs. Of aan iets minder nuttigs, als je daar onverhoopt plezier aan zou beleven. Daar hebben de kerkvaders toch een mooi dilemma in hun leer ingebouwd. Waren ze niet al te slim, dom waren ze ook niet.

Wegwijzers naar de Hel.

De zo geroemde auteur, Paul Rodenko, wiens werken nooit op ons lijstje van verplichte literatuur stonden, heeft naast enige stichtelijke vertelsels en verhalen ook nog enige vertalingen en interpretaties afgeleverd, waarvan hij de bron is gaan zoeken bij de rechtstreekse concurrentie van de bedoelde kerkvaders. Uit de 1001 Nachten heeft hij een aantal vertellingen bijeengesprokkeld, die het Ali Baba-niveau verre overschreden, en die het bewijs waren dat de prinses-vertelster wel wist hoe zij best haar hoofd, hals en de rest van haar bevallige lichaam moest bijeenhouden. Het waren onvervalste erotische verhalen, die aan duidelijkheid niets te raden overlieten. Het kan dan ook niet anders dan dat de kerkvaders het niet zo op de concurrentie hadden. Zij vertegenwoordigde de Hel met grote, vette hoofdletter, en de lektuur ervan was niet min of meer dan een instrument van de duivel. Een zestal boekjes van zijn hand werden in de Ooievaarsreeks van Bert Bakkers Pocketuitgaven opgenomen , met als titels: Huwelijksnacht in Duplo, De Maagdenspiegel, De Gestolen Minnaar, Duivelse vertelsels , De Nijvere Nachten van Teobaldo en Het Spiegelbed.

Naast deze werkjes zinkt de Snoecks 2003 bij wijze van spreken in het niets. Maar omwille van de verzameling (en de prachtige reportages, dat heeft deze almanak alvast met de Playboy gemeen, de foto's worden alleen plichtsmatig bekeken) wordt hij toch naar de zolder gebracht.

Wegwijzers die tot enige raad van uw biechtvader nopen.

Van een totaal andere orde is de tweede band van Hoffmans Werke, Herausgegeben von Dr. Viktor Schweizer und Dr. Paul Zaunert, het jaartal is me nog niet duidelijk, te Leipzig und Wien, Bibliographisches Institut in de reeks Meyers Klassiker Ausgaben. Zeer mooi werk alleszins. Maar lezen?


Wegwijzers naar de Hemel.

Rechtstreeks naar de hemel wijzend, zoals het monument aan de Franse grens symbolisch de weg naar Frankrijk aanwijst voor de niet meer bestaande Fransmans, is het driedelig werk "De l'éducation", van Mgr. Dupanloup, Evèque d'Orléans. Het werd in zijn elfde editie uitgegeven bij Jules Gervais te Paris in 1887, en de naam van de auteur laat er geen twijfel over bestaan: opvoeding is een aangelegenheid van christelijk gevormde en geschoolde leraars.

Zou in het Grootseminarie, waar Guido Gezelle zijn uiteindelijke vorming tot priester gekregen heeft, deze lectuur ook op het programma gestaan hebben? Priesters werden in die tijd als de lokale opvoeders bij uitstek aanzien, en in hun jeugdigste dagen als bedienaar van de godsdienst kwamen ze niet zelden gedurende enige jaren als leraar aan de bak. Zo ook Gezelle. Terwijl zijn jaargenoten de een na de ander als kapelaan in een parochie aan de slag gingen, dikwijls na een aanvankelijke leeropdracht, dan promoveerden zij allen na enige jaren tot pastoor, of hoger. Niet zo Gezelle, die haast vanaf de eerste dag de opvoedkundige principes op het kleinseminarie aan de kant zette, en een nauwe band met zijn leerlingen aanging. Het resultaat is gekend: een grondig conflict met zijn onverzoenbare superior Bruno Van Hove en de ezelsstamp uit het kleinseminarie. Na Engelse en andere avonturen gaat hij naar een parochie in Kortrijk, en de jarenlange miskenning van zijn uiteindelijke roeping als dichter, taalkundige en vooral: de miskenning van zijn ultieme wens: als missionaris naar Engeland mogen vertrekken maakten hem tot een verscheurd mens. Hij had daar in Engeland nochtans goede relaties.  Als hij dan ook nog moest vaststellen dat één van zijn lievelingsleerlingen, Hendrik "pouckske" Van Doorne die droom wel waarmaakt, moet de ontgoocheling des te groter geweest zijn. Maar deze boeken, als hij ze al gelezen zou hebben, zijn een lijvige samenvatting van de educatieve en soms zeer repressieve principes, die hij op een totaal andere manier is gaan toepassen.

Eigenlijk is het gemakkelijke en interessante literatuur. Het is opgevat als een voortdurende toespraak, een les ex-cathedra, en leest naar mijn gevoel zeer gemakkelijk. In de inleiding van deel twee stelt de auteur zeer duidelijk zijn te behandelen materie voor: hij stelt het "Personeel" van de opvoeding voor, en behandelt deze in extenso. Le personnel de l'Education, c'est Dieu d'abord, puis le Père, La Mère, l'Instituteur et l'Lenfant, et enfin le Condisciple. Al deze personen worden in hun interactie met de op te voeden persoon en met mekaar, doorgelicht, ondersteboven gehouden, leeggeschud en terug opgevuld. Helaas ontbreekt me weer boekdeel 1, anderzijds is tweemaal meer dan zeshonderd bladzijden vooreeuwse opvoedkundige principes en verklaringen geen vrijetijdsliteratuur. Ik heb Jan Ligthart al verslonden, en bij God, dat was geen sinecure. Maar wel razend interessant. Het woord gemakkelijk dat ik hoger in deze alinea gebruik, moet in zijn juiste context verstaan worden. Maar het vormt wel een mooie aanvulling op mijn Gezellestudie, waarin ik onvermijdelijk ook vragen stel naar de educatieve methodes zoals die in die tijd gepropageerd werden, en de methodes zoals ze toegepast werden. Zoals steeds zijn de meest vooruitstrevende principes meestal gedurende jaren des duivels, en later vervaagt hun impact tot iets marginaals.
Een zeer mooi zangboekje is de 8° uitgave van de Recueil de Cantiques à l'Unisson pour Communautés & Paroisses, in 1924 uitgegeven door het petit Seminaire de Bergerac, onder leiding van Abbé G. Boyer. Christelijke gezangen, van dikwijls latijnse oorsprong, maar voor de Franse gebruiker toch maar in het Frans overgezet. Het latijn als gebruikstaal voor de rituele momenten moet toch steeds voor de eigen taal wijken, terwijl overal waar de franssprekende komt, het Frans voorrang dient te krijgen. Het blijft voor de Vlaming toch steeds een pijnpunt dat hij zijn eigen taal nooit zelf heeft mogen promoten, dat steeds een andere taal hier de wetten kwam stellen. Maar dat terzijde.

dinsdag 6 juli 2010

Een tussendoortje: het gerecht

Ik kon er toch niet aan weerstaan. Omdat ik vanmiddag verlof genomen heb, en dus maar hap-slik-klaar wat achter de kiezen gewerkt heb, vond ik dat als compensatie voor het gebrek aan culinaire zorg er wat gezocht mocht worden in de culinaire afdeling. Een paar jaar geleden ben ik zo op een kookboek van een gekend Belgisch chef uit de jaren veertig en vijftig gestoten, waarvoor ik een op zijn minst gezegd verleidelijk bod heb afgeslagen. Soms moet je dingen die je niet echt kan gebruiken toch bewaren omdat ze zo uniek zijn. Iets waar sommigen, die mijn bibliotheek bekijken niets van snappen. Wat doet een kookboek in een bibliotheek? Hoort dat niet eerder in een keukenkast of -lade thuis?

Nee. Ook het boekje dat ik nu op de kop getikt heb, hoort beslist thuis in zulk een instelling, en dan nog liefst geen openbare, want het bepotelen door handen, die door het gebrek aan eigendomsbewijzen dit kleinood als een verslijtbaar gebruiksvoorwerp zouden aanzien, zou ook de glans van het boekje in weinig tijd teniet doen. Dit moet gezegd worden: ik heb nog nooit zo iets gezien.

Het gerecht, uitgegeven door Homarus Culinaire Uitgeverij is een bibliofiel pareltje, eerder dan een kookboek dat je zo maar even naast de pastasaus neerlegt om met vluchtig aan een doek afgeveegde handen even terug op de juiste bladzijde opengebroken te worden. Het resultaat zou na driemaal gebruik een bibliofiele ramp zijn.

Het is het derde deel van een trilogie, na De Basis en Het Product. Dat ik deze delen niet heb kunnen aankopen, is één van de vele ongemakken die aankopen in het tweedehandscircuit zoals vroeger nog uitgelegd, met zich meebrengen. Het is echter nauwelijks aangeraakt, zoals de gave hardcover en de zuivere randen ervan bewijzen. De titel is met goud in diepdruk aangebracht, en bovenal: de uitvoering is gemaakt met jawel: Goud op Snee!

Een kookboek met goud op snee. Je moet het maar doen. Ik kon mijn ogen niet geloven, deze schoonheid kon ik, ook al niet omwille van mijn grommende maag, zo maar laten liggen. Filip Verheyden heeft de tekst verzorgd, de fotografie is van Tony Le Duc, maar de vormgeving van Katleen Miller krijgt van mij 100% van de punten. Wie de drie werken ineens aankocht in de handel, krijgt er de een evenals de boekjes zelf in zwartlinnen uitgevoerde verzamelbox bij. Tesamen goed voor meer dan 900 bladzijden culinair plezier. Het betreft bovendien de eerste uitgave uit 2006. alle info kun je nakijken op deze website.

Naast deze aanschaf is ook Brehms dierenleven, de achtste druk uit 1972 eindelijk tot mij geraakt. In mijn studentendagen heb ik staan watertanden om dat boek aan te schaffen, maar de geldmiddelen ontbraken. Weer een droompje waargemaakt. In dezelfde atmosfeer bevindt zich het boekje van Jenny De Laet, De Roodborst dichtbij en ver weg. Uitgegeven bij VUBpress, benadert dit werk hetgeen ik graag lees in de afldeling natuur: duidelijke beschrijvingen over een stukje natuur, wetenschappelijk goed onderbouwd, maar toch onderhoudend, en voorzien van de nodige mooie en duidelijke illustraties.

Ook het driemaandelijks tijdschrift Natuur.oriolus heeft met zijn themanummer Roofvogels in Vlaanderen wat mij betreft een hoofdvogel geschoten. Artikels die niet uitblinken in te lange tekstuele omzwervingen, mooie foto's en tekeningen, duidelijke grafieken, een veelheid van weetjes... als ik dat in handen heb denk ik toch wel met enige heimwee terug aan Leuven.

Een poëziebundel, waar ik nog geen blijf mee weet is Schaduw- en lichtrijk straatje zonder eind van Tieben-Hajo Marysienka. Of moet ik zeggen, Daniël Vandenbroecke, dichter-songwriter uit Asper. Wat het boek zo uniek maakt is het grote aantal In Memoriams in dichtvorm voor een aantal mensen die hij gekend heeft, en die een dichterlijk afscheid verdienden. Te lezen, te overdenken. Het werd uigegeven in 2002, en Daniël tekende het, Van harte, voor Raymond en Denise in januari 2003. Zeven en een half jaar later is het van mij.