Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




donderdag 13 oktober 2011

Willy Paul. Willy Paul?

De boekenmicrobe is niet steeds de meest gezonde ziektekiem die zich op zolders en kelders, in gangen, slaapkamers, bergplaatsen en garages, op rekken, planken, in dozen, kisten en zakken verbergt. Vooral in Huize Andebijk ligt het dezer dagen ... eh ... een beetje rommelig, en daar profiteren die rotbeestjes natuurlijk gretig van.

Maar de ziekte, die ze veroorzaakt heeft allerlei nevenverschijnselen. Zo ben ik bij het doorsnuffellen van de beruchte duust boe'n plotseling overstelpt door het verschijnsel van de "insluitsels". De boekenleggers, de bladwijzers. En ja, die artefacten, die enkel en alleen bedoeld zijn om de lezer op practische, eenduidige en snelle manier attent te maken op de bladzijde waar hij of zij de lektuur gestaakt heeft, en dus logisch gezien heen moet trekken om de lektuur te hervatten, bewijzen de facto dat ze voor meer dienen dan alleen maar op practische, eenduidige en zoverder.

Zo heeft een vorige eigenaar zich bezondigd aan verborgen poëtenschap, is een andere (of dezelfde) eigenaar een vetzak, wegens de veelvuldige blote of half-blote meiskens die sommige boeken bevolken, of is hij, en waarschijnlijker zij, een aanbidster van rock- ende pop-idolen, zoals er zijn: de jongeheer Willy Paul, charme-zanger van het populaire groepje "The Dixies". Dat groepje terroriseerde eind jaren vijftig, begin jaren zestig wel zeker Aalst, en ik heb er de bewijzen van, hun terreur strekte zich ook uit over het grondgebied van de gemeente Ternat.

Aalst kan het niet ontkennen: de betichte bewoonde de Drie Sleutelstraat te Aalst, zoals de stempel op de rug van de bladwijzer aantoont. Het hoeft niet te verbazen dat hij zijn lenige vingers gebruikt heeft ter betokkeling van een akoestisch gitaartje dat waarschijnlijk geen driehonderd frank gekost heeft. Ongetwijfeld heeft hij op karnaval ergens in een café aan het station gezorgd voor enige muzikale animatie, ja, in dat ene café waar ze nog geen juke-box ter beschikking hadden. Of toch zeker geen Wurlitzer! Maar ook de gemeente Ternat moest het ontgelden. Zijn daden worden door één enkele bijdrage aan de gedeelde geheugenopslag door Tante Google onbetwistbaar aangetoond en omschreven,  de rest van de sporen zijn voor eeuwig uitgewist. Tik de naam Willy Paul maar eens in, en je zult op een krantenbijdrage, door het Liberaal Archief uitbundig ter beschikking gesteld, de bewijzen zien: tegen 30 frank per plaats, en 10 frank per tafel verkocht de beschuldigde zijn charmes in feestzaal Astrid op de Markt in Ternat! 


Het weekblad "Het Volksbelang", orgaan van het Liberaal Vlaams Verbond, vertelt het ons in zijn uitgave van 28 februari 1959, en niet 1958, zoals de redactie valselijk afdrukte, om de misdadige gangen van de heer Willy Paul te maskeren.


Daarbij moet ik nu toch mijn tekst met een kleinigheid corrigeren. Hoewel ik beweerde dat van Willy Paul door Tante Google slechts één spoor gevonden werd, ben ik er nu zelf de oorzaak van dat zijn populariteit in één klap met 100 % toeneemt: door mijn drieste, ja onnadenkende tussenkomst, waarbij ik deze zo goed als vergeten "charme-zanger" terug onder de volksaandacht breng,  vind je hem nu ook terug op mijn blog, en zal er een storm van aanvragen tot het opvrolijken van pakweg een volksbal, of  erger nog van een jeugdbal ontstaan. Ik kan de bevolking van de gemeenten Aalst en Ternat maar één raad geven: Doe het niet! Elvis is still alive! Remember the Pelvis!

zondag 9 oktober 2011

Moeder, tien juli 1949

Ik doorsnuffel hier één van mijn duust boe'n, en ik kom op een probleem uit. Ik kan er u maar naar vragen, beste lezer, of gij soms een oplossing weet.

Nummer 28 van de Vlaamse Pocket-reeks heeft als titel: Mijn moeder was een heilige vrouw, wat verwijst naar een gedicht van René De Clercq (o, daar ligt blijdschap in dien rouw...).

Het boekje is eigendom geweest van een persoon, die ik ook gekend heb (wat een wonderlijke verzameling), maar die ik evenmin nog naar de betekenis van het raadsel kan vragen. Het raadsel gaat als volgt:

Bij wijze van bladwijzer stak in het boekje een doodsprentje, ter herinnering van de moeder van mijn kennis, moeder die overleed in de vroege jaren zestig van vorige eeuw. Dat is op zich helemaal niet verbazend. Men doet zulke dingen wel eens meer. Als die vrouw dan in 1963 overleden is, dan is de aankoop van deze pocket, die copyright draagt van 1960, niet vreemd. Bert Ranke heeft een evenwichtige mix van moeder-gerelateerde lyriek samengebracht, en het boekje is in de zorgvuldige behandeling door de lezer een fraai bewaard exemplaar gebleven van een uitgave, die nogal eens durft zijn voor- of achterkant los te laten. Niet zo hier.

Het gedenkprentje bevat een aanmoediging tot een gebedje:

laten we biddend haar gedenken:

"Nu we haar moeten derven,
geef haar, o Heer, de zaligheid,
en laat ons van haar erven,
slechts dat één, haar wondere gelatenheid."

Een mooi gebed, maar daar zou het bij gebleven zijn als niet nog een ander iets ook in het boekje stak. Een getypte tekst, een gedicht, genaamd: Moeder, gedateerd 10.VII.49.

Het gedicht is ook een moedergedicht, in de categorie In Memoriam of Verheerlijking, zoals door Bert Ranke voorgesteld. Maar het staat er bij mijn weten niet in.

Ik zal de tekst van de eerste en de laatste strofe hier publiceren, en wie de woorden herkent, mag ze mij, met een vervollediging van het gedicht, en de naam van de dichter, toezenden. Maar ik heb er zo mijn eigen idee over.

Moeder

Ik wil u niet bezingen
wanneer ge niet meer van dees aarde zijt,
maar, wanneer ge, midden alledaagse dingen,
nog steeds uw eender leven slijt.

. . .

Wanneer ik eenmaal haar moet derven,
geef haar dan Heer de zaligheid;
en laat me van haar erven,
slechts dat één, haar wondere gelatenheid.


Met in achtname de aanpassing van de tekst tot het gebed dat de familieleden gezamenlijk aan het publiek aanbieden op het bidprentje, gaat het weldegelijk om hetzelfde gedicht.

Was mijn kennis toch een grotere dichter dan ik geweten heb, en heeft hij dit typoschrift bewaard voor deze bijzondere gelegenheid? Het ziet er naar uit, dat dit wel het geval is.

zaterdag 1 oktober 2011

Achiel Vermeiren

Toeval, heb ik dat niet nog eens beweerd, bestaat niet. Veel gebeurt nochtans toevallig. Maar er is, als je goed toekijkt, altijd een lijn te trekken, die punt A met punt B verbindt.

Op 31 augustus deed ik mijn grootste aankoop van boeken tot nog toe, en in deze onoverzichtelijke stapel steken een aantal mooie en belangwekkende dingen. Zo zag ik daarnet het boek "Vlaanderen", uitgegeven bij het Davidsfonds in 1976, en toen ik het opensloeg, kreeg ik meteen een eerste aha-erlebnis te verwerken. Het is een werk dat een beschrijving geeft aan de hand van luchtfoto's, zwart-wit meestal, maar hier en daar ook al een kleurenfoto ertussen. Davidsfonds heeft er alles aan gedaan om er een prestigieuze uitgave van te maken, en is daar goed in geslaagd. Het papier is van topkwaliteit, de tekst in vetjes geeft een heerlijk leesgevoel, en sommige foto's zijn adembenemend. Knap werk, dat hier ergens een ereplaats moet krijgen.

Die ereplaats krijgt het echter niet alleen omwille van de schoonheid van het boek, noch omwille van de nochtans kwaliteitsvolle inhoud. De aha-erlebnis kwam er omwille van een detail, dat zo kunstig is aangebracht, dat mijn eerste reactie er een van het soort: "achzo!" was. Een beetje nonchalant, onoplettend, eerder geringschattend zelfs. Maar goed toekijkend moest ik toegeven: dit is straf! Het betreft een tekst die niet tot het boek behoort, maar aangebracht is door iemand die een korte laudatio houdt voor een persoon die dit boek als geschenk aangeboden krijgt. De tekst is kunstig gecaligrafeerd, met voor elk van de drie alinea's van de laudatio een heuse Miniatuur: een rode, zwaarder uitgewerkte eerste letter, die in zijn oorspronkelijke vorm steeds met rode inkt (menie) geschreven werd, en daar zijn naam van geërfd heeft. In de loop van de tijd is die miniatuur dikwijls uitgegroeid tot een waar kunstwerk, waaraan recent nog enige tentoonstellingen en een paar boeken aan gewijd werden. Hier betreft het de miniatuur in zijn oorspronkelijke betekenis.

Een tiental personen hebben er naast de handtekening van de caligrafische kunstenaar ook het hunne gezet, en ongewild hebben zij daardoor de schoonheid van die extra bladzijde een beetje onrecht aangedaan, maar het spreekt vanzelf dat het goedhartige gebaar hier de bovenhand haalt boven argumentatie over schoonheid en estethiek.

Met dit eenvoudig geschenk willen wij U, vriend Achilles dank zeggen voor de talrijke belangloze diensten die U gedurende uw nu reeds vijf jaar voorzitterschap aan "Als Ich Can" en haar leden hebt bewezen.

Zo spreekt de zegsman van de vereniging, en de combinatie van de naam van de kunstkring en de voornaam Achilles hebben mij op het spoor van de feesteling gebracht. Het betreft Achilles Vermeiren, stichter en voorzitter van de Lebbeekse heemkundige kring, die in deze persoon een gedreven zoeker en onderzoeker gevonden heeft.

Als ik dan op 31 augustus dit boek in het grote pakket aankocht, tesamen met nog heel wat pennevruchten van zijn hand, dan is het een beetje triest tijdens mijn opzoekingen, deze avond, via Tante Google te moeten vaststellen dat Achilles op 5 september, geen week na mijn aankoop, is overleden. In een artikel van Het Nieuwsblad wordt zijn lof gezongen, en ik laat het aan de nieuwsgierige lezer van deze blog over iets meer over hem te leren via een eigen opzoeking.

Maar de tweede aha-erlebnis kwam enige minuten na het genieten van de schoonheid van de gecaligrafeerde tekst. Enige jaren geleden heb ik aan de bedoelde heemkundige kring een mail gestuurd, als onderdeel van één van de zovele verwoede zoektochten naar het ene of andere met literatuur verbandhoudend onderwerp, vraag waarvan ik meende dat de heemkundige kring van Lebbeke mij misschien zou kunnen voorthelpen. Als oud-voorzitter werd door de ontvanger van de mail aan Achilles Vermeiren gevraagd zijn mening te geven, en prompt kreeg ik dus een uitgebreid antwoord.

Ik kan dan ook niet anders dan via deze blog (laattijdig) mijn leedwezen aan de familie en aan de vereniging toezenden. Uit alles blijkt dat deze man een markante figuur was, die het verdient herdacht te worden. Het artikel heb ik afgedrukt, en in het boek gestoken. En ja, er is nog een derde aha-erlebnis aan verbonden: de foto in het krantenartikel toont naast de kwieke Achiel, ook nog een ander kunstenaar en mede-ereburger van Lebbeke, namelijk Frans Peeters, van wie ik hier ook ander werk staan heb. Zo zie je maar: toeval, hoever gaat dat eigenlijk?

Het boek krijgt zowel door de kunstige toevoeging, als door het voormalige eigendom, en door de connectie met die eigenaar en zijn klaarblijkelijke vriendenkring, een speciale betekenis. Weer een boek met een stukje geschiedenis, dat bovendien op een bepaalde manier rechtstreeks aan mijn bibliotheek verbonden is. Weer een reden om blij te zijn.