ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

donderdag 30 oktober 2008

Een greep uit

Hoe staat het hier ook weer geformuleerd? "om de vlek op de band, de geur, het uitzicht..." De diversiteit van de boeken die ik laatst meegebracht heb is zo groot, dat ik slechts enige werken toelicht, de rest moet het gewoon met de titel doen.

Van
Dirk Bracke: Touria, een davidsfonds/Infodok-uitgave voor jeugdigen van 14 jaar over een moslimmeisje dat vecht voor het recht om een beetje westerser te leven dan haar familie voorschrijft. Het boekje is slechts 64 bladzijden lang, maar in een klaar en duidelijke taal geschreven door een man die de jeugd begrijpt. Ook 56-jarigen kunnen dit boekje in één ruk uitlezen. Het overschijdt de leeftijdslimiet, hetgeen me doet denken aan die zovele boeken die ik in mijn kindertijd gelezen heb, en waarvan gezegd werd dat ze gelezen dienden te worden door de jeugd van 8 tot 88 jaar. Ik ben het er volkomen mee eens dat dit dus mogelijk is. De Stichting Nederlandse Kinderjury en de Jonge Jury hebben hun appreciatie op hun manier ook laten blijken.

Taalquizboek, eveneens van Davidsfonds, maar geallieerd met Clauwaert, door Geert Craps en Willy Smedts laat je in 370 meerkeuzevragen nadenken over de taal die wij spreken. Het boekje kadert een beetje in de kritiek die ik in mijn bericht van enige dagen geleden over het Groot Gezinsverzenboek van Jozef Deleu gegeven heb, ondermeer wat betreft het "werk" van de Nederlandse Taalunie. Een unie waarin ook Vlamingen zetelen, die zich behoorlijk op de kop laten zitten door hun Nederlandse collega's. In 1980 opgericht, zo wordt op bladzijde 21 uitgelegd, beoogt het Verdrag tot oprichting van een Nederlandse Taalunie "...de integratie van Nederland en de Vlaamse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin.(...) Dankzij de Nederlandse Taalunie wordt de geschiedenis van het Nederlands voortaan door Nederland en Vlaanderen tesamen geschreven. Een geschiedenis zonder eind."

Moeten we daaruit besluiten dat deze geschiedenis voorheen enkel door Nederland geschreven werd? Ach, ik heb geen zin in polemiek. Ik wacht met ongeduld op de Vlaamse taalkundigen die deze draak de keel afsnijden, en ons Vlaams zijn eigen plaats geven. Met een eigen controlerend orgaan. Elk Vlaams woord dat nu in de Dikke Vandale staat, wordt denigrerend gevolgd door (gewestelijk). Alsof het woord "goesting" een pestrat is. Dat is iets gewestelijks, en gewestelijk, dat betekent: iets van ... ginder. Je kunt niet tegelijkertijd nemen en geven met dezelfde hand. Als in 1980 de samenwerking uitgeroepen wordt, bestond die dus voorheen niet. En moet ze dan nu, na 28 jaar het neerbuigend karakter maar eens achterwege laten. Gewestelijk? Onze taal is het Vlaams, niet het Gewestelijks. Ik spreek geen Nederlands, hoewel mijn taal officieel zo heet. Ik spreek Vlaams, en wil dat erkend zien. Ooit van dat volk gehoord, de Friezen? Die hadden een taal, en die hebben ze nog. Er is een prijs voor betaald. Een prijs, die ik ook wil betalen. Vlamingen Aller Landen, Verenig U.

Natuurlijk zal dat niet zomaar kunnen. Natuurlijk moeten er knopen doorgehakt worden. Problemen opgelost. Evenwichten uitgezocht en gevoeligheden vastgelegd en besproken. Hoe moet bijvoorbeeld "hebben" vervoegd worden?
Ik em, ga et, a et?
Hebbekik? heddega? 'Ettem?

Ik lach ermee, maar het is duidelijk dat West-Vlamingen of Limburgers lijnrecht tegenover mekaar zullen staan als er besluiten moeten genomen worden. Brabanders ((en om historisch-taalkundige redenen neem ik de (provinciale) Antwerpenaars daarbij)) zullen anders denken over algemene regels dan de rest van Vlaanderen. Maar het is een ideale gelegenheid om die moeilijke draak, met zijn regels, regeltjes en uitzonderingen waarop uitzonderingen vast te stellen zijn, met wortel en tak uit te roeien. Maak er iets van ons van. Beide taalgroepen zullen er beter van worden. Doe het, verdomme.

En dat allemaal om 370 meerkeuzevragen met een waarde van vijvenseventig senten....

Z.M. Koning Boudewijn in Belgisch-Congo. Onze Vorst was in 1955 voor de eerste maal in de kolonie, en de franstalige initiatiefnemers van dit lofdicht moesten in de titel reeds laten blijken dat Kongo, ook Belgisch-Kongo genoemd, een franstalige aangelegenheid des vaderlands was. Dus ging de Vorst op bezoek, altans volgens de titel, in "Belgisch-Congo". La Belgique sera latine, ou ne sera pas, is het niet? Pour les Congolais la même chose. In een franstalige tekst en context is dat volkomen gerechtvaardigd, in een Vlaamse tekst zie ik liever de K verschijnen. (De naam Kongo is - altans volgens mij - afgeleid van de naam van het het volk van de Bakongo, dat leefde aan beide zijden van de Kongo-rivier. De naam Kongo moet dus ook - altans eveneens volgens mij - met klemtoon op de eerste lettergreep uitgesproken worden, en het betreft een korte "o", zoals in "kom". De opeenvolgende franstalige regimes hebben daar anders over gedacht.)

Afgezien van dat soort van accessoire kritiek is het een heerlijk kijkboek, met weliswaar kwallerige geleiteksten, nochtans geschreven door
Bernard Henry, maar met fotomateriaal, dat ervoor zorgt dat dit boekje blijvende waarde heeft voor de geschiedenisliefhebber. Wat te denken van een foto waar liefst drie Belgische koningen op prijken: de geabdiceerde Leopold III met zijn beide zonen, de regerende Boudewijn, en diens latere opvolger, de toenmalige Prins Albert, een echt document in mijn ogen. Of de foto van de merkwaardige koning van de Bakuba, Lukungu van Mushengè, een indrukwekkende man, omringd door zijn gevolg. Je moet de oudere literatuur er eens op nalezen. De Bakuba kwamen niet altijd even fraai uit de verf. Over die ontmoeting is er trouwens een apart boek verschenen: Bwana Kitoko en de Koning van de Bakuba: een vorstelijke ontmoeting op de evenaar, door Erik Raspoet.

Heel wat anders is het prentenboek/stripverhalenboek "
Oudenaarde 1708" door de leerlingen van het Sint-Bernarduscollege van Oudenaarde uitgegeven naar aanleiding van de herdenking van de slag bij Oudenaarde van 1708. (trouwens, een slecht punt voor datzelfde college : men schrijft : St.-Bernarduscollege, en niet : St. Bernarduscollege !) De geschiedenis van deze veldslag wordt op een creatieve wijze uit de doeken gedaan. Mooi patchwerk door pure amateurs en vakmensen die hand in hand een gevarieerd overzicht gegeven hebben van het historische feit, maar dan op een wijze die soms een bochtje omheen de geschiedenis niet schuwt, om het ludieke element toegevoegd door een aan een project werkend groepje jongeren de plaats te geven het toekomt, en dat in de geschiedenis niet voldoende benadrukt wordt: hoe had het ook echt kunnen zijn? (want de geschiedenis beschijft alleen de lijn, niet de woorden, niet de zo talrijke daden die niet geschiedkundig zijn, maar die wel hebben plaatsgehad). Wat zeiden ze tegen mekaar? (Weten wij wat de ordonnans zei als de Generaal een bevel brulde dat duizenden mensen de dood in joeg? Welke vervloekeing sprak die man uit), Welke kemels werden er geschoten? (Is Marlbourough ooit op het slagveld verschenen met een broek met gescheurde naad, omdat de ordonnans te zat was om de boel tijdig bijeen te naaien?) Wat is de petite-histoire? (Justin? Who the fuck is Justin?) Geschiedenis wordt gemaakt door de grote namen, maar gespeeld (en ondergaan) door de kleine mens. Leuk werk door een werkgroep van het College.

Verder passeren
De 200 Rijkste Belgen van Ludwig Verduyn door uitgeverij Van Halewyck de revue;
Tijdmanagement voor Dummies door Jeffrey J. Mayer is een boek (het zoveelste) waar iemand geen tijd aan besteed heeft, misschien voor hem of haar het best mogelijke gebruik van dit boek;
De drie dimensies van Waardecreatie (deel1) door Roel Bellens, E. Jan de Jonge en Henk M. Hazelhoff (opnieuw: er is geen enkele waarde mee gecreëerd, tenzij door de oorspronkelijke verkoper en de auteurs);
Niet te stelpen Licht, nieuwe religieuze Poëzie, samengesteld door Rudolf van de Perre, uitgegeven bij Davidsfonds/Clauwaert;
De Muzen hebben hun ekskuzen, Vlaamse pocket van de hand van Jos Ghysen en Louis Verbeeck, jeugdsentiment;
Leesbeesten en Boekenfeesten Hoe werken (met) kinder- en jeugdboeken, uitgeverij Davidsfonds/Infodok, en Biblion, door Jan van Coillie, (zucht, weer niet aangeraakt) , en op deze webstek raak besproken.
UIt de reeks Koken zonder Grenzen, Het geheim van goede Wijn, een Lekturama-uitgave, gekocht omwille van mijn alcoholische hobby, en de informatieve voorstelling met tekst en foto's.

woensdag 29 oktober 2008

Annemie Struyf, met verve

Ladies First, First Ladies. Ik heb haar eindelijk in levende lijve ontmoet, haar zware tas naar binnen gedragen, en een kort, vriendelijk gesprekje met haar gehad. Ze was een lieve tante, een madam die haar ding deed, en terug uit het decor van de historische Volkszaal (de Cale) van het Oudenaards Stadhuis verdween, naar de even historische maar mishandelde Markt, waar ze in een monovolume stapte en naamloos ons stadje verliet. Dat was gisteravond.

Vandaag. Ik laat het nog wat verteren. Wat Annemie Struyf doet terwijl ze haar ding doet, maakt een al vlug onuitwisbare indruk op me. Ze praat blijkbaar niet over haar ervaringen, als ze ergens een zaal voltrekt, nee, ze kwettert. Ogenschijnlijk los uit het geheugen, met een woordkeuze die aantoont dat ze het onderwerp dadelijk aan jou wil vertellen: ze gebruikt geen elitaire, erudiete, intellectuele prietpraat, maar gewone mensentaal die je ook kunt horen in de trein als twee dames na de werkuren mekaar hun vakantie-ervaringen vertellen, in een losse, vrijblijvende verteltrant. "En op de volgende foto zie je Imelda. Imelda is een heel bijzondere vrouw. Ze was ooit een heel belangrijk iemand, maar er zijn dingen gebeurd in haar leven. Ze is nu straatarm. Allez, dat beweert ze toch, en je zoudt dat ook kunnen denken, maar in werkelijkheid, naar onze normen, en zeker naar de normen van het merendeel van de mensen die rond haar leven is ze stinkrijk, in het gezelschap van Picasso, Degas en nog vele anderen...".

Dan valt je frank, en je herkent Imelda als de schoenenverterende dame, die ooit de wereld op zijn (en haar) kop gezet heeft in 1983, samen met haar echtgenoot, Ferdinand, op de Filipijnen. Annemie verantwoordt haar keuze: "Ze is een sterke, opvallende, belangwekkende vrouw." Het totale plaatje bevestigt dat.

Sommige verhalen zijn ontroerend, sommige tonen reuzinnen, andere frele en breekbare vrouwen, die zonder het te willen of die bedoeling te hebben, hun leven in een bepaalde richting gedreven hebben, en het leven van andere vrouwen -en mannen- voorgoed gewijzigd hebben.

In recht voor de raapse taal zegt Annemie wat ze te zeggen heeft, draait alleen maar rond de pot als dat het verhaal ten goede komt, noemt een kat een kat. Ze laat in dat typisch vrouwelijke onderwerp, waarbij ze soms op ladies-only-avonden een anders geformuleerd verhaal vertelt, de mannen in hun waardigheid waar het de man-vrouwverhoudingen in andere kulturen aangaat.

De inrichter van die merkwaardige avond was de GROS-Oudenaarde, die jaarlijks een dergelijk evenement op poten zet, in aanloop van de 11-11-11-actie. Joris, de vroegere drijvende kracht achter de plaatselijke Noord-Zuid-beweging zat ook in de zaal en zag zijn werk waardig verdergezet. In dit geval was het echter een gebeurtenis die ik in een boeken-, poëzie- en literatuurblog zeker een plaats wil geven.

Annemie Struyf overtreft, overschrijdt en overklast met haar kwetterstijl de grootste sprekers die we daar al gezien hebben, en dat waren niet de minste. Zij bundelt gedrevenheid voor het portretteren van mensen met eerlijkheid in de beeldvorming, zowel visueel als mondeling. Zij doet veel meer dan alleen maar (en vergeef me die op het eerste zicht denigrerende uitdrukking) het belichten van een aspect van de Noord-Zuid-problematiek, zij betrekt er een ganse wereld in.


Maar voor mij is er nog meer aan de hand: het literaire aspect komt in mijn ogen bijzonder indrukwekkend over. Als literatuurliefhebber benadruk ik hier in deze blog vooral dat aspect. Het gaat namelijk ook over verhalen. Over vertellen. Over tonen en aantonen. Over communiceren, pleiten en overtuigen. Als iemand een boek schrijft, al dan niet met fotomateriaal, moet de eindboodschap toch steeds luiden: ik heb iets te vertellen. En dat doet zij. Met verve. Dit is niet alleen een lezing. Dit is het optreden van een vrouw met een boodschap, een vrouw die bovendien zichtbaar trots is op haar werk.

Het boek dat ik kocht heet "Ladies First, First Ladies" en heb ik aan mijn vrouw laten opdragen en signeren. Iets wat in haar een glimlach deed oplichten, iets dat zij leuk vond. Een geslaagde avond.

woensdag 22 oktober 2008

Denktankwerk: het groot Gezinsverzenboek als Vlaggenschip van de Poëzie

De titel van dit verzamelalbum, Het Groot Gezinsverzenboek van Jozef Deleu geeft je zin om het boek zonder te bekijken in een hoek te smijten, en het nooit meer op te rapen. De vorige eigenaar heeft weliswaar zijn eigendom, de vierde geheel herziene druk van 1985, nooit ingekeken, maar gelukkig heeft hij er ook nooit mee gesmeten. Het is onaangeraakt, zuiver als de keuken van een vrouw met poetswoede, en bevat een schat aan gedichten uit zowel Zuid als Noord.

De kritiek over de titel is eigenlijk niet van mij, maar ik neem hem met plezier over. De Nieuwe Linie kreeg zelfs het voorrecht de volgende zeer terechte woorden op de flap als resentie te mogen gepubliceerd zien:


"Het is jammer dat Deleu geen andere titel voor het boek heeft gevonden. Groot Gezinsverzenboek maakt een wat stichtelijke indruk, het klinkt wat braaf-ouderwets, en zo'n karakter heeft deze bloemlezing beslist niet. De samensteller toont een grote belezenheid, ook in de zeer recente poëzie, en heeft een uitstekende smaak. Het auteursregister telt 196 namen en daarin zit zo'n veelzijdigheid, dat dit boek eigenlijk ook een prachtige algemene bloemlezing uit de moderne Nederlandse poëzie is geworden, een poëzie-leesboek zo mooi als er jaren niet is verschenen."

Spijtig genoeg spreekt de criticus van (het taalkundig nochtans juiste) "Nederlandse" poëzie. Ik ben voorstander van "nederlandstalige" poëzie, Vlaanderen bestaat ook, en ook elders in de wereld wordt er Nederlands gesproken. Dat de variatie in die soorten Nederlands groot is, maakt de taal des te interessanter, maar het ontneemt ook het recht aan sommigen om het enkel over Nederlands te hebben, als het woord als bijvoeglijk naamwoord gebruikt wordt om de taal aan te duiden. Spreek ik Nederlands? Ja. Maar het boek dat ik schrijf is nederlandstalig. Critici zouden dat moeten weten, en die gevoeligheid kennen en erkennen.


Hoewel het niet in de bedoeling van Jozef Deleu gelegen heeft, werkt hij ongewild mee aan die andere Nederlandse ziekte om lange woorden te splitsen: Groot Gezinsverzenboek staat op de stofwikkel als Groot Gezins Verzen Boek. Er is zelfs een heuse website aan dat verschijnsel gewijd. Hilarisch. Pittig detail is dat de criticus in zijn tekst zeer onnederlands het woord voluit en dus correct neerschrijft. Maar in 1985 was die buiging voor de Engelse taal nog niet zo ingeburgerd als nu, denk ik.

Het opzet van de bloemlezing is thematisch voorbeeldig. "500 Gedichten rondom leven, liefde en dood" is afgebakend en tegelijkertijd voldoende ruim om een dergelijk omvangrijk boek periodiek te herzien en heruit te geven. Het zou zelfs anders kunnen opgevat worden.

Ik stel me voor dat er op een jaar tijd behoorlijk wat nieuw werk verschijnt, en dat er laat ons zeggen over een periode van vijf jaar dichters opstaan en herkend kunnen worden door gevormde poëziekenners die met enige zekerheid kunnen zeggen dat hun werk blijvende waarde heeft, en van hun toekomstige werk durven verwachten dat het van dezelfde hoge kwaliteit zal blijven. Geef in die geest een jaarlijks supplement uit aan het basiswerk, en geef daarin de jonge generatie dichters aanmoediging, terwijl de oudere generatie zeg maar een decoratie krijgt wanneer hun nieuwe werk ook voor publicatie in aanmerking komt.


Zet daar dan nog een pakweg maandelijks themanummer naast, met een duiding van de meest belangwekkende gebeurtenissen op het vlak van de poëzie, alsmede een bespreking van een markant dichter, en je kunt er een levenswerk van maken dit in stand te houden. Het concept van de literaire tijdschriften is bouwvallig geworden, en kan enkel blijven bestaan als de zuilen waaronder ze opgericht zijn, verlaten worden, om zich in het hele gebouw voort te bewegen. Op dat vlak zijn "Dietsche Warande en Belfort" of "De Vlaamse Gids" voorbeeldig. Hoewel het één een duidelijk katholiek en het ander een duidelijk liberaal standpunt als uitgangspunt heeft of had, is de verdraagzaamheid tot andersdenkende artiesten groot, en dat is een deel van de levenskracht van beide tijdschriften, die reeds respectievelijk van 1900 en 1905 dateren.

Zo ook kan een dergelijk werk, dat op lange termijn een leidende rol kan spelen in de duiding en verspreiding van de nederlandstalige, en waarom niet, van alle poëzie, ook tijdschriften van kleine groeperingen in leven houden of nieuw leven inblazen. Het is uitermate belangrijk dat men beseft dat poëten in de eerste plaats met poëzie bezig zijn, en niet steeds als de grootste commerciële geesten door het leven gaan. Het is even belangrijk dat deze kleine of nieuwe strekkingen of bewegingen tot het uiterste de kans krijgen hun boodschap te ventileren. De fabricaten die ze vaak met veel goede wil op de markt gooien, hebben geen levensvatbaarheid omdat ze niet kunnen genieten van een verdeelkanaal dat hun eigen oplage met een factor 100 zou kunnen vermenigvuldigen. Waarom zou men aldus geen gezamenlijk orgaan onder de paraplu van samenwerking, verdraagzaamheid en rendabiliteit in het leven kunnen roepen, dat uit hoofde van zijn wezen meteen ook het Vlaggenschip van de Poëzie zou kunnen worden? De naam lijkt me reeds gevonden...

Hoe zie ik dat? Neem het Groot Gezinsverzenboek als basiswerk, en laat de uitgever of auteur pakweg op maandbasis een uitgave doen, in steeds dezelfde vorm, maar met een inhoud naarmate de meewerkende eenheden copij insturen die onder hun organische naam opgenomen wordt als zijnde de uitgifte van hun tijdschrift, in een algemene bundel, dan zou dat de prijs drukken, en de verspreiding bevorderen onder degenen die één of meerdere abonnementen namen op zeer onzekere publicaties. Elkeen schrijft dan hetzijne, en het geeft niet dat er over hetzelfde onderwerp meerdere auteurs een gelijkaardige of totaal andersluidende mening willen verdedigen, daar hun katern en hun standpunt geïsoleerd blijft in het geheel, en het geheel dus groter is dan de som der delen door de diversiteit van meningen en onderwerpen die erin aan bod komen. Zowel de individuele (verantwoordelijke) uitgevers van tijdschriften, de unieke (technische) uitgever van de verzamelbundel als de abonnee worden er beter van. De unieke uitgever kan door de grote oplage en het relatief grote aantal abonnees op een dergelijke uitgave zorgen voor kwaliteitsvol en uniform werk. De individuele uitgevers van de diverse tijdschriften en -schriftjes hebben een publiek dat vele malen groter is dan hetgeen ze in normale omstandigheden zouden kunnen bijeengaren. En de abonnee krijgt door dit concept pas echt waar voor zijn geld: alle aangesloten strekkingen die een tijdschrift verzorgen en zich in bij dit collectief aansluiten zijn dan raadpleegbaar. Het lijkt me een idee om eens verder te bestuderen.

Als ultieme toevoeging kan elke dichter die tegen de risico's en de moeite van het publiceren van een eigen dichtbundel opziet, nu deze in een aparte lijn "verzamelde bundels van de maand" laten opnemen.

Poëzie is Literatuur, literair is poëtisch. Ze horen samen; er moet gewoon eens commercieel nagedacht worden over een betere versprijding van ideeën en werk. Sommigen moeten bereid zijn een stukje van de eigenheid op te geven, anderen zullen in die amputatie hun overlevingskansen geconkretiseerd zien. Een eerder onfrisse vergelijking: is de persoon wiens rechterarm geamputeerd werd blij? Nee, als hij als rechtshandige soep moet lepelen. Ja als je naar zijn levensverwachting vraagt. Je leert wel linkshandig soep eten, maar je kunt ze maar zolang eten als je leeft. Is het moeilijk kiezen?

zondag 19 oktober 2008

John Adams, and the others

Als tweede man in de rij wordt je wel eens vergeten. Maar dat is niet het geval voor John Adams, de tweede president van de Verenigde Staten. Voor het geval sommigen daar toch toe bereid zouden zijn, heeft David McCullough, in 1933 in Pittsburgh, Pennsylvania geboren, en productief schrijver, met werken Als Truman, Brave Companions, Mornings on Horseback, The Path Between the Seas, The Great Bridge, en The Johnstown Flood, in een 650 bladzijden dik boek genaamd "John Adams" het leven en het belang van deze president minutieus uit de doeken gedaan.

Voor zijn boek Truman kreeg de auteur de Pulitzer Prize in 1993. Verder verdiende hij de Francis Parkman Prize, de Los Angeles Times Book Award en tweemaal de National Book Award. Geen kleine jongen dus. Bovendien denk ik dat het om een eerste uitgave gaat.

Het boek is een amerikaanse uitgave, die prachtig van fotomateriaal van vooral schilderijen van de staatsnam is voorzien. Een van die afbeeldingen toont trouwens een document van de hand van John Adams zelf, waarin hij de datum van de onafhankelijkheid niet op the 4th of July, maar op "The Second Day of July 1776" plaatst. Merkwaardig.

Dit boek vult een leemte in mijn kennis van de amerikaanse geschiedenis: de fameuze televisiereeks "bicentennial" ligt te ver achter me, in een tijd dat ik mijn laatste jaar in Leuven deed, of was het een jaar later, het meest woelige en beslissende jaar van mijn leven, de winter van 1976 en de lente, zomer en herfst van 1977? Alleszins is me niet veel meer bijgebleven van de heroïsche reeks. John Adams is groot geworden in die woelige periode, en er zal een boel te leren vallen uit de (trage) lectuur van dit boek.

Gisteren heb ik ook "Het recht van de sterkste" van Cyriel Buysse op de kop getikt. Een prachtig geconserveerde uitgave van 1978 van Heideland-Orbis. Klaarblijkelijk onaangeroerd.

Ook aan mijn verzameling toegevoegd: Le petit Kurt, kleine encyclopedie van België", door Kurt Van Eeghem. Enkel te lezen door Belgen die de nodige zelfspot kunnen opbrengen. Ik citeer (een hoogstwillekeurig gekozen) citaat uit (het al even toevallig gekozen hoofdstuk) "Limburgers (de)": Elke Limburger komt ooit eens met zijn foto in de krant, maar daar moeten ze wel eerst voor overlijden. Daarom telt Het belang van Limburg elke dag twee volle pagina's overlijdenberichten met klassevolle kiekjes. Ook vervuld met een wrang soort van humor is de volgende: In Limburg zijn er meer badkamers dan in de andere provicies, het is dus ook een vuil volkje.

Ook het Roularta-boek: "100 Jaar voetbal in België" is tot mij gekomen, eens te meer omwille van zijn fotoschat, het is altijd goed te kunnen teruggrijpen naar bewijsmateriaal. Verder interesseert voetbal als sport mij geen fluit. Het gaat om het historisch en informatief gegeven.

Charles De Gaulle

Als de la Boétie dan de nodige aandacht gekregen heeft, mag een historische kanjer als Charles De Gaulle niet op het appel ontbreken. Ik herinner me het paternalistisch genot van mijn vader, telkens hij over een politicus sprak, om de naam van de persoon in kwestie in de mate van het mogelijke gemeenzaam te verkleinen. Waar hij maar kon, voegde hij het sufix "-ke" aan de naam toe, om zo aan te geven dat hij "ze wel op zak had", dat hij wel wist "vanwaar de wind kwam".

Ook Charles de Gaulle verdiende die benadering, maar de twee meter grote militair en politicus droeg uit pure zelfverdediging overal zijn gestalte mee, en aldus spreek je niet van "De Gaulleke", dat was niet mogelijk. Hij werd dus gemeenzaam "Le Grand Charles", Colombey-Les-Deux-Eglises werd Colombey-Les-Deux-Chemises, enzovoort.

De wekelijkse publicatie "En ce temps là: Charles De Gaulle", Publication hebdomadaire, vanaf no. 97, dat de eerste is in de reeks Charles De Gaulle, tot en met nr 114, en dus het 18de deel, gebundeld in een kanjer, die daarna nog nog een massa vervolgen kende, is gigantisch in zijn opzet en geeft met verbeten volledigheid een overzicht van het leven en werk van de Franse militiar en staatsman. Het fotomateriaal is overweldigend, de geschiedkundige waarde ervan is enorm. De gebeurtenissen rond de eerste Wereldoorlog zijn me grosso-modo onbekend, terwijl zijn houding en daden tijdens de tweede Wereldoorlog door mythevorming in een flou gehuld werden, en die door dit tekst-en fotowerk eindelijk een realistisch beeld kunnen krijgen.

Mooi is het vast te stellen dat de uitgave, uiteraard in Franse redactie, hier in België door "Femmes d'Aujourd'hui" gerealiseerd werd. In 1971-1972, vermoedelijke periode van uitgave, was er blijkbaar geen ernstiger Belgische tegenpartij die de waarde van dit historische werk, onder meer gebaseerd op het gigantische graafwerk van André Frossard wist te waarderen en het wilde verdelen. Niets tegen Femmes d'Aujourd'hui, natuurlijk, maar toch, hoe is het mogelijk, waarom moest dit mogelijk zijn?

John Adams, Charles De Gaulle, Etienne de la Boétie

Een ongelooflijke mengeling van boeken, literatuurgenres en interessevelden hebben vandaag mijn pad gekruist. Ik heb zelden op zo korte tijd zulk een schoonheid van boeken in mijn handen gehad, en er bij gebrek aan tijd en onmiddellijk beschikbare financiële draagkracht slechts een kwart van kunnen meebrengen.

In de Franse uitgeverij bestaat er een reeks, La Pléiade, waarvan ik toevallig een onberispelijk exemplaar onder de ogen kreeg: "Poétes du XVIe Siècle", een ongetwijfeld moeilijk verteerbaar, want in oud-frans geschreven werk op bijbels dun papier, in een klein lettertype dat mijn ogen geen goed doet, is niet iets dat je even mee in de trein neemt om de tijd te doden alsof het om een vlug op te lossen sudoku gaat.

Luister even, lees even mee hoe de aanvang van het "Vers François de Feu Estienne de la Boétie à Marguerite de Carle; sur la traduction des plaintes de Bradamant au XXXII. Chant de Loys Arisote" zeer duidelijk het blijkbaar ook zeer oude zeer van de Francophonie bezingt.

Jamais plaisir je n'ay pris à changer
En nostre langue aucun oeuvre estranger:
Car à tourner d'une langue estrangere
La peine est grande et la gloire est legere.

Als Etienne dan in november 1530 geboren mag zijn in Sarlat en Périgord, hij vertelt aan zijn echtgenote Marguerite de Carle, zuster van Lancelot, en doet dit zoals dichters plegen te doen in versvorm, dat werk vertalen moeilijk en weinig glorieus werk is.

Maar toch is zijn onmiddellijk daaropvolgende verdediging begrijpbaar en te dulden, eerlijk en ondanks de naïviteit aanvaardbaar.

J'ayme trop mieux de moymesmes escrire
Quelque escript mien, encore qu'il soit pire.
Si mal j'escris n'ayant prins de personne,
A nul qu'a moy le blasme je n'en donne.

Si j'ay honneur à cela que j'invente,
De cest honneur tout mien je me contente:
Car de mes vers quelque honneur que me vienne,
Prou grande elle est, puis qu'ellle est toute mienne.
Un bien tout clair je l'aime d'avantage,
Que je ne fais un grand bien en partage.
Aussi pour vray d'un ouvrage viré
Quel grand honneur en peut estre trié?
Le traducteur ne donne à son ouvrage
Rien qui soit sien que le simple langage:
Que mainte nuict dessus le livre il songe,
Et depité les ongles il s'en ronge:
Qu'un vers rebelle il ait cent fois changé
Et en trassant le papier outragé:
Qu'il perde apres mante bonne journee,
C"est mesme corps, mais la robe est tournee:
Tousjours l'autheur vers soy la gloire ameine,
Et le tourneur n'en retient que la peine.

Wat ook de verdere inhoud van deze verzenbrief aan zijn echtgenote moge zijn: Etienne (Estienne, zoals het in het oude frans geschreven werd) heeft in basis gelijk: een werk is maar het werk in zijn oorspronkelijke vorm, taal en stijl. De vertaler, hoe groot vakman hij of zij ook moge zijn, mag niets oorspronkelijks toevoegen aan de vertaling zonder aan de kern van de zaak zelf te raken. Dan is het werk het werk niet meer, maar een bewerking, en hoewel deze niet mag afgekeurd worden als zodanig: de eer blijft aan de "Autheur".

Ik wil graag verder kennis nemen van de intimiteiten die versgewijs door Estienne aan zijn echtgenote zijn toevertrouwd, doch door ze op papier te stellen, zijn ze natuurlijk wel gemeengoed geworden, en ontstijgen ze de ontboezemingen van de vakman aan zijn vrouw, om te worden tot publieke verdediging van een vakprobleem, dat blijkbaar een meer dan nationaal probleem is geworden: mondiaal hebben franstaligen dezelfde moeilijkheid, mondeling hebben ze hetzelfde probleem. Hun taal is heilig, en alles wat niet in het frans is gesteld, moet door de molen.

Dat daarbij de fundamentele stelling van Estienne, namelijk dat er aan vertalen van anderstalig werk weinig eer en veel moeite kleeft, tot gevolg heeft dat vreemd werk enkel door dit oneervolle werk in het frans omgezet kan worden, ontsnapt ook aan hemzelf. De noodzaak tot vertalen bestaat overal, maar specifiek de francofoon heeft grote moeite met het begrijpen van andere talen, en moet dus beroep doen op goede vaklui die deze job willen klaren. En zoals dit overal het geval is: degelijk werk moet door de gebruiker op prijs gesteld worden, en worden geëerd.

Vijfhonderd jaar geleden was er een franse schrijver-poëet, die deze problematiek aansneed, en het is goed hem daarin te volgen. Hoever men wil blijven volgen, moet iedereen voor zichzelf uitmaken. Verre van sneren naar de francofoon te geven, begrijp ik de klacht, en wil niet als rechter optreden, die deze moet beoordelen.

Overigens, probeer dat oude frans eens te lezen, laat staan uit te spreken: zijn naam alleen is reeds zo mooi: de la Boétie wordt uitgesproken als : "de la Boitie, avec le t dur, comme dans ortie). Prachtig toch?

Overigens2. De reeks "Bibliothèque de la Plèiade" is een klassereeks, uitgegeven door Gallimard. Op E-Bay heeft men in de franse versie een aparte rubriek geweid aan enkel Plèiade-boeken, iets wat je nog niet vlug zal zien gebeuren in andere talen. En het boek in kwestie bevat natuurlijk nog een rist andere dichters en poëten, die ik misschien niet volledig zal lezen, maar waarvan toch van elk minstens de voorafgaande levensbeschrijving zal doorgenomen worden. Je weet maar nooit welke aha's weer naar boven zullen wellen.

Zo één aha is de volgende: het woord d'orès werd vroeger door sommige franstaligen op het bureau gebruikt, maar ze konden me niet de oorsprong daarvan verklaren. Eraan verwant is het woord "dorénavant", waarvan ik in dit boek dus wel de verklaring kreeg. (or, ore, ores: aujourd'hui, maintenant, alors. Dès or: dès maintenant. Ore que: maintenant que, tandis que.) Het is dus een oud, misschien middeleeuws woord, of nog ouder, één dat de tand des tijds overleeft heeft. In tegenstelling daarmee staan de woorden: papegault, papegay: perroquet. Het nog steeds gebruikelijke nederlandse woord papegaai leefde dus ook in het frans. Wanneer werden deze geruild voor perroquet? Waarom?

Nieuwsgierigheid is een gezonde ziekte, je gaat er van lezen.
Lezen is een gezonde ziekte, je wordt er nieuwsgierig van.

zaterdag 11 oktober 2008

Kultureel Jaarboek Oost-Vlaanderen

Een even interessante bron van kennis als de literaire gidsen, waarvan ik de West-Vlaamse Gids een paar maanden geleden hier besproken heb, zijn de Kulturele Jaarboeken Oost-Vlaanderen. Weliswaar op een ander niveau.

Het Provinciebestuur heeft reeds lang geleden besloten zijn auteurs van alle slag, die het verdienen door een eminent recencent besproken te worden, een plaats te geven in deze jaarboeken. Het resultaat is een amalgaam van interessante persoonlijkheden, die de revue passeren. Er zitten weer een boel namen tussen, die me tot lezen aanzetten, terwijl ook de louter kennismatige benadering ruim aan bod komen. Maar ook andere onderwerpen, zoals oudheidkundige opgravingen in de provincie, oude huisnamen, historische- en kunst-historische bijdragen, bouwkunst en windmolens komen aan bod. Door toeval zijn die laatste soort van bijdragen in mijn verzameling opvallend afwezig, hetgeen ik echt wel spijtig vind, maar ik vermoed dat deze boeken uit de afdeling literatuur gehaald zijn, en dat de andere onderwerpen ergens anders geklasseerd waren. Spijtig, maar in de jacht van het ogenblik (je bent er niet echt alleen op zo een uitverkoop, reken maar) onvermijdelijk.

Ik was reeds in het bezit van een aantal nummers, voortkomende uit de verkoop van overtollige boeken door de Bibliotheek van Oudenaarde; vandaag heb ik er opnieuw een aantal van dezelfde reeds op de kop kunnen tikken. Ook deze reeks zit vol gaten, maar dat kan de pret niet drukken. Even een opsomming, het zijn alle bijdragen uit de "Nieuwe Reeks":

-nr 1 (1976) Toneelstudio '50 en Arcateater. Brandpunt en uitstraling, door Rik Lanckrock.
-nr 3 (1977) Oost-Vlaamse Literaire Monografieën (Deel I): 't Fonteintje door André Demets; De Vlaamse Poëziedagen door Frank Meyland; Paul De Ryck door Johan Van Mechelen; Paul Rogghé door Daniël van Ryssel; Adolf Herckenrath door R.E.C. Willemyns. (Boek in dubbel)
nr 8 (1978) Oost-Vlaamse Literaire Monografieën (Deel II): Herman Uyttersprot door José De Poortere; Claude van de Berge door Hugo Bousset; Leo Mets door Roger geerts; Adriaan Magerman door Armand van Assche; Daan Bolens door Jan Vercammen; Jan Vercammen door Bert Leyns. (Boek in dubbel)
nr 12 (1980) Firmin van Hecke door Remi van de Moortel; Roger d'Exsteyl door Eddy C. Bertin; Franz De Backer door R.E.C. Willemyns; Jozef L. De Belder door Paul Berkenman; De Duimpjesuitgave van Victor De Lille door Linda De Baere-Weytens. (Boek in dubbel)
nr 13 (1981) Twintig Jaar Teater vertikaal door Rita Passemiers.
nr 14 (1981) Oost-Vlaamse Literaire Monografieën (Deel IV): Valère Depauw door André Demets; Julius Persyn, door Hein Persyn; Riemond Stijns, door Jozef Sarens; Johan van Mechelen door Rudolf van de Perre, Jo Verbrugghen door Car Flanders; Wies Moens door Jan D'Haese.
nr 15 (1981) Oost-Vlaams literair Lexicon, samengesteld door de Provinciale Kommissie voor Letterkunde
nr 17 (1981) Het Lyrisch Toneel te Gent.
nr 19 (1982) Oost-Vlaamse Literaire Monografieën (Deel V): Abraham Hans door Jan Marchau; Frans Sierens door Fernand Handpoorter; Marcel Brauns door Lieven Rens; Gaston Martens door Jo Daems; Wazenaar door Hein Persyn; Maurice d'Haese door Armand van Assche. (Boek in dubbel)
nr 22 (1983) Oost-Vlaamse Literaire Monografieën (Deel VI): Fernand Handtpoorter door Car Flanders; Georges Hebbelinck door Paul van Aken; Christine d'Haen door Rudolf van de Perre; Pieter Magerman, door Michel van den Bossche; Prosper de Smet door Rik Lankrock.
nr 24 (1985) Oost-Vlaamse Literaire Monografieën (Deel VII): John Flanders door Danny de Laet; Marnix van Gavere door Remi van de Moortel; De Cahiers van de Waterkluis (1933-1938 door Stefan Hertmans; Pliet van Lishout door Daniël van Ryssel; Frank Meyland door Rudolf van de Perre; Werner Pauwels door Car Flanders. (Boek in dubbel)
nr 26 (1986) Oost-Vlaamse Literaire Monografieën (Deel VIII): Roland Jooris door Hugo Brems; Jans Schepens door Paul van Aken; Mercel Wauters door willem M. Roggeman; Gaston M. van der Gucht door Walter Giraldo; Walter Haesaert door Fernand Handtpoorter; Yvonne Waegemans door Marita de Sterck. (Boek in dubbel)
Toegevoegd aan dit nummer: Oost-Vlaams Literair Lexicon (Supplement)
nr 27 (1988) De Touwtjes los, de Wereld in. 20 Jaar Teater Taptoe.
nr 31 (1989) Oost-Vlaamse Literaire Monografieën (Deel IX ): Julien Vangansbeke door Daniël van Ryssel; José de Poortere door Aleidis Dierick; Hans Melen door Marcel Brauns; Jzs Murez door Paul van Aken; Leo drieghe door Lode de Visscher; Paul-Gustave van Hecke door Bart de Volder. (Boek in dubbel)
nr 35 (1992) Oost-Vlaamse Literaire Monografieën (Deel IX ): Greta Seghers door Anne Marie Musschoot; Arsenaal door Jan Mertens; Aleidis Dierick door Rudolf van de Perre; Lode De Visscher door Fernand Handtpoorter; De gezusters Loveling door Antonin van Elslander.
nr 39 (1996) Oost-Vlaamse Literaire Monografieën (Deel XI ): Monika van Paemel door Paul van Aken; Armand van Assche door Hugo Brems, Janine de rop door Filip Rogiers; Gery Helderenberg door Rudolf Van de Perre; Omer de Dier door Frans van Campenhout.

Besprekingen volgen, maar het spreekt vanzelf, niet onmiddellijk, en niet volledig.