Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




zaterdag 27 februari 2010

Martin Edwards

Niet langer dan een week geleden heb ik een bloglink toegevoegd in de linkerkolom  van deze nederige schriftuurplaats van een vrolijk schrijvertje. De link is genaamd "Do you write under your own name", en is de blog van een Engelse vriend-crime-auteur. Hij is niet de eerste de beste, en won reeds een mooie verzameling awards met zijn werken.
Het toeval wil nu dat ik in mijn avondlijke zoektochten naar interessante bibliotheken en hun catalogi, uitkwam bij St. Deiniols' Library, gelegen in het Lake District. Dat is een gekende streek voor gevordende literatuurliefhebbers. Menig auteur is daar neergestreken om in de landelijke rust ongestoord, zelfs ongemerkt aan zijn boeken te werken.

De Library zelf is een merkwaardige stichting, door niemand minder dan William Eward Gladstone zelf opgericht. Deze Victoriaanse politicus, die vier maal een mandaat kreeg om als eerste minister het land te besturen, was een persoon die als student in het befaamde Oxford de boekenmicrobe opdeed, en ze levenslang met zich meegedragen heeft.

Hij bouwde een gerenomeerde eigen bibliotheek op, voornamelijk over onderwerpen als Godgeleerdheid, politiek, kunst en wetenschappen. Hij hanteerde daarbij de filosofie dat hij boeken zocht (en vond) om een thuis te geven, en dat thuisloze boeken bij hem welkom waren. Het kon niet anders: op latere leeftijd besloot hij zijn gigantische bibliotheek voor de toekomst veilig te stellen, door ze aan een zelf opgerichte stichting te schenken, en mensen te motiveren zelf ook hun boeken aan deze instelling te geven. De huidige catalogus bestaat nu reeds uit meer dan 250.000 titels, waaronder zijn eigen briefwisseling, die in deze biblotheek bewaard wordt.

Vorige week vernam ik dat Martin Edwards zijn laatste boek, genaamd The Serpent Pool, zou lanceren in februari, en dat is inderdaad ook zo gebeurd. Niet langer dan van gisteren geleden (als je even voorbij kijkt aan de omstandigheid dat ik zoals gebruikelijk de laatste tijd het middernachtelijk uur uit het oog verlies: het is eens te meer reeds morgen) vond de voorstelling plaats. De persoon van Martin Edwards als auteur kan nergens beter weergegeven worden dan op Wikipedia. Ik bespaar me dan ook de moeite om een hoogst onvolledige levensbeschrijving in mekaar te flansen. Op donderdag 25 februari om 8 pm vond dit evenement plaats, en de bibliotheek van St Deiniols was gezien de lokatie van de gebeurtenissen die hij in zijn boek beschreef, een logische en zeer toepasselijke plaats.

Inderdaad, waar kan een jonge vrouw beter verdrinken dan in het Lake District? Drie van zijn voorgaande werken vinden hun verloop ook in die wondermooie streek. In het verhaal gaat de politie tegelijkertijd op zoek naar de moordenaar van een boekenverzamelaar die tesamen met zijn collectie de vuurdood stierf. Het geheel is nog al ingewikkeld ingepakt, met een mix van intermenselijke relaties, en verwijzingen naar Thomas de Quincy en de immer aanwezige schoonheid van het Lake District maken van dit boek een spannende puzzle die slechts in de allerlaatste bladzijden tot oplossing komt.

Het toeval heeft me naar de website van St Deiniols Library geleid, ik wist eerlijk gezegd niet dat het daar zou plaatsgrijpen, maar ik ben blij als een kind met de vondst. Er heen gaan zat er niet in, zover gaat mijn interesse in crime literatuur niet. En een blogschrijver is geen resencent. Maar de bibliotheek krijgt wel mijn aandacht.

Gezien mijn huidige interesse voor de persoon van Thomas More tikte ik in de catalogus deze zoekterm in, en ik kreeg 70 titels die deze naam weergaven.  Dan heb ik nog niet eens geprobeerd de latijnse variant van zijn naam te gebruiken, of alleen maar More. Dus ga ik de volgende week ook eens uitkijken wat zij daar over Erasmus te bieden hebben, en Henry VIII, of Kardinaal Wolsey en zovelen meer.  Louter voor het plezier van het lezen van de titels en de auteurs die zich met deze historische figuren bezig gehouden hebben. Van de boeken hoop ik dat ze me ooit naar deze bibliotheek zullen roepen. Ze mogen ook schreeuwen. Of fluisteren.

donderdag 25 februari 2010

Thomas More, a man for all seasons

Geschreven in de nacht van 24 op 25 februari, voor het slapengaan.

Toen ik een paar weken geleden mijn artikel schreef over Erasmus van Rotterdam, raakte ik ook even op een -toegegeven - synische manier het trieste einde aan van een ander groot humanist, die echter de politiek als levenspad betreden had, en dat in een conflict met de heer en meester, hoofdzakelijk ontstaan uit zijn eigen beginselvastheid en dus trouw aan de RK-Kerk, uiteindelijk met de dood moest bekopen.

Op dat ogenblik had ik niet gezien dat in één van de boeken die zich in die grote aankoop bevond, namelijk de Snoecks 81, een pracht van een artikel stond, genaamd Een man voor de eeuwigheid, geschreven door de gekende journaliste, en hoofdredactrice van het weekblad Brussels Times, Joan Erskine.

De figuur van Thomas More wordt in de levensbeschrijving en motivatie van het artikel van die dame in slechts enige regels geduid. Het luidt als volgt.

De figuur van Thomas More, zegt zij, is op zichzelf boeiend genoeg, maar voor een Nederlandstalig publiek is bovendien zijn band met de Lage Landen interessant, Antwerpen is immers de geboortegrond geweest voor een groot deel van zijn Utopia.

Ik ga het boek meenemen om s'ochtends de lectuur van het artikel aan te vatten. Overdag ga ik een paar fotocopies nemen, hetgeen het lezen zal vergemakkelijken, en als ik een zekere graad van wakkerheid kan handhaven tijdens de terugreis, hoop ik weldra een verslag over dit artikel te kunnen brengen, dat een goed beeld zou moeten geven van de Man die ondanks zijn menigvuldige kwaliteiten voor Hendrik VIII niet meer was als een pion die in zijn globale strategie kon en zou opgeofferd worden. He was a man for all seasons, maar als het veld geen vruchten meer opbrengt die aan de verwachtingen van de boer voldoet, ploegt die het veld drastisch om en zaait andere gewassen. Met ploegen had boer Hendrik geen enkele moeite, zo is gebleken.

Zeg niet zomaar "een kalender" tegen de Snoecks Kalender.

woensdag 24 februari 2010

Korte en andere verhalen

Ooit is het gebeurd dat een verhaal me zodanig in de ban had, dat ik niet achter me durfde kijken uit angst dat het wezen waarover ik las misschien achter me zou staan, wachtend tot ik me omkeerde zodat het me even in de ogen kon kijken alvorens mij gruwelijk te vermoorden.

Het bewuste verhaal was er één uit een reeks van griezelverhalen, die wekelijks in Humo verschenen, en ik kon het niet laten dit weekblad bij de aankoop te doorbladeren om te zoeken naar de titel en de naam van de auteur, en om de inleiding ervan te lezen.

Daarna ging ik aan mijn bezigheden, maar wachtte gespannen af tot de avond viel, om vervolgens naar mijn kamer te ontsnappen.  Daar stond tegen de kachelloze schouw een gewone, oude keukentafel onder mijn Tomado-boekenrekje (jaja, beter was er toen niet te krijgen), een bureaulamp met een flexibele hals zorgde voor een flets licht, de draagbare radio werd na enig experimenteren met de antenne op een rustige post gezet, en dan begon de lectuur. Eerst werd de Humo doorbladerd, op zoek naar foto's van zangers en popgroepen, waarvan de afbeeldingen uit de oude Humo's gescheurd werden en in een map verzameld.  Had ik die foto's nog maar, de jaren zestigkopjes van zowat alles wat drie noten door de strot kreeg zonder vals te zingen waren toen in mijn geheugen gegrift, hun namen zijn nu nog heilig voor mij.

Dan werd de column van Jan Theys, ja ja, de waterrat Jan Theys, gelezen, ze begon steevast met Hi! there, want Jan was natuurlijk een blitse jongen die ondanks zijn toen reeds ietwat gevorderde leeftijd toch nog een aardige kijk op de evolutie van de muziek voor jonge mensen had. Televisieprogramma's werden overlopen, de ernstiger interviews en reportages gelezen, en dan moesten de onzinrubrieken nog uitgepluisd worden. Humo was een rijke bron van informatie, van humor (ooit heeft het weekblad Humoradio geheten, en het aspect humor is alleen maar toegenomen toen een besnord hoofdredacteur-prins carnaval de punten en komma's verbeterde alvorens de teksten naar de drukkerij te brengen) en ... van zowel lectuur als literatuur.

Een niet onbelangrijke reeks korte verhalen heb ik via dit weekblad gelezen, het waren soms echte pareltjes. Zo is toen mijn zin ontstaan om zelf plots te bedenken en tot een goed verhaal te verwerken. Het is nooit wat geworden, op twee of drie verhalen na, die echt wel de moeite waard leken. Ik heb ze toen toch bewaard om er later wat mee te doen, op dat ogenblik kon ik niet bedenken wat ik er mee aan moest om zo iets te laten publiceren.  Ze zijn uiteindelijk tegelijkertijd met mijn dagboek mee de vuurhaard ingegaan, tot meerdere verwarming van de huiskamer.  

En zo gezeten aan mijn keuken-werktafel, is het me overkomen dat ik een echt griezelverhaal las. Eén over buitenaardse wezens bovendien. De radio deed het om de één of andere reden niet. De stilte in de kamer, het fletse licht van de 40W-peer boven het glanspapier, de kilte van de onverwarmde kamer en het gieren van een lichte storm buiten, waardoor de bomen hun takken lieten buigen onder het natuurgeweld, zorgden voor een beklemmende atmosfeer. Ze pasten precies bij de griezelige gangen van het onaardse monster, dat almaar lelijker, wreder en moordzuchtiger werd.

Om redenen die niets met angst te maken hebben, beken ik nu met enig schaamrood op de kaken, nee, ik was helemaal niet bang, ging ik beneden in de warmere, beter verlichtte, meer stormvrije en comfortabeler omgeving van de woonkamer verder lezen. En dat was precies wat ik niet had moeten doen. Ik waande me veiliger in die huiselijke omgeving, tot plots het monster achter zijn slachtoffer ging staan. Ik werd ijzig koud vanbinnen. Angst besloop me. Ik kon nauwelijks nog ademhalen, durfde dat trouwens niet. Ik trachtte met mijn oren te zien wat er achter mij gebeurde, en toen ... miauwde de poes.

Mijn hart sloeg over. Het ging wild aan de haal, als een stampede zonder runderen. Gelukkig kwam ik snel met beide voeten terug op aarde. Ik brulde van het lachen, deels uit opluchting, deels uit schaamte, deels omdat het zonder meer ook grappig was.  Er waren ook geen toeschouwers die mijn uitbarsting rechtstreeks meemaakten.  Alleen mijn moeder kwam vanuit de keuken even achter de deur kijken wat er gaande was.  Ja, de Humo, gigantisch, he ma. Dat was alles wat ik als verklaring gegeven heb voor het moment uit mijn zeventiende jaar, waar ik ook het meest beschaamd over gebleven ben. Ma stapte terug naar haar kookpotten, zuchtend neem ik aan over die zorgeloze jeugd die niets beter te doen had dan zitten lachen in een zetel met een flodderweekblaadje in de hand, en ik las opgelucht het verhaal in één ruk uit.

Deze korte inleiding was nodig om twee boeken naast mij tot leven te laten komen, en beide zijn ze tot de nok gevuld met korte verhalen. Het ene heet 26 nieuwe verhalen van ... en er wordt een keure van namen naar voren gebracht, die elk de vrucht van hun pennen (of typmachines) mogen voordragen. Onder meer Benno Barnard, Jeroen Brouwers, Boudewijn Büch, Maarten 't Hart, Mensje van Keulen, Tessa de Loo en Cees Nooteboom staan op het menu. Kan leuk zijn.

Het andere is van Reader's Digest, en is van een internationaler allooi. Hoewel, volgens onzetaal.nl mag ik het woord allooi in deze betekenis niet gebruiken. Ik laat de redacteur kort aan het woord: "Van Dale geeft het voorbeeld poëzie van beter allooi: van hogere waarde. Allooi wordt echter vaak gebruikt om iets negatiefs aan te duiden ...". Wikken en wegen dus. Hier vinden we naast John Steinbeck ook Godfried Bomans, Oscar Wilde, Anton Tsjechow, Pearl S. Buck, Guy de Maupassant, Aldous Huxley, Leo Tolstoi, Graham Greene, Nadine Gordimer, Irwin Shaw, Mark Twain en nog een keure van andere grote namen. Meer dan 400 bladzijden heerlijke lectuur voor in de trein, en dat is nog maar deel I. Ik hoop ooit deel II te vinden, en als ze bestaan ook de verdere delen. Als er maar geen buitenaardse monsters in voorkomen. Hoewel er ook betrekkelijk weinig poezen meerijden. En die verrekte Humo, die lees ik al jaren niet meer.

maandag 22 februari 2010

De laatste show

Er zijn dames, die graag voor bekende Vlaminge doorgaan, maar die doorgaans weinig te vertellen hebben.  Tot nog toe heb ik Pascale Platel met volle overtuiging in die categorie geplaatst, en haar op een voetstuk gezet.  In haar categorie. Het mens dat niets te vertellen heeft, en dat ook niet in staat is op een behoorlijke manier te praten: zij gebruikt een oervervelend dialect-doordrenkt taaltje, met de gebruikelijke hebbekiks en degijs, en kan een g niet van een h onderscheiden. Helaas, onze bekende Vlamingen van de laatste jaren kunnen niet meer anders. Het wordt hen door de leraren op school voorgedaan, en als je scholieren iets aanbiedt dat eerder fout is, dan bootsen ze het allemaal met graagte na. Spijtig toch, daar Gezelle het nog zo mooi zei: De Vlaamse taal is wonderzoet, voor wie haar geen geweld aandoet. Moar om azo te spre'n moettekik te vele noaden'n.

Vandaag, daarnet, terwijl ik dit hier zit te typen, vertelt zij iets over boeken.  Daarvoor is er een speciale rubriek voorzien, en op het einde gaat één boek onverbiddelijk in de versnipperaar. Ze kiest daarvoor een boek dat zij verafschuwt, omdat er veel ingevoerde documenten in voorkomen, en omdat het gewelddadig is. Dat is allemaal haar goed recht, en ik zeg dan ook geen kwaad woord.

Integendeel, zij heeft hier heel even bewezen dat ze meer doet dan alleen maar zoeken naar een uitzonderlijk, een speciaal onderwerp, om daar even een wissewasje mee doen.  Iets nietszeggend, dat haar voornamelijk op het scherm brengt. Maar deze keer kan ze me even bekoren. Ze construeert elke dag een woord van de dag, zo blijkt. En zo heeft ze door combinatie van twee woorden toch wel een paar mooie vondsten gedaan. Aldus is het woord "Borstvoeling" ontstaan, best grappig, toch. Een paar andere voorbeelden waren al iets doordachter. Doordenkertjes, die ook inhoud hebben, dus. Niet alleen Pascale is daarmee bezig op facebook, webgluur maar eens naar een verzameling woorden die door dotatie van het luisterpubliek bijeengebracht zijn.

Maar ze was niet op haar best toen ze een boek van Paul Coelho wou voorstellen. Ze kon de naam niet correct uitgesproken krijgen, en meestal kun je zoiets wel afdoen als een lapsus van de gast in kwestie, maar deze keer was er toch echt hulp nodig van de presentator. Tot daar, mijn geheugen is ook niet als polsstok bruikbaar. Maar toen ze zei dat dit boek echt goed was hoor, een echte bestseller!, gingen mijn haren overeind staan.  Ik heb ooit een tirade afgestoken tegen het kopen, en zeker tegen het lezen van bestsellers, omwille van het feit dat het bestsellers zijn. Heerlijk moment: de presentator diende messcherp van repliek: "Ik vond het maar niets. Na vijf bladzijden heb ik het in een hoek gegooid." Goed zo, Michiel, de verkoopcijfers zeggen enkel iets over de kuddementaliteit van de overgrote meerderheid van het lezerspubliek. Ze zeggen niets over de kwaliteiten van het boek.

Ik ga Pascale naast de Rosse van K3 zetten: vol goede bedoelingen, maar het moet beter kunnen. Toch ook nog even een sneer naar de programmamakers van Woestijnvis. Zij hebben een leger redacteurs, waaronder een paar stevige namen. Maar waarom wordt er door sommigen in het personeelsbestand van dit soort van programma's geen beroep uitgeoefend, dat als doel heeft de gasten een beetje beter te screenen en voor te bereiden? Een aantal mensen zijn behoorlijk taalvaardig, en kunnen beslist zonder. Maar anderen kunnen een streepje ondersteuning wel gebruiken. Foutjes zoals de naam van de auteur van het boek dat je Geweldig noemt niet kunnen uitspreken, is echt wel fout voor een BV die aan de zelfde kant van die auteur staat: hij zowel als zij leven van hun bekendheid, en zullen dus wel het belang van naambekendheid inzien, en het aangename van een correct uitgesproken eigen naam op prijs stellen. En dit soort van fouten maakte onze Rosse net even graag als Pascal dit nu deed, in dezelfde show. Wouter, doe er wat aan!

Een verzorgde taal is altijd een naamkaartje: een boodschap uitdragen op de scène doe je niet op dezelfde wijze als in de sofa van een praatprogramma. Enkel spuiters als Geubels en Urbanus kunnen zich de vrijheid veroorloven hun typetje mee te sleuren, maar dat ontbreekt nu net bij anderen: zij zijn meestal geen spuiters, maar bijvoorbeeld acteurs, of zangers of wat dan ook. En dus moeten zij in staat zijn de twee kanten van hun leven een correct gezicht te geven.

zaterdag 20 februari 2010

Poëzie, predikanten en old timers

Toch nog even de tijd nemen om wat poëzie ter hand te nemen. Tijdens mijn laatste aankoop lagen ze voor het rapen, en dat heb ik dan ook maar gedaan. Alleen heb ik nog niet de tijd gehad ze ook te lezen. Daarom slechts deze opsomming, zonder dat ik er ook maar iets kan over zeggen. Alleen het uiterlijk van de boekjes komt aan bod, de inhoud is voor later of nooit.

Van Annie Reniers heb ik Buitenholte vastgekregen, bij Orion - Colibrant uitgegeven in 1980.
Van Francine Notteboom: De kring rond de maan, uigegeven in de Yang Poëziereeks als nummer 15. Met opdracht en handtekening van de dichteres.
Het Davidsfonds gaf ook een Poëziereeks uit, en zonder de minste fantazie heet dit boekje: Gedichten 70. Samenstellers Jos de Haas en Hubert Van Herreweghe. Bevat grote namen, maar ook grote poëzie?
Een lange droefheid als de avond valt, van Kris Geerts, uitgegeven als Poëzie 79, bij Orion - Colibrant.
Rozenschijn en Manegeur. Roland Vandenbroucke heeft me een zeldzaamheidje in de handen gespeeld, aangezien het om een private uitgave gaat, waarvoor hij ook de omslag ontworpen heeft. Mark Galle schreef een voorwoord. Mei 1983.
En "Ons kerkje", een gedichtenbundel van Albert Verheyen uit waarschijnlijk 1997. Het allereerste gedicht leert ons dat het gaat om het kerkje van St.-Goriks. Mooi verzorgd, voor de tijd reeds ouderwets uitgevoerd, zonder computer, met lay-out die wel nog kon gedaan worden voor een gezellige IBM met verwisselbare kop. Ken je ze nog?
Halfpoëzie bestaat blijkbaar ook. Dr. W. Lutjeharms, in Horebeke een welgekend Protestants prediker, heeft zijn eigen levensverhaal op papier gezet, en een diagonale lectuur leert me dat de man een welgevuld leven gehad heeft. Maar nooit gezien in een autobiografie, telkens wanneer men een blad omslaat, staat op de linkerkant een gedicht, rechts gaat de lopende tekst gewoon door. Soms is het geen Poëzie, maar een familiefoto, of een afbeelding van een schilderij, maar telkens is het poëzie van zijn hand. Deze werken zijn uiteraard in grote mate door zijn godsdienstige strekking gekleurd, maar toch altijd leesbaar, en een overweging waard. Aangezien hij een tijdlang in Horebeke, hier niet zo ver vandaan, en tijdens de oorlog te Kortrijk gewoond heeft, is hij een figuur waar het altijd wel goed van is er wat meer over te weten te komen.

Heb ik iets met poezen? Hier nog een poezenboekje, dat ik speciaal meegenomen heb vanwege het onderwerp. Ook nog niet gelezen, maar het ligt voor de hand dat ik een vergelijking wil maken met mijn twee vorige poezenboekjes, die ik op totaal verschillende wijze op prijs gesteld heb.  Ga ik hier nu bij mezelf een derde mening moeten vaststellen, of zou ik het boekje bij één van beide kunnen laten aansluiten? Angèle Dalschaert liet het boekje bij Sanderus Oudenaarde uitgeven in november 1972.

Tot daar de poëzie, nu een beetje lectuur: niets minder dan de catalogus van de autocollectie van niemand minder dan Gh. Mahy, zeker in België gekend als dé specialist van de old timers. De catalogus dateert nog van de tijd dat de collectie zich in het provinciaal automuseum te Houthalen bevond. Deze is ondertussen naar het Wintercircus Te Gent getrokken, en ik durf eerlijk gezegd niet te zeggen waar ze zich nu bevindt.

Na een voorwoord vallen we onmiddellijk in de oude wagens, en met enige trots stelt hij eerst de Belgische modellen voor. Wie kent de namen: Vivinus, Fondu, Minerva, F.N., Nagant, Piedboeuf (!) en Imperia nog?

Ik zie al vraagtekens bij Piedboeuf, en stel me de taak uit te zoeken of we te doen hebben met dezelfde familie die in het Luikse gekend staan of stonden als de brouwers, die nu onder de vleugels van een zeer grote brouwerij (AB Interbrew) bijna naamloos geworden zijn, maar vroeger een zeer goede reputatie hadden? Zeer mooie nostalgie. Een kleine zoektocht levert alvast de naam van de Familie Van Damme op als stichters van brouwerij, maar dat sluit niet uit dat de naam Piedboeuf toch van ergens moet komen. En het is een familienaam.

Michel De Baere

Het Nieuwsblad - Gemeente Destelbergen: 'Heusden is fel veranderd'

Eerder in deze blog heb ik het gehad over de auteur van een boek over de gemeente Heusden bij Gent. Ik plaats dan ook graag de link naar een krantenartikel, waarin iemand op zijn manier dit onderwerp heeft aangepakt.

In mijn eigen artikel heb ik een beschrijving gegeven van "Heusden in woord en beeld" van Michel De Baere, hierboven in het artikel van het Nieuwsblad van 18 februari 2010 vernoemd bij de verfilming tot een kortfilm over Heusden. Dit is een mooie aanvulling.  Misschien kom ik nu toch nog wat te weten over de figuur van de auteur en kunstenaar.

vrijdag 19 februari 2010

Cave canem !

Waar Louis Gonnissen in de buurt was, daar werden radio- en televisiestudios omgetoverd tot sluipende dierentuinen. De aanstichter van al dat dierenplezier was niet zelden die andere held, Jos Ghysen, meesterverteller, steeds met twee ingrediënten om de zaak levendig te houden: menselijkheid en humor.

Was Jos dan een meesterverteller, Louis was dat zeker.  Meer nog, hij was een wetenschapper die van zijn hobby zijn beroep gemaakt had. En dat niet alleen, die hobby droeg hij uit, en je moest al van hout gemaakt zijn om al zijn smeuïge, met een lekker maaslands accent gekruide verhalen over kiekens, tijgers, chihuahua's of przwalskypaarden onbeluisterd of onbekeken aan zich te laten voorbijtrekken.

Jos en Louis hebben mekaar leren kennen toen ze in 1938 op dezelfde dag aankwamen in het internaat van Mechelen-aan-de-Maas, waar ze samen school liepen, vriendschap sloten voor het leven, en zoals Jos Ghysen het later zou uitdrukken, door de Duitsers bevrijd werden. Jos namelijk zag het internaatleven zo niet zitten, en snakte naar de vrijheid, die hij in het voorjaar 1940 op een schenkblad aangereikt kreeg van de Duitsers: alle kinderen werden naar huis gestuurd.

Beide mannen zijn hun eigen weg gegaan, Jos is leraar geworden, en doceerde talen, maar zag meer in het artistieke trekje van het radiomaken, beroep waar hij min of meer in gevallen is, maar dat hij tot een kunst verheven heeft, Louis werd ook een leraar in de wetenschappelijke richting, die al vlug merkte dat hij op zijn best was als hij de natuur in zijn juiste perspectief kon stellen, en dat bij voorkeur kon doen met practische voorbeelden voor een levend publiek.

Beide schreven ook een mooie portie boeken, de ene noemde zijn schrijfsels stukjes, toen hij bemerkte dat zijn pogingen om romans te schrijven toch nooit een nieuwe Elsschot zouden opleveren, en hij alleen nog maar schetste in plaats van te schilderen.  Die bekwaamheid in het schetsen heeft hem in Vlaanderen groot gemaakt, en bovendien voorzag hij ze nog van een andere dimensie door diezelfde stukjes met zijn lijzige overgeïntoneerde en daardoor net zo gevoelvolle voordrachtkunst zowel op podium als voor de radiomicrofoon tot kunst te verheffen. 

Louis bleef meer een nuchtere wetenschapper, maar hij voelde al snel aan dat hij zijn boodschap nog beter kwijt kon als hij het klankbord van zijn jeugdvriend kon gebruiken om door middel van een quasi onvoorbereid gesprek zijn publiek een veelheid aan anecdotes en weetjes aan te bieden.

Onvermijdelijk werd ook het boek als medium voor de verspreiding van zijn boodschap gebruikt, die voor de aandachtige luisteraar onveranderlijk was: de mens is slechts een klein onderdeeltje van de natuur, dus laten we niet zoveel naar onszelf maar wel naar de dieren kijken, die hoe langer hoe minder het recht krijgen hun natuurlijk leven te leiden.

Hij schreef een prachtboek, 10.000 jaar huisdieren, uitgegeven in 1995 bij het Davidsfonds te Leuven. De omslagfoto is een detail uit Rubens' De verloren zoon, en we zien een boer en boerin hun vee verzorgen: illustratief voor het werk dat de mens verricht heeft om dieren tot nut aan te wenden, en daarbij bestudeerd kweekt: het type rund of varken zou in de huidige landbouwomgeving geen enkel succes meer hebben. Daar zijn dan weer 500 snelle jaren overheen gegaan. Als de evolutie traag elk vlekje op de huid, de plaatsing van ieder pen en pluim aan de staart uitgeprobeerd heeft, heeft de mens met bestudeerd kweken een afstamming voor pakweg varkens op papier gezet, waarbij de bijbelse stamboom van de Zoon een lachertje is. Daarmee bewijzen wij waarschijnlijk het best dat wij de verloren zonen zijn van de schepping, de varkens alleen maar de slachtoffers van die zonen.

Louis vertelt honderduit over allerhande dieren en hun herkomst, hun levenswijze en hun nut of onnut voor de mensheid. Bruine rat of zwarte rat? Ze zijn zeer verschillende wezens, die genetisch nauwelijks van elkaar afwijken. En uiterst intelligent. Waarom hebben konijnen in onze kontreien de haas verdrongen? Wat zijn honden nu eigenlijk? Dom of slim? Is de struisvogel ons laatste voorwerp van domesticatie? Hoe zal dat beest er dan binnen twee-of driehonderd jaar uitzien, als we onze inspiratie op hen loslaten zoals wij het met runderen en varkens, kippen en honden gedaan hebben?

Het is een intrigerend boek, met prachtige illustraties, geschreven door een vriendelijke vaderlijke figuur, die in 2007 overleed. Zijn zoontje Steven mocht jarenlang in een radiokwis de spaarpot van Jos Ghysen laten rinkelen, waarna Jos zijn historische woorden uitsprak: had kunnen geweest zijn: vijf dagen Zwarte Woud.

Beide mannen waren vrienden, en Jos heeft zijn vriend een laatste eer betuigd via zijn blog. Lees zeker dat zeer oprechte document, waarin een twintigste eeuwse dichter zijn Egidius bezingt. Het zijn wondermooie afscheidswoorden.

In dezelfde atmosfeer heb ik bij dezelfde aankoop een  handleiding van Eukanuba gekocht, genaamd: Make a good dog great. Eukanuba is een bedrijf dat dierenvoeding en -accessoires verkoopt. Zij hebben via een fishensysteem een gegevensbestand samengesteld dat de liefhebber helpt via een stap-voor-stapmethode zijn pup op te voeden, te verzorgen en te trainen. Gekocht om een vriend-hondenliefhebber een pleziertje te doen.

De twee uitersten ontmoeten elkaar: de wetenschapper die tracht respect voor de natuur bij te brengen, het bedrijf dat tracht uit de natuur zijn winst te halen. Noch de één noch de ander heeft het grote gelijk aan zijn kant. Het grote gelijk bestaat niet. Zo kunnen ook twee vrienden een gemeenschappelijke weg afleggen in het leven, en elk op hun manier met respect voor mekaar bijdragen tot mekaars succes.

woensdag 17 februari 2010

Thor Heyerdahl

Een van de figuren die mijn jeugd ook kleur gegeven heeft, is Thor Heyerdahl.  Toen er op het land niet echt veel meer te ontdekken viel, en de romantiek van de lange en gevaarlijke tochten dus uit de boeken moest gehaald worden, die reeds gingen over de grote 19de eeuwse kleppers zoals Stanley, Livingstone, Richard Burton, Speke en Grant, maar ook Lewis en Clark had ik al gehad, toen viel er door een toeval een nieuw gebied voor me open.

Op zee zijn ook grote ontdekkingstochten gemaakt, en het is op zijn minst verbazend te noemen dat de heer Chuck mijn pad in die tijd nooit gekruist heeft. Charles Darwin heeft mij pas op het einde van mijn middelbaar zover gekregen dat ik me aan zijn werk interesseerde.  Maar over zijn eigenlijke tochtmet de Beagle, die toch een leuke vijf jaar geduurd heeft, wist ik nauwelijks wat.  Vooral zijn wetenschappelijke besluiten interesseerden me, maar de lectuur van "The origin of species..." was zo vervelend, dat ik het in die tijd nooit doorworsteld heb;  dat is veel later slechts gebeurd, en dan nog met een reusachtige inspanning, die ervoor gezorgd heeft dat ik het werk wel gelezen heb, maar eigenlijk nauwelijks verstaan.

Maar tijdens twee opeenvolgende vakanties ben ik op verlof gegaan in De Panne, en daar heb ik leren zeilen. Daar ik een fervent lezer ben, of was, lag het bijna voor de hand dat ik de weinige vrije tijd, die we voor onszelf kregen, doorbracht met te snuisteren in het kleine bibliotheekje dat voor de gasten ter beschikking stond. AEP, in samenwerking met BLOSO richtte de zeilvakanties in, en zorgde voor een degelijke theoretische onderbouw door middel van cursussen. Overdag leerden we zeilen, 's avonds werden we in de theorie ondergedompeld. Ik vond het prachtig, maar mijn grenzen liggen iets dichter bij mezelf dan dit bij anderen het geval is. Als de cursussen voorbij waren had ik het nodig wat tijd voor mezelf te hebben, exclusief graag, terwijl de anderen dat laatste uurtje gebruikten voor kletspartijtjes, dans en muziek. Ik ontdekte de bibliotheek, en na een korte vogelvlucht haalde ik er twee boeken uit, die de rest van die vakantie bij mij gebleven zijn: een handboek over zeilen, dat ik diagonaal controleerde aan de hand van de theorielessen, en dat ik zonder nadenken in me opnam, en een ander boek, dat me levenslang zal bijblijven: Kon-Tiki van Thor Heyerdahl.

Met de zaklamp onder de lakens heb ik de eerste hoofdstukken verslonden, omdat het uurtje voor het taptoe (we sliepen in de half-verlaten kazernegebouwen van de militaire basis te Lombardzijde, dat eerste jaar) te kort was om het hele boek enkel 's avonds te kunnen doorworstelen.

Maar worstelen was het niet: er ging een ongekende wereld voor me open: een man van een onduidelijke, Noordelijke afkomst, die ook nog een wetenschapper bleek te zijn, vatte het plan op om vanuit Zuid-Amerika, Peru dacht ik, naar de Oceanische eilanden te varen op een vlot van balsa-hout.  Weet je wel, balsahout is dat zeer lichte hout waaruit zeer veel Zuid-Amerikaans beeldhouwwerk gemaakt is, en dat in Wereldwinkels en door Zuid-Amerikaanse indianen-marktkramers aan de man gebracht wordt. Een hele boomstam wordt door twee potige mannen op de schouders honderden meter verder gebracht, zonder schijnbare inspanning. Maar het heeft één groot nadeel: het slorpt kolossale hoeveelheden water op, en het vlot heeft maar een beperkte levensduur. Opletten dus voor de reisduur...

Ik gleed in het verhaal, was weldra één van de bemanningsleden, en liet er mijn slaap voor om te weten hoe alles verliep. Zowat een drietal jaar geleden heb ik het verhaal van zijn bezoek en exploratie van het Paaseiland gelezen, en hoewel de atmosfeer duidelijk anders was, verdronk ik opnieuw in deze avontuurlijke onderneming. Heyerdahl is een natuurtalent als het op vertellen aankomt.

Gisteren heb ik van Tone Brulin het experimenteel toneel uit 1969 gekocht, genaamd Kon-Tiki, dat ook over die fameuze tocht gaat. Het is een flinterdun boekje, speciaal voor schoolgebruik gemaakt, waarbij aan de regisseur de vrijheid geboden wordt nog te knippen in de tekst als het allemaal te lang of te verward wordt. En je moet geen moeite doen om verloren te lopen in  dit toneelstuk: er zijn geen met naam genoemde personnages, je moet dus de tekst echt bestuderen om je jongen terug te vinden. Maar de bewerker van dit boekje heeft die klus wegens de educatieve doelstelling zelf geklaard, en nummers achter de onbenoemde personages gezet.

Het begin is dan ook een soort van voorstelling.

één zegt: Hallo, mijn naan is Thor Heyerdahl. Ik ben een Viking.
twee zegt: Ik ben ook een Noor.
drie zegt: Ik ook.
vier zegt: Ik ook.

De kinderen spelen dan het verhaal van Thor Heyerdahl na. Als een uitdaging. Ze willen naar Tahiti varen, waar Heyerdahl reeds geweest was, en uit gesprekken met een oud stamhoofd geleerd had dat sommige legenden spraken van mensen die hier vanuit een ongekend land aangekomen waren op houten vlotten. Indianen uit Peru.

De antropoloog Heyerdahl heeft dat inderdaad onderzocht, en bewezen dat de theorie van de overtocht fysiek mogelijk is. Of met andere woorden, misschien heeft een deel van de bevolking van Peru op zeker ogenblik zijn heil gezocht in een vlucht over water naar een onbekende bestemming: de verdrinkingsdood, of landen op een eiland, waarvan ze niet wisten of er veel gastvrijheid, en levensruimte of -mogelijkheden zouden zijn. Wat kan er aan de basis van een dergelijke verscheurende keuze gelegen hebben? Liever verdrinken dan de dood door wapengeweld door een wrede vijand? Dat zulks een wanhoopsdaad moet geweest zijn, daar kun je van op aan. Het avontuur pur sang. En dat heeft Heyerdahl overgedaan.

Het toneelwerk zal me niet veel over de onderneming bijbrengen. Het gaat vooral over de literaire bewerking van iets dat kleur gegeven heeft aan een jeugdvakantie. Maar ik vind het wel mooi om te hebben.

Maar dit valt meer voor: wanneer ik snuister tussen de boeken, vind ik dikwijls andere boeken die op één of andere wijze aansluiten bij een vorige vondst. En dus heb ik hier eveneens liggen, van dezelfde avonturier-wetenschapper: het boek Tigris, ook van Thor Heyerdahl. In dit boek beschijft hij zijn zoektocht naar de oorsprong van de mensheid zelf, maar dan in Bijbelse zin. Niets minder dan de Hof van Eden ligt namelijk gesitueerd in het gebied op de grens van Iran en Irak, aan de boorden van de oude Tigris en Eufraat.

Als je de kaart goed bekijkt, zie je dat de uittocht vanuit Ur naar het Beloofde Land vergelijkbaar is met die naar en van Egypte. Maar het moet een tocht geweest zijn die gemakkelijk te plannen was: de vruchtbare sikkel was gekend, en om er te komen hoefden de reizigers slechts de Eufraat stroomopwaarts te volgen, om vanaf Madan de vruchtbare sikkel in te duiken.

Die tocht is bepalend geweest voor het ontstaan van de drie grote wereldgodsdiensten, namelijk de oude Joodse godsdienst, het daaruit geboren Christendom, en de jongste telg van die stam de Islam, die ook hun mosterd bij Abraham ofte Ibrahim gehaald hebben.

Ik wil beslist dit werk lezen, om over zijn mening, zijn analyse van de gebeurtenissen en zijn bevindingen te leren. Het is weer een absolute "dit moet ik lezen". Ik ben benieuwd. Het boek is ook gestoffeerd met een keure van kleurfoto's. dat maakt het nog een stuk aantrekkelijker.

Toegevoegd op 10 maart 2010: bij het bekijken van één van de afleveringen van de reeks "Beagle, In het kielzog van Darwin", heb ik helaas geleerd dat Heyerdahl wel een reusachtige inspanning gedaan heeft om zijn theorie te bewijzen, maar dat genetisch onderzoek op de inwoners van de Oceanische eilanden dus Aziatische wortels heeft aangetoond. DNA-onderzoek heeft dit onmiskenbaar bewezen.  Zo zie je maar dat een avontuur uit de jaren 50 een theorie opgeleverd heeft dat de verplaatsing beslist mogelijk was, maar dat de bevolking niet vanuit Zuid-Amerika kon overgekomen zijn, op een paar toevallige voltreffers na.

Mijn besluiten zijn tweevoudig. De theorie klopt niet, maar de mogelijkheid was realistisch, in het kader van de toenmalige onderzoeksmogelijkheden en -methoden. Wetenschappelijke theorieën mogen maar leven tot een ontegensprekelijk betere theorie de oude wegveegt. Heyerdahl, zelf een wetenschapper, zou er niet om wakker mogen gelegen hebben.

En anderzijds is de lectuur van zijn vele avonturen een onuitwisbaar deel van mijn leesziekte en jeugd. Dat neemt men mij toch niet af.

Nonkel Bob

Op 3 januari 2009 heb ik het geschreven, en gisteravond is het bewaarheid: ik heb mijn tranen niet kunnen bedwingen, toen ik op het nieuws van 11 uur hoorde dat Bob Davidse, gewoon Nonkel Bob dus, overleden is na een korte ziekte. En in plaats van een kort In Memoriam hier op mijn blog te plaatsen, heb ik een eerder emotionele getuigenis afgelegd over mijn agnostische opvattingen. Alles wat ik geschreven heb, werd beïnvloed door een dichtgesnoerde keel, en tranen die ik schaamteloos liet vloeien. Dat dit bericht dan ook op vandaag gedateerd is, doet er niet toe. Het is gisteren aangevat, onmiddellijk na het radionieuws.

Nonkel Bob was voor mij, en dat durf ik hardop te zeggen, een held, en kerel naar wie ik opgekeken heb. Tesamen met Tante Paula, later Tante Ria en uiteindelijk de onvergetelijke Tante Terry heeft hij aan de BRT, aan de drie medepresenterende dames en aan ons een gezicht gegeven. Zij hebben elk op hun beurt aan hem het gezicht gegeven dat aan gans Vlaanderen bekend is: de man met de golvende, lichtjes en steeds meer grijzende haren, de man met de zware stem, die ons froezelpapieren kunstwerkjes leerde maken, die ons bezighield op allerlei grappige manieren, die ons vooral, bovenal, leerde zingen. Samenzingen. Zijn boekjes zijn wereldberoemd in Vlaanderen, en één op de twee gitaristen die vandaag een beetje van mijn generatie zijn, hebben de akkoorden uit zijn eenvoudige boekje gehaald, en zichzelf daarna verder bekwaamd. Ze staan vandaag nog steeds op de eerste rij.

De naam van Bob Davidse kan en kon in Nederland wel voor enige verwarring en onbegrip zorgen. NONKEL Bob. Ik herinner me nog een bladzijde op Wikipedia, waar een stel Nederlanders een oeverloze discussie aanging omdat ze Nonkel geen Nederlands woord vonden, en als Nonkel Bob dan wel een "lemma" mocht zijn in Vlaanderen, dan moest er toch de nodige uitleg komen over de afkomst van het woord "Nonkel", want anders zou men dat niet overal begrijpen! Ondertussen is er in Vlaanderen nog een bekende nonkel op het scherm gekomen, Nonkel Jef, de wat simpele man met een zwaar Kempisch accent. De inwoners van de Nederlandse provincies Limburg en Brabant hadden er minder moeite mee, maar hogerop werden toch verbaasde vragen gesteld, en om uitleg verzocht hoe het kon dat een Oom Nonkel genoemd werd. Ome Bob? Nee, we hebben moeten duidelijk maken, dat het desnoods Chinees kon zijn, maar het was geen eretitel, zoals een kind zijn oom aanspreekt, het was zijn naam geworden. En namen zijn onveranderlijk. Zelfs Ome Willem werd erbij gehaald als voorbeeld om aan te tonen dat wanneer de Nederlandse kat van Ome Willem op reis geweest was, diezelfde meneer in Vlaanderen ook Ome Willem was, en wij hier dus maar bezwaarlijk konden zingen van : "De kat van Nonkel Willem is op reis geweest..."

Vergeet het. Het was een hilarische discussie, maar wees gerust, hij is onze Nonkel Bob, nee, hij was mijn Nonkel Bob, de mijne alleen, en gans Vlaanderen denkt er net zo over. Hij is van ons, en van mij, van mij alleen en van ons allemaal.

Ik ben even op zolder geweest, en heb er een paar boeken vanonder het stof gehaald.  De fraaie gekartoneerde boeken die door de BRT werden uitgegeven, zoals later ook de boekjes van Schipper Mathias, van Johan en de Alverman en van Kapitein Zeppos, maar ook van Fury, en weet ik veel van wat nog uitgegeven werden, liggen nog op menige zolder en rommelkot in dozen verstopt. Hier en daar staan ze zelfs nog gewoon in de bibliotheek van de ondertussen volwassen lezer en boekenverzamelaar. Naast de boeken van Karl May, naast die fameuze reeks boeken waarvan ik de naam niet meer weet, maar die dus getekende versies waren van de grote werken uit de literatuur. Niet zo heel lang geleden heb ik ook nog een exemplaar van Manko Kapak teruggezien, maar het was in zulk een slechte staat dat ik het maar gelaten heb waar het was. En wat is er geworden van het Geheim van Killary Harbor? (Daisy, een stukje ete!) We zullen ze nog wel eens ter hand nemen.

Nonkel Bob zal de komende dagen nog een paar keer herdacht worden, heb ik zopas vernomen. Een heruitzending van een overzicht van zijn loopbaan van ergens in de jaren '9O, en nog een speciale herdenking. Als ik kan, kijk ik natuurlijk.

David Davidse, zijn zoon, en ook de familie Davidse krijgt bij deze mijn deelneming aangeboden. Maar ook de zovele echte bewonderaars, waarvan niet de minste zijn: Bart Peeters en Ben Crabé, en alle lieve kijkertjes van destijds, mogen daar in delen.

In mijn Blumengarten staan een paar sneeuwklokjes die nu hun kopjes boven de sneeuw uitsteken. Ik hoor hun melodietje klinkklainken: Vrolijke, vrolijke vrienden...

donderdag 11 februari 2010

netwerken

Blogs zijn onderdeel van Het Netwerk. En netwerken moeten we allemaal, als we iets willen bereiken. Alleen doe ik het nooit.  Maar nu ga ik het even toch doen. Omdat de gelegenheid zo mooi is.

Het toeval wil namelijk dat ik hier voor me de Kroniek van Utrecht liggen heb, de Beknopte Geschiedenis van de Domstad in Jaartallen, door R.A. Hoogland Sr. Het gebeurt maar zelden dat ik dergelijke werken ter hand neem, omdat ze in hun uiterlijk zo toeristisch zijn, en de indruk wekken veel info in een goedkope verpakking te willen verkopen tegen een meestal te hoge prijs. Maar toch...

Utrecht is een voor mij zeer onbekende stad, waarvan ik wel de toenaam "Domstad" ken, waarbij ik ook het woord Dom weet te plaatsen, zodat ik niet de indruk geef dat ook nog te zijn. En dan is een chronologische opsomming van gebeurtenissen, feiten en namen, in een korte duiding, lekker meegenomen. De naam van de stad, Ultrajectum, met dezelfde wortel dus als die van Maastricht, was me voorheen nooit verduidelijkt: enerzijds kun je niet alles weten, anderzijds ben je er gewoon niet op voorzien om pakweg de etymologische wortels van de naam van om het even welke plaats na te gaan.  Dat doe je pas wanneer daar enige aanleiding toe is, of wanneer het toeval je bij de oplossing brengt, en de vraag dus na het antwoord bij je opkomt.

Zo zal het niet vlug gebeuren dat ik me, in de trein gezeten met gesloten ogen de rust overmeesterend die me overdag onthouden wordt door enige beslommeringen van financiële aard, waarvoor ik maandelijks een lichte vergoeding ontvang en die me het recht geven de titel van ambtenaar met waardigheid te dragen, dat ik me afvraag waar nu in hemelsnaam de naam van de gemeente Erps-Kwerps, dan wel Zichen-Zussen-Bolder of St.-Jan-in-Eremo vandaan komt. Nog minder hebben Utrecht, Zaltbommel of Overflakkee me tot wakkere aandacht voor de oorsprong van hun namen aangezet, zeker niet wanneer ik, gezeten in de trein enz.

Dat is dan ook logisch, want zoveel gemeenten, zoveel gehuchten, zoveel wijken en kerkdorpen, zoveel te verklaren namen.  Daar zijn dus ook dikke boeken over geschreven, die niemand leest, behalve de halve gare die alle namen in alfabetische volgorde wil verklaard zien, en meestal niet verder komt dan zijn eigen gemeente, enige opmerkelijke namen, zoals Erps-Kwerps, Zichen-Zussen-Bolder of Overflakkee, en een paar toevallige treffers die dan ook bij toeval in de schoot vallen.

Ik leer in dit boekje nog veel meer.  In 1202 bijvoorbeeld valt Graaf Dirk VII het Sticht binnen, maar wordt teruggeslagen. Heerlijk! Maar wie is Graaf Dirk? Wat is het Sticht, door wie wordt hij teruggeslagen? Waarom, bovendien, viel Graaf Dirk het Sticht binnen, hij kon er gewoon binnenwandelen, of als hij toen reeds een paard bezat, er binnen rijden? En welke misantroop sloeg deze vallende man terug? Hij deed toch niet meer als binnenvallen?

1247. Rooms-Koning Willem II wordt vereerd met het burgerschap van de stad. So what? Enige jaren geleden werd Eddy Wally vereerd met het EREburgerschap van zijn gemeente, waar hij bovendien reeds een leven lang woonde. En die brave man is bovendien reeds in Amerika geweest. Vraag eens aan RK Willem II of hij zelfs maar wist waar Amerika ligt? Om zijn gezicht te redden zou hij nog durven beweren dat dat ergens in de buurt van Indië moet zijn, misschien wel in Indië zelf...

Nee, de halfsluimertoestand die me in de trein steeds laffelijk overvalt, is geen goed medium voor eerlijke kennisgaring. Maar de man uit Utrecht met de grote liefde voor boeken krijgt hierbij  mijn beste groeten. Volg de gids!

Een zeer mooi artikel heb ik in mijn overzicht teruggevonden, komende van de hand van een man die (on)wetenswaardigheden beweert te verspreiden en deze toeschrijft aan een boekengekte. Maar het verwerven van een zeldzaam exemplaar van de heruitgaven door de Folio Society is een huzarenstukje dat ook anderen zal kunnen doen watertanden. Dat heeft ook niets met gekte te maken. Foto's zijn gewoon schitterend.  Welk gevoel moet dat geven een dergelijk werk in de witgehandschoende handen te mogen nemen... De man van Zweinstein zal dit ongetwijfeld ook gedacht hebben.

En dan is er nog Marjorie. Een lerares die al haar latijn steekt in het aanleren van de Latijnse taal aan een bende bevoorrechte jongeren, die waarschijnlijk niet weten welk een schat (letterlijk en figuurlijk) zij voor zich in de klas hebben staan, en de Latijnse kultuur en beschaving net zo goed als de Griekse blogsmatig over de wereld uitstrooit. Met de nodige knipogen, zoals de regelmatig optredende kameel, die ze bij wijze van geschoten bok kemel noemt.

Haar artikel over Erasmus van 24 januari kruiste het mijne, en de brief die de brave geleerde schreef aan een drukker die mogelijk iets voor hem kon betekenen, heeft voor mij een wereld geopend. Erasmus leefde in een wereld die net de boekdrukkunst zag wortel schieten, en hoopte op die manier zijn geschriften met enig succes te kunnen verspreiden in een grote oplage, waarbij hijzelf zich bereid verklaarde enige honderden exemplaren voor eigen rekening te willen nemen. Er was nog werk aan de drukkerij, als we die oplage even op de goudschaal leggen. De cicade sjirpt voort (of is die uitspraak ook een kemel voor de oud-bioloog die ik ben?), de geschiedenis, de literatuur, de kunst, de wetenschap van weleer zijn een eeuwenoude bron van steeds nieuwe verwondering. Nog zo één van die bloggers die mijn grootste bewondering meekrijgt.

Zo is het netwerk voor vanavond rond. Rond één boekje namelijk, dat verwijst naar een oude stad, maar dat evengoed de boekdrukkunst als reisgezel gehad heeft, en waar de naamgeving van geïnspireerd werd door de Romeinse bezetter.

dinsdag 9 februari 2010

Butter-Scotia

Af en toe een beetje geluk mag. En vandaag heb ik dus weer een vondst gedaan. Geen grote, maar wel een mooie. Op een plank, een beetje buiten de meer opzichtig ten toongestelde boeken, ligt een verzameling Engelse, Duitse, Noorse en soms wel eens Russische of Chinese literatuur van alle soort. Naast de obligate dierenboeken en de godsdienstige of godsdienstig geïnspireerde werken, vind je er ook de zwangerschaps-, bevallings-, vader- en moederschapsliteratuur, alsmede de opvoedkundige en politieke werken weer.  De wat moeten we hiermee-literatuur, zo krijg je de indruk. Ook de totaal onmogelijk te klasseren werkjes zoals Vlaamse filmpjes, kunstbrochures, tentoonstellingscatalogussen en handgeschreven verzamelboekjes van zweverige pubers zijn er terug te vinden.

Maar dus ook dit werkje, dat me na enig ploegen doorheen allerhande waardeloze blubber en voor mij niet belangrijke druksels plotseling verraste. Het was in het gedeelte Engelstalig, en in een stadje, waar het Frans druk gesproken wordt, is Engels vaak een verwaarloosd kind. Alzo trok de oude, degelijke afwerking en de romantische tekening op het voorplat mijn aandacht. Butter-Scotia is dan ook een werk, geschreven en voor de eerste maal gepubliceerd in 1896, en slechts in 1927 opnieuw uitgegeven, met een bekleding die een getrouwe copie is van die van de eerste uitgave.

Het boek is dan ook prachtig. De tekeningen zijn van een wonderbare schoonheid, en zijn weliswaar niet te vergelijken met de ontzettend fijne gravures die in de werken van Charles Dickens voorkomen, maar ze vallen hier dan weer op door de ongebreidelde fantazie, die perfect past bij de inhoud van dit boek. Butter-Scotia heeft een ondertitel die dit ten volle verklaart en verantwoordt: Butter-Scotia or A cheap Trip to Fairy Land, by His Honour Judge Edward Abbott Parry; illustrated by Archie Macgregor. Uitgegeven te London door William Heineman, om volledig te zijn.

Nog voor je één woord van het boek mag lezen, moet je eerst de kaart van Fairy Land ontplooien, en kun je alle belangrijke plaatsen in je opnemen. En dan worden vier kinderen op je losgelaten die elk een eindeloze fantazie hebben, en in de allerlaatste zin van het boek even door vader en moeder erop gewezen worden dat al die dwaze verhalen geen enkele grond hebben, want niet mogelijk zijn, en dat al die personen en wezens, die ze ontmoet hebben, niet bestaan. Ze moeten, zo luidt het verdict: brave kinderen zijn. En dat zijn ze dan ook maar.

Tussen de kaart en het zich neerleggen bij de ouderlijke wijsheid ligt echter een wereld van kinderlijke fantazie, ontsproten uit het brein van een rechter in het victoriaanse Engeland. Houpla, the Herald doet de belangrijke mededelingen, en met zijn trompet vraagt hij eenieders aandacht: tarantara tarantara .. tara; Oyez! Oyez! Oyez!

... a little man with a light moustache, flaxen hair, and a pink complexion, about four feet high, dressed entirely in newpapers.  He wore a cocked hat with a newspaper tassel on it, a long coat reaching to his ankles, made out of a whole copy of The Times, and frills of newspapers round his arms. In one hand he carried a red carpet-bag marked in black letters "On His Majesty's Service," in the other a long trumpet with a white banneret hanging from it on which the letter "H" was beautifully worked in red silk.

Meteen een kleine rechtzetting: de auteur is dus wel een rechter in het Victoriaanse Engeland, maar de omroeper staat in dienst van His Majesty. En inderdaad, dergelijke avonturen konden nauwelijks ten tijde van de puriteinse Koningin, en de rechter vecht daar ogenschijnlijk tegen.  Fairy Land heeft dan ook geen Koningin, maar een Koning. En de kinderen doen dingen die brave kinderen in het brave Engeland van toen onmogelijk mochten mogen.  Iedereen weet dat de wetten in dat land zo hard waren, dat het stelen van wat brood door een hongerige zwerver of hopeloze pauper al aanleiding kon geven tot zware straffen, en niemand minder dan de auteur-rechter durft het aan deze kinderen als echte vrijbuiters door de wereld te laten struinen! Niet verwonderlijk dus dat het verhaal eindigt op een korte terechtwijzing, en de onvoorwaardelijke overgave aan het ouderlijk gezag. Ook een rechter kon zich niet alles veroorloven.

Een ander figuur is the Red Cross Knight. Dat is het alter ego van Olga, één van de kinderen, en haar schild is een pareltje van knipogende heraldiek. ... a large traingular silver shield, (...). On it was emblazoned a red bantam chicken dancing a barn dance. Remember, your title in Fairyland will be Sir Olga the Fitful, Knight of the Festive Fowl. De wapenspreuk luidt volmondig: Cock - A - Doodle - Do.

Hier stel ik een tweevoudige aanslag vast op de gevestigde orde. In 1896 hoorde een meisje niet de rol van Sir Olga the Fitful op zich te nemen. Meisjes bij de poppen, jongens aan het zwaard. De volwassener versie zou luiden: vrouwen aan de haard, mannen bij de poppen, dan wel bij het zwaard. En een ridder, met andere woorden een lid van de gevestigde adelijke orde en bovenlaag van de maatschappij opzadelen met een wapenschild waarop ze als chicken afgebeeld stonden, die dwaas stonden te dansen en te kraaien als hanen ... A chicken, een banghaas dus, en een belachelijk beest dat luid om aandacht staat te schreeuwen ... rechtertje rechtertje, let op je job.

Dit boek is een hilarisch kinderboek, maar ook een verborgen pamflet tegen de gevestigde orde. Deze rechter had een verborgen agenda. Steeds verder lezend kom ik op steeds weer nieuwe paralellen met de Engelse Maatschappij, tot en met een aanklacht tegen de onderdrukking van bepaalde bevolkingsgroepen, in een vers, dat voorkomt in het meermaals geciteerd "Pater's Book of Rhymes"

Oh, some are for the Red, and some are for the Blue,
And others for the Orange or the Green;
And some will shout with me, while others shout with you,
But we'll all shout, "God Save the Queen!"
Rule Brittania! Brittania rule the waves!
Butter-Scotchmen never shall be slaves,
Never, Never, shall be slaves!

Geen verborgen agenda: in dit boek dat over kinderfantazie gaat, en dat zich hoofdzakelijk in Fairy Land afspeelt, doet de vaderfiguur zijn dochter de mannelijke wapenrok aan, en citeert een vers uit zijn Book of Rhymes, uit het dagelijkse leven: Rule Brittania, Brittania rule the waves! Dat is dus de echte maatschappij. Hij valt echter onmiddellijk aan: (Butter)-Scotchmen never shall be slaves! Never, Never ... En dochter Sir Olga verslaat zowaar de draak. Waarna er verkiezingen volgen. Zoek eens op wie er rond 1896 eerste minister was, en bedenk eens waarom er een draak moest verslagen worden, waarom er verkiezingen moesten komen.

Intrigerende kinderliteratuur!

Zo kun je nog een paar verrassingen oprapen. Onze goede vriend de rechter, beschermer van de gegoede burger, durfde het aan te schoppen tegen de gevestigde maatschappij.

zondag 7 februari 2010

Geestelijke Liederkrans

Zoals zo dikwijls gebeurt, worden boeken die onafscheidelijk bij mekaar horen, door het toeval of door wanbeheer van alle soort, als tweelingen van mekaar gescheiden.  Zij leven dan nog wel, maar met een wonde. De wonde van de eenzaamheid, die ongeneesbaar, onheelbaar is, en die maar zelden herstelbaar blijkt te zijn.

De Geestelijke Liederkrans door Alfons Moortgat, uit de Bloemen onzer Vlaamsche Toon- en Letterkundigen samengestrengeld, deel I, Nieuwe, verbeterde Uitgave ligt hier voor me, en straalt een nederige schoonheid uit. Het Imprimatur werd gegeven Mechliniae, 4 Martii 1904. Elk exemplaar draagt het handteeken van den verzamelaar. Mooi is ook het in zwierige letters geschreven Ex Libris van de "Zusters Franciscaner(es)sen" te "Quaremont". Het schrijffoutje is de brave zuster die de naam van haar eigen orde fout spelde, vergeven. Spijtig genoeg heb ik deel II niet in mijn bezit.

Dit muzieklees- en zangboek is nochtans een monument uit de Vlaamse religieuze liederschat. Nu heb ik sinds mijn jongensjaren op school verschillende liederboeken als handleiding meegekregen om in samenzang de Vlaamse en internationale zangstukken die opvoedkundig correct bevonden werden en dus aan schoolkinderen aangeboden werden, te bestuderen en aan te leren. Iedereen zal zich nog wel "In dulce Jubilo" herinneren, met een keure uit de volkse en religieuze liederen die iedereen nog wel kent. Maar dit liederboek is van een hoger schap gegrepen. De bladwijzer laat ons achtereenvolgens Kerstliederen, Eerste-Communieliederen, Gezangen ter eere van het H. Hert van Jezus, Gezangen op het lijden Onzes Heeren, Liederen op de H. Naam Jezus, Aanroeping van den H. Geest, gezangen ter ere van O.-L.-Vrouw, gezangen ter eere van de meest gevierde Heiligen, Varia en een Bijvoegsel met diverse Latijnse gezangen zien.

De muziek is bedoeld voor orgel, en de partituurgedeelten zijn voor mij dan ook te ingewikkeld voor hetgeen er nog aan muziekkennis en notenleer is achtergebleven in de uithoeken van mijn hersentjes.  Alfons Moortgat laat de pedagoog in zich nog even spreken als hij toelicht dat "De ondervinding (...) geleerd heeft dat sommige liederen te hoog of te laag staan als ze moeten gezongen worden door het volk, en daarom raad ik de orgelisten aan  nr. 3 gewoonlijk te spelen in sol, nrs 18, 71 en 77 gewoonlijk te spelen in mi." Waarom ze dan niet meteen zo gepubliceerd werden is voor mij een (muzikaal) raadsel. Maar de teksten kregen mijn grootste aandacht, en ik ontmoet namen van zowel auteurs, dichters als toondichters uit alle windstreken. Een niet geringe plaats wordt ingenomen door Guido Gezelle, die meerdere gedichten en Kleengedichtjes ziet opgenomen in deze muzikale bloemlezing. De verzamelaar vervult dikwijls zelf zowel de rol van tekstschrijver als van componist, apart of tesamen.

Niet zelden wordt éénzelfde werk in meerdere uitvoeringen na elkaar gepubliceerd, hetgeen ook al interessant zou kunnen zijn om te leren hoe de muziek dan wel van de ene versie tot de andere verschilt. Ik zou alleen iemand moeten vinden die dan deze versies eens na elkaar speelt, om het verschil te verstaan.

De auteur, of beter de verzamelaar is niemand minder dan Alfons Moortgat, tijdgenoot van de door mij hier reeds meermaals vernoemde Robert Herberigs, en ook één van Vlaanderens groten. Een beetje informatie kan men gemakkelijk lezen op de website van de gemeente Opdorp, vanwaar hij afkomstig was. Hij was zowel musicus, dichter als taalkundige. De vele onderscheidingen die hij ontvangen heeft, spreken voor zich. De informatie over de beide andere bekende Opdorpenaren is lekker meegenomen. Zo levert de bijdrage over de persoon van Prof. Edgar Blancquaert een mooie aanvulling op mijn postings van enige weken geleden betreffende de Rijksuniversiteit van Gent.