ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

woensdag 31 maart 2010

Bericht aan Fernand

Nog niet zo lang geleden heb ik het gehad over boeken in reeksen, die bij het te koop stellen in het tweedehandscircuit mekaar uit het oog verliezen. Je komt dan als koper voor het dilemma te staan één mooi boek mee te nemen, maar wel met een onvolledig werk achter te blijven.

Vandaag is het mij overkomen dat ik dat ontbrekende tweede deel op zijn eentje in de rekken vond, even verweesd als zijn oudere broertje. Readers Digest heeft alzo een aantal kortverhalen gepubliceerd, die in twee afzonderlijke boeken terecht gekomen zijn. En ik had al deel I in mijn bezit, nu zag ik deel II staan. Alleen, daar in de winkel, wist ik niet met zekerheid of ik nu deel I dan wel II thuis had.  En zo kwam ik dus opnieuw voor een dilemma te staan: neem ik het mee of niet? Uiteindelijk bleek de prijs het doorslaggevend argument: voor die luttele muntstukjes nam ik liever het risico van een nutteloze aankoop, dan thuis te moeten vaststellen dat ik het toch maar beter meegenomen had.

Dit deel is net zoals het voorgaande gestoffeerd met een aantal namen om u tegen te zeggen: Bertus Aafjes, Anatole France, Karel Jonckheere, Joseph Conrad, Bertolt Brecht, Herman Heijermans, Stefan Zweig, Multatuli, Heinrich Böll, Doris Lessing, H.G. Wells, Simon Carmiggelt, Maxim Gorki ... te veel om op te noemen. Zeer mooi noem ik het verhaal van Saïdjah en Adinda door Multatuli.  Een traag en tragisch verhaal, dat we in het middelbaar onderwijs gelezen en besproken hebben, en waarvan ik een onbestemd gevoel van leegheid meegekregen heb, dat lang over me gehangen heeft. Ik heb eruit geleerd dat literatuur niet altijd een vrolijk en goedaflopend verhaal aan de lezer aanbiedt. Natuurlijk is mijn superheld Winnetou ook vroegtijdig naar de Eeuwige Jachtvelden verhuisd, en dat heeft me ook toen dat onbestemde gevoel gegeven, maar het spel op straat had me toch geleerd dat de Indianen nu eenmaal door ons, keiharde cowboys, per dag tot tienmaal toe doodgeschoten werden. Dat was ... eh, doodnormaal.

Maar wat Saïdjah en Adinda daar meemaakten, dat was geen indianenverhaal. Het ging over twee jonge mensen, die van elkaar hielden, en die door wrede landeigenaars gewoon doodgepest werden. Nee, ik was er niet goed van. In zijn geheel geplaatst is het verhaal ook zeer triest, en de Max Havelaar heeft altijd een aparte plaats ingenomen in mijn ideale bibliotheek. Fijn ook om nogmaals vast te stellen dat dit verhaal perfect te isoleren is uit zijn algemeen kader. Ooit heeft die brave mijnheer Nolens, bijgenaamd den Hollander, ons de toespraak tot de Regenten van Lebak laten van buiten leren. Tot mijn spijt kan ik het niet meer; alleen het allereerste aansprekinkje is achtergebleven in mijn geheugen, en enkele geïsoleerde zinnetjes. Mijnheer de Raden Adipati, Regent van Bantan Kidoel...

Nog verrassender is de aanwezigheid van Maurice Maeterlinck met zijn "La vie des Abeilles". Dit had ik echt niet verwacht als kortverhaal, want wie dat leest weet enige tijd niet waar hij het nu heeft. De zeer koele, zakelijke beschrijving van jawel, het leven der bijen, is niet van aard om enige plot te verwachten, de enige onverwachte gebeurtenissen zijn niet meer dan het uitzwermen van een bijenkoningin en haar talrijke gevolg. Handenvol werkbijen blijven voor een overvolle bijenkorf de nacht doorbrengen aan de ingang van de korf omdat hun nachtelijke schuilplaats door het uitkomen van jonge darren overbevolkt was, en het grootste deel ervan sterft van koude, maar al die interessante wetenschappelijk correcte weetjes maken dit nog niet tot een kortverhaal.  Wat heeft de samenstellers er toe gebracht deze natuurbeschrijving op te nemen in een bundel met kortverhalen, terwijl het fragment in kwestie niet de minste verhaalkracht heeft? Ik ga dit minutieus nalezen, om het eventuele geheim ervan te ontdekken.

Nog niet aan beschrijving toe, maar af en toe dromend, gelukzalig naar mijn boeken kijkend, moet ik aan Fernand melden dat hij nog enig geduld moet beoefenen. Een karrenvracht Streuvelsboeken die ik bij hem kon afhalen, is na een hilarische reis hier terecht gekomen, maar ik ben nog zo vervuld van de schoonheid van die boeken, dat ik de literaire kant van de zaak nog helemaal moet aanvatten. Die reis ben ik nu op papier aan het zetten, en jij, Fernand, kent als enige de ware toedracht.

Daar ik bovendien in het bezit ben van de beroemde Orion-uitgave van de verzamelde werken van Stijn Streuvels in vier delen , heb ik het merendeel ervan reeds gelezen. Maar toch, omdat ik op diezelfde dag ook een eerste uitgave van zijn oorlogsdagboeken te pakken gekregen heb, en bovendien een pracht van een bibliofiele uitgave van één van zijn werken mocht verwerven, ben ik wat betreft deze aankopen nog niet verder dan bewonderen gekomen. Ze werden bovendien geïnitieerd door een tiental jaarboeken van het Stijn Streuvelsgenootschap, en ge kunt begrijpen dat ik in de zevende of achtste hemel ben. Dus Fernand, ik ben je niet vergeten, ik hoop zelfs je binnenkort nog eens te ontmoeten, niet om boeken te kopen, alhoewel dat altijd kan, maar vooral om over vanalles en nog wat te praten. Boeken, jawel, maar ook de dagdagelijkse beslommeringen, de politiek, het leven. Maar de tijd leert ons wel wanneer die rijp is voor een nieuwe ontmoeting.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen