ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

zondag 31 januari 2010

De lof der zotheid

Tussen mijn oudere aankopen stak er ééntje, dat toch niet aan mijn aandacht kan blijven ontsnappen. Het is een boekje zoals er duizenden gemaakt zijn, en dat alleen maar opvalt door een notitie die door de vorige eigenaar is aangebracht.

Zoals geweten is dit boek, zoals Erasmus het zelf in zijn inleiding uitlegt, ontstaan uit de overpeinzingen van de intellectueel die hijzelf was op reis van Italië naar het vaderland, en die het niet altijd aangenaam vond deel te nemen aan de voor het meerendeel van de reisgenoten nochtans grappig bevonden zever- en onzinpraatjes. Dat was voor de erudiet toch enigzins te min, en hij besloot zijn tijd "beter" te gebruiken door bij zichzelf over een of ander onderwerp uit "letteroefeningen" na te denken of herinneringen op te halen aan "de even geleerde als dierbare vrienden die ik  (...) had achtergelaten". Hij had daarbij vooral zijn vriend, de evenals hijzelf zeer hooggewaardeerde Thomas Morus voor ogen.

Daar de omgeving, het gezelschap noch de tijd geschikt waren voor een zeer ernstige overweging, dacht hij dat de beste oplossing in die omstandigheden was een "boertige lofrede op Moria (de Zotheid)" te houden.

Wij leren Erasmus, toch gekwalificeerd als een hooggeleerd man en groot Humanist, door deze inleiding ook kennen als op zijn minst gezegd een hooghartig iemand, die bovendien ook nog graag uitpakt met zijn uitgebreide kennis van zowel de Griekse als de Latijnse literatuur. Dat moeten we hem maar vergeven, ten eerste is een discussie met hem over zijn houding vrij moeilijk te voeren, tenzij voor die auteur die het aandurft een virtuele dialoog met hem aan te gaan, en daarbij de dood van zijn antagonist als een literair te verwaarlozen detail kan aanzien; ten tweede is ook de tijdsgeest niet zonder belang: een geleerde van zijn kaliber mocht destijds wel van mening zijn dat zijn paard een zwaardere verantwoordelijkheid had met zijn vracht naar Londen te voeren dan de andere viervoeters, die boertiger exemplaren van de mensheid op de rug meedroegen.

Hoezeer de ruiter het  betreffende de verantwoordelijkheid van zijn paard bij het verkeerde eind had, werd bewezen door de rollende kop van Erasmus' vriend, toen Hendrik VIII de theorie van de belangrijke vracht met één enkele zwaai van een scherp zwaard naar de humanistische vuilbakken verwees.
Betreffende de nakende dood van Thomas Morus, over wie we tijdens onze middelbare studies nog de film "A man for all seasons" zijn gaan bekijken, wist Erasmus nog niets en hij overdacht dus met veel sprongen doorheen de Griekse en Latijnse literatuur wat hij later Moria Encomium Erasmi, Rotterdami Declamatio noemde.

Om het te lezen moet je je tijd nemen, want de volzinnen zijn niet altijd van de eerste keer begrijpbaar, maar ook daar weer moet ik nederig toegeven dat de erudiete geest van de auteur mijn middelbaar gevormd hersenklutsje met enige maten overstijgt. Maar wat ziet mijn lodderig oog, een voorgaande lezer van dit prisma pocketje heeft met toch wel enige kritische geest het boekje gelezen, en kwam tot de volgende conclusie, met potlood naast de titelbladzijde neergeschreven: "Een betere vertaling is 'Moriae encomium, dat is de lof der zotheid' (Rotterdam : Ad.Donker, 1986)".

Ik zal deze Lof alleszins lezen, en ervan genieten. Overwegingen over het paard, rollende hoofden noch de vertaling zullen mij daarbij hinderen. De aangevangen lektuur van het boek maken me duidelijk dat niemand moet rekenen op een kritische vergelijking tussen beide vernoemde edities.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen