ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

zondag 9 oktober 2011

Moeder, tien juli 1949

Ik doorsnuffel hier één van mijn duust boe'n, en ik kom op een probleem uit. Ik kan er u maar naar vragen, beste lezer, of gij soms een oplossing weet.

Nummer 28 van de Vlaamse Pocket-reeks heeft als titel: Mijn moeder was een heilige vrouw, wat verwijst naar een gedicht van René De Clercq (o, daar ligt blijdschap in dien rouw...).

Het boekje is eigendom geweest van een persoon, die ik ook gekend heb (wat een wonderlijke verzameling), maar die ik evenmin nog naar de betekenis van het raadsel kan vragen. Het raadsel gaat als volgt:

Bij wijze van bladwijzer stak in het boekje een doodsprentje, ter herinnering van de moeder van mijn kennis, moeder die overleed in de vroege jaren zestig van vorige eeuw. Dat is op zich helemaal niet verbazend. Men doet zulke dingen wel eens meer. Als die vrouw dan in 1963 overleden is, dan is de aankoop van deze pocket, die copyright draagt van 1960, niet vreemd. Bert Ranke heeft een evenwichtige mix van moeder-gerelateerde lyriek samengebracht, en het boekje is in de zorgvuldige behandeling door de lezer een fraai bewaard exemplaar gebleven van een uitgave, die nogal eens durft zijn voor- of achterkant los te laten. Niet zo hier.

Het gedenkprentje bevat een aanmoediging tot een gebedje:

laten we biddend haar gedenken:

"Nu we haar moeten derven,
geef haar, o Heer, de zaligheid,
en laat ons van haar erven,
slechts dat één, haar wondere gelatenheid."

Een mooi gebed, maar daar zou het bij gebleven zijn als niet nog een ander iets ook in het boekje stak. Een getypte tekst, een gedicht, genaamd: Moeder, gedateerd 10.VII.49.

Het gedicht is ook een moedergedicht, in de categorie In Memoriam of Verheerlijking, zoals door Bert Ranke voorgesteld. Maar het staat er bij mijn weten niet in.

Ik zal de tekst van de eerste en de laatste strofe hier publiceren, en wie de woorden herkent, mag ze mij, met een vervollediging van het gedicht, en de naam van de dichter, toezenden. Maar ik heb er zo mijn eigen idee over.

Moeder

Ik wil u niet bezingen
wanneer ge niet meer van dees aarde zijt,
maar, wanneer ge, midden alledaagse dingen,
nog steeds uw eender leven slijt.

. . .

Wanneer ik eenmaal haar moet derven,
geef haar dan Heer de zaligheid;
en laat me van haar erven,
slechts dat één, haar wondere gelatenheid.


Met in achtname de aanpassing van de tekst tot het gebed dat de familieleden gezamenlijk aan het publiek aanbieden op het bidprentje, gaat het weldegelijk om hetzelfde gedicht.

Was mijn kennis toch een grotere dichter dan ik geweten heb, en heeft hij dit typoschrift bewaard voor deze bijzondere gelegenheid? Het ziet er naar uit, dat dit wel het geval is.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen