ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

dinsdag 28 september 2010

De Bijbel

Enige tijd geleden heb ik mijn aankoop van een Bijbel toegelicht. Een Statenbijbel, zoals hij genoemd wordt, en dat boekwerk is er niet gekomen door doodeenvoudig  de vorige editie van een nieuw hemd te voorzien, er een ietwat geleerde titel boven te plaatsen, en voor de rest de mensen het eeuwig leven voor te spiegelen bij voldoende ijverige lectuur van de heilige woorden.

In verkorte woorden geef ik de brief weer die Filips van Marnix van Sint Aldegonde schreef aan Guillelmus Baudartus, die in het dagelijkse leven gewoon Willem Baudaert uit Deinze was, en ook predikant in Zutphen waar hij overleed. Het zijn zeer merkwaardige woorden over de kwaliteit van de in het land in gebruik zijnde Bijbels, die wel druk gelezen werden, maar die ook slechts een afkooksel waren van de oorspronkelijke teksten in het Hebreeuws, Grieks, Chaldeeuws en nog zo een paar talen die voor mij eerder kryptisch overkomen.
"Ik meen dat de Nederlandse bijbel die wij dagin daguit gebruiken van zodanige aard is dat hij, ronduit gezegd, nieuwe studie en grondige arbeid vereist. Ik moet bekennen dat ik geen bijbelvertaling ken die mij zozeer lijkt af te wijken van de waarheid der Hebreeuwse dan die van Luther waaruit de onze is ontstaan. Uit de gebrekkige Duitse is nog een slechtere Nederduitse tot stand gekomen. Ik zou het op prijs stellen als wij vertrouwelijk met elkaar daarover konden praten. Ik betreur echter tenzeerste dat velen daarvoor hun ogen op mij gericht houden,. Ik zou willen dat onze kerken - en dat heb ik hun dan ook aangeraden - naar u zouden opzien en u dat werk toevertrouwen..."
Als Baudaert dan uit Deinze afkomstig was, niet ver vandaar lag er nog een stadje, dat in de geschiedenis van Vlaanderen sinds de opkomst van de Vlaamse Graven steeds een historische rol gespeeld heeft, en waarvan sommige zonen tot grote hoogte zijn opgestegen. Een tijdgenoot van Baudaert was de Oudenaardist Jan Van den Driessche, die door de godsdienstperikelen zijn vader zag uitwijken naar Engeland, en zelf ook naar ginder ontsnapte. Hij was een goed en gedreven student, met een fameuze talenknobbel, en de voor mij zo kryptische talen waren voor hem zijn dagelijks werk. Terug in Vlaanderen, week hij weldra naar Zeeland uit, en kwam door achtereenvolgende aanbevelingen uiteindelijk terecht aan de universiteit van Franeker in Friesland (jawel, één van de Elf).

Baudaert zette zijn naam naar de geplogenheden van die tijd over in het Latijn, en dat werd dus Guillelmus Baudartius. Jan Van den Driessche voelde in die omgeving zijn ego ook een beetje aanzwellen en verkoos zijn geleerde tractaten te ondertekenen met Jo(h)annes Drusius.

Hij kreeg van de Staten Generaal van de Verenigde Provinciën de opdracht commentaren en nota's te schijven over de moeilijkste passages van het Oude Testament, en daarbij onderzoek te verrichten naar het werk van Chaldeeuwse, Griekse en Latijnse exegeten, taken die hij met de grootste nauwgezetheid heeft volbracht. Even twijfelde hij, en hij bood zijn ontslag aan, maar de Curatoren van de Universiteit deelden hem droogweg mee dat zulks niet kon: niet omwille van het belang van zijn werk, maar zeker niet ten opzichte van de Universiteit zelf, die niet weinig studenten recruteerde precies omwille van de zeer grote reputatie van Drusius.

Al deze geleerdheid heb ik gehaald uit een boekje dat amper meer is dan een brochure, en dat in vrij kort bestek het leven van de geleerde stadsgenoot beschrijft. Geleend uit de Stadsbibliotheek, moet ik er voor zorgen toch de inhoud in me op te nemen, omdat het boekje kadert in mijn interesse voor de geschiedenis van deze Stad, maar het toeval wil dus dat mijn totale onbekendheid met deze persoon mij enige mooie weetjes opgebracht heeft. Speciaal de band die er dus ligt tussen dit boekje en de Statenbijbel die ik onlangs aangekocht heb lijkt mij eens te meer het bewijs van de omstandigheid, dat hoe meer je leest, hoe meer vraagtekens er voor je oprijzen. Het zijn echter vraagtekens die ik met genoegen zie verschijnen, omdat ze de bevestiging zijn van mijn overtuiging dat ik beslist niet voor niets lees. Lezen is de mooiste ziekte van mijn leven.

Johannes Drusius (°Oudenaarde 1550 - +Franeker 1616) Jan Van den Driessche uit Oudenaarde taalgeleerde en professor te Franeker, is een bewerking van het boek: Leven en werken van Johannes Drusius (vita Joh. Drusii) door Abel Curiander, vertaald en van aantekeningen voorzien door Herman Van Den Abeele, lic. Wijsbegeerte en Letteren. Uitgegeven en gedrukt in 1979 door Uitgeverij Sanderus te Oudenaarde. Ook de naam Abel Curiander, gedragen door de schoonzoon van Drusius, is een vergrieksing van de echte naam: Abel Heer-man, die de oorspronkelijke versie van dit werk schreef nog in  het jaar van overlijden van zijn schoonvader. Hij deed dit omdat Drusius niet alleen vrienden had, maar ook enige tegenstanders, die op alle mogelijke manieren bewerkstelligd hebben dat een groot aantal van de geschriften van Drusius nooit het daglicht te zien kregen, meer nog, die zelfs niet konden verkroppen dat de lijkrede voor de geleerde heer zou gepubliceerd worden. Alzo is dat werk een redelijke vervanging geworden van diezelfde lijkrede. De geschiedenis heeft toch wel zijn rechten.

Herman Van Den Abeele besluit zijn nawoord met de volgende alinea:

Alles bij elkaar komt Drusius ons voor als een eerlijk en onbekrompen man, een taalgeleerde en bijbelkenner van uitzonderlijk formaat, die door zijn langdurig professoraat en zijn ontzaglijke wetenschappelijke arbeid heel wat heeft bijgedragen tot de roem, niet alleen van Franeker, doch ook van zijn geboortestad Oudenaarde en van de hele Nederlandse stam.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen