ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

donderdag 18 juni 2009

Help! en zo

Wie een website op het internet gooit, moet durven duidelijk zijn. In samenwerking met mijn werkgever heeft Iedereen Leest iets ontworpen dat het lezen moet bevorderen, en heeft de boodschap nog niet helemaal begrepen dat dat moet beginnen bij het begin. Iedereen die hiermee kennis wil maken via de website, moet er ook binnen raken. En de foutmeldingen waren niet voor de poes. Alleen door mijn computer volledig herop te starten, kon ik er een beetje binnen, maar dan nog was het in alle details nog steeds huilen met de pet op.

Elke ochtend zit ik in de trein, en inderdaad, ik lees mijn kranten, in plaats van een boek. Dat doe ik 's avonds, als ik niet in slaap val. De trein is bij uitstek de plaats die me tot slapen verleidt. Maar lezen doe ik ook. Zoals vandaag Omer Karel de Laey. Ik heb me, alvorens in te slapen, een kriek gelachen. Het boekje is flinterdun, dat heb ik al gezegd. De poëzie is dat in het begin ook, maar elke dichter moet ergens mee beginnen. Dat geldt evenzeer voor zangers, vraag je maar eens af hoe Misja Mara begonnen is: een tamboereke tamboereke tamtam! teisterde enige tijd het Vlaamse publiek, maar het is toch nog goed gekomen met haar, ze is zelfs een experte geworden in het Ierse lied, en dat is niet niks! De Laey heeft het haar voorgedaan, en met verve. Zijn studentikoze gedichten stellen niets voor. Ze zijn precies wat ze zijn: snedige hekeldichten, gebracht door een jonge studax rad van tong en pen, die op een kantusavond het succes door de lachers aan zijn kant haalt. Maar of dat verder moet vermeld worden in een bloemlezing... mag ik daaraan twijfelen? Een apart boekje dat specifiek handelt over studentenpoëzie zou aan hem een behoorlijk hoofdstuk mogen wijden, maar een ernstig bedoelde bloemlezing, dat durf ik betwisten.

Met een ritme, dat geënt is op de 8-7-8-7-maat die gedurende het halve boekje aangehouden wordt, zij het met enige variatie, wordt de lectuur ervan toch na enige tijd wel wat saai, eh, en slaapverwekkend. Toegegeven, zijn eerste verzen zijn puntig en spits, ze doen lachen, ook na meer dan 100 jaar. Ze zijn goedgevonden, geven de één of de ander de benodigde schop, die de student vermag te geven, maar dat is nog geen poëzie, dat zijn zoals de naam het al zegt: hekeldingen of -dichten of zo.

Maar hé, aldaar verschijnt plotsklaps aan de horizon, onder luidkeels gebruld West-Vlaams, een ander ritme: het is 7-6-7-6, en dat voelt plots totaal anders aan. Ware het niet dat ik geen West-Vlaams versta, ik zou ervan genoten hebben, en de slaap bovendien overmande mijn geest, zodat ik even dacht dat ik Gezelle aan het lezen was, maar dat kan niet, want Gezelle was in die tijd nog niet terug populair bij de brede massa's, zoals Mao dat zou uitgedrukt hebben. Gezelle moest eerst nog enige duwtjes in de rug krijgen bij enige gezaghebbende literatoren, en de Laey was leerling geweest aan het Kleinseminarie, waar de grote heer en meester niet onmiddellijk weer een groot dichter genoemd mocht worden.

De tijd vervliegt echter even snel in het verleden als in het heden, en een plotse ommekeer is waarneembaar in de stijl en inhoud van de dichter. Hij verlaat de studentenliteratuur, doolt even rond in West-Vlaanderen, en beseft dan plots dat de wereld zo groot is dat de grenzen niet meer nodig zijn. Zijn onderwerpen put hij nog steeds uit het dagelijkse leven, maar een zwerver die zich verhangen heeft en zelfs de kraaien afschrikt, is zo universeel dat het evengoed in Japan had kunnen gebeurd zijn. Betekenisvoller is echter dat zijn bekering tot het naturalisme hem tot een universele stijl gebracht heeft. Tijd, plaats, taal, en vooral gevoel zijn plots iets anders geworden. Een paard staat treurig te wachten in de verzengende zomerhitte, lijdt zijn laatste lijden, en sterft door een gemene messteek. Niemand die ook maar enig gevoel waarneemt in de beschrijving van die laatste minuten. Het is een foto, een filmpje, zoals ik er gezien heb betreffende pijnlijke gebeurtenissen vlak na de tweede wereldoorlog. Maar ook die vergelijking is misplaatst: de dichter houdt opzettelijk alle gevoel uit zijn werk. In de bedoelde filmpjes was er nog de band met de emotie terug te vinden van de mensen die het slachtoffer geweest zijn van de geëxecuteerden. Het paard in kwestie had echter geen geschiedenis behalve zijn korte curriculum vitae: een voermanspaard. Punt.

Plots is de echte dichter daar. Plots schiet ik ook wakker. (we waren dan ook in Zottegem, en er moest door sommigen afgestapt worden.) Maar mijn wakkere geest werd vooral gevangen door de Poëzie.

Een bijna totaal van opsmuk ontdaan gedicht is :

De speleman

's Avonds op de markt en in de
zoelte, met 'n volle kan
gerstebier, bezijds z'n voeten,
zat 'n vreemde speleman.

En hij vlocht z'n vlugge vingers
door het spannig snarenspel,
dat z'n gulden harpe bromde,
lijk 'n zwarte kerkebel.

Lustig zong hij, en z'n kele
zwolg en zwol in 't groen gestraal
van de volle mane, lijk de
gorgel van 'n nachtegaal.

Rond hem, op de lippen van de
mensen, speelde 'n blij gelach,
en de jongens klepten hun san-
dalen mee, op mateslag.

't Lied was te einden, en z'n harpe
trilde stervend uit en zweeg.
Dorstig greep hij naar de kan en,
smekkend trage, dronk ze leeg.

Daddist. Niemand vindt de muziek van de speleman buitengewoon, men lacht, maar men geeft geen applaus. Een paar snaken dansen mee op het ritme van de muziek, maar dat doen jonge mensen nu eenmaal. Een nachtegaal wordt erbij gehaald om te zeggen dat het mooi was, maar meer dan een kruik bier als beloning zien we niet. En die stond al van bij de aanvang van het gedicht op vinkenslag om het toneel op het juiste ogenblik te betreden.

Het is poëzie ontdaan van alle gevoel. Zelfs het beetje genot is zeer matig. En de speleman ledigt zijn kruik, maar of hij het lekker vindt: we weten zelfs niet of hij de obligate, luide boer laat die een lekkere pint bier uitlokt wanneer gesmaakt. Realisme, naturalisme, als je gevoelens wilt, moet je ze er maar zelf in leggen. Zijn credo, dat een gedicht mooi moet zijn zonder daarvoor afhankelijk te zijn van de dichter, komt hier ten volle naar voor.

Eerst dacht ik dat de Laey een studentikoze rijmelaar was, die elke kantus kon begeesteren, en daarmee basta, maar gaandeweg werd hij een kunstenaar, die je werk gaf als je van zijn producten wou eten. Een kok, die je in zijn restaurant zelf aan het werk zette als je wat lekkers wil. Maak het zo lekker als je zelf kunt. De woorden zijn de ingrediënten. De dichter is de chef. De klant is de maître. En de smaak komt van jezelf. Hela, Claudio, zou je zelf zo durven koken?

Morgen heb ik het boekje volledig doorgenomen. Dan moet ik toch al een eerste zicht hebben op de totale dichter. Maar goed, het blijft een eerste indruk, het spreekt vanzelf dat ik niet verder ga dan een proevertje. Mijn mening is dan ook maar wat ze is: die van een amateur.

Help! en zo, is de titel die ik aan deze bijdrage heb gegeven. Dat slaat op iets totaal anders dan poëzie. Maar dat vertel ik in het weekend wel. Nu is het tijd om slapen te gaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen