Pagina's

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

dinsdag 9 juni 2009

Moederken, door Guido Gezelle.

Ik blijf Gezelle een aantrekkelijke figuur vinden, en elk flintertje literatuur dat ik over hem vind, graai ik mee om me een duidelijker beeld van hem te vormen. Alles grijp ik aan om een kort kommentaartje aan te breien. Het mag ik tegenspraak staan met wat ik net voorheen gezegd heb, ik streef geen konsekwentie na over een mensenleven uitgesmeerd, maar een gevoel van weldadigheid, waarin het tegenovergestelde van wat ik gisteren dacht geen doodzonde is. Zo lees ik een gedicht, De Vlaamsche Tale, dat mijn hart doet opspringen van blijdschap, en dat, geschreven door de grote meester zelf, ook een onmiddellijke tegenspraak is met wat ik nog maar gisteren of eergisteren beweerd heb. En dat vind ik nu net zo leuk: ik voel me goed bij een bepaalde gedachte, en dan krijg ik plotseling iets voor me, dat radikaal het tegenovergestelde blijkt te zijn. Welnu, dat geeft me een net even gezond gevoel.

Als ik gisteren beweerde dat taal een vergankelijk iets is, dat net zo goed aan de kant gezet kan worden om vervangen te worden door een bruikbaarder wapen, dan gaat dat bijvoorbeeld rechtstreeks tegen mijn gevoel in dat alles tegenwoordig in het Engels moet, inclusief ons onderwijs, waar door onze voorvaderen zo voor gestreden is om het in onze taal te laten gebeuren. En Gezelle heeft daar een mooie bedenking in dichtvorm over geschreven, waarvan de eerste twee regels in gans Vlaanderen gekend zijn: Joos Florquin zelf heeft ervoor gezorgd dat deze woorden onsterfelijk gebleven zijn.

De Vlaamse tale is wonder zoet,
voor die heur geen geweld en doet,
maar rusten laat in 't herte, alwaar,
ze onmondig leefde en sliep te gaar,
tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,
te monde uitgaat heur vrijen gang!
Wat verruwprachtig hoortooneel,
wat zielverrukkend zingestreel,
o Vlaamsche tale, uw' kunst ontplooit,
wanneer zij 't al vol leven strooit
en vol onzegbaar schoonzijn, dat,
lijk wolken wierooks, welt
uit uw zoet wierrookvat!

Je eigen taal is altijd mooi, maar ze op die manier bezongen horen, geeft toch een goed gevoel.

Hoewel van een gans andere ingesteldheid, speelt het volgende gedicht een voorlopende rol in de anti-oorlogsretoriek die na de Eerste Wereldoorlog in al zijn facetten naar voor kwam.

Bulletin Commercial (1861)

Te Brussel baat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Tapijten.
t'Antwerpen gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Schilderijen.
Te Gent en gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Geweefsels.
Te Mechelen gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Kanten.
Te Namen gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Kassijen.
Te Doornik gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
Moortel.
Te Hasselt gaat de handel niet:
Wat maakt men daar?
'k En weet niet.
In Luxemburg en deugt het niet:
Wat maakt men daar?
Ministers.
Te Luik daar gaat de handel wel:
Wat maakt men daar?
GEWEREN ! ! !

Afgezien van het feit dat ook de grote Gezelle niet anders durfde dan meezingen in het koor dat graag moest laten horen dat Limburg maar een gat in de aarde was, waar men wel iets zou maken, maar wat dan ook weer? is gans zijn betoog gericht op de allerlaatste regel, die het allemaal zegt: de wapenindustrie maakt omzet. Dat is ook nu nog terecht. Een onbekend, of altans een weinig bekend gedicht van de hand van Gezelle, waarin een onverwacht facet van zijn persoonlijkheid naar bovenkomt. Natuurlijk had hij heel gemakkelijk de jeneverindustrie in Hasselt kunnen aanhalen, die zorgde voor welstand in die regio, doch zijn Christelijke achtergrond, en de strijd tegen de plaag van de drank zal ongetwijfeld wel meegespeeld hebben om zich er met de zoveelste kwinkslag tegen die regio van af te maken, feit blijft dat zelfs hij het niet aandurfde zich tegen de algemene trend te keren. In mijn blogbijdrage van 18 maart 2009 over het boek Limburg heb ik de zinsnede reeds aangehaald: wat goeds komt er uit dat Nazareth?

En als het dan niet zijn grootste verzen zijn, het blijft wel een verklaring. Ik heb ze gevonden in het prismaboek "Vlaamse Poëzie" uit 1965 van Jos Vandeloo. Elke mening telt. Elk woord spreekt. Elke gedachte moet in zijn kontekst geplaatst worden.

Ook het boekje: "Waar zit die heldere zanger?" van Jozef Deleu geeft me veel voldoening. Niet omwille van de verklaringen die er niet in staan, maar om het gebrek eraan, enkel de inleiding laat uitschijnen dat Jozef Deleu, een poëziekenner, geroerd wordt door Gezelle. Maar er is niet voldoende argumentatie die de samenstelling van het bundeltje verantwoordt, behalve het feit dat het verschenen is ter gelegenheid van het Gezellejaar 1999, en dat is weliswaar prijzenswaardig, maar niet betekenisvol. Toch vind ik er het mooiste gedicht in, dat Gezelle naar mijn gedacht geschreven heeft. Het is zo puur, zo teer, en laat zo diep in het hart van de dichter en priester kijken.

Moederken

't En is van u
hiernederwaard
geschilderd of
geschreven,
mij, moederken,
geen beeltenis,
geen beeld van u
gebleven.

Geen teekening,
geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk
van steene,
't en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt
alleene.

O moge ik, u
onweerdig, nooit
die beeltenis bederven,
maar eerzaam laat
ze leven in
mij, eerzaam in
mij sterven.

Een oude man zit op een zomeravond te mijmeren over zijn jonge jaren, en denkt aan zijn moeder terug. Hij merkt dat hij eigenlijk geen enkele afbeelding van zijn moeder bezit. Hoe hij ook de mogelijkheden nagaat, noch in woord, noch in beeld kan iets hem dat stoffelijk beeld weergeven.

Hoe hij ook zijn best doet, tekening, foto, borstbeeld... ze zijn er niet. Maar dan flitst zijn priesterschap naar de voorgrond: niet de stoffelijke herinnering neemt hij met zich mee, het is de geestelijke waarde hem die zoveel dierbaarder is, en die de geest, de ziel bij het sterven kan meedragen naar het hiernamaals. Hij neemt de grootste afstand: het is niet het beeld van haar gelaat, dat hem mogelijk bijgebleven is, maar het beeld zelf dat zij door haar persoonlijkheid als moeder achtergelaten heeft, dat hem als enige is overgebleven. Hij drukt dat in enige woorden zo sterk uit: dat beeld in mij. Het is niet de afbeelding: nee, het is het beeld dat van belang is. Zeer nadrukkelijk zegt hij: er is ... geen beeltenis, geen beeld van u gebleven, ... 't en zij dat beeld in mij dat gij gelaten hebt, alleene.

De priester kan nu tenvolle spreken. Hij wil die beeltenis die zich in zijn geest gevormd heeft ongeschonden meedragen, en ze met hem mee laten sterven. De eerder genoemde materiële beelden, die alle hoe dan ook afwezig zijn, zijn daarvoor te onvolmaakt tenopzichte van het moederbeeld dat het kind, de oude man en vooral de priester voor eeuwig in zich meedraagt. Hij dankt op die wijze zijn God en zijn Universele Moeder in het beeld dat zij aan hem gegeven heeft, dat dus zelfs niet door hem gevormd en herinnerd wordt. Hij is daarmee tegelijkertijd priester en mens, en de gedachte aan zijn moeder is telkens weer een gebed. Dit gedicht is voor mij het meest volmaakte dat hij gemaakt heeft. De moederlyriek en het gebed in luttele woorden verenigd.

Deze tekst moet ik nog aanpassen, stroomlijnen, maar hij geeft ruwweg weer hoe ik over dit gedicht nagedacht heb, terwijl ik vanavond met een nietig boekje in de hand, en mijn brave hond naast mij op de zetel, heb zitten nadenken.

De andere boeken die ik ook nog naast me liggen heb, en waarvan ik het Edward Poppeboek reeds de revue heb laten passeren, zullen morgen aan bod komen. Gezelle heeft mij even overmeesterd.

1 opmerking: