ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

zaterdag 13 juni 2009

Gezelle, de protestsongwriter

Mijn zestienjarige zoon, en sukkelaar, moet examens studeren. Dat is het lot dat wij allen wel ondergaan hebben, zestien zijn en examen moeten maken. Ik weet niet wat het moeilijkst te dragen was voor mij, ze vielen me beiden bijzonder zwaar. 1968, de zowat mooiste zomer die er geweest is, kan ik me nog zeer goed herinneren. alhoewel, de zomer van 1967 was nog mooier, want de summer of love... Te mooi, en verspild aan een kind. In die tijd was iemand van 15 -16 jaar nog een behoorlijk gepamperd kind, hoor. Ik riek nog de zweetgeur van die legertenten, waarin we sliepen, en de leiders van het vakantiekamp deden de deurflappen open, en de radio begon zachtjes te spelen (radio Veronica, met Tieneke?). Als we in de tijd nodig om onze ogen uit te wrijven, en onze tanden te poetsen in de kille wasgelegenheden niet twee keer Scott Mc Kenzie gehoord hadden San Fransisco te bezingen, was het een kale dag.

Maar mijn zoon is nu zestien, en Scott Mc Kenzie kan een basketballspeler geweest zijn , of een bergbeklimmer. San Fransisco is leerstof aardrijkskunde, en dus niet geliefd. En flowers hebben moeilijke namen in het Engels en het Frans, en godbetert ook in het Duits, en worden dus niet meer in het haar gedragen, het nuttigste gebruik dat ze zich kunnen indenken is de komposthoop.

Met die ingesteldheid slingeren hier op een zaterdagavond rond: een zestal kursusbladen, bevattende een stuk leerstof over de voornaamste literaire stromingen van de 19de en 20ste eeuw, en hun markante producten op het vlak van de poëzie.

Daar gloort hij, den heer ende meester, met zijn bekende foto waarop hij voor de deur van een huis staand nieuwsgierig-vriendelijk-lichtjes achterdochtig in de lens kijkt, met half dichtgeknepen ogen, omdat hij zijn bril niet op de neus draagt, zodat hij wat moeite moet doen om over de afstand heen te focussen op de magische handelingen van den photograph. Een paar stopwoorden leren mij dat mijn zoon uit de les onthouden heeft dat Gezelle tot de romantiek behoort, dat hij graag idealiseert, en veel met de natuur bezig is.

Toch even een vergelijking. De Poësis-klas waar Gezelle zijn leerlingen zo eigenzinnig leerde omspringen met de lyriek, was bestemd voor 16 tot 17 jarigen. Misschien was toen die leeftijdscategorie niet zo duidelijk gedefinieerd, maar mijn zoon zou volgend jaar les kunnen krijgen van een Gezelle-look-alike. Hij las alle grote dichters van de tijd, de grote Nederlanders, de grote Engelse dichters, Franse, zeker Duitse, zelfs Aziatische dichters. Hij verklaarde hen de teksten, liet hen zelf verklaringen zoeken, en bracht hen wezenlijk in het hart van de dichter. Mijn 16-jarige weet dat Gezelle een romantieker is, die graag idealiseert, en met de natuur bezig is. Een mager beestje om op tafel te zetten...

Dan zal ik nu voor u voordragen, van onze grote dichter, Guido Gezelle:

's Avonds

't Wordt al sterre dat men ziet
in dat hoog en blauw verschiet daar,
blijde sterren, anders niet,
in dat hoog en blauw verschiet.

't Wordt hier altijd al verdriet
van dat oud en zwart verdriet daar,
't wordt hier altijd anders niet,
als dat oud en zwart verdriet.

Laat mij, laat mij, in 't verdriet,
vliegen naar dat hoog verschiet daar,
waar men al die sterren ziet,
al die sterren,... anders niet!

Een nadenkertje. Heeft de priester weer gesproken, en heeft hij de natuur als wapen gebruikt om te zeggen dat hij in zijn moeilijkste dagen liever sterven wou, en naar de hemel (de sterren) varen, om alleen maar dat te zien, wat door sterren als hemel en hemel als God gelezen moet worden? Dit gedicht is namelijk in 1860 geschreven, en net dat jaar wordt hij teruggeroepen naar Brugge, om er in het Engels Seminarie, en later in de St.-Walburgaparochie te dienen. Zijn stille periode, zijn periode van hevige zielepijn brak aan. De jonge, dertigjarige priester wordt door zijn bisschop de mantel uitgeveegd, tot de orde geroepen, en
geestelijk geknakt. Hij wijdde zich toen aan andere taken, en deed veel werk als journalist en uitgever van tijdschriften, en "zantte" woorden uit de West-Vlaamse taal om het particuliere karakter van de Vlaamse taal te omschrijven, maar de bron van zijn dichtwerk droogde tijdelijk op. En dat laatste was hoe dan ook zwaar om te dragen.

Dit gedicht, zo leer ik uit de website van het gezellearchief, waar ze het handschrift liggen hebben, is geschreven en opgedragen aan Lodewijk Crevits, een leerling van het Kleinseminarie die toen, in 1860 het vierde jaar deed. Zonder het te onderzoeken, maak ik een losse gissing: Gezelle's opdracht was al gereduceerd, en uit het feit dat Crevits (Woumen 1840-Esen 1913) een vierdejaarsleerling was, kan men besluiten dat zelfs in zijn opdracht tot beheer van de internaatstudenten, hij de poëzie niet had achterwege gelaten. In Crevits moet hij weer een gelijkgestemde ziel gevonden hebben, en in verdoezelde woorden deelt hij zijn verdriet met hem.

In mijn opinie is 's Avonds is dus een scharniergedicht, bij wijze van spreken het laatste gedicht dat tot de jonge Gezelle behoort. De nieuwe rector, Bruno X (ik zoek zijn naam nog wel op), die van 1859 tot ongeveer 1865 die taak op zich nam, heeft ongetwijfeld de opdracht gekregen Gezelle in toom te houden, en zal niet echt tot de vriendenkring van de dichter behoord hebben. Kort daarna werd Gezelle naar het Engels Seminarie gestuurd, en was zijn negatieve invloed op het onderwijs en de leerlingen daarmee uitgeroeid.

Men kan bijna besluiten dat het dichterschap hem tesamen met het leraarschap ontnomen werd. Hij mocht het gewoon niet meer. Zou mijn zoon zoiets op het examen mogen verklaren, ook al wetende dat zijn school van katholieke signatuur is?

Als dat verband klopt, is de romantiek waar de school van mijn zoon het over heeft slechts een dekmantel om de eigen pijn van de dichter te verwoorden, pijn die door een priester niet mocht getoond worden, en ondergeschikt was aan zijn dienstbaarheid aan de Kerk, die hij toen al te zeer in verlegenheid had gebracht met zijn eigenzinnige lessen in het Klein Seminarie in Roeselare. Daar heeft de dichter zowel als de priester het grootste werk van zijn leven verricht, op minder dan zes jaar tijd. Een groot aantal vooraanstaande Vlamingen zijn door hem als ontluikende studenten voor de rest van hun leven in een bepaalde richting geduwd. Hij heeft bewezen, meer dan 100 jaar voordat men hier tot het besef begint te komen dat ons klassiek onderwijs hopeloos voorbijgestreefd is, dat leerlingen op hun eigen ritme hun eigen richting moeten bepalen. Dat ontplooiïng van het menselijk genie alleen kan in een omgeving die dat genie de vrijheid geeft zijn weg te zoeken, en niet gemuilkorfd en van een leiband voorzien alleen daar mag gaan waar het baasje het voorschrijft.

Als hij zo iets zou vertellen, wie zou zich dan het meest belachelijk maken:
mijn zoon of de school?

Ik wil een school zien opgericht worden waar plurivalente leerkrachten hun leerlingen een programma voorschotelen dat zo flexibel is dat de wiskundefanaat en de talenknobbel, de dromerige poëet en de nietsnut evengoed als de handvaardige knutselaar in groep of alleen zichzelf als functionele mensen bewijzen.

En dat alles om één enkel gedicht. Ik durf mijn zoon deze woorden niet te laten lezen vooraleer hij zijn examen afgelegd heeft. Misschien ben ik wel een even grote dwaas als de Bisschop die Gezelle tot de orde riep, door het niet te doen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen