Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




zaterdag 20 juni 2009

Een handjevol varia

Wat normaal een mooie aangename zomeravond moet zijn, is vandaag slechts een frisse zomeravond. We zijn ondertussen aan de langste dagen van het jaar bezig, maar van zomer is er geen sprake. Twee jaar geleden zat ik reeds in april buiten op mijn vers aangelegd terras, met een stapel boeken voor me, zodat ik kiezen kon, een trappist met een bierviltje erop in plaats van eronder, om de bananevliegjes weg te houden, ze zijn even grote fijnproevers als ik, maar ze rieken het blijkbaar beter dan ik, en een notaboek, om hier en daar een gedachte te vangen.

Nu zit ik binnen, met een stapel boeken naast me, zodat ik kan kiezen, een trappist van Achel zonder bierviltje, want de populatie bananevliegjes is binnenshuis niet zo groot als buiten, en als notaboek doet nu mijn computer dienst.

Het laatste deel van de aankoop van 18 juni, die eigenlijk plaats vond op 17 juni, maar die door een onachtzaamheid voor de geschiedenis als de 18de staat genoteerd in mijn bibliotheek, ligt klaar om geregistreerd te worden.

In de reeks Ontmoetingen van Desclée de Brouwer heb ik nu ook van Paul Vanderschaeghe Heinrich Böll binnengehaald. Altijd goed om te lezen, je krijgt daarna zulk een andere kijk op de literatuur van iemand, als je ook zijn achtergronden beter kent. Daarom ook, maar het is niet de enige reden, lees ik eerder met tegenzin de nieuwe werken van hedendaagse auteurs. Man schrijft mooi verhaal te St.-Jan-in-Eremo, maar wie is Man? Waarom schrijft Man dit verhaal, en waar ergens in St.-Jan-in-Eremo? Hoe is Man tot schrijven gekomen? En waarom schrijft Man zoals hij schrijft? Vrouw kan uiteraard ook. Ik sta altijd stomverbaasd als ik merk dat sommigen daarover niets willen weten, die vinden dat het privéleven van een auteur niet de zaak is van de lezer. Correctie, en dat op twee niveaus: dat is wel de zaak van de lezer.

In eerste instantie ben je als lezer of als boekenverbrander natuurlijk niet betrokken in het leven van iemand. Als die iemand een echtscheiding ondergaat of uitlokt, een nieuwe auto koopt die een kopie is van de slechtste Lada die ooit gemaakt is, of een miljoen op de lotto wint, dan gaat ons dat op persoonlijk vlak inderdaad niet aan. Maar als diezelfde iemand pakweg een echtscheiding ondergaat of uitlokt, een nieuwe auto koopt die een kopie is van de slechtste Lada die ooit gemaakt is, of een miljoen op de lotto wint, dan ondergaat de literatuur die uit zijn pen vloeit een wezenlijke verandering. Een schrijver is een mens, de mens is een schrijver. De schrijver kan maar schrijven wat er in de mens opgeslagen is, de mens kan zijn beroep slechts uitoefenen in de mate dat zijn geestelijk en materieel leven hem daartoe voedt. Niet zo heel lang geleden heb ik een boek gelezen van iemand die het leven van Stijn Streuvels kort en goed naast zijn werken gelegd heeft, en in zijn werken komt kort en goed zijn eigen leven bovendrijven, hoewel je niemand in zijn werk zult ontmoeten die Alida heet, terwijl de kleibult waarop hij schreef nergens figureert. Maar de parallellen kwamen zo uit het boek gerold.

In tweede instantie trek ik naar Sabbe, om te argumenteren dat iemand alleen maar een overgangsfiguur kan zijn als hij zelf met zijn twee voeten in de wereld staat, als hij weet wat zijn tijdgenoten en voorgangers gedaan hebben, om te kunnen zijn houding bepalen over hoe hij de wereld ziet. Als hij het realisme en naturalisme dat hem omringde afwees, weigerde te zien zelfs, moest hij het hebben gezien, en beoordeeld. Een schijver is geen eiland. Een schrijver ziet en begrijpt -of ziet en begrijpt niet- de wereld om hem heen en omgekeerd. Maar dat is wat ik niet meer aankan, om mijn manier van lezen te kunnen handhaven: over al die nieuwe auteurs lezen, hun leven en gedachtengang die beide aanzet en oorsprong zijn van hun literatuur opnemen, en dan met meer begrip hun boeken lezen.

Ik ben ik. Om te kunnen lezen heb ik een dergelijke struktuur nodig. En die vind ik bij reeksen monografieën als de reeks Ontmoetingen waaruit ik hier de (korte) beschrijving van Heinrich Böll gehaald heb. En de moeilijkheid met een extra stelling zoals "ik ben ik" is dat ik dus ook mijn eigen interesseveld heb, waarbij de jonge auteurs geen plaats hebben. Spijtig, maar je kunt niet alles lezen, zoals ik nu reeds in extenso ervaar.

Maar wat heb ik nog gevonden. Van Dian Fossey, iemand met wie ik een (nu ja) bijzondere band gehad heb: Gorilla's in de mist. In mijn studententijd namelijk heb ik haar naam reeds gevonden, naast die van Jane Goodall, waarvan ik het werk met de chimpansees al kende. Ik heb in 1973 of 1974 zelfs ooit een brief naar Dian Fossey geschreven via de National Geographic Society, maar er nooit antwoord op gekregen. Post in Afrika, wat wil je. Het boek zelf is voor mij een teruggrijpen naar de jaren zeventig, toen ik op mijn kot in Leuven de eenzaamheid verkoos om te kunnen lezen, en die eenzaamheid noodgedwongen onderbrak om cursussen te volgen, of om die eenzaamheid te gaan verdrinken in mijn stamkroeg. Geen van mijn medestudenten heeft geweten hoever mijn dromen van Leuven verwijderd lagen. Ze zijn evenmin uitgekomen.

In dezelfde geest zie ik het boek van David Barash: De haas en de schildpad, cultuur, biologie en de aard van de mens. Onderwerpen die ogenschijnlijk mijlenver van mekaar afliggen, maar toch is het gedrag van chimpansees en gorilla's gelijkwaardig aan dat van de mens, en is de studie over het hoe en waarom van al die dingen nauw verwant aan het werk van Dian en van Jane. Er was dus geen enkele reden om het ene boek wel, en het andere niet mee te nemen.

Over verre streken lezen is een bezigheid van elk kind, en als ik dan een boek uit 1889 in handen krijg dat genaamd is: La terre des Pharaons -Tableau de l'ancienne Egypte par M. Legrand, dan denk ik automatisch aan Stanley en Livingstone, die in diezelfde periode een ander deel van Afrika exploreerden. Stanley omdat hij een daadkrachtige opportunist en rotzak was, die in dienst van een andere soortgenoot het land schaamteloos betrad en opmat om het voor rekening van die andere in te nemen, Livingstone omdat hij een te broze filantroop was, die uiteindelijk ten onder gegaan is aan een voor deze tijd volkomen nuteloze neiging tot het uitdragen van een godsdienst en beschaving die door de nog in de oertijd levende bewoners van dat land onmogelijk kon begrepen worden.

Dit boek is prachtig van uitzicht: een rode hardcover, stevig gebouwd, met slechts vergeefbare ombuigingen van de hoeken door slechte lagering, gedrukt op zwaar kwaliteitspapier, goud op snee, door Firmin-Didot & Co te Paris. Het is belangwekkend om te lezen, hoewel in het Frans geschreven, en daarom noodzakelijkerwijs met een woordenboek te begeleiden. De taal is immers behoorlijk moeilijk; als het over de kalender gaat, zoals ik lees op één van de laatste bladzijden, heeft men het op zeker ogenblik over "les jours épagomènes", en dat mag ik dan wel even opzoeken om te weten waarover we het vandaag wel gaan hebben. Maar ik leer meteen dat voor het organiseren van getallen, zij reeds het tiendelig stelsel gebruikten, waarbij de mijlpaalgetallen tot honderdduizend konden benoemd worden, (eenheid, tiental, honderdtal, enz. tot honderd duizendtal) en men het cijfer van de eenheid, het tiental, het honderdtal enzoverder zoveel maal herhaalde als het getal dat men wenste uit te drukken bevatte. Iets waarvan ik zelfs het begin nog niet wist. Ze hadden wiskundigen onder hun geleerden, dat is zonder meer duidelijk, maar als het op wiskunde aankomt denken wij toch eerder aan de Grieken dan aan de Egyptenaren. Ik leer weer bij.

Of dat de Egypenaren reeds een oplossing gevonden hadden voor het probleem, dat we nu bestrijden door het inlassen van schikkeljaren. Zij lieten de boel gewoon op zijn beloop, om de 365 dagen had hun tijdrekening een vertraging op de werkelijkheid die overeenkomt met een kwartdag, dus een dag op vier jaar. Maar in plaats van de pauselijke oplossing van de schrikkeldag, lieten ze de boel gewoon op zijn beloop, en na 365 X 4 jaar = 1460 tot 1461 jaar zat het astronomische jaar weer netjes in het gareel met het kalenderjaar. Ze kenden het probleem, en telden zonder de minste zorgen gewoon door. Hun jaar kende twaalf maanden van 30 dagen en er waren 5 dagen die er naamloos bijgevoegd werden: de jours épagomènes! Want het komt in orde! Andere filosofie, andere oplossing.

De heren van de Franse revolutie hadden dus met hun maanden van dertig dagen niets nieuws uitgevonden. La Loi du 14 Vendémiaire de l'An 2 (5 oktober 1793) maakt plotseling heel wat minder indruk op mij. Hoewel, op de volgende link kan je het gehele verhaal, waarbij een invloedrijke dichter uit die tijd kritiek uitte op deze kalender, lezen. Maar de Egyptenaren dachten reeds in tijdsperioden van 1460 jaar. Nu gij. Ter vergelijking: wij geven aan de maanden januari, maart, mei, juli, augustus, oktober en december één dag bij, en trekken in februari twee dagen af van de standaardmaat van 30 dagen per maand. Door er om de vier jaar in februari slechts één dag af te trekken creëren we dus het schrikkeljaar.

En een laatse schoonheid betreft een boek, getiteld Meesters in het Rijk der Tonen, van Marc Anseeuw en gaat over het Koninklijk Muziekconservatorium te Gent, en het Nieuwe Klankschap. Belangwekkende literatuur, belangwekkende foto's (soms), vooral sommige namen die vallen zijn belangwekkend. En het boek is mooi van uitzicht en zetting. Aan de hand van een aantal interviews krijg je een beeld van wat dit Conservatorium dan wel is. En daar weet ik nog niets vanaf.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen