ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

woensdag 3 december 2008

Dr. Jan Grauls, taalkundige

Vandaag weer even een kort bezoek gebracht aan de brongebieden. Tot mijn grote blijdschap heb ik er een werkje over onze taal te pakken gekregen, geschreven door niemand minder dan dr. Jan Grauls, Hasselaar.

En zoals dat in Vlaanderen hoort, heeft een Limburger uit de voor- én naoorlogse periode als wetenschapper net iets minder onmiddellijke impact op de gemeenschap. Wie kent er dr. Jan Grauls nog?

Hij is geboren te Hasselt op 19 april 1887 en overleden te Astene op 5 februari 1960. Hij promoveerde in 1914 aan de Rooms Katholieke Universiteit te Leuven (dat was nu éénmaal de officiële benaming van de Universiteit in die tijd) in de Germaanse Filologie (zou hij Ernest Claes als studiemakker gehad hebben? Zoniet, wie dan wel?) op een dissertatie over de klankleer van het Hasselts dialect. Hij werkte op het Ministerie van Openbaar Onderwijs als hoofd van de vertaaldienst. Zijn voornaamste bezigheid was het taalkundig en taalhistorisch onderzoek van het Nederlands. ((Louis Jacobs leert het mij: In 1910 promoveerde hij (Ernest Claes) in de Germaanse filologie
.))

Verrassend thema in zijn onderzoek: de invloed van de Vlaamse volkstaal op het Waals. Ook de kennis van familienamen door middel van beroep en begrip en de studie van de spreekwoorden van Pieter Breugel (een oude bekende) stonden op zijn programma.

Bovenal was hij een strijder voor de zuivere taal, hij was bij wijze van spreken de man die de ondertussen verouderde, maar niet vergeten woordcombinatie: A.B.N. vorm gegeven heeft; het zuivere taaleigen en de "beschaafde uitspraak" waren zijn stokpaardje.

In het boekje, de Vlaamse Pocket nr. 69, geeft hij in "duizend en een onderwerpen" taalkundige wegwijzertjes.

Zo leer ik dat Vrijmetselaars in het laat-middeleeuwse Engeland Freemacons genoemd werden, dat zij uiterst bedreven bouwers waren, die van stad tot stad trokken en deelnamen aan de grote bouwwerken, zonder zich onder de controle van de plaatselijke gilden te hoeven stellen. Ze hadden als onderlinge herkenningstekenen verschillende geheime tekens en woorden ter beschikking. Hun opleiding kregen zij in besloten huizen, die "Lodge" genoemd werden. In Engeland wemelt het nu nog van "Lodges"...

Een andere Hasselaar is de goddelijke Jos Ghysen, met de Vlaamse Pocket "In stukjes gevallen". Ik weet niet meer of ik hem al heb, ik heb het zekere voor het onzekere genomen.

In de reeks van Reclam verlag vind ik nu ook van Ernst Stadler "Der Aufbruch" terug.

Ook in de Duitse taal: "Mein Kriegstagebuch - Führerhauptquartier und Berliner Wirklichkeit - Vorwort: Kurt Sontheimer", van Marianne Feuersenger, uitgegeven bij de
Herderbücherei als Band 955. Weer een belangwekkende verzameling onbevooroordeelde momentopnamen door een bevoorrecht getuige. Altans, dat hoop ik, want de schrijfster is na de oorlog een gewaardeerd journaliste, redactiechef en omroepster geworden. Van journalisten verwacht ik onbevooroordeelde geschriften, ook als zij op één of andere wijze betrokken waren of zijn in de gebeurtenissen, die ze beschrijven, behalve als het om op de werkelijkheid gebaseerde fictie gaat. De omschrijving van de inhoud klinkt als volgt, en ik beperk me tot de eerste zinnen.

Dies sind keine Erinnerungen. Es ist eine Auswahl von Briefen und Notizen, wie sie in den Kriegsjahren spontan niedergeschrieben wurden von einer jungen Frau, die zeitweilig auch das offizielle "Kriegtagebuch der wermachtführung" zu scheiben hatte, also van Anfang an mit "Herschaftswissen" belastet war. Zunächtst in der Operationsabteilung tätig, später Sekretärin des "Beauftragten der Führers für die militärische Geschichtsschreibung", gehörten geheimste Pläne und Protokolle zu ihrem täglichen Arbeitsmaterial. (...)

De rest vul ik morgen aan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen