Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




zondag 31 mei 2009

Mijnheer Pastoor, op een bedje van Vlaamse Filmpjes

Vervolg op 25 mei. Ondertussen is er reeds een beetje getuinierd, een beetje bijgeslapen en een beetje vanalles gedaan. Te veel om te melden.
  1. Mijnheer Pastoor onder de geleerden is het eerste deel in een werk bestaande uit vijf delen van l' Abbé Th. Moreux, erekannunnik, en Directeur van de Sterrenwacht in Bourges, in een geautoriseerde vertaling van Fr. D. J. Holtzer, en uitgegeven in 1940 door de N.V. Brepols in een mooi verzorgde cassette, voor wie de vijf delen ineens aanschafte. Deze vijf delen in de cassette zijn reeds in mijn bezit, maar de onberispelijke staat van het boekje zette me aan tot de iet of wat overbodige aanschaf. De toelating Cum Consesu Ordinarii te Mechlinae, werd in volle oorlog gegeven op 9 Septembris 1940 door J. Naulaerts, Can., lib. cens. De goede oude stijl dus. Het werk is geschreven door een wetenschapper-priester, en is belangwekkend om nogmaals met de neus op de feiten gedrukt te worden: de wetenschap graaft in de stoffelijke aarde, priesters graven mee, maar wijzen in woord en daad op het feit dat de schepping zes dagen geduurd heeft, dat de wetenschap dat anders ziet, zelfs mag zien, maar moet aanvaarden dat het godscienstig standpunt tot de eeuwigheid leidt, het andere tot enige zielepijn zoals voorzien bij de schepping: het vagevuur moet zijn werk doen. Andere heikele punten worden niet uit de weg gegaan: de ouderdom van het menschelijk geslacht wordt gemeten (hfdst 2), het ontstaan van het leven (hfdst 4), het verschil tussen transformisme en evolutie (hfdst 5), onze geschiedenis (hfdst 9), en een duidelijke stelling: de wetenschap en het dogma der wilsvrijheid (hfdst 10). Tekenend is dat dit boekje eindigt op een Halleluja van Paschen, daar men een feestelijke gebeurtenis aangrijpt om de week der Verrijzenis te vieren. De Priester vóór de wetenschapper. Toch zeer mooi werk, wegens het tijdsbeeld.
  2. De Vlaamse Letteren Vandaag, van Karel Jonckheere toont ons de visie van een insider op onze eigen letterkunde, na eerst even een blik te hebben geworpen op de middeleeuwen. Hij behandelt zijn rechtstreekse voorgangers en tijdgenoten uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en vooral belangwekkend aan dit boekje is de zéér uitgebreide bio- en bibliografische afdeling, die bijna de helft van deze pocket, uitgegeven door de S.M. Ontwikkeling te Antwerpen in 1958.
  3. De Nederlanden in Frankrijk, uitgegeven voor de Vlaamse Toeristenbond door Jozef Van Overstraeten, laat ons op systematische manier kennismaken met wat wij gemeenzaam Frans-Vlaanderen noemen. Als vijftien-zestienjarige kreeg ik in de jaren zestig de Gids voor Vlaanderen van dezelfde auteur, en met verwondering en leergierigheid heb ik toen elke dag van één gemeente, of het nu over dertig bladzijden dan wel vijf regels ging, gelezen wat belangwekkends er terug te vinden is/was. De visie ontbrak me toen om er iets mee te doen, maar ik had een verbazingwekkende kennis over allerhande feiten en weetjes betreffende de meest onmogelijke Vlaamse gemeenten. Had ik die kennis toen maar in korte-afstandreizen kunnen omzetten, om hier en daar belangwekkende monumenten en plaatsen te gaan bezichtigen, en er mijn vele vragen over te gaan stellen. Te laat, denk ik nu.
  4. Literatuur van een totaal ander kaliber zijn de Vlaamse Filmpjes, waarvan ik er een pakketje van 1988 en 1989 gekocht heb. Met nostalgie denk ik terug aan de vele verhalen die ik in diezelfde jaren zestig gelezen heb in mijn collegetijd. Veertien heb ik er hier bij de hand, de zestien andere heb ik reeds in mijn verzameling bijgevoegd om gaatjes op te vullen.
  5. Op de rugzijde van de Vlaamse Pocket nummer 84 wordt Tille van Lode Baekelmans omschreven als een meesterlijk geschreven roman met een diep-menselijke deernis doortrild voor de ondergang van dit arme mensenkind. Tille, zo besluit men, behoort tot het onvergankelijk bezit van onze literatuur. Het nummer één van deze door mij reeds eerder bezongen reeks, betreft van dezelfde auteur "Mijnheer Snepvangers".
  6. Een merkwaardig boek in al zijn facetten is , van Alb. Plasschaert: "Hollandsche Schilderkunst van af de Haagsche school tot op den tegenwoordigen tijd, met 86 platen op kunstdruk", een tweede druk uit 1923, en uitgegeven als onderdeel van de "Encyclopaedie van de Wereldbibliotheek". De auteur neemt geen blad voor de mond als hij zijn voor- en afkeuren tekent: (ik citeer) "Het schijnt mij (...) minder belangrijk toe (...) te reppen van de behangselschilders, als Meyer; op Schouman te wijzen; moderns te vinden in Tischbein's groene zijde; Hodges te waarderen, te veel plaats te geven. De Pieneman's, al was één een leermeester van Jozef Israëls, zoowel als de Krusemans, zijn geen voorbeelden." En zo schiet hij er, alvorens aan het betere werk te beginnen, nog een paar af. Behangselschilders... Dat moet je tegenwoordig eens proberen in een werk dat zonder blikken of blozen een Encyclopaedie genoemd wordt.
  7. Prisma-boek nr 15 is weer raak: De Kerstverhalen van Charles Dickens. Zonder verder commentaar. Alleen, zoals in het vorige punt, toch even mijn hoogstpersoonlijke waardering over: "Een Kerstlied in Proza", "Het Carillon", "De Krekel bij de Haard", "Het Slagveld" en "De bezeten Man": geniaal, gewoon geniaal. Maar dit is geen Encyclopaedie, dus een beetje subjectief mag wel, hier.
  8. Prisma-boek nummer 68: Camera Obscura van Hildebrand. Met dezelfde Encyclopaedische benadering als hierboven: even geniaal.
De rest volgt morgen of zo, er is geen haast bij.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen