Air Classique

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN
andebijk@gmail.com




maandag 13 april 2009

Le Congo - De Kongo

Graaf Henri Carton de Wiart, Staatsminister, vandaag ook Minister van Staat genoemd, schreef de nota's voor het eerder genoemde boek "Op reis door Congo" tijdens die reis in 1922, en de tweede uitgave van L. Opdebeek van 1931 staat garant voor een boekwerk dat me weer de oude geur van boeken uit het vierde en vijfde leerjaar liet opsnuiven. Meester Van Herck zal het met plezier vernemen, de oude, gekafte boeken herleven in mijn bibliotheek Blumengarten.

Het is ook een prachtexemplaar, dat perfect aan de Herkse herinnering beantwoordt. Ik heb het dan ook gelezen, in de trein, en ik heb de geur van het kolonialisme en de lagere schooltoestanden met plezier gemengd. Pater Casimir, (de broer van mijn grootmoeder), van wie ik de naam ondertussen terug opgedolven heb uit de spleten van mijn geheugen, waarin hij gesukkeld was, en die ik nooit gekend heb, maar die uit de legenden van mijn ouders tevoorschijn kwam als de priester die hen te Alken in het huwelijk wijdde, en die in het interbellum in Congo een parochie (die toen een huidige provincie groot was) uit de grond stampte, kwam even uit de plooien van de geschiedenis opduiken toen het mooie werk van voornamelijk de witte paters geprezen werd. Hij was zulk een baardig exemplaar die daar met ijzeren hand de "arme negertjes" de enige ware godsdienst en mores leerde.

De lectuur is natuurlijk bewerkelijk, daar de toen vlot geachte taal nu oubollig aandoet, maar dat doet hoegenaamd geen afbreuk aan de inhoud. Opmerkelijk is dat hij de kolonisatie enkel vanuit economisch standpunt bekijkt, en al het andere met de mantel der liefde bedekt. Meermalen prijst hij elkeen aan de werkkracht die eigen is aan de blanke ondernemer te gebruiken om de natuurlijke rijkdommen van de kolonie te exploiteren. Het model dat hij in Zuid-Afrika leert kennen, en ook in Rhodesië, moet als voorbeeld dienen, maar hij is niet te beroerd om weliswaar de bloei van Zuid-Afrika te roemen, en de ontwakende apartheid te loven. Evenzeer looft hij het nieuwe concept dat in Congo gehanteerd wordt, en waarbij niet geschuwd wordt om de inboorlingen te gebruiken voor wat ze waard zijn. De besten onder hen, stelt hij vast, moeten taken krijgen die met hun capaciteiten overeenkomen. Dat legt meteen de lat een stuk hoger dan in Zuid-Afrika, waar de zwarte inwoners geen enkele leidinggevende taak mochten opnemen. Evenmin mochten zij als ambachtsman vaardigheden verwerven, en zodoende de blanke hun werk afnemen!

Ook het taalgebruik krijgt zijn aandacht. Hij verwerpt niet zomaar het idee dat de inlandse talen hun waarde hebben. Ergens maakt hij zelfs zware bedenkingen over het verregaand gebruik van het Engels als voertaal! Zou hij bedoeld hebben dat het Frans meer op zijn plaats was? Of wou hij echt dat de kolonisator zich de inlandse talen machtig maakte, in plaats van omgekeerd? Dan zou ik hem pas bewonderen.

De vooruitstrevendheid heeft echter zijn grenzen, zo blijkt, en het ligt er vingerdik op dat de zwarte vooral leiding nodig heeft, en dat ondertussen alle initiatief bij de kolonisator ligt. Deze heeft de taak waar hij maar kan de natuurlijke rijkdom te exploreren en naar het vaderland te sturen, en het vraagstuk van de eigendom van de grond en de aanklevende rijkdom is ver te zoeken. Even wil hij aanhalen dat ook in Noord-Amerka zich taferelen afgespeeld hebben, die op een verregaand verouderd koloniaal concept steunen, maar nergens spreekt hij over de vele doden die de in 1922 zogenoemde "slapende rubber" gekost heeft. De welgeroemde Belgische vorst Leopold II wordt buiten schot gehouden, de moedige militaire, burgerlijke en religieuze leiders die het land veroverd en opgebouwd hebben, verdienen eeuwige roem. De zogenoemde "geniale schenking" van het Congolese land aan de Belgische staat blijkt een meesterlijke zet van de grote vorst geweest te zijn. Berlijn was een zegen voor het Vaderland!

In 1960 bleek één en ander in die mate voorbijgestreefd, dat de zwarte burger de macht gegrepen heeft. We zijn nu al weer 50 jaar verder, en de geschiedenis toont aan dat niet alles van een leien daakje loopt. Maar zeker is dat kolonisatie niet de ideale oplossing gebleken is voor de ontwikkeling van landen die heel wat natuurlijke rijkdom vertoonden, maar die uit eigen ontwikkeling die rijkdom nog niet begrepen. Het is een internationaal vraagstuk, dat zich nu opnieuw afspeelt waar het over de Russische aanspraken over het poolgebied gaat.

Een boek is niet alleen mooi door zijn kleed. Ook en vooral de inhoud, hoe voorbijgestreefd ook, moet opnieuw tot leven geroepen worden. Wat als een historicus dit boek onder handen zou nemen en de inhoud aan een critisch onderzoek zou onderwerpen? De nota's van Carton de Wiart dateren van 1922. Dat is ondertussen reeds 87 jaar geleden. Het mocht wel eens gebeuren. Misschien in een groter geheel, waarbij men zich uiteraard niet tot Carton de Wiart moet beperken. De enige kritiek daarop is dat binnen vijftig jaar deze nieuwe visie op haar beurt het voorwerp van historische kritiek zou kunnen worden. Maar dat gebeurt nu toch ook met de geschriften van Aristoteles en zijn trawanten, of met al die Oosterse auteurs waarvan de werken doorheen de eeuwen gebundeld zijn tot wat men gemeenzaam wel eens de Bijbel ofte het Oude Testament is gaan noemen.

Kritiek is van alle tijden. Geloof is iets anders. En van zodra het geloof in staat is kritiek ook als zodanig te aanzien, zal alles veel beter gaan. Maar dit laatste heeft niets meer met Carton de Wiart te maken. Of was hij toch kritischer dan ik het voor mogelijk acht?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen