ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

dinsdag 31 augustus 2010

nog een beetje teveel

De figuur van Julius Persyn mag niet onderschat worden. Hij was een denker, die als professor aan zijn leerlingen voorhield dat het intellect de kracht heeft en geeft om vooruit te komen. Maar alles vergt hard werk, en zelfs in zijn beschrijvend werk "Kiezen, smaken, Schrijven", waarvan ik hier een zevende vermeerderde en bijgewerkte uitgave heb van het oorspronkelijke werk uit 1907, stelt hij : "...leeraars en leerlingen zijn menschen (...) vóór alles. Wij allen stellen er prijs op (...) mee te gaan in de rij der intellectuelen (...) . Wij hebben (...) een te hoge opvatting om ons (...) te laten zakken in de (...) kudde van hen die denken (...) genoeg te hebben verricht als ze 't werk om den broode hebben gedaan (...). Wij (...) gevoelen een ziel (te) hebben, (wij) weten dat het intellectueel werk op zichzelf het hoogste menschelijk genot is (...)."

Dit is geen kleine verklaring, het is eigenlijk een oproep aan zijn studenten om een intellectuele elite te vormen. Maar hij geeft ook mij les: hij stelt zonder meer, dus in 1907, dat als je alleen al wil lezen en enkel maar lezen wat in de 'Nederlandsche letterkunde" is voortgebracht, uw leven niet lang genoeg zal zijn. Een vaststelling dus waar ik weliswaar reeds langer achter gekomen was, maar die ik zoals zovelen maar liet voor wat ze was.

Maar hij zoals alle groten, was toch ook maar een kind van zijn tijd, die voelde, dacht en deed zoals de tijdgeest hem dat voorschreef. De weinige echte revolutionairen hebben steeds voor aardschokken gezorgd. Percyn gaf leiding, en heeft de moed gehad tegen de wil van de overheden in te gaan. Eerst aanvaardde hij een leerstoel aan de vernederlandste universiteit te Gent, onder voorwaarden. Konsekwent heeft hij die post opgegeven toen de Duitse overheid haar woord niet hield. Toch heeft na de oorlog de universitaire overheid hem zwaar gestraft. Zowel te Antwerpen als te Gent, werd hij uitgesloten, en op ziekenverlof geplaatst. Het heeft jaren geduurd, en de tussenkomst van August Van Cauwelaert, Minister Poullet en Camille Huysmans gevraagd alvorens zijn daden in het juiste perspectief gezien werden en hem eerherstel toegekend werd.

Om na die uitsluiting in het levensonderhoud  van zijn grote gezin te voorzien heeft hij zich in het lezingencircuit gestort. Dat heeft hem fysiek en geestelijk uitgeput. In 1931 ontving hij nog wel de Staatsprijs voor Krietiek en Essays, maar in 1933 overleed hij op dramatische wijze, slechts 55 jaar oud.

Een echte revolutionair was hij niet. De omstandigheden hebben van hem een martelaar gemaakt, maar in de eerste plaats moet hij gezien worden als een uitmuntend literair-historicus.

Deze zevende druk, die ik hier voor me heb liggen zal door mij gerestaureerd worden. Hopelijk krijgt dat werk daardoor de uitstraling zoals het op zijn studenten indruk moet gemaakt hebben. De eigenaar was een echte studax: er zijn maar weinig bladzijden te vinden waar geen woorden en zinssneden onderstreept zijn, gedachten bijgeschreven, nummeringen toegevoegd om de logica van de tekst beter te kunnen zien, en kritische vragen toegevoegd.

Tesamen met het nummer 19 van de Oostvlaamse Literaire Monografieën, geschreven door Hein Persyn, krijgt ook deze grote Vlaming een apart hoekje in de boekenkast.

Op diezelfde plank ga ik ook het werk van Louis Sourie: "Prosper van Langendonck zetten". Ook het werk van dr. Frans Verachtert, "Karel van den Oever", komt daar terecht. Weer wat studiewerk dat gaat liggen of staan wachten. Het werk over Karel van den Oever verscheen bij het Davidsfonds in 1940, en is nog niet eens opengesneden. Dit over Prosper van Langendonck dateert van 1942, bij de zelfde uitgever verschenen, en lijdt globaal aan dezelfde ziekte. Deze werken geven een biografisch overzicht van twee een beetje vergeten, en totaal onderschatte auteurs.

Om echt iets te weten te komen over de Nederlandse literatuur, moet je eigenlijk het tijdschrift "De Gids" doornemen. Maar dan moet je al meer dan 150 jaar literatuur doornemen. Dan is het misschien voordeliger een samenvatting in handen te krijgen, die dat werk voor u doet, en die dus noodzakelijk reeds de voornaamste schifting doorgevoerd heeft. Het resultaat van die behandeling ligt hier voor me, en is een schiterend foto- en tekstboek, waarin een opeenvolging van prachtige informatie terug te vinden is. Ik vind het altijd mooi de oubollige kop van Potgieter en de weerbarstige kop van J.A. Alberdingk Thijm even te mogen bekijken. Maar Louis Couperus mag er ook zijn, met zijn verfijnd baardje en breeduitgepunte snor.

Het boekje heeft voor mij inzoverre belang, dat ik er gemakkelijk, dank zij de chronologische opbouw van het ganse verhaal, bepaalde namen en gebeurtenissen kan terugvinden, en de vooral Noord Nederlandse acties, reacties en interacties. Waarom vind ik dat zo belangrijk? Zowel Gezelle als Streuvels, maar ook tal van andere Vlaamse auteurs hebben in Nederland zeer vroeg in hun carrière connecties gelegd, en werden er ook in grote mate op prijs gesteld. En lezend over beide heren, is het boek "De Gids sinds 1837" tegelijkertijd een bron van historische informatie, en een bron van vergelijkingsmateriaal. Het staat boordevol achtergrond-informatie, gegeven met brieven en allerhande documenten van de actoren, waaruit de onderlinge sympathieën en spanningen zeer duidelijk naar voor komen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen