Pagina's

ALS JE DE DUIVEL WILT BESTRIJDEN, MOET JE ZIJN BOEKEN LEZEN

danny.bloemenhof@gmail.com

zondag 22 augustus 2010

Blumengarten, een aanvulling

Naar aanleiding van een kort contact dat ik gehad heb (via een ander boekenliefhebber die zo vriendelijk was mijn vraag aan hem door te spelen) met één van Nederlands meest gekende Streuvelskenners, niemand minder dan Bertus Van den Belt, en de daaruit voortvloeiende zoektocht naar gegevens over het bedoelde onderwerp, namelijk vertalingen, kwam ik terecht op een website die op een uitgebreide manier de nog al stroeve wijze van oordeelvorming van Hedwig Speliers over Stijn Streuvels uit de doeken doet.

Ik had al eerder de soms potsierlijke uitlatingen van Speliers opgemerkt in zijn meer populaire werken, maar had eigenlijk geen weet van het feit hoe diep de afkeer van deze onderzoeker en auteur wel zit. En het zit diep, zoals blijkt uit het artikel "Hedwig Speliers en Stijn Streuvels" dat hier kan bekeken worden. De tekst is een weergave van hetgeen er geschreven staat in het jaarboek van het Stijn Streuvelsgenootschap, jaargang 2000, .

Ik ga nu niet verder in op deze polemiek. De reden waarom ik deze webstek aanhaal is omdat in verband met mijn artikel Blumengarten er sprake was van de vertaling van Der graue Reiter van Herbert von Hoerner door Streuvels, en er toch nog enige kleine maar interessante vermeldingen moeten gemaakt worden. Een uitgebreid verslag, zo meldde mij Bertus Van den Belt, is te vinden in het jaarboek van 2009, waar er aan zijn interesse voor Björnsön en aan zijn vertaalwerk en -methode de nodige aandacht besteed is. Bij dezelfde aankoop, waarin ook dit werkje meekwam, zat eveneens het album "Kroniek van ... Stijn Streuvels", dat ik met veel plezier doorbladerd heb, omwille van zijn fotomateriaal, en waarvan ik al de interessante levensbeschrijving aangehaald heb. Daarin had ik diagonaal lezend ook reeds het volgende gegeven teruggevonden, maar niet genoteerd, ondanks het kladblok en potlood in aanslag. Een meeuw die zwevend tegen de wind traag voorbij ons raam zeilde? Een monokini die elegant uit het water oprees? De bijbehorende mep van de hand van mijn echtgenote die me tot intensiever lectuur aanmaande? Ik heb het niet genoteerd, en zet dat nu recht.

In 1941 of '42 vertalen de beide dochters dit verhaal, maar, zo blijkt uit de lectuur van het zeer uitgebreide artikel, onder de hoofding "Een getrukeerd proces", vonden vader Lateur en ook de uitgever Antoon Thiry van "Die Poorte" het beter zijn pseudoniem onder de titel "De grauwe Ruiter" te plaatsen. Het verkocht ongetwijfeld beter, en er moest hoe dan ook brood op de plank komen. Hoe dan ook? Het artikel bewijst op zijn manier dat de methode Speliers alleszins niet tot de broodverwervende activiteiten van Streuvels gerekend kunnen worden.

zaterdag 21 augustus 2010

laten bezinken

Trop is teveel, en teveel is trop. De vakantie heeft me overstelpt met zoveel nieuwe boeken in mijn bibliotheek, dat ik er even de rem moet op gooien. Boeken willen bezitten omwille van het boek is niet de goede ingesteldheid. En ik wil een eindje alleen maar lezen. Vergelijken. Uitleggen. Vragen. Zoeken.

Maar de laatste aankoop die ik gepleegd heb is er één die er wel mag zijn. Daarbij zijn een paar belangwekkende werken tot mij gekomen, en ze zullen gekoesterd worden.

Het hele verhaal begon, toen ik de zoekterm "Michel Van der Plas" indiende bij Tante Google. Zij verwees me naar een verkoper die het standaardwerk over Jozef Alberdingk Thijm in zijn bezit had, en waarvan hij beweerde dat het boek in een haast vlekkeloze staat was. Hij wou het mij wel verkopen, maar vroeg toch nog even naar mijn zedelijke kwotering, vraag waarop deze brave jongen uiteraard steeds voorbereid is. "V!", antwoordde ik in vlekkeloos latijn, en meteen was de koop gesloten. Doch een overzicht van zijn andere aanbod deed me toch even naar adem happen.

Maar laat me maar even het boek ter hand nemen, en beschrijven wat ik hier zie. Een boek waarbij het van de verkoper bijna een belediging voor het boek was alleen maar over vlekkeloos te spreken. Het werk is in meer dan vlekkeloze staat. Het is nieuw, zonder meer. Maar uit een half woord kon ik opmaken dat dergelijke boeken als geschenk vaak in een bibliotheek terechtkomen, en bij het liquideren van die bibliotheek alleen maar stof verzamelen. Ze komen in een lot terecht bij een verkoper, die dan naargelang van zijn ingesteldheid munt tracht te slaan uit zijn verworven schat, en eerder de euro dan wel Mark, Frank of Danny in acht nemen bij hun beslissing tot verkoop. Deze man was er eerder blij mee dat een bibliofiel en literatuurliefhebber zijn boek overnam, en geen verzamelaar, geen doorverkoper. Wees ervan overtuigd: het zal gelezen worden, bestudeerd, zoals ik nu doe met zijn evenknie "Mijnheer Gezelle", van dezelfde auteur en even standaard geworden als het gaat over het leven van de dichter, als het werk van Jozef Boets standaard is voor wat de omschrijving van zijn dichtwerk betreft.

In een lezing over heuristiek als middel om de gegevensbronnen voor een studie op een degelijke manier te verzamelen, las ik enige dagen geleden dat het niet slecht was een nieuwe bron, vóór gerichte lectuur een keertje diagonaal door te nemen. En steekproefgewijs zocht ik achteraan in het namenregister uiteraard de naam Gezelle op. Dit leverde me op enige minuten tijd twee mooie vondsten op. Zo zou Jozef Alberdingk Thijm net zoals Gezelle mogelijk met het idee van het oprichten van een dichterschool rond zijn persoon gespeeld hebben. Bij het oprichten van een volksalmanak in 1851 kreeg hij van een groot aantal aangeschreven medewerkers carte blanche voor het verbeteren van ingezonden stukken. Hij was er dus van overtuigd dat zijn medewerkers vorming nodig hadden in  hun dichtwerk, hetgeen hem meteen een status zou bezorgen van dichtgoeroe, zoals ook Gezelle in Roeselare in zijn dromen zag gebeuren, enige jaren later. Toch maakten zij pas later kennis, zoals blijkt uit een ander fragment, gerelateerd aan Gezelle. Toen de vader vlak na Pasen op sterven lag, en de sacramenten ontving, schreef Jozef aan Gezelle, die omschreven wordt als een "pas verworven relatie in Vlaanderen" een vriendenbede aan Prof. Guido Gezelle, opdat hij een memento aan den Goeden God wil opdragen, ter verkrijging van eenige verlichting in het lijden van mijn 69 jarigen vader, die de laatste H.H. Sacramenten heeft ontvangen.  Afgezien van de persoonlijke inhoud van die zending, blijkt het dus dat het idee van een dichterschool bij Gezelle geen nieuw idee was. En was het geen almanak die Thijn uitgaf? Dat soort van uitgave is later voor Gezelle ook het voorwerp van zijn activiteiten geweest.

En als je je ogen dan even laat rondglijden, zie je op de tegenbladzijde meteen de verklaring voor een bepaald woord, dat je bij de lectuur van een totaal ander werk toevallig tegen gekomen bent, en waar je met de beste wil van de wereld geen weg mee wist.

Ik citeer bladzijde 266: Liepen zij op zulke momenten niet in de pas met plaatselijke kerkelijke autoriteiten als bisschoppen en pastoors, dan werd op hun openbare woord aanzienlijk minder prijs gesteld. Zo oordeelde trouwens ook het kerkvolk. Thijm zou het zijn verdere leven tot zijn schade en schande ondervinden. 'De geestelijkheid' was als zodanig sacrosanct, en een leek die daar vrijmoedig tegen in opstand kwam had het bij voorbaat verkorven.  Sacrosanct? Ik weet het nu, met dank aan Michel Van der Plas.

Ik wil niet voorlopen op de literatuur van beide boeken, maar voorspel wel een hete winter. Want er ligt naast deze twee kanjers echt nog meer op me te wachten.

Zo is er uit diezelfde aankoop ook een leuke verzameling boeken tevoorschijn gekomen, die met twee grote Vlaamse figuren te maken heeft. Enerzijds heb ik de verzamelde werken van Herman Teirlinck vastgekregen. Hier zie ik duidelijk wel sporen van lectuur, en dat kan me alleen maar blij maken. Deze zoon van Isidoor, en goede vriend van Ernest Claes, is niet de minste in de Vlaamse literatuur. Het lijkt me niet onaardig deze verzameling werken in één klap aan mijn bibliotheek toe te voegen.

Maar vooral de verzamelde werken van Cyriel Verschaeve kunnen mijn hart verwarmen. Ik zocht er al lang naar, maar heb de prijs altijd vrij hoog gevonden, hoewel er een enkele tegen een gemodereerde prijs te krijgen was, of nog steeds is. Maar ik aarzelde, en dat is mijn geluk geweest. Dit verzameld werk is veel meer dan dat. Het geeft ook een overzicht van het leven van de priester-dichter, en een analyse van zijn werk, iets dat ik op een natuurlijke wijze als hand in hand gaande onderwerpen zie.

Evenzeer mag ik me de fiere eigenaar noemen van "Guido Gezelle's Dichtwerken", van Prof. dr. Frank Baur uit 1943. Het werk werd aan de vorige eigenaar geschonken, of door hem verworven op Paschen - April 1944. Beide boekdelen dragen deze datering, en de handtekening van de eigenaar. Zoals dat wel eens gebeurt, laat iemand in een boek iets achter dat iets, of niets vertelt over hemzelf (of haarzelf). Tussen de bladzijden 374 en 375 van deel I steekt een gedroogde bloem, die op een zeer degelijke manier gedroogd was, alvorens in dit boekdeel te mogen verblijven. Ik ken de bloem niet, de kroonbladen zijn zeer groot ten opzichte van de kelk, maar een kleur kan ik niet meer bepalen. Er zijn inderdaad geen vochtvlekken die het boek zouden ontsierd hebben. Maar...

Aangekomen bij bladzijde 571, de titelbladzijde van "Laatste verzen" in deel II, zie ik wel vochtvlekken, en deze zijn onmiskenbaar toe te wijzen aan onzorgvuldig gebruik als droogboek voor een ander bloemetje. Ik blader verder, en tussen bladzijden 574 en 575 steekt nog het onschuldige bloemetje, dat echter tesamen met een zusje op die wijze voor de eeuwigheid, of toch niet veel minder, bewaard mag worden. Het zijn boterbloemetjes, daar bestaat geen twijfel over, en zij illustreren op één of andere wijze het gedicht "'t Er viel 'ne keer".

De afdruk die beide bloemetjes gemaakt hebben, zijn echter zo zuiver, zo mooi, dat je hetzelfde effect niet zoudt kunnen bereiken als je het erom zoudt gedaan hebben. Ze verhogen eerder de waarde van het boek, dan het te verlagen. Was echter de eigenaar zo onzorgvuldig, of hebben zijn kinderen of kleinkinderen deze toch voor hen anders zo nutteloze boekdelen gebruik om in kinderlijke onschuld hun botanische kennis te vergroten? Ik zal het nooit weten, maar het bloemetje blijft wel op zijn plaats. Deze Gedichten komen wel op een ereplaats te staan.

Ook een merkwaardigheid over het werk van Aug. Vermeylen (boek dat ook die naam draagt) is me toegevallen. Het boek is niets anders dan een volledige of zo volledig mogelijke analytische bibliografie van August Vermeylen. Zeer degelijk werk, dat jaren van intensieve arbeid gekost heeft om samen te stellen. Weer iets om regelmatig naar terug te grijpen.

Wat er nog zo allemaal in het totale lot stak, dat ik meegebracht heb, laat ik voorlopig nog even in het midden. Om het thuis te krijgen was alleen een autoritje naar Oostende de oplossing. De totale vracht bedroeg drie volle kartonnen fruitdozen. Daarin steken nog een aantal belangwekkende zaken, maar die laat ik voorlopig nog een beetje onbesproken. Op momenten dat het studeren me tegensteekt, zal ik misschien nog eens een verdere beschrijving van sommige werken geven. Nu wil ik eerder een beetje televisie kijken. VTM of zo moet toch aan zijn kijkcijfers komen.

Oudenaarde groet Oostende.

zondag 15 augustus 2010

Blumengarten

Zondagavond, herfstweer, on-zin. Dus toch maar een schrijfuurtje inlassen om deze blog weer een beetje in de vingers te krijgen. En de heer Streuvels heeft de laatste weken de weg naar mijn nederige stulp gevonden, tesamen met ondermeer ook Gezelle, maar ook een heleboel andere Vlaamse groten hebben mij met hun bezoek vereerd. En tenslotte is ook op het vlak van literatuurstudie links en rechts toch een mooi pakketje boeken binnengekomen. Een paar daarvan hebben echt mijn fierheid weer gewekt, en dat is steeds een gevaarlijk gevoel.

Streuvels heeft reeds een mooie plaats op zolder gekregen, maar het minilijsternestje zal toch een plank meer gaan innemen ten nadele van een paar minder belangrijke werken, die terug in dozen gezet zullen worden, in afwachting van weer een andere oplosssing.

Niet zolang geleden heb ik in de reeks "Kroniek van..." het werk over de gebroeders Van de Woestijne aangeschaft. Des te mooier is de aankoop, in dezelfde reeks, van de kroniek over Stijn Streuvels. Het boek schittert door zijn interessante fotowerk, maar ook informatief is het een prachtige samenvatting van de levensloop van deze schrijver. Het verbaasde me dan ook niet regelmatig mezelf te betrappen met open mond van ... verbazing, over de vele weetjes die in dit mooie werk te vinden zijn. Net zoals bij de gebroeders Van de Woestijne krijg je mooie, grafisch gemakkelijk te lezen syntheses van allerhande gebeurtenissen, maar vooral de verwijzingen naar andere belangwekkende figuren en hun aandeel in de vorming en de uiteindelijke levenshouding van de auteur geven een zeer duidelijk beeld. Wat ik echter het mooist vind aan dit hele werk is de synoptische tabel achteraan in het boek, waar jaar na jaar de belangrijkste feiten uit zijn leven, maar ook een paar andere gegevens in verwerkt zijn: de geboorte- en overlijdensjaren van een aantal belangrijke figuren, belangrijke feiten uit de nederlandstalige letterkunde maar ook uit de letteren en kunsten in het algemeen, en eveneens belangrijke feiten uit de geschiedenis en de wetenschappen worden zodanig naast mekaar geplaatst, dat je een kort en duidelijk tijdsbeeld krijgt te zien.

Het jaar 1880 is goed voor de volgende feiten: over Streuvels zelf niets, hij was gewoon een versnoekte kwajongen. Maar A. Snieders schreef zijn "Alleen in de wereld", Guido Gezelle zijn "Liederen, Eerdichten en reliqua", Gustave Flaubert overleed, H. Taine gaf zijn "Filosophie de l'art" uit. Op internationaal vlak brak de Eerste Boerenoorlog uit, en zeer belangrijk voor de toekomstige ronderijder: de kettingaandrijving voor rijwielen werd ontwikkeld, en dat laatste heeft zijn latere aanschaf van zijn "Engels raspaardje" tot een gerechtvaardigde aankoop gemaakt. Pan kon ervan meespreken.

Nog verder achteraan staat er een zeer uitgebreide index , alfabetisch, op het werk van Streuvels, zowel in boekvorm gepubliceerd, als gepubliceerd maar niet gebundeld. Maar, en dat is natuurlijk voor de vorser zeer wetenswaardig, zijn geplande of geschreven maar niet gepubliceerde werken worden in een derde, apart punt opgesomd. Dat laatste lijstje is dan wel het kortste van de drie, maar toch niet van aard om te zeggen: nu ja.

Uitgegeven in 1971 bij Orion-Desclée de Brouwer, kan het niet anders of na de dood van de auteur zijn een paar van de titels uit dat laatste punt natuurlijk wel nog door de persen geraakt. Maar dat ligt in de lijn der verwachtingen. We zijn alweer een veertig jaar later, en de Streuvels-onderzoekers en -fans hebben niet stilgezeten.

In 1916 werd Dina Lateur geboren, in volle oorlogstijd, en het arme wicht heeft zelfs een heuse vlucht voor het oorlogsgeweld moeten meemaken. Enige jaren later schreef haar vader het meest aandoenlijke boek uit zijn carrière, daar waar het het meer autobiobrafische werk betreft, wel te verstaan: Prutske.

Deze tweede druk geeft een geromantiseerde inkijk in het kinderleven van zijn dochter, onder de vorm van een prettige, met humor gekruide vertelling, die ten volle de vaderlijke trots weergeeft, en ook tussen de regels door de dito opluchting dat alles met het kind goedgekomen is, ondanks de hachelijke oorlogsomstandigheden, waarmee toch elkeen in de streek te kampen had. Er is met dit boek echter wat aan de hand. Het heeft zijn kleed niet gekregen. De hardcover is de naakte witkartonnen versie, met de rugversterking, maar niet de verwachte blauwe stofband met goudopdruk. Nochtans is dit de 420ste band op 500 (CCCCXX), genummerd van I tot D, bestemd voor de Nederlandse markt, want door Veen verspreid, terwijl de andere 500 voor Vlaanderen bestemd waren, en dus genummerd van 1 tot 500, verspreid door Cultura uit Brugge. Tien exemplaren waren alfabetisch van A tot J getekend, en droegen elk een originele aquarel van Albert Saverys. Exemplaar A daarenboven droeg al de oorspronkelijke tekeningen, B, C en D waren geheel eigenhandig geïllustreerd door Albert Saverys. Deze tweede uitgave kwam in 1930 tot stand. Helaas laten lijmsporen op het voor- en achterplat duidelijk zien dat er tekeningen van de illustrator kunnen gekleefd hebben in dit werk, of was het toch wat anders? Het doet echter helemaal niets af aan de waarde van dit boek.

Maar wat is de geschiedenis van de "naakte" omslag? De verkoper heeft het mij verklaard. De 500 exemplaren voor de Nederlandse markt vonden niet de verhoopte afzet, en uiteindelijk werden de boeken niet volledig afgewerkt, zodat de nummers van om en bij de 400 tot 500 het zonder hun luxekleed moesten stellen, en naar alle waarschijnlijkheid gebruikt werden door de uitgever om links en rechts een goede klant of relatie te belonen met een extraatje. Nummer CCCCXX is nochtans eigenhandig door de auteur ondertekend! Mogelijk heeft Streuvels zelf dus ook een deel van de onverkochte exemplaren overgenomen of gekregen, zodat hij zelf ook een paar relatiegeschenken kon ronddelen.

In MCMLIV gaf de Wereldbibliotheek nummer 8 van het verzameld werk van Stijn Streuvels uit. Op een kleinigheidje waterschade op de stofwikkel en op de rug na is het werk nog in perfecte staat. Genoveva van Brabant, op 536 bladzijden. Zo menig schrijver heeft in zijn memoires of in zijn autobiografische werken te kennen gegeven dat ze in hun prille jeugd dit werk (niet noodzakelijk van de hand van Streuvels) gelezen hebben, of voorgelezen gekregen hebben, of er vertellingen over gehoord hebben. Ik kan het nu als ik wil in één ruk uitlezen. Dat kon ik voorheen ook al, maar het is één van de werken die ik geen voorrang gegeven heb, om het meer creatieve werk, en ook zijn autobiografie, te kunnen lezen. Zou het er toch nog van komen?

Ander eerder secundair werk van dezelfde auteur zijn de "Vlaamse vertelsels van Charles De Coster". Daar ben ik reeds aan begonnen, dus kan het vermoeden bestaan dat de andere hieronder en -boven opgesomde werken, alsmede Geneveva toch nog een kans maken. Zo is ook "De rampzalige kaproen" de revue gepasseerd, voor het panoramische venster, en haast in één ruk. Geen grote literatuur, voor iemand uit een andere tijd, maar Wernher de Tuinder heeft zijn best gedaan deze middeleeuwse boerenroman tot voorbeeld en stichting van wie het wou lezen en er lering uit trekken, naar bestvermogen te schrijven, en Streuvels zag er wel brood in de spijtige avonturen van Helmbrecht nog in MCMLVII een tweede uitgave te bezorgen bij de Wereldbibliotheek. Een enkele keer krijgen we een stichtelijk verhaal, dat helemaal verkeerd afloopt, tot lering van wie wil begrijpen. Het gebeurt maar zelden dat we in dat soort van literatuur een vaderfiguur meemaken die zich ten opzichte van zijn onwillige zoon zo onverzoenlijk opstelt, dat hij hem uiteindelijk door een aantal benadeelde boeren laat mishandelen, en later opknopen. Ook de weke moederfiguur, die haar kind niet feller verdedigt, is buitengewoon. Zonde, en vergeving van zonde werden meestal als feiten des levens voorgesteld, en een goede afloop was ook voor de lezer een beloning voor de aangehouden inspanning. Niets daarvan in dit verhaal: we storten mee met het noodlot, en dat doet vreemd aan. Reden te meer om er Streuvels om te bewonderen. In zijn keuze om dit werk te vertalen blijft hij trouw aan zijn houding die hij ook zijn hoofdfiguren in zoveel werken laat ondergaan: de wereld is keihard, en als je je niet gedraagt, krijgt de wereld je wel. Mooi.

Ook reeds gelezen is "De Grauwe Ruiter", van Herbert von Hoerner, en vertaald door Streuvels. De Boekengilde "Die Poorte" heeft geen lang leven gekend, en in 1942 gaven zij dit werkje uit. Ook hier vinden we dezelfde schulddramatiek aan: als je je tegen hogere machten verzet, ga je onvermijdelijk ten onder. Dit verhaal begint met de kennismaking met de oude Germaanse sage, die wil dat wanneer tijdens storm, nacht en ontij "der graue Reiter" aan je verschijnt, je er maar beter aan kunt doen je plannen die je op dat ogenblik in gedachten had, te laten schieten.  En natuurlijk drijft de hoofdpersoon, ondanks zijn bedachtzaamheid, zijn gerechtvaardigde maar hebzuchtige plannen door. Niet zijn zoon, die zijn onschuldige handlanger is, maar een vrijer van zijn dochter, een politieman, dwarsboomt de plannen, en wordt eigenlijk ook een beetje ongewild de drijvende kracht achter de ondergang van de boer. Fijn is het om te zien dat  in dit verhaal de man in zijn stervensmoment nog in staat is zijn zoon toe te roepen dat hij zijn levenswerk moet voltooien. Hier is er dus ook wel ondergang, maar het is geen volledig schulddrager, de man beseft zijn dwaasheid, doch alle terugwegen zijn afgesneden. In de opbouw van het verhaal is er echter een vermenging van de oude germaanse sage, met ook moderne technieken zoals telefoon en fotografie die element worden in het verhaal. Von Hoerner heeft als Baltenduitser uit Kurland (de absolute grens van het Germaanse land want noordelijker heersen de Noorse goden, terwijl men oostelijker in de Slavische wereld treedt), de moed om een verhaal te schrijven dat refereert naar de oude volksgeschiedenis, maar dat zich in de "moderne" tijd afspeelt.

Nog andere brood-literatuur van Streuvels zijn de "Vertelsels van Gokkel en Hinkel" van Clemens Brentanos. Dit is een echt sprookje, een volksvertelsel, waarin alles mogelijk is, gemaakt op de maat van kinderen. Na enige bladzijden weet je dat al wel, en het is duidelijk dat er hier niet veel verwantschap met het werk van Streuvels zelf in terug te vinden is. Prutske alleen heeft dezelfde geesteswaarde in zijn werk. Maar dit sprookje is dan ook wat het is: brood op de plank van de schrijver, die toch maar alleen van zijn pen wou leven. Bakker was hij alleen nog voor zijn eigen gezin. Het brood kwam echter van de pen.

Helemaal anders ging het met zijn passie voor Reinaert de Vos. In zijn bibliotheek in het lijsternest was er een ware vossenburcht, en dat moest noodgedwongen voor de schrijver uitmonden in een eigen verwoorde versie van deze eeuwenoude vertelling. Het boek dat ik hier heb liggen, heeft geleefd. De kaft is gescheurd, de achterkant heeft nog zwaarder dagen gekend, verschillende bladzijden hebben onherstelbare ezelsoren, roestvlekken alom, loskomende binding en een verdwenen rug voegen zich aan de rampen toe. En toch ben ik er blij mee: deze derde uitgave van Veen uit 't jaar O.H. MCMXXI is opgeluisterd met teekeningen door Gustaaf van de Woestijne. Het toont hoe in 1921 een boek een fraaie en toch volkse afwerking kon krijgen. Elke bladzijde draagt zijn tekst in een rood kader, en als van de Woestijne een tekening mag plaatsen, wordt de rode omkadering zo nodig functioneel onderbroken, maar is er eventueel boven en/of onder toch nog tekst aanwezig. Naïeve, maar oh zo fraaie uitvoering.

zal vervolgen.

zondag 8 augustus 2010

Het gevallen oog

Inderdaad, zoals in het vorige bericht gemeld, mijn oog is gevallen, en als onderdeel van een rustgevende bezinningsweek in een leuk appartement met panoramisch zicht op zee, werd een dubbelbezoek aan een boekenvriend op de agenda gezet.

Om de tijd tussen aankomst en bezoek niet in ledigheid door te brengen had ik alvast een viertal "Gezelles" en "Streuvels" mee in de koffers gepakt. Mijn vrouw, iets modester betreffende keuze van leesvoer, had er twee turven bijgestopt, die als chicklit naast mijn boeken mochten vertoeven. Het weer heeft ons niet in de steek gelaten: altijd goed genoeg voor een fikse wandeling, en ook om op een beschutte bank op de dijk alvast wat letters op te doen. Maar het echte lees- en studiewerk kwam steevast in de rustige uren van de namiddag, als wandelen tussen een opgewonden menigte ons niet aantrok, en we de zetels voor de Streuveliaanse vensters, maar dan wel drie maal zo hoog, en vier maal zo breed, plaatsten, om de boeken open te slaan, en de geest te voeden.

Nota's werden opgekrabbeld, en nu heb ik de leuke taak ze te ontcijferen, en te ordenen. Maar toch wist ik dat de dinsdagvoormiddag het feestelijke moment van het verlof zou worden. Dan ging ik mijn oog laten vallen. En het viel. Waarop vertel ik later. Maar als een kind zo blij ging ik met een valiesje gevuld met lekkers naar huis. Vanaf dan werd elke vrije minuut gevuld met kijken, keuren, het gewone besnuffelen en doorbladeren.

Hier en daar werd er nog een uitstap gepland, want als je in Oostende bent, en tijd en wandelbenen hebt, moet je ook een uitstapje maken naar het domein dat ik vroeger enkel aan de buitenkant heb leren kennen, en dat wij "het domein van Prins Karel" noemden. Meer dan een paar oppervlakkigheden heb ik toen niet overgehouden aan de uitleg van voornamelijk mijn vader. Gelukkig heeft de televisie me op bepaalde ogenblikken een eerste inkijk in dat landgoed gegund. Maar nu was het een bezoek met een electronische gids, waardoor ik aan de hand van de mooie auditieve uitleg en de zeer duidelijke en zeer mooi tentoongestelde muzeumstukken een prachtige geschiedenis kon leren kennen. Twee of drie dagen later hebben we dan ook het bunkercomplex bezocht, dat voor mij de ware aha-erlebnis geworden is. Meer dan twee uur zijn we zorgvuldig de paden afgewandeld, hebben aandachtig naar de uitleg geluisterd, en vooral onze ogen de kost gegeven. Heerlijk was het. De vele literatuur die ik over WO I en -II opgeslagen heb, viel in het niets bij de levendige beschrijvingen van de omstandigheden waarin onze Vlaamse kust verdedigd werd, door de Duitse bezetters voornamelijk tijdens WO II, maar met toch ook een heleboel documentatie over 1914-18.

Het tweede bezoek aan  mijn boekenvriend was meer nog dan het eerste een opsteker. Ook hier houd ik een inventaris voor later, maar het was een deugddoend bezoek, in alle opzichten. De literatuur die ik meegebracht heb naar huis, is voldoende om een paar jaar te studeren. Ik heb reeds heel wat gelezen van de literaire werken, maar dit verzeker ik elkeen die ooit een pak boeken in de hand genomen heeft, en die zich afgevraagd heeft hoe erdoor te raken: het zal geen kinderspel zijn.

Nu zijn er echter een paar dingen die voorrang krijgen, omdat ik ze moet maggen. Er wacht nog een vaat op mij, ik mag nog tiramisu maken, en deze namiddag mocht ik een mirabellenboom doorplukken. Zodoende zullen we morgen mogen konfituur maken. Allemaal goede redenen om de boeken voor vanavond even te laten voor wat ze zijn. De strategisch door mijn vrouw tentoongestelde deegrol, in een klein, kunstig uit het fijnste houtwerk gemaakt schrijn, met als beschrijving: Romaans, maar ook Vroeg-Gotisch, Barok, Classisistisch, Romantisch, Impressionistisch, Expressionistisch maar vooral Magisch-Realistisch motivatiewerktuig, tegenwoordig nog steeds in gebruik in de streek van Oudenaarde, ligt valselijk naar mij te gluren. Ooit, in een bui van zelfverloochening, zal ik bijvoorbeeld wegens gebrek aan brandstof, op een winteravond om 20h33, het ding naar de geschiedenis verwijzen ter meerdere verwarming van mijn huiskamer en van mijn hart. Maar door de opwarming van de aarde, en ook wel enigzins door mijn vreedzame karakter, ligt dit moment nog ver vóór mij.

zaterdag 31 juli 2010

Ik mag, ik mag, ik mag.

Het is zeer lang geleden dat ik nog met zoveel plezier uitgekeken heb naar een beetje verlof. De laatste week was er al een voorbereiding op. De riem lag er al af. Maar de dagelijkse routine moest nog steeds gevolgd worden. Alleen kon het middaguur even verlengd worden, en werd een dikke Gezelle naast de soep gelegd. Of mocht Streuvels zijn goed verpakte woordenwisselingen doorheen de stilte van een zinderende zomer, met als grootste zomerhit het "Agnus Dei", en "Tantum Ergo"met stip genoteerd, afvuren op deze argeloze jongen, die nochtans niet voorzien was op zoveel literaire arbeidsvreugde.

Een ganse maand thuis, of bijna. Wegens ook een beetje het zand tussen de tenen willen voelen. Een ganse maand boeken snuisteren, tuinieren, enige musea begapen, slapen, schrijven als de inspiratie dat wil. Lezen als de pen moe is.

Mijn bibliotheek is aangegroeid. Ik heb een paar belangwekkende werken van zowel Gezelle als Streuvels gekocht, of er mijn oog op laten vallen. Maar zeker ook nog een massa anderen, die mijn hart van vreugde doen slagen overslaan. Dit blogje mag geen toonplaats worden waar ik opzichtig mijn schatten aan de wereld vertoon, maar enige fierheid kan ik mezelf moeilijk ontkennen. Toch wil ik geen kijkkast creëren. Maar evenmin kan ik, net zo min als ik dat kon toen ik mijn bibliotheek in de kiem liet ontstaan, mijn verbazing verbergen als ik zie dat zovele belangwekkende boeken naar me toe komen, zonder dat ze door een geïnteresseerd oog benaderd zijn door hun vorige eigenaars. Andere vertonen dan weer scheuren en vlekken en andere onvolmaaktheden. Ze kunnen de pret niet drukken. Maar toch begrijp ik niet waarom zovele boeken nooit gelezen zijn.

Ik lees niet meer. Ik studeer boeken. Dat is pretentieus van me zo te denken. Maar ik zoek achter ieder woord een tweede betekenis. Ik wil een verklaring vinden. Of geven. En geen periode is daar meer geschikt voor dan een groot verlof. Zodoende moeten trappistlievende medemensen wel even geduld oefenen. Een namiddag op een terrasje zal er ooit wel van komen. Toch zijn deze eerstvolgende drieëndertig dagen aan mezelf, aan mijn vrouw en aan mijn boeken, maar ook aan al die vervelende dagdagelijkse beslommeringen die het voorgaande verzuren, gewijd.

Na elf maanden van moeten, van werken zonder dat ik de groei van hetgeen ik produceer als primordiaal vreugdeverwekkend kan aanzien. Ik moet werken. Maar ja, gelukkig mag ik nog altijd werken. Elf maanden per jaar. En dan komt die ene maand.

Het is vakantie. Het is verlof. Ik mag slapen. Ik mag tuinieren. Ik mag mijn kaktussen verzorgen. Ik mag lezen. Ik mag schrijven. Ik mag fietsen. Ik mag nadenken. Ik mag rusten. Ik mag wandelen. Ik mag zonnen. Ik mag de vaat doen. Ik mag kuisen. Ik mag schilderen. Ik mag mijn hond strelen. Ik mag de schepen van openbare werken uitschelden. Ik mag naar de Ajuinkaai. Ik mag mirabellen plukken. Ik mag aardbeien planten. Ik mag mijn komposthoop bewonderen. Ik mag mijn kiwi's leiden; en mijn passiebloemen ook. Ik mag mijn orchideeën drenken. Ik mag mijn druiven dieven. Ik mag mijn buxus snoeien. Ik mag mijn japanse kerselaar bewonderen. Ik mag mijn klimop wegsnoeien. Ik mag mijn terras herstellen. Ik mag. Eén maand van het jaar mag ik eens iets.

Heel soms, als er even geen maggen aanwezig zijn, zou ik toch een tikkeltje minder willen mogen maggen.

zondag 25 juli 2010

Een kleine opruiming

Er liggen weer stapels op tafel, en mijn echtgenote is in verlof. Het leven en welzijn van een aantal boeken is dus in gevaar, en noodgedwongen doe ik datgene dat zij anders zou doen, sneller, efficienter, maar boek- en verzamelaaronvriendelijk. Toch moet ik mijn papieren vrienden nog even vastpakken alvorens hen naar hun verblijf te zenden. Zoek hier dus geen ordening, geen verband, geen logica, het is zoals ze me nu in handen vallen.

Van Louis De Lentdecker, journalist, historicus en kenner van de Tweede Wereldoorlog, de repressie en zijn gevolgen, heb ik uit de reeks Aktueel nr 13 aangekocht: Flor Grammens 1899-1985. In onnavolgbare stijl beschrijft hij op nauwelijks 90 bladzijden de levenswandel van deze onverzoenlijke, harde flamingant, die nochtans bezield was met de beste bedoelingen. Alleen waren zijn daden niet altijd slikbaar voor iedereen, was zijn levenshouding er één vanuit zijn enge, eigen persoon, en was zijn leven objectief bekeken een ramp. Maar hij was een belangrijk man, een groot Vlaams voorman die, als hij ergens zijn schouders onder stak, dit steeds deed met al zijn energie. Hij is het die de stier aangeleerd heeft op de rode lap te chargeren, en deed dit zelf met overgave en passie, laat daar geen twijfel over bestaan. Hij kon niet anders. Niet zonder humor schaaft Louis De Lentdecker hier en daar een paar scherpe randjes af, toch doet dit niets af aan het waarheidsgehalte van de levensbeschrijving, die allesbehalve een hagiografie kan genoemd worden. De Lentdecker noemt een kat een kat, graaft met zijn journalistieke gaven hier en daar een been op,  waarop zolang geknaagd wordt, dat het al zijn merg moet afgeven, en doet op zijn beurt zijn eer aan als lastige, want journalistiek waarheidsgetrouwe verslaggever.

De Lentdecker is eigenlijk een man, die, net zoals Maurice Dewilde deed voor televisie, aan het graven ging, en voor koning of paus niet uit de weg ging. Hij was niet zo bot, een houding die Dewilde er wel op nahield als het erom ging zijn zin door te drijven. Zo hebben we gigantisch mooie beelden uit een reportage achter de schermen van de beroemde reeks over de collaboratie. Dewilde had een man gevonden die op één of ander aspect van de collaboratie iets te vertellen had, dat mogelijk een primeur was. Alles werd minitieus voorbereid, en de man werd gevraagd de essentie van zijn verhaal op een zeer directe manier te vertellen. Waarop dan de vraag kwam: "En men kan dus besluiten dat X een verrader was?"

De camera"s gingen aan het draaien, de uitleg kwam, en de hamvraag werd gesteld. De man draaide echter angstig rond de pot. Dewilde schold zijn ongelukkige slachtoffer uit voor vuile vis, maande hem aan bij de volgende opname in de pas te lopen, en liet de camera's opnieuw aan het werk. En weer durfde de man niet. Een nieuwe, en zware scheldpartij, gelardeerd met enige welgemeende vloeken waren het gevolg. Die keer heeft hij zijn zin niet gegekregen, maar of het nu om Jan met de Pet ging, ofwel om Léon Degrelle, die hij in Spanje is gaan opzoeken om te interviewen, als ze niet precies deden wat Dewilde wilde, werd Dewilde een woeste wildeman. Ook Degrelle, België's meest beruchte collaborateur, nochtans verbaal niet vlug in het nauw te drijven, kon er in zijn laatste levensjaren van meespreken. De interviews werden voor de oude, nog lang niet moegestreden collaborateur, een ware verschrikking.

De Lentdecker was jonger. Hij was reeds van een andere school. En hij was diplomatischer. Dat laatste speelt hij tenvolle uit in dit boekje. Hij had evengoed kunnen zeggen dat Grammens een wereldvreemde snuiter was. Eigenlijk deed hij dat ook. Maar in zulk een welgekozen bewoordingen, dat je zelfs als tegenstander er vergoelijkend bij begint te glimlachen. En op die manier is het hem onmiddellijk vergeven dat hij zijn sympathie voor Flor Grammens niet onder stoelen of banken kan steken. Een mooi boekje uit 1985.

De Liederenkrans, die ik hier voor me liggen heb, en die vermoedelijk in 1960 gedrukt werd, bevat een bloemlezing uit onze nationale, maar ook internationale liederenschat. Niets nieuws onder de zon, maar voor mij is het eigenlijk het liederboek, zoals dat gepromoot werd voor gebruik in  middelbare scholen van de leerlingen van een generatie vlak voor mij, met respect voor de strekking waarbinnen dit onderwijs gegeven werd. Geen overdaad aan katholiek geïnspireerde liederen dus, maar toch uitdrukkelijk aanwezig. In ons volksleven zijn bijvoorbeeld Kerstliederen niet weg te denken, en het Kerstlied bij uitstek, het beroemde Stille Nacht is niet eens van Vlaamse, maar van Oostenrijkse herkomst. Eigenlijk zou men al die liederen niet moeten scheiden in categorieën, zoals Natuur en Volksleven, Familieleven, Gezelschaps- en verenigingsleven, Canons, Historische liederen, Vlaamse vroomheid, en Liederen uit Vreemde Landen, maar op een andere wijze, meer logisch bij elkaar moeten brengen.  Ik verheug me toch erop de naam Gezelle te ontmoeten, en op muziek van Ghesquiere bijvoorbeeld het Kleengedichtje: "Ik jeune mi daarin" terug te vinden. Ofwel laat mijn geheugen mij in de steek, ofwel is het zangboekje uit mijn middelbare schooltijd, namelijk "Singhet ende weset Vro" niet zo literair aangelegd. Maar het levert wel mooi vergelijkingsmateriaal op.

Wie een keer op een andere manier iets meer wil leren/lezen/weten/en wie weet/zweten, moet het boekje "Abdijen" van Dirk Hanssens, bij Davidsfonds Leuven aanschaffen. In een aantal zogenaamde brieven vertelt de auteur in, over en rond de abdijen die in ons land te vinden zijn. Vooral "rond" is hetgeen me interesseert. Het geloofsleven, dat zijn verblijf in soms/meestal eeuwenoude muren vindt. Want de auteur is ook een abdijbewoner, benedictijnermonnik, en belicht het kloosterleven op zijn manier, ook met zijn eigen benadering. De titel van het boekje is eigenlijk een kunstig werkje grafiek, waarbij de "d" in abdijen eigenlijk moet gelezen worden als de "c" van abc, om dan opnieuw gelezen te worden als "abc abdijen". Mooie vonst.

Dirk Hanssens is niet de eerste de beste. Hij is/was prior van de benedictijnenabdij Keizelsberg in Leuven. Hij weet ook één en ander over poëzie, want naast een welgesmaakt essay over relegie, heeft hij ook de poëzie in hetzelfde literaire genre verwoord. Bij de éénentwintig brieven van dit boekje hoort dan ook telkens een gedicht, dat de nodige ruimte en tijd tot reflectie eist. Eist, niet vraagt. Een eis is de mooiste vorm van een vraag, als ze niet eisend overkomt. En ik ben ervan overtuigd dat voor elk religieus levend mens van om het even welk geloof de eis tot geloof door zijn God niet meer is dan een vriendelijke uitnodiging. Het gedicht van Hubert van Herreweghen, Brak, is intellectueel een raadsel, maar ook een zoektocht naar je innerlijke bestemming, èn de mogelijke (nog verborgen) vondst daarvan, voor de dichter persoonlijk, voor niemand anders, en dus voor iedereen. Want geschreven door een dichter. Als ik hier het copyright schend, vraag ik nederig om vergeving.

Brak

Het is een geur die gij moet vinden,
het is een spoor, geen onderdak.
Ik die de kriebeling beminde
die jong in mijn neusvleugels stak,
ik steek mijn neus in de vier winden
gelijk een afgerichte brak,
gewarige oren, poten strak.
Het is een geur, die ik moet vinden,
het is geen spoor, geen onderdak.
De geuren die de reuk verblindden,
't laf maanzaad en het klef gebak,
't geschifte zuivel in de spinde,
de zure rotting van het wak.
De honig van pioen en linde
verdoolt me en zet mijn poten strak,
mijn natte neus in de vier winden.
Het is een geur die ik moet vinden,
het is een spoor, geen onderdak.
Hubert van Herreweghen.

maandag 12 juli 2010

de hemel of de hel

Boeken kunnen je, zoals zoveel dingen op aarde, naar twee eindbestemmingen leiden. Je gaat als een goed christen mens al lezend naar de hemel, of je gaat als een slecht christenmens naar de hel. De derde mogelijkheid, dat je geen christenmens, goed of slecht, bent, wordt in de handleidingen en reisbeschrijvingen voor deze twee bestemmingen, nooit echt duidelijk uiteengezet. Je wordt bij het lezen van die handleidingen en reisbeschrijvingen a priori verondersteld van het juiste geloof te zijn. Als je het namelijk niet gelooft, ben je met wat je leest niets, want je eindbestemming wordt per definitie toegevoegd aan de tweede mogelijkheid. Eigenlijk is het dus als ongelovige volstrekt tijdverlies om bijvoorbeeld vieze boekjes te lezen. Als je ze leest, ga je naar de hel. Als je ze niet leest ook. Besteed die tijd dus maar aan iets nuttigs. Of aan iets minder nuttigs, als je daar onverhoopt plezier aan zou beleven. Daar hebben de kerkvaders toch een mooi dilemma in hun leer ingebouwd. Waren ze niet al te slim, dom waren ze ook niet.

Wegwijzers naar de Hel.

De zo geroemde auteur, Paul Rodenko, wiens werken nooit op ons lijstje van verplichte literatuur stonden, heeft naast enige stichtelijke vertelsels en verhalen ook nog enige vertalingen en interpretaties afgeleverd, waarvan hij de bron is gaan zoeken bij de rechtstreekse concurrentie van de bedoelde kerkvaders. Uit de 1001 Nachten heeft hij een aantal vertellingen bijeengesprokkeld, die het Ali Baba-niveau verre overschreden, en die het bewijs waren dat de prinses-vertelster wel wist hoe zij best haar hoofd, hals en de rest van haar bevallige lichaam moest bijeenhouden. Het waren onvervalste erotische verhalen, die aan duidelijkheid niets te raden overlieten. Het kan dan ook niet anders dan dat de kerkvaders het niet zo op de concurrentie hadden. Zij vertegenwoordigde de Hel met grote, vette hoofdletter, en de lektuur ervan was niet min of meer dan een instrument van de duivel. Een zestal boekjes van zijn hand werden in de Ooievaarsreeks van Bert Bakkers Pocketuitgaven opgenomen , met als titels: Huwelijksnacht in Duplo, De Maagdenspiegel, De Gestolen Minnaar, Duivelse vertelsels , De Nijvere Nachten van Teobaldo en Het Spiegelbed.

Naast deze werkjes zinkt de Snoecks 2003 bij wijze van spreken in het niets. Maar omwille van de verzameling (en de prachtige reportages, dat heeft deze almanak alvast met de Playboy gemeen, de foto's worden alleen plichtsmatig bekeken) wordt hij toch naar de zolder gebracht.

Wegwijzers die tot enige raad van uw biechtvader nopen.

Van een totaal andere orde is de tweede band van Hoffmans Werke, Herausgegeben von Dr. Viktor Schweizer und Dr. Paul Zaunert, het jaartal is me nog niet duidelijk, te Leipzig und Wien, Bibliographisches Institut in de reeks Meyers Klassiker Ausgaben. Zeer mooi werk alleszins. Maar lezen?


Wegwijzers naar de Hemel.

Rechtstreeks naar de hemel wijzend, zoals het monument aan de Franse grens symbolisch de weg naar Frankrijk aanwijst voor de niet meer bestaande Fransmans, is het driedelig werk "De l'éducation", van Mgr. Dupanloup, Evèque d'Orléans. Het werd in zijn elfde editie uitgegeven bij Jules Gervais te Paris in 1887, en de naam van de auteur laat er geen twijfel over bestaan: opvoeding is een aangelegenheid van christelijk gevormde en geschoolde leraars.

Zou in het Grootseminarie, waar Guido Gezelle zijn uiteindelijke vorming tot priester gekregen heeft, deze lectuur ook op het programma gestaan hebben? Priesters werden in die tijd als de lokale opvoeders bij uitstek aanzien, en in hun jeugdigste dagen als bedienaar van de godsdienst kwamen ze niet zelden gedurende enige jaren als leraar aan de bak. Zo ook Gezelle. Terwijl zijn jaargenoten de een na de ander als kapelaan in een parochie aan de slag gingen, dikwijls na een aanvankelijke leeropdracht, dan promoveerden zij allen na enige jaren tot pastoor, of hoger. Niet zo Gezelle, die haast vanaf de eerste dag de opvoedkundige principes op het kleinseminarie aan de kant zette, en een nauwe band met zijn leerlingen aanging. Het resultaat is gekend: een grondig conflict met zijn onverzoenbare superior Bruno Van Hove en de ezelsstamp uit het kleinseminarie. Na Engelse en andere avonturen gaat hij naar een parochie in Kortrijk, en de jarenlange miskenning van zijn uiteindelijke roeping als dichter, taalkundige en vooral: de miskenning van zijn ultieme wens: als missionaris naar Engeland mogen vertrekken maakten hem tot een verscheurd mens. Hij had daar in Engeland nochtans goede relaties.  Als hij dan ook nog moest vaststellen dat één van zijn lievelingsleerlingen, Hendrik "pouckske" Van Doorne die droom wel waarmaakt, moet de ontgoocheling des te groter geweest zijn. Maar deze boeken, als hij ze al gelezen zou hebben, zijn een lijvige samenvatting van de educatieve en soms zeer repressieve principes, die hij op een totaal andere manier is gaan toepassen.

Eigenlijk is het gemakkelijke en interessante literatuur. Het is opgevat als een voortdurende toespraak, een les ex-cathedra, en leest naar mijn gevoel zeer gemakkelijk. In de inleiding van deel twee stelt de auteur zeer duidelijk zijn te behandelen materie voor: hij stelt het "Personeel" van de opvoeding voor, en behandelt deze in extenso. Le personnel de l'Education, c'est Dieu d'abord, puis le Père, La Mère, l'Instituteur et l'Lenfant, et enfin le Condisciple. Al deze personen worden in hun interactie met de op te voeden persoon en met mekaar, doorgelicht, ondersteboven gehouden, leeggeschud en terug opgevuld. Helaas ontbreekt me weer boekdeel 1, anderzijds is tweemaal meer dan zeshonderd bladzijden vooreeuwse opvoedkundige principes en verklaringen geen vrijetijdsliteratuur. Ik heb Jan Ligthart al verslonden, en bij God, dat was geen sinecure. Maar wel razend interessant. Het woord gemakkelijk dat ik hoger in deze alinea gebruik, moet in zijn juiste context verstaan worden. Maar het vormt wel een mooie aanvulling op mijn Gezellestudie, waarin ik onvermijdelijk ook vragen stel naar de educatieve methodes zoals die in die tijd gepropageerd werden, en de methodes zoals ze toegepast werden. Zoals steeds zijn de meest vooruitstrevende principes meestal gedurende jaren des duivels, en later vervaagt hun impact tot iets marginaals.
Een zeer mooi zangboekje is de 8° uitgave van de Recueil de Cantiques à l'Unisson pour Communautés & Paroisses, in 1924 uitgegeven door het petit Seminaire de Bergerac, onder leiding van Abbé G. Boyer. Christelijke gezangen, van dikwijls latijnse oorsprong, maar voor de Franse gebruiker toch maar in het Frans overgezet. Het latijn als gebruikstaal voor de rituele momenten moet toch steeds voor de eigen taal wijken, terwijl overal waar de franssprekende komt, het Frans voorrang dient te krijgen. Het blijft voor de Vlaming toch steeds een pijnpunt dat hij zijn eigen taal nooit zelf heeft mogen promoten, dat steeds een andere taal hier de wetten kwam stellen. Maar dat terzijde.

dinsdag 6 juli 2010

Een tussendoortje: het gerecht

Ik kon er toch niet aan weerstaan. Omdat ik vanmiddag verlof genomen heb, en dus maar hap-slik-klaar wat achter de kiezen gewerkt heb, vond ik dat als compensatie voor het gebrek aan culinaire zorg er wat gezocht mocht worden in de culinaire afdeling. Een paar jaar geleden ben ik zo op een kookboek van een gekend Belgisch chef uit de jaren veertig en vijftig gestoten, waarvoor ik een op zijn minst gezegd verleidelijk bod heb afgeslagen. Soms moet je dingen die je niet echt kan gebruiken toch bewaren omdat ze zo uniek zijn. Iets waar sommigen, die mijn bibliotheek bekijken niets van snappen. Wat doet een kookboek in een bibliotheek? Hoort dat niet eerder in een keukenkast of -lade thuis?

Nee. Ook het boekje dat ik nu op de kop getikt heb, hoort beslist thuis in zulk een instelling, en dan nog liefst geen openbare, want het bepotelen door handen, die door het gebrek aan eigendomsbewijzen dit kleinood als een verslijtbaar gebruiksvoorwerp zouden aanzien, zou ook de glans van het boekje in weinig tijd teniet doen. Dit moet gezegd worden: ik heb nog nooit zo iets gezien.

Het gerecht, uitgegeven door Homarus Culinaire Uitgeverij is een bibliofiel pareltje, eerder dan een kookboek dat je zo maar even naast de pastasaus neerlegt om met vluchtig aan een doek afgeveegde handen even terug op de juiste bladzijde opengebroken te worden. Het resultaat zou na driemaal gebruik een bibliofiele ramp zijn.

Het is het derde deel van een trilogie, na De Basis en Het Product. Dat ik deze delen niet heb kunnen aankopen, is één van de vele ongemakken die aankopen in het tweedehandscircuit zoals vroeger nog uitgelegd, met zich meebrengen. Het is echter nauwelijks aangeraakt, zoals de gave hardcover en de zuivere randen ervan bewijzen. De titel is met goud in diepdruk aangebracht, en bovenal: de uitvoering is gemaakt met jawel: Goud op Snee!

Een kookboek met goud op snee. Je moet het maar doen. Ik kon mijn ogen niet geloven, deze schoonheid kon ik, ook al niet omwille van mijn grommende maag, zo maar laten liggen. Filip Verheyden heeft de tekst verzorgd, de fotografie is van Tony Le Duc, maar de vormgeving van Katleen Miller krijgt van mij 100% van de punten. Wie de drie werken ineens aankocht in de handel, krijgt er de een evenals de boekjes zelf in zwartlinnen uitgevoerde verzamelbox bij. Tesamen goed voor meer dan 900 bladzijden culinair plezier. Het betreft bovendien de eerste uitgave uit 2006. alle info kun je nakijken op deze website.

Naast deze aanschaf is ook Brehms dierenleven, de achtste druk uit 1972 eindelijk tot mij geraakt. In mijn studentendagen heb ik staan watertanden om dat boek aan te schaffen, maar de geldmiddelen ontbraken. Weer een droompje waargemaakt. In dezelfde atmosfeer bevindt zich het boekje van Jenny De Laet, De Roodborst dichtbij en ver weg. Uitgegeven bij VUBpress, benadert dit werk hetgeen ik graag lees in de afldeling natuur: duidelijke beschrijvingen over een stukje natuur, wetenschappelijk goed onderbouwd, maar toch onderhoudend, en voorzien van de nodige mooie en duidelijke illustraties.

Ook het driemaandelijks tijdschrift Natuur.oriolus heeft met zijn themanummer Roofvogels in Vlaanderen wat mij betreft een hoofdvogel geschoten. Artikels die niet uitblinken in te lange tekstuele omzwervingen, mooie foto's en tekeningen, duidelijke grafieken, een veelheid van weetjes... als ik dat in handen heb denk ik toch wel met enige heimwee terug aan Leuven.

Een poëziebundel, waar ik nog geen blijf mee weet is Schaduw- en lichtrijk straatje zonder eind van Tieben-Hajo Marysienka. Of moet ik zeggen, Daniël Vandenbroecke, dichter-songwriter uit Asper. Wat het boek zo uniek maakt is het grote aantal In Memoriams in dichtvorm voor een aantal mensen die hij gekend heeft, en die een dichterlijk afscheid verdienden. Te lezen, te overdenken. Het werd uigegeven in 2002, en Daniël tekende het, Van harte, voor Raymond en Denise in januari 2003. Zeven en een half jaar later is het van mij.

maandag 21 juni 2010

Stamboom en kwartierstaat

Zowat vijf jaren geleden kreeg ik een mail van mijn broer, en nadat ik er een oppervlakkige blik op geworpen had, heb ik die mail aan de kant gelegd, weliswaar afgedrukt met het idee er later iets mee te doen. Dat is er nooit van gekomen. Tot een paar weken terug.

Ik kreeg enige tijdschriften van "Vlaamse Stam" in handen, en hoewel ik geen fan ben van genealogisch onderzoek, zit er toch een mogelijke bron tot informatie in, die niet onbenut gelaten mag worden. Zo ben ik de genealogie van Filip De Pillecyn en van André Demets op het spoor gekomen, en werden nog een aantal andere interessante persoonlijkheden met hun voorouders op hetzelfde papier geplaatst. Toch wel interessant, dacht ik.

Mijn gebrek aan interesse in de eigen familiestamboom bestond voornamelijk omdat reeds op de eerste bladzijde van de in totaal 23 er een paar pertinente fouten voorkwamen, zodat mijn mening een ietsje te snel gevormd werd: waardeloos.

Door de lectuur en het opzoekingswerk in deze tijdschriften kwam plots het idee dan toch maar eens een kwartierstaat uit te tekenen. Ze was opgemaakt voor mijn broer, en dus volkomen geschikt voor mezelf.

Ik ga u een oeverloze opsomming van voorouders besparen, nergens bespeur ik mensen die in het dagelijkse leven meer geweest zijn dan klompenmakers, arbeiders, spoorwegbedienden, herbergiersters en landarbeiders. Helaas, ik ben geen telg van generaals, noch van Bisschoppen of andere prinsen.

Of misschien toch, want je weet maar nooit. In de vijfde generatie komt namelijk een blinde vlek voor, een N.N. heeft er in een relatie met Anna Maria Billen, waarvan geen geboorte- noch overlijdensdatum vermeld wordt, en evenmin de plaats van geboorte of overlijden. Raar. Dat dit uiteraard niet het geval is met N.N., ligt voor de hand, en dus ook dat zijn ouders en verder voorgeslacht een blinde vlek in de kwartierstaat slaan, is normaal. Of toch niet. Want men moet zich natuurlijk afvragen waarom Anna Maria een persoon zonder gegevens is, daar zij toch de geboorte van haar kind aangegeven heeft, of heeft laten aangeven. Deze dochter draagt ook haar naam, zodat het zeker is dat de vader onbekend was. Maar was die vader wel onbekend? Want, waarom zijn de voorouders van Anna Maria niet gekend? Is zij ergens in een beschermde omgeving gaan bevallen, in een klooster dat in dat soort dingen gespecialiseerd was? Dan zou het begrijpelijk zijn dat bij die overtreding van het zesde en negende gebod door een begrijpende priester en een verstandige gemeenteklerk vergeten werd enige gegevens vast te leggen. Een georkestreerde domheid zou je kunnen zeggen.

Maar er is een tweede uitleg, die niet zo prettig is, en die in familiale kring nog wel eens met enige waas omhuld werd. De blinde vlek boven Anna Maria zou wel eens het gevolg kunnen zijn van het feit dat de vader wel degelijk bekend was. De veronderstellingen zijn dan ook niet van de poes: in de eerste plaats wordt de vader van Anna Maria zelf als mogelijke vader van zijn kleinkind aangegeven. Het zou ook een broer, of zelfs een "Heer" kunnen zijn, door wie het dienstmeisje met een "pakje" naar huis gestuurd werd. Maar als dit laatste geval waar zou zijn, zou het niet nodig geweest zijn de eigen afstamming te negeren. Het volstond de vader met N.N. te omschrijven.

Ik opteer dus wel degelijk voor de incestueuze relatie. In dat geval alleen kon men ertoe besluiten alle gegevens te wissen. Anna Maria ging in een dorp of stad ver uit de buurt bevallen, werd daar dus niet in de bevolkingsregisters ingeschreven (men schreef als geboortedatum 23 juni 1831 op, en de Napoleontische beschikkingen waren reeds volop van toepassing, dat wil zeggen dat de kerkregisters alleen nog door de priesters bijgehouden werden om de religieuze achtergrond van de afstamming en dopen te noteren, maar ook om eventuele "verboden verhoudingen" op te sporen, en "ongelukken" te voorkomen.) Noch in kerkregisters, noch in gemeentelijke boeken wordt over de afstamming van Anna Maria ook maar iets vermeld. Het kind werd geboren, en Anna Maria werd naar huis gestuurd, na een periode van wederopvoeden door niet zo vriendelijke nonnen, weliswaar. Maar ze moet wel haar kind meegekregen hebben. Hetgeen in de toenmalige omstandigheden geen evidentie geweest moet zijn. Heeft zij met de moed der wanhoop haar kind "gestolen", en is zij "over de muur" gevlucht? Of heeft een invloedrijke persoon zijn gezag laten gelden en het op één of andere manier voor mekaar gekregen dat zij tegen elk gebruik in haar kind kon of mocht meegrabbelen? Onbeantwoordbare vragen. We weten alleen dat er een zoon geboren werd, met een moeder zonder ouders, en zonder vader.

Datzelfde kind is één van mijn beide overgrootvaders aan moeders kant, overleden op 3 januari 1900.

Het verhaal wordt nog smeuïger. Ook aan de kant van mijn ander overgrootouderpaar aan mijn moeders kant doet zich een mooi verhaal voor. Louis Theodorus wordt "omstreeks"wordt 1770 geboren, en trouwt omstreeks 1793 met Elisabeth. Ze krijgen acht of negen kinderen, waaronder een zoon Leonardus. Maar Elisabeth sterft in 1833. En dan hertrouwt Louis Theodorus met Anna Elisabeth. Deze vrouw heeft een viertal kinderen, die haar naam dragen, ze zijn dus geboren zonder vader. En hier wil het verhaal dat deze kinderen tussen de andere door verwekt zijn door dezelfde vader, Louis Theodorus. Of met andere woorden, onze Louis was verliefd op Anna Elisabeth. De data bevestigen echter dat zijn huwelijk met Elisabeth  er eentje was van moeten. Zijn oudste kind met haar werd zes maanden na het huwelijk geboren. Louis deed wat hij moest doen, hij trouwde dus met de moeder van zijn ongeboren kind, maar bleef zijn geliefde trouw: zij beviel van vier onechte kinderen. Een jaar na het overlijden van zijn wettige vrouw hertrouwt hij met Anna Elisabeth, zijn oude geliefde. Eén van de kinderen van Anna Elisabeth heet Anna Maria. En die Anna Maria trouwt op 11 oktober 1839 met niemand minder dan het kind uit het eerste huwelijk van Louis Theodurus, namelijk Leonardus! Halfbroer en halfzus trouwen dus, en zes maanden later (ook al weer van moeten dus) wordt hun eerste van 10 kinderen geboren. Het vijfde ervan wordt mijn overgrootmoeder Maria Theresia.

Het verhaal van Louis Theodorus is er dus eentje van omgekeerde ontrouw, en als dat verhaal klopt is het een roman waard.

Als de familielegendes kloppen, en de data passen mooi in mekaar, dan heb ik een mooie familie! Lezen kan ook schadelijk zijn voor de gezondheid. Maar ik laat er mijn slaap niet voor.

De kwartierstaat gaat terug tot in het eerste kwart van de 17de eeuw. Ik heb reeds zes generaties op papier gezet, verder moet ik de vertakking opsplitsen, want het is niet mogelijk nog kleiner te schrijven. Maar ik moet er nog vijf generaties boven bijbreien. Gelukkig voor mij zijn er meer en meer gaten in de informatie, omdat de zoektocht zich op een bepaalde tak van de familie toegespitst heeft. Ik zie er bovendien geen heil in zelf de archieven in te duiken op zoek naar nog enige vermiste personen. Als ik bovendien vaststel welke de moeilijkheden zijn waarmee beslagen onderzoekers te kampen hebben, laat ik de zaken liever blauw-blauw. Met twee mooie verhalen in mijn takkengestel voel ik me al gelukkig genoeg.

Zoals gezegd: lezen kan uw gezondheid schaden. Mijn pijnlijke rug krijgt plotseling een erg plausibele uitleg!

donderdag 10 juni 2010

Toeval bestaat niet

Kolonialisme en België, vernoem deze twee termen en de derde vloeit er zo uit: Kongo/Congo. Maar wij hebben een ouder verhaal in onze geschiedenis staan, over een mislukte poging, die dus de geschiedenisboeken niet gehaald heeft. Op minder dan zes dagen tijd ben ik verwijzingen naar dat avontuur tegen het lijf gelopen in twee verschillende publicaties, die ik in het tweedehandscircuit aangekocht heb, en op één website, die ik zonder de minste voorbedachtheid bezocht heb.

De eerste van die drie zijn een aantal nummers van een tijdschrift voor familiegeschiedenis, van de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde, kortweg de VVF. Terwijl ik eigenlijk geen grote fan ben van het genealogisch opzoekingswerk, moet ik toegeven dat het steeds weer boeiend is kant en klare verslagen te mogen lezen over de kleine en grote problemen die mensen ontmoeten wanneer ze de stoffige archieven van weer een oude parochiezolder, dan wel van een staatsarchief of als het een echte geluksdag is, van een privé-verzameling hebben mogen doorsnuffelen, om haast onleesbaar geworden handschriften te onderzoeken in de hoop weer een takje van één of andere stamboom van een nieuw blaadje te mogen voorzien, of een nieuw takje te laten aangroeien.

In het juli-augustus dubbelnummer van 1997 vond ik een artikel terug met een ietwat geheimzinnige titel: "Wie gaat er mee naar Verapa?" Hierin vond ik naast een boeiende zoektocht ook de voor mij allereerste bron van een dus totaal ongekend stukje vaderlandse geschiedenis.

Toen ik dat artikel goed en wel gelezen had, zat ik een ogenblik met verstomming geslagen, want de auteur geeft aan het einde van zijn verslag een prachtige lijst van documentatie weer, waaruit blijkt dat in de kelders van één of ander gebouw van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Brussel een schat aan informatie verstopt lag/ligt, die toch een belletje deed rinkelen.

Dat belletje kwam door het vluchtig inkijken van een prachtig bewaard boek, vandaag gekocht voor weer eens een piepkleine bijdrage ten opzichte van de uiterlijke zowel als de inhoudelijke waarde ervan. Het betreft het magistrale werk van Karel Van Isacker s.j. : "Mijn land in de kering". Dat boek, waarvan ik helaas alleen het eerste deel heb kunnen bemachtigen, handelt over zowat alle aspecten van het leven in ons land in de periode van 1830 tot 1914. Het tweede deel doet hetzelfde met de periode van 1914 tot 1980. Dat er in die beide boeken een paar overlappingen optreden, is niet meer dan logisch, omdat de geschiedenis en de invloed daarvan op de dagelijkse bekommernissen van de bevolking weliswaar chronologisch rechtlijnig gebeurt, maar dat bepaalde dingen nu eenmaal gebeuren zonder invloed van de kalender, en nog doorzinderen vele jaren nadat het zwaartepunt van die gebeurtenissen voorbij is.

In dat werk wordt onder meer de emigratiegolf in de jaren 1840 tot 1850 behandeld, en het blijkt dat de mensen in die periode van economische wantoestanden wel eens naar andere oorden wilden trekken. Ze werden daarbij niet echt op handen gedragen, maar eerder als luiaards en vluchtelingen aanzien. Ik herlas hetgeen ik net daarvoor gewoon bekeken had, met grotere aandacht voor de tientallen, zoniet honderden kunstwerken en bij het vorderen van het boek ook van de eerste foto's van gebeurtenissen, landschappen en personen (waaronder ook een mooie foto van Guido Gezelle in zijn Kortrijkse periode).

Ik vond wel een algemene uitleg, maar geen woord echter over hetgeen ik in De Vlaamse Stam van het VVF in vraag gesteld zag. Laat me nu net vandaag, in tijden van grote computermoeilijkheden vallen op de inventaris van de verkoop van boeken en manuscripten op de veilingwebsite van het Brusselse veilingshuis The Romantic Agony, die ik sedert iets minder dan een jaar bezoek om het aanbod van het betere boek beter te leren inschatten.

En wat ziet mijn lodderig oog? Onder de categorie Belgicana staat als lot nummer 600 ingeschreven een kleine verzameling boeken en documenten met de kwalificatie: "Very rare collection of books concerning the Belgian colonization in Guatemala." Guatemala, inderdaad. De titel van het artikel in De Vlaamse Stam is niet zo onverstaanbaar als op het eerste zicht lijkt, je moet gewoon even lezen. Dan begrijp je vlug dat de vraag: "Wie gaat er mee naar verapa?" moet geïnterpreteerd worden als : "Wie gaat er mee naar Vera-Paz?".

De Vlaamse volksmens uit die tijd had niet voldoende affiniteit met de Spaanse taal om zulk een rare naam te assimileren, en dus maakte hij er maar een gemakkelijker naam van. Het land zat in een diepe economische crisis. Men had goedkoop vlas ingevoerd uit het buitenland, en in West-Vlaanderen was vlas telen zowat het synoniem van de boerenstiel bedrijven. Een paar misoogsten waren alles wat er nodig was om het land in een zwarte armoede te storten, en weldra werd het platteland overspoeld met mensen die nog slechts met uitgestoken hand aan de kost konden komen. Niet verbazend dus dat ook diefstal en erger schering en inslag werd.

Velen die de moed nog hadden om toch te willen werken voor de kost, trokken weldra over de grens, tot diep in Frankrijk, om daar seizoensarbeid te verrichten. Ze kenden de textielindustrie en het boerenbedrijf. Het verschijnsel splitste zich dan ook vlug uit in twee attitudes: zij die periodisch de grens overstaken, de zogenaamde "Fransmans", om ginder te werken, en die dan hier terugkwamen met (het overschot van) het verdiende geld, om het gezin te onderhouden, of zij die definitief wegtrokken. Dat laatste gebeurde in grote getale: met tienduizenden per jaar werd de Noord-Franse bevolking aangevuld. Het was niet moeilijk: ze wilden werken, en kenden bovendien de taal van de plaatselijke bevolking. Er werd in wat wij hier noemen Frans-Vlaanderen nog levendig (Oud)-Vlaams gesproken, en met hun West-Vlaamse dialecten was er evenveel probleem als voor een Vlaming die in Friesland aan de slag moet. Dat zelfde Oud-Vlaams is nu op sterven na dood, maar kreeg in die periode een laatste opflakkering, vooraleer door de oprukkende verfransing totaal verdrukt te worden.

Anderen gingen op zoek naar een nieuw leven in de nieuwe wereld. De Verenigde Staten waren een populair doelwit, maar ook Centraal-Amerika kwam in zicht, en Guatemala met de mooie landstreek Vera-Paz bood én klimaat én bodem die de Vlaamse landbouwers wel op prijs konden stellen. De taal ... ja dat was één van de grote struikelblokken, één van de vele redenen waarom het experiment uiteindelijk mislukt is. Maar toch vindt men ginder nog graven met Vlaamse namen, en ooit heeft men iemand ontmoet die nog een boek kon voorleggen, dat hij weliswaar niet meer kon lezen, maar dat aan zijn betovergrootouders had toebehoord. In het "Vlaams" geschreven!

Er kan met enige zekerheid, of aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verondersteld worden dat de emigratie naar die verre oorden een duwtje in de rug gekregen heeft van Leopold I, die deze uitweg als een goedkoop alternatief zag voor veel duurdere oplossingen voor de grote economische problemen waarmee hij te kampen had, naast de zware politieke problemen dat het jonge België moest verwerken. Frankrijk liet niets onverlet om zeggenschap te behouden in dit kunstmatige land, en ook het huis van Oranje was niet echt gelukkig met de scheiding. En met Duitsland als aartvijand van Frankrijk, kon dit land niet anders dan niet weten waar eerst de moeilijkheden opgelost. Maar ook de "spontane" emigratie naar Guatemala was een goede test voor hoe het moest ... of niet moest.

In het boek dat ik op dit ogenblik aan het lezen ben, namelijk "Mijnheer Gezelle", van de Nederlandse auteur Michel van der Plas, komt de neerslag van die benepen economische toestand goed tot uiting. De jonge Guido Gezelle moet, net in die periode, omdat zijn vader hem wel wil laten studeren maar het niet kan betalen, een bijbaantje als schoolportier uitvoeren.  Iets waar hij niet echt gelukkig mee geweest is, en van der Plas vertelt dat veel vollediger en met meer onderbouw dan de voorgangers die een biografie of verzameling van gegevens daartoe gepleegd hebben, zoals het bloedeigen neefje van Guido, Caesar Gezelle, of Aloïs Walgrave s.j.

Een ander familielid van Gezelle, Stijn Streuvels heeft die atmosfeer van seizoensarbeid, en dus ook wel een beetje van grensarbeid prachtig opgeroepen, en beschreven in het verhaal De Oogst, dat een dramatiek in zich meedraagt, die eigenlijk behoorde tot het dagelijkse leven van die mensen die uit pure noodzaak hun familie moesten achterlaten om de kost voor hen te verdienen. En het ging toen inderdaad over niet veel meer dan letterlijk: de kost verdienen.

Leopold II zou later met harde hand in Afrika een wingewest uitbouwen, dat enige tijd de indruk gaf voldoende op te brengen, en dat op die wijze tegelijkertijd ook bevolkingsoverschotten aan brood hielp. Maar ook dat is uiteindelijk een fiasco geworden. Centraal-Amerika, als die legende waar is, is een experiment geweest. En Frans van Isacker wist er maar zeer weinig over te vertellen. Het staat niet met zoveel woorden in onze geschiedenisboeken, want het is geen roemrijke geschiedenis.

Maar de archieven bestaan. Als ik het onopvallende feit dat een handvol boeken terzake verkocht worden opgemerkt heb, door weliswaar een samenloop van omstandigheden, dan durf ik dat een zeer mooie vondst noemen. Men zegge het voort.